Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3713

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-10-2021
Datum publicatie
05-10-2021
Zaaknummer
08-278092-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 46-jarige man tot een taakstraf van 30 uur voor het aanranden van een 15-jarig meisje. De man werkte in een supermarkt waar hij aan de billen van het meisje zat die daar met haar moeder aan het winkelen was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-278092-20 (P)

Datum vonnis: 1 oktober 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1975 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 september 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. C.P. Dronkers en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. J.B.A. Kalk, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [aangever 1] heeft aangerand door haar bij de bil(len) aan te raken en/of haar bil(len) te betasten;

feit 2: [aangever 2] heeft aangerand door haar bij de bil(len) aan te raken en/of te haar bil(len) betasten.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op of omstreeks 27 februari 2020 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door in een winkelpand nabij nader te noemen [aangever 1] te gaan staan en/of (daarbij) zijn hand (vanachteren) op/tegen de bil(len) van die [aangever 1] te leggen/houden [aangever 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het onverhoeds (vanachteren) aanraken en/of betasten van haar bil(len);

2

hij op of omstreeks 27 februari 2020 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door nader te noemen [aangever 2] (staande in een winkel voor een koelruimte) vanachteren op zeer korte afstand te passeren en/of (daarbij) met zijn, verdachtes, hand de bil(len) van die [aangever 2] aan te raken en/of te betasten [aangever 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het onverhoeds (vanachteren) aanraken en/of betasten van haar bil(len).

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsmotivering

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen voor beide tenlastegelegde feiten wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Volgens de raadsman is bij geen van beide feiten sprake geweest van een aanraking, en voor zover daarvan wel sprake was, was dit niet intentioneel, laat staan met seksuele lading, zodat het ontuchtig karakter van de gedraging ontbreekt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feit 1

[aangever 1] heeft aangifte gedaan van aanranding. Aangeefster heeft verklaard dat zij op 27 februari 2020 samen met haar moeder in de [supermarkt] aan de [adres supermarkt] bij de cosmetica-afdeling stond toen een man aan haar kont zat. Aangeefster voelde een stevige aanraking op haar rechter bil. Aangeefster wist dat het de hand van die man was, aangezien er verder niemand in de buurt stond. Getuige [getuige] heeft bij de politie verklaard dat zij al een aantal jaren bij de [supermarkt] werkt en dat een vrouw haar aansprak bij de kassa. Deze vrouw was samen met haar dochter. De vrouw vroeg waar zij een klacht kon indienen. [getuige] verwees haar toen naar de filiaalmanager. De vrouw zei tegen [getuige] dat hij aan haar dochter had gezeten. Met hij bedoelde ze de filiaalmanager. Op dat moment was er volgens [getuige] maar één filiaalmanager aan het werk, genaamd [verdachte] . Er zijn camerabeelden van de [supermarkt] aan de politie ter beschikking gesteld. Verbalisant [verbalisant] heeft beschreven dat op de beelden te zien is dat verdachte naar de vakken rechts naast aangeefster loopt. Hij buigt iets voorover en legt in deze beweging vervolgens zijn linker hand op de rechter bil van aangeefster. Op een aantal screenshots van de camerabeelden is te zien dat verdachte met zijn linker hand aangeefster bij haar rechter bil aanraakt.

Op basis van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte aangeefster [aangever 1] op 27 februari 2020 bij haar bil heeft aangeraakt door voorover te buigen en in die beweging zijn linker hand op de rechter bil van aangeefster te leggen. De rechtbank is van oordeel dat het bij de bil aanraken van aangeefster op de wijze als hierboven beschreven gekwalificeerd moet worden als ontuchtige handeling als bedoeld in artikel 246 Sr. Het aanraken van de bil is naar har aard een handeling van seksuele aard die in strijd is met een sociaal-ethische norm. Verder is de rechtbank van oordeel dat sprake is van het door een feitelijkheid dwingen tot het dulden van ontuchtige handelingen als bedoeld in artikel 246 Sr, nu aangeefster door het onverhoedse karakter van het handelen van verdachte overvallen werd en zich niet tijdig kon verzetten. Verdachte heeft haar immers onverwachts aangeraakt.

De rechtbank acht daarmee het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.3.2

Feit 2

[aangever 2] heeft aangifte gedaan van aanranding. Aangeefster heeft verklaard dat zij op
27 februari 2020 samen met haar dochter [aangever 1] bij de [supermarkt] aan de [adres supermarkt] (O) was. Aangeefster stond met haar gezicht naar de koeling om iets te pakken toen zij opeens iets merkte en dacht: ‘Zit er iemand aan mijn kont?’. Aangeefster zag toen een personeelslid langs haar heen lopen. Verder was er niemand. Aangeefster voelde echt dat er iemand aan haar kont zat. Aangeefster dacht wel dat zij het zich had ingebeeld. Er zijn camerabeelden van de [supermarkt] aan de politie ter beschikking gesteld. Verbalisant [verbalisant] heeft beschreven dat op de beelden te zien is dat aangeefster naar de koeling loopt en dan links van verdachte staat. Verdachte staat op en loopt met een klein bochtje achter aangeefster langs. Hij pakt een doos met producten en loopt terug achter aangeefster langs. Bij het langslopen achter aangeefster is de hand van verdachte ter hoogte van de billen van aangeefster. De verbalisant heeft beschreven dat niet te zien is of de hand daadwerkelijk de billen van aangeefster raakt.

