Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3818

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-10-2021
Datum publicatie
13-10-2021
Zaaknummer
264545 / HA ZA 21-154
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Vordering tot afschrift ex artikel 843a wordt afgewezen. Eiseres heeft betwist dat de gevorderde bescheiden (declaraties) bestaan, althans dat deze in het bezit van haar zijn. De declaraties die gedaagde wel heeft ingediend, heeft eiseres overgelegd bij conclusie van antwoord in het incident. Gelet op de verklaring van haar accountant houdt de rechtbank het ervoor dat zij hiermee volledig is geweest en geen verdere bescheiden onder haar berusting heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 264545 / HA ZA 21-154

Vonnis in incident van 6 oktober 2021

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SUMMMA INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Deventer,

2. de vennootschap naar Mexicaans recht

SUPLEMENTOS PARA MASCOTAS MUNOZ MAGANA SA,
gevestigd te Valle Aquascalientes (Mexico),

eisende partijen in de hoofdzaak in conventie, gedaagde partijen in reconventie,

verwerende partijen in het incident,

hierna te noemen Summma, respectievelijk Suplementos,

advocaat: mr. P.J.P. van Huizen

tegen

[X] , handelend onder de naam D’BONE EUROPE,
wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij in de hoofdzaak in conventie, eisende partij in reconventie,

eisende partij in het incident,

hierna te noemen [X] ,

advocaat: mr. B.J.H.L. Brouwer.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 19 maart 2021;

- de incidentele conclusie ex art. 843a Rv, tevens conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie;

- de conclusie van antwoord in het incident.

1.2.

Ten slotte is in het incident vonnis bepaald.

2 Inleiding

2.1.

In de hoofdzaak vorderen Summma en Suplementos in conventie dat de rechtbank [X] veroordeelt tot betaling aan Summma van een bedrag van € 60.197,87, te vermeerderen met rente en buitengerechtelijke kosten en aan Suplementos een bedrag van € 10.000,00, te vermeerderen met rente en buitengerechtelijke kosten. Daarnaast vorderen Summma en Suplementos dat de rechtbank “voorbehoud verleent” teneinde iedere mogelijke schade wegens lasterlijke uitingen ten aanzien van Summma en Suplementos te verhalen op [X] , met veroordeling van [X] in de proceskosten en de nakosten.

2.2.

Summma en Suplementos leggen aan deze vorderingen ten grondslag dat [X] op onrechtmatige wijze gelden van Summma heeft overgemaakt naar zijn eigen rekening en die van zijn bedrijf. Daarnaast is [X] de verplichtingen voortvloeiende uit de artikelen 1.3, 2 en 3 van de managementovereenkomst niet nagekomen. De managementovereenkomst is dan ook beëindigd.

De vordering tot betaling van € 10.000,00 aan Suplementos vloeit voort uit een ‘lening’, die als een soort ‘advanced bonus/commission’ werd gezien. Volgens Suplementos heeft [X] vervolgens echter nooit een prestatie verricht die recht zou geven op enige commissie, zodat de advanced bonus/commission onverschuldigd is betaald en [X] deze dus terug moet betalen.

2.3.

[X] voert verweer en heeft verschillende vorderingen in reconventie ingesteld.

3 Het geschil in het incident

3.1.

[X] vordert van Summma op grond van artikel 843a Rv overlegging van de administratie waaruit blijkt dat er geen sprake is van onrechtmatige betalingen. [X] vordert inzage dan wel afschrift van:

1. de ordner met opschrift ‘facturen’, die zich ten tijde van de werkzaamheden van [X] op kantoor [plaats] bevond;

2. een uitdraai van de digitale ingescande declaraties op de C-schijf van de computer waarmee [X] op kantoor werkte en die - voor zover hij weet - zich nog steeds daar bevindt;

3. een uitdraai van de gescande declaraties die zich bevinden op de server van Summma, waarschijnlijk onder de noemer ‘ [X] Declaraties’.

3.2.

[X] voert hiertoe aan dat zich in de administratie declaraties bevinden van zakelijke kosten die [X] uit eigen zak heeft betaald of van betalingen die zijn te beschouwen als aan [X] toekomende beloningen. De net opgerichte onderneming kwam moeilijk van de grond, wat betekende dat [X] zakelijke kosten uit eigen middelen heeft voorgeschoten. Deze kosten heeft [X] via een (fysiek) declaratieformulier bij Summma gedeclareerd. De formulieren werden in een ordner opgeborgen en later gescand en vanuit de zakelijke e-mail van [X] verzonden. [X] heeft geen toegang meer tot de gegevens, maar deze zijn nog wel digitaal beschikbaar en in het bezit van Summma, aldus [X] .

3.3.

Summma concludeert tot afwijzing van de vordering van [X] . Summma voert aan dat zij geen facturen van [X] heeft ontvangen die deze bedragen verantwoorden. De stukken bestaan niet, althans zijn niet in het bezit van Summma. Ter onderbouwing overlegt Summma alle volgens haar accountant door [X] aan de accountant gezonden e-mails met bijlagen. Daarnaast is het volgens Summma niet aannemelijk dat [X] zakelijke kosten heeft voorgeschoten, omdat er geld op de rekening van Summma stond. Tot slot kan het bewijs dat sprake is van het voorschieten van zakelijke kosten volgens de conclusie van antwoord van [X] blijkbaar ook op een andere manier worden geleverd, namelijk aan de hand van bankafschriften, aldus Summma.

4 De beoordeling

in het incident

4.1.

Artikel 843a lid 1 Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Aan de toewijsbaarheid van een dergelijke vordering verbindt het artikel vier cumulatieve voorwaarden: (1) de eiser dient een rechtmatig belang te hebben en het moet gaan om (2) bepaalde bescheiden (3) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is, waarbij (4) degene van wie de bescheiden worden gevraagd deze te zijner beschikking of onder zijn berusting moet hebben. Degene die inzage in of afschrift van bescheiden wenst, zal moeten stellen dat aan de vereisten van artikel 843a Rv is voldaan.

4.2.

[X] heeft gesteld dat de declaraties zich in de administratie van Summma moeten bevinden, want hij heeft ze fysiek ingediend en in het najaar van 2020 ingescand en naar de accountant verzonden. Summma heeft betwist dat de gevorderde bescheiden bestaan, althans dat deze in het bezit van Summma zijn. Volgens Summma heeft [X] geen declaraties ingediend die de overgemaakte bedragen verantwoorden. De declaraties die [X] wel heeft ingediend, heeft Summma overgelegd bij conclusie van antwoord in het incident. Gelet op de verklaring van haar accountant houdt de rechtbank het ervoor dat zij hiermee volledig is geweest en geen verdere bescheiden onder haar berusting heeft. Wat betreft [X] belang bij de vordering schijnt het de rechtbank verder toe dat de door hem nagestreefde onderbouwing van zijn verweer dat hij zakelijke kosten van ‘uit eigen zak’ heeft voorgeschoten logischerwijs eerder in zijn eigen persoonlijke administratie dan in die van Summma moet worden gezocht. De rechtbank zal de incidentele vordering van [X] dan ook afwijzen.

4.3.

[X] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit incident, tot op heden aan de zijde van Summma en Suplementos begroot op € 563,00 aan salaris gemachtigde (1 punt x tarief € 563,00).

in de hoofdzaak

4.4.

De rechtbank zal bepalen dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 20 oktober 2021 voor beraad;

4.5.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [X] in de kosten van dit incident, aan de zijde van Summma en Suplementos begroot op € 563,00 aan salaris gemachtigde;

in de hoofdzaak

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 20 oktober 2021 voor beraad;

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2021.