Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3655

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-09-2021
Datum publicatie
30-09-2021
Zaaknummer
C/08/241537 / FA RK 19-3129
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vrouw weigert medewerking aan DNA-onderzoek m.b.t. minderjarig kind. Verzoek vervangende toestemming tot erkenning toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle

team familie- en jeugdrecht

zaaknummer: C/08/241537 / FA RK 19-3129

beschikking van 15 september 2021

inzake

[verzoeker] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat: mr. E.G. Blankestijn,

en

1 [belanghebbende 1] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat :mr. K.J. Kanning,

2 [belanghebbende 2]

verder te noemen: bijzonder curator,

kantoorhoudende te Zwolle,

belanghebbenden.

1 Het procesverloop

Bij (tussen)beschikking van deze rechtbank van 18 december 2020 is als volgt bepaald:

"I. veroordeelt de man en de vrouw mee te werken via een door de man aan te wijzen onderzoeksinstituut, zoals bijvoorbeeld Verilabs te Gouda of het Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis, afdeling Klinisch Chemisch Laboratorium, C60, gevestigd te Nijmegen, aan een onderzoek naar de samenstelling van het DNA van de vrouw, het uit haar geboren [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , alsmede het DNA van de man, binnen 30 dagen na dagtekening van deze beschikking, en waarbij dit instituut op grond van zijn onderzoek zijn oordeel zal geven over de vraag of de man de vader van [minderjarige] kan zijn, alsmede de mate van waarschijnlijkheid dat hij de vader is;

II. bepaalt dat het onderzoeksinstituut het onderzoek aldus inricht dat uit het onderzoeksrapport blijkt dat [minderjarige] tezamen met de vrouw - de vrouw en [minderjarige] beiden gelijktijdig in persoon en aan de hand van verifieerbare geldige legitimatie (id-kaart, rijbewijs of paspoort) - heeft deelgenomen aan het DNA-onderzoek en waarbij uit het onderzoeksverslag tevens blijkt dat/of de vrouw de biologische moeder is van [minderjarige] ;

III. bepaalt dat de man de kosten van dit door hem te bepalen onderzoek betaalt tot een maximum van

EUR 500,- en dat de vrouw het meerdere van de kosten dient te dragen, in zoverre dat de vrouw thans wordt veroordeeld het meerdere boven EUR 500,- voor wat betreft eventueel door de man gemaakte / te maken onderzoekskosten aan de man te vergoeden binnen 10 dagen na datum van de factuur, en te vermeerderen met de wettelijke rente;

IV. veroordeelt de vrouw tot betaling van een aan de man te verbeuren dwangsom van

EUR 250,- voor iedere dag dat de vrouw op eerste verzoek van de man in gebreke is aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van EUR 10.000,-;

V. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

VI. houdt de beslissing aan, voor zover betrekking hebbend op:

- het verlenen van vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige] ,

- het vaststellen van een omgangsregeling / zorgregeling,

- de wijziging van het gezag;

alvorens verder te beslissen

VII. verzoekt partijen zich uiterlijk op maandag 1 maart 2021 uit te laten over de uitkomst van het DNA-onderzoek en over het verdere verloop van de procedure."

Daarna heeft de rechtbank kennis genomen van de volgende stukken:

- een op 15 maart 2021 binnengekomen brief van mr. Kanning;

- een op 1 april 2021 binnengekomen brief van mr. Blankestijn;

- een op 29 april 2021 binnengekomen brief van mr. Blankestijn;

- een op 27 mei 2021 binnengekomen brief van mr. Kanning;

- een op 9 juni 2021 binnengekomen brief van mr. Blankestijn;

- een op 30 augustus 2021 binnengekomen brief van mr. Kanning met bijlagen.

2 De feiten

2.1.

Uit de vrouw is geboren het navolgende minderjarige kind:

[minderjarige] , verder te noemen [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .

2.2.

[minderjarige] is niet erkend.

2.3.

De vrouw oefent van rechtswege alleen het ouderlijk gezag uit.

2.4.

[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

2.5.

