Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3534

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
08/045754-21 en 08/211093-20 (gev. ttz) en 08/275866-19 (tul)(P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor het gooien van een handgranaat in een achtertuin in Almelo is een 30-jarige man veroordeeld tot een celstraf van 5 jaar. De granaat ontplofte terwijl de bewoners lagen te slapen. Er raakte niemand gewond. Ook maakte hij zich schuldig aan pinnen met een gestolen pinpas.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08/045754-21 en 08/211093-20 (gev. ttz) en 08/275866-19 (tul)(P)

Datum vonnis: 14 september 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de BRP op het adres van P.I. Almelo aan de Bornsestraat 333, 7601 PB Almelo en daar ook verblijvende.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 augustus 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G.C. Pol en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. D.C. Vlielander, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

In de zaak met parketnummer 08/045754-21

De verdenking komt er na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 1 juni 2021, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte een handgranaat bij de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft laten ontploffen, waarbij gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en hun buren [slachtoffer 3] en anderen is ontstaan (primair), dan wel dat verdachte een handgranaat heeft gehad (subsidiair).

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 11 september 2020 te Almelo opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een handgranaat in de richting van een woning (gelegen aan de [adres 1] ) te gooien en/of tot ontploffing te brengen, en daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of omringende woningen en/of de in die woningen aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de in die woning aanwezige personen en/of voor de in omringende woningen aanwezige personen (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meerdere andere personen), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning aanwezige personen en/of voor de in omringende woningen aanwezige personen (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] en/of een of meerdere andere personen), in elk geval gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 september 2020 te Almelo, in elk geval in Nederland een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een handgranaat, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing heeft gedragen en/of voorhanden heeft gehad.

In de zaak met parketnummer 08/211093-20

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 3 juli 2020 [slachtoffer 4] heeft beledigd door in haar richting te spugen;

feit 2: op 6 juli 2020 met een gestolen pinpas en pincode geldbedragen heeft gestolen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 3 juli 2020 te Almelo opzettelijk [slachtoffer 4] in haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 4] te spugen, terwijl hij, verdachte, zich op zeer korte afstand bevond van voornoemde [slachtoffer 4] ;

2.

hij op of omstreeks 6 juli 2020 te Almelo, een of meerdere geldbedragen (in totaal ongeveer €180,20) in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door (zonder toestemming) gebruik te maken van de bankpas van voornoemde [slachtoffer 5] en/of de (bij die bankpas horende) pincode.

3 De voorvragen

In de zaak met parketnummer 08/045754-21

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

In de zaak met parketnummer 08/211093-20

Geldigheid dagvaarding en bevoegdheid rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.

Ontvankelijkheid officier van justitie

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van het onder feit 1 ten laste gelegde, omdat het dossier geen klacht van aangeefster bevat en daarmee niet voldoet aan het bepaalde in artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De rechtbank verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte van feit 2.

Overige voorvraag

De rechtbank heeft tot slot vastgesteld dat er geen redenen voor schorsing van de vervolging zijn.

4 De bewijsmotivering

4.1

In de zaak met parketnummer 08/045754-21

4.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.1.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat de betrouwbaarheid van het DNA-onderzoek, dat als enige bewijsmiddel in de richting van de verdachte wijst, in onvoldoende mate toetsbaar is, nu uit het dossier niet blijkt waar het DNA precies is aangetroffen en evenmin is onderzoek gedaan naar de aard van het celmateriaal. Nu niet kan worden vastgesteld om wat voor soort materiaal het gaat, kunnen geen conclusies getrokken worden over de vraag naar de verplaatsbaarheid van het DNA-materiaal en de relevantie daarvan. Voorts heeft de raadsman betoogd dat het dossier daarnaast geen enkel ander bewijsmiddel richting verdachte bevat.

4.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 11 september 2020, kort na middernacht, is in de achtertuin van de woning van

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan de [adres 1] in Almelo een handgranaat ontploft.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij in de avond van 10 september 2020 voordat hij om 23.15 uur naar bed ging, de lampen en de TV heeft uitgedaan en dat de buitenverlichting is blijven branden. Zijn partner, [slachtoffer 2] , was na half tien al naar bed gegaan. [slachtoffer 1] kon de slaap niet vatten en is op een gegeven moment naar beneden gegaan om twee paracetamols in te nemen. Toen [slachtoffer 1] weer in bed lag hoorde hij een knal.