De rechtbank is op basis van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat vastgesteld kan worden dat verdachte bij het passeren van aangeefster met zijn hand dicht langs de billen van aangeefster bewoog. Niet duidelijk blijkt dat verdachte bij dit passeren een beweging richting aangeefster heeft gemaakt om vervolgens haar billen aan te raken. De inhoud van het dossier, te weten de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen van het uitkijken van de camerabeelden, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat sprake is van wettig en overtuigend bewijs. Verdachte zal daarom voor dit feit worden vrijgesproken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 februari 2020 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), door een feitelijkheid, te weten door in een winkelpand dicht nabij nader te noemen [aangever 1] te gaan staan en daarbij zijn hand vanachteren tegen de bil van die [aangever 1] te houden [aangever 1] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het onverhoeds vanachteren aanraken van haar bil.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis.

7.2

Het standpunt van de verdediging

In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte nog nooit met justitie in aanraking is geweest. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met de omstandigheden dat verdachte zijn baan kwijt is geraakt, dat het gaat om slechts een zeer kortstondige, eenmalige aanraking zonder kracht zoals knijpen of vastpakken en dat geen sprake is geweest van een vorm van fysiek geweld. Tenslotte heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met het tijdsverloop in deze zaak.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Hij heeft in een supermarkt een vijftienjarig meisje lastig gevallen door haar van achteren te benaderen en haar vervolgens bij haar bil aan te raken. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Verdachte is volledig voorbij gegaan aan de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer en de rechtbank neemt hem dit kwalijk.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 juli 2021. Daaruit volgt dat verdachte nooit eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 10 maart 2021. Hierin komt naar voren dat verdachte een relatie van ongeveer twintig jaar achter de rug heeft die enkele jaren geleden werd beëindigd nadat zijn partner vanwege diverse problemen in psychotherapeutische behandeling ging. Verdachte en zijn ex-partner hebben drie kinderen, waarvan met name de oudste de nodige zorg behoeft vanwege de diagnose ASS. Verdachte heeft sinds twee jaren een nieuwe relatie. Verdachte wil niet te hard van stapel lopen in deze relatie om daarmee te voorkomen dat zijn kinderen en de kinderen van zijn nieuwe partner beschadigd zouden kunnen raken. Bij verdachte werd ongeveer tien jaren geleden, nadat hij in de ziektewet kwam met een burn-out, door GGZ Mediant de diagnose bipolaire stoornis vastgesteld. Nadat hij werd ingesteld op medicatie, werd verdere behandeling binnen de GGZ niet noodzakelijk geacht. De reclassering is van mening dat – mocht verdachte schuldig worden bevonden – het erop lijkt dat sprake is van een incidenteel karakter, waardoor begeleiding en behandeling op dit moment niet zijn aangewezen. Het recidiverisico wordt dan ook ingeschat als laag.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met zijn blanco Justitiële Documentatie, zijn positieve persoonlijke omstandigheden en het tijdsverloop in deze zaak. De rechtbank acht, alles afwegend, een taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen vervangende hechtenis passend en geboden.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c en 22d Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 30 (dertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. A.M. Rikken en mr. M.S. de Waard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Gottemaker, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2021.

Buiten staat

Mr. Van Holten is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2020091746. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] van 4 maart 2020, pagina’s 5 tot en met 9, onder meer inhoudende:

V: Wat is de reden dat je aangifte wilt doen?

A: Omdat ik best wel jong ben en die man is oud. Ik vind het niet normaal dat hij aan mijn kont zit en ik vind dat hij dat sowieso niet moet doen.

V: Vertel ons eens stapje voor stapje wat er allemaal gebeurde toen je in de supermarkt kwam?

A: We gingen naar de cosmetica. Die man (ik bedoel die oudere man) kwam ook naar de cosmetica lopen. De man kwam in de buurt en toen zat hij aan mijn kont. Ik schrok hiervan en liep naar mijn moeder. Ik zei: ‘Kom we gaan hier weg’. Ik vertelde haar dat die man aan mijn kont had gezeten.

V: Wat voelde je toen precies?

A: Aanraken, maar wel stevig.

V: Hoe weet je dat het de hand van die man was?

A: Omdat er verder niemand in de buurt stond.

2. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] van 15 juli 2020, pagina’s 17 tot en met 19, onder meer inhoudende:

V: Wie ben jij?

A: Ik ben [getuige] en ik werk al een paar jaar bij de [supermarkt] .

V: Wie sprak jou aan bij de kassa?

A: Een vrouw van middelbare leeftijd. Ze was met haar dochter.

V: Wat heeft deze vrouw tegen jou gezegd?

A: Ze vroeg waar ze een klacht in kon dienen. Ik verwees haar toen naar de filiaal manager.

V: Over welke medewerker van de [supermarkt] zou het gaan?

A: Ik vroeg kort aan de vrouw wat er aan de hand was. De vrouw zij toen dat hij aan haar dochter zat. Met hij bedoelde ze de filiaalmanager. Op dat moment was er maar 1 filiaalmanager aan het werk.

V: Wie was die filiaalmanager dan?

A: [verdachte] .

3. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 23 juli 2020, pagina’s 37 tot en met 39, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb de bewegende camerabeelden bekeken. [verdachte] komt in beeld. [verdachte] loopt naar de vakken rechts naast [aangever 1] . Hij buigt iets voorover en legt in deze beweging vervolgens zijn linker hand op de rechter bil van [aangever 1] .

4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv Wetboek van Strafvordering, te weten de screenshots van de camerabeelden, als bijlage gehecht aan het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , pagina’s 47 tot en met 50.