Bij beschikking van deze rechtbank van 22 januari 2020 is [belanghebbende 2] , advocaat te Zwolle, tot bijzonder curator benoemd.

3 De beoordeling

3.1.

Thans zijn nog aan de orde de verzoeken van de man om hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [minderjarige] , wijziging van het gezag en het vaststellen van een zorgregeling/omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] .

Vervangende toestemming tot erkenning

3.2.

Op grond van artikel 1:204 lid 3 BW kan de rechtbank de toestemming van de vrouw

wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaar of ouder, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen vervangen, tenzij dit de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrag komt. Hiervoor dient de persoon die het kind wil erkennen de verwekker van het kind te zijn of de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.

3.3.

De man heeft getracht toestemming van de vrouw te krijgen voor de erkenning, maar zij heeft geweigerd. Hij stelt dat hij de verwekker is van [minderjarige] . De man verzoekt de rechtbank zijn verzoek toe te wijzen nu de vrouw kennelijk niet wenst mee te werken aan een DNA-onderzoek. In de beschikking van 18 december 2020 is de vrouw bevolen mee te werken aan een DNA-onderzoek. Tot op heden heeft de vrouw hieraan niet meegewerkt, omdat zij om haar moverende redenen niet wil meewerken. De man acht de door de vrouw overgelegde stukken waaruit zou moeten blijken dat zij vanaf december 2020 tot heden niet heeft kunnen meewerken aan een DNA-onderzoek onvoldoende. De vrouw kiest er kennelijk bewust voor niet te willen meewerken. De gevolgen daarvan zijn voor de vrouw.

3.4.

De vrouw heeft gesteld dat zij om medische redenen niet in staat is om mee te werken aan een DNA-onderzoek. De vrouw heeft om haar stelling te onderbouwen haar medisch dossier (deels) overgelegd. De vrouw ondergaat momenteel allerlei medische onderzoeken (neuroloog, longarts, KNO-arts) om te kijken wat er aan de hand is. De vrouw kan niet inschatten wanneer zij wel in staat is om deel te nemen aan een DNA-onderzoek. De vrouw sluit niet uit dat wellicht een andere man de vader is.

3.5.

De bijzonder curator stelt dat het voor [minderjarige] van belang is om te weten wie haar biologische vader is. Wellicht kan DNA bij [minderjarige] worden afgenomen, bijvoorbeeld omdat een ander met [minderjarige] meereist of doordat bij de vrouw en [minderjarige] in haar thuissituatie DNA wordt afgenomen.

3.6.

De raad adviseert de rechtbank de erkenning toe te wijzen.

3.7.

De rechtbank overweegt als volgt.

Na de mondelinge behandeling op 14 december 2020 heeft de vrouw meermalen niet genoegzaam onderbouwd aangegeven dat ze te ziek is om aan een DNA-onderzoek deel te nemen. Daags voor de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw bescheiden ingebracht die naar oordeel van de rechtbank geen respectievelijk onvoldoende onderbouwing bieden voor de stelling van de vrouw dat zij niet in staat is (geweest) om gedurende de afgelopen negen maanden mee te werken aan het in de beschikking van deze rechtbank van 18 december 2020 bevolen DNA-onderzoek en evenmin aan een DNA-onderzoek dat op een andere wijze wordt vormgegeven dan zoals bevolen in de beschikking van 18 december 2020. In het bijzonder valt in dit geval te denken aan het laten plaatsvinden van een DNA-onderzoek in haar eigen woning door middel van het afnemen van DNA bij [minderjarige] en de vrouw. Voorts heeft de vrouw niet onderbouwd gesteld dat sprake is van een andere verwekker dan de man.

3.8.

