Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:382

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-01-2021
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
AK_20 _ 1422
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering studiefinanciering vanwege teveel bijverdiensten over 2016; omzetting van genoten studiebeurs in een gift wegens behalen van het diploma; geen aanleiding voor toepassing hardheidsclausule; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/1422

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder,

gemachtigde: mr. G.J.M. Naber.

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser in 2016 teveel heeft bijverdiend waardoor een bedrag van € 4.412,87 van eiser wordt teruggevorderd.

Bij besluit van 9 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2021.

Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank ontleent aan het dossier de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft in het jaar 2016 gebruik gemaakt van het recht op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Aan eiser is over de maanden januari tot en met december 2016 een basisbeurs en/of aanvullende beurs van € 3.467,40 toegekend. Eiser heeft daarbij over het hele jaar 2016 een studentenreisproduct ontvangen met een waarde van

€ 1.195,92.

Bij een controle van de bijverdiensten van eiser aan de hand van de bij de Belastingdienst opgevraagde inkomensgegevens over 2016 blijkt dat er sprake is geweest van teveel bijverdiensten over 2016. Het (toetsings)inkomen van eiser in 2016 bedroeg € 18.402,-. Eiser mocht in 2016 een bedrag van € 13.989,13 bijverdienen.

Verweerder heeft zich in het primaire besluit op het standpunt gesteld dat eiser over het studiefinancieringstijdvak januari tot en met december 2016 een bedrag van € 4.412,87 meer heeft bijverdiend dan was toegestaan en dat het teveel bijverdiende dient te worden teruggevorderd/verrekend. In het bestreden besluit heeft verweerder de terugvordering gehandhaafd.

2. Eiser voert aan dat hij al op 7 januari 2018 bericht heeft ontvangen dat hij de prestatiebeurs over de periode van september 2013 tot en met augustus 2017 niet hoeft terug te betalen. Verder stelt eiser dat de controle te laat is ingesteld omdat een herziening op grond van het bepaalde in artikel 7.1, derde lid, van de Wet Studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) binnen 18 maanden na het einde van het studiefinancieringstijdvak moet plaatsvinden.

3.1

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit rechtmatig is. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat vaststelling van het feit dat er sprake is van meerinkomen geen invloed heeft op het recht op studiefinanciering en er dus geen sprake is van een herziening zoals bedoeld in artikel 7.1, derde lid, van de Wsf 2000. De vordering bestaat niet uit (teveel) toegekende studiefinanciering, in welke vorm dan ook, maar betreft een zelfstandige vordering op de studerende op grond van artikel 3.17 van de Wsf 2000 vanwege genoten inkomen boven de bijverdiengrens. In genoemd artikel staat vermeld dat als iemand meerinkomen heeft genoten, dit kan leiden tot een terugvordering. Een omzetting van de genoten prestatiebeurs in een gift wegens het behalen van een diploma staat dan ook niet in de weg aan het later nog opleggen van een vordering op grond van dit artikel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat verweerder, naar van de zijde van eiser ter zitting is bevestigd, in de brief van 7 januari 2018 heeft vermeld dat er ook na de omzetting van de prestatiebeurs nog controles worden uitgevoerd. Hieruit volgt dat het ook gaat om controles over het tijdvak voor de omzetting, zoals de controle van het door de Belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen over het desbetreffende studiejaar.

3.2

Voor zover eiser heeft gesteld dat het vanwege het tijdverloop niet rechtvaardig is om, na de omzetting van de studiebeurs in een gift, pas in 2020 dit besluit te nemen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder er terecht op wijst dat er geen wettelijke bepaling is waaruit een termijn voor verweerder voortvloeit voor het (nog) kunnen uitvoeren van controles en het nemen van besluiten als hier aan de orde. Verweerder kan pas achteraf, nadat de inkomens-gegevens van een studerende vaststaan en via de Belastingdienst ter beschikking zijn gesteld, controleren of er sprake is van meerinkomen. De werkwijze van verweerder is zo dat een periode gewacht wordt met het opvragen van de voor de controle relevante gegevens, omdat dit niet geïndividualiseerd gebeurt maar voor grote aantallen, zogenoemde ‘bulk’ controles/ gegevens. De rechtbank begrijpt dat het besluit wellicht onverwacht kwam voor eiser, maar acht de periode die is verstreken niet zodanig lang dat dat consequenties zou moeten hebben voor de mogelijkheid van verweerder om zijn bevoegdheid aan te wenden.

3.3.

De rechtbank is voorts niet gebleken van omstandigheden die verweerder aanleiding hadden moeten geven om onder toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van het dwingendrechtelijke artikel 3.17, zevende lid, van de Wsf 2000. Dat eiser feitelijk niet over het inkomen kon beschikken omdat dit deel uitmaakt van de winst uit de maatschap van eiser en zijn ouders, die weliswaar deels aan eiser toekomt, maar gelijk weer in de onderneming wordt gestort, maakt dat niet anders. Dat is immers een vrije keuze van eiser.

3.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht een bedrag van € 4.412,87 van eiser heeft teruggevorderd.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van

M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

de griffier is verhinderd te tekenen rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.