In het licht van de verklaring van de vrouw ten overstaan van de bijzonder curator kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat de vrouw er alles aan gelegen is om de man uit het leven van [minderjarige] te bannen. Nu de opgelegde dwangsommen geen effect hebben gesorteerd en deze mogelijk vanwege het ontbreken van financiële middelen geen effect zullen sorteren heeft de rechtbank na ampele overweging besloten dat het middel van gijzeling naar verwachting evenmin effect zal sorteren. En daarmee is in feite een patstelling ontstaan die niet anders kan worden doorbroken dan door toewijzing van hetgeen de man heeft verzocht. Het kan niet zo zijn dat de juridisch niet onderbouwde stellingen van de vrouw het door de man beoogde resultaat van zijn verzoek dwarsbomen. Om die reden zal de rechtbank het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [minderjarige] toewijzen.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.9.

Uit artikel 1:203 lid 2 BW volgt dat de erkenning gevolg heeft vanaf het tijdstip waarop zij is gedaan. Nu de persoon aan wie de vervangende toestemming tot erkenning is verleend, pas kan erkennen op het moment dat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, is een uitvoerbaar bij voorraad verklaring op dit onderdeel niet mogelijk.

Beëindiging taak bijzondere curator

3.10.

De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzonder curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht één van partijen een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.

3.11.

De rechtbank zal beslissen zoals hieronder staat vermeld.

Het gezag

3.12.

De man heeft verzocht hem samen met de vrouw met het gezag over [minderjarige] te belasten. De man is van mening dat er geen onaanvaardbare risico’s bestaan dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders. De man wil graag een rol in het leven van [minderjarige] spelen en een betrokken vader voor haar zijn.

3.13.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.14.

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.15.

Uitgangspunt van de wetgever is dat partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen over [minderjarige] . De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van één van de eerdergenoemde omstandigheden van artikel 1:253c BW, die maken dat het verzoek zou moeten worden afgewezen.

3.16.

De rechtbank zal beslissen zoals hieronder staat vermeld.

De zorgregeling

3.17.

De man heeft de rechtbank verzocht een zorg/omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] aanvankelijk 2 uur per week en na verloop van tijd een weekend per twee weken bij hem zal zijn van vrijdagavond tot en met zondagavond, alsmede de helft van de vakanties en de feestdagen.

3.18.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.19.

De ouders zijn samen belast met het ouderlijk gezag. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Ingevolge het tweede lid van voormeld artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of één van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:

  1. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

  2. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

  3. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;

  4. e wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.

3.20.

Met het oog op de opbouw van de zorgregeling zal de rechtbank het volgende bepalen:

- gedurende de komende twaalf maanden, twee uur per week, de ene week op zaterdag en de andere week op zondag, zoals hieronder bepaald;

Hoewel de man en [minderjarige] elkaar niet kennen is er geen reden gesteld noch gebleken om de regeling onder begeleiding te laten plaatsvinden. Indien [minderjarige] in een dagverblijf zou verblijven wordt ze ook toevertrouwd aan (in aanvang) onbekende verzorgers.

3.21.

De rechtbank zal beslissen zoals hieronder staat vermeld.

3.22.

De rechtbank merkt hierbij het volgende nog op.

De rechtbank geeft partijen dringend in overweging om, zo nodig met hulp van een deskundige derde, met elkaar afspraken te maken over wijze waarop zij op een constructieve manier gaan communiceren over het wel en wee van [minderjarige] en de uitvoering van de zorgregeling. Het belang van [minderjarige] vergt dit van hen.

De beslissing

De rechtbank:

I. verleent vervangende toestemming tot erkenning door de man van het kind:

[minderjarige] , verder te noemen [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ;

II. beschouwt de taak van de bijzonder curator als beëindigd, tenzij een rechtsmiddel wordt ingesteld;

III. bepaalt dat de man samen met de vrouw met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] wordt belast;

IV. stelt een zorgregeling tussen de man en [minderjarige] vast, inhouden dat [minderjarige] bij de man verblijft:

- gedurende de komende twaalf maanden, twee uur per week, de ene week op zaterdag en de andere week op zondag, qua dag en tijdstippen door de man te bepalen;

V. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en voor wat betreft het bepaalde in de onderdelen I. III. en IV., na het in kracht van gewijsde gaan van de erkenning door de man;

VI. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.M. Rijksen, in tegenwoordigheid van J. Pol als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2021.