Beneden gekomen en kijkend naar de ramen aan de achterzijde van de woning zag [slachtoffer 1] in het licht van de in de achtertuin brandende lamp slierten op de ramen, die later scheuren in het glas bleken te zijn. In de woonkamer zag hij wit poeder dwarrelen en er hing wat in de lucht. [slachtoffer 1] rook het ook. Aan de achterzijde van de woning zag hij dat er gaten in de ruiten zaten. Hij voelde buiten dat er wat op de grond lag en trapte ergens op. Ook zag hij dat er een gat in de ruit van de achterdeur zat. [slachtoffer 1] dacht, toen hij de gaten zag, dat er op hun huis geschoten was.

Na de ontploffing heeft forensisch onderzoek plaatsgevonden in de achtertuin en woning aan de [adres 1] en de aangrenzende percelen. In de schutting van [adres 1] zaten diverse gaten. In de schutting van [adres 2] zaten diverse inslagen. In de achtertuin van [adres 2] lag een grote granaatscherf. Op [adres 3] lagen scherfdelen in de achtertuin en was schade ontstaan aan een slaapkamerraam op de tweede woonlaag van de woning. In die slaapkamer sliep op het moment van de ontploffing één van de kinderen van het gezin.

In de beklinkerde achtertuin van [adres 1] zat tussen de tuintafel en de droogmolen een krater van circa 15 x 15 centimeter. Aan het fijne gruis, de uitgewaaierde beroeting en het ontbrandingspatroon om de krater zag men dat hier de handgranaat tot ontploffing is gekomen.

Scherfdelen waren ingeslagen in diverse beschadigde objecten in de achtertuin; tot aan de dakgoot van de woning toe. In de achtergevel en het rolluik zat een groot aantal inslagen van scherven waarvan een paar dusdanig vast in de gevel zaten dat die er niet uit te krijgen waren.

In de woning waren scherfdelen dwars door het rolluik gegaan en hadden de dubbele beglazing aan de achterzijde gebroken. Een paar scherfdelen waren in de isolatielaag van de dubbele ruit terecht gekomen. In de keuken lag een scherfdeel op de keukenvloer. Deze was door de ruit van de achterdeur gegaan en afgeketst op een keukenkastje. Enkele scherfdelen kwamen tot ver in de woonkamer. In het plafond zaten beschadigingen die veroorzaakt waren door die scherfdelen.

Ter hoogte van de voordeur van [adres 1] is in de brandgang een koperkleurige beugel van een handgranaat op de grond aangetroffen. De gehele beugel is bemonsterd en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft vastgesteld dat de bemonstering van de beugel een DNA-mengprofiel bevat van minimaal twee personen, een deel van dit DNA kan afkomstig zijn van verdachte. Het NFI heeft geconcludeerd dat dit DNA-mengprofiel meer dan één miljard keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA bevat van verdachte en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen.

Het teweegbrengen van de ontploffing

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het aantreffen van DNA, matchend met dat van verdachte op de beugel van de handgranaat die is gevonden bij de voordeur van de woning, in het licht van de ontkenning van verdachte, voldoende is om te kunnen bewijzen dat verdachte de dader is van de ontploffing van de handgranaat bij de woning aan de [adres 1] in Almelo.

Allereerst dient de rechtbank te beoordelen of het DNA op de beugel onder de gegeven omstandigheden als daderspoor, afkomstig van verdachte kan worden aangemerkt.

De rechtbank stelt vast dat de beugel van de handgranaat kort na de ontploffing op de grond voor de voordeur van de woning van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is aangetroffen.

Op de beugel is DNA-materiaal aangetroffen. Hoewel onbekend is gebleven wat voor DNA-materiaal is aangetroffen, bevat de bemonstering van het spoor een mengprofiel van minimaal twee personen.

Het NFI heeft geschreven dat dit mengprofiel meer dan één miljard keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA bevat van verdachte en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen. Op grond van de bevindingen van het NFI concludeert de rechtbank, met inachtneming van de rest van het dossier, dat het DNA van verdachte is.

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat hij nog nooit een handgranaat heeft vastgehouden omdat hij nog nooit een handgranaat heeft gezien. Ter zitting heeft verdachte nog verklaard dat hij als gevolg van een medische aandoening onvoldoende kracht in zijn hand heeft om de pin uit de handgranaat te trekken. Hoe het kan dat zijn DNA-materiaal op de beugel van de handgranaat is aangetroffen, weet verdachte niet. Verdachte heeft in dat kader tijdens de behandeling van de vordering gevangenhouding verklaard dat hij vanwege zijn drugsgebruik vaak spuugt. Hij heeft gesteld dat de handgranaat blijkbaar in het bezit van één van zijn vrienden moet zijn geweest.

Het DNA-materiaal van verdachte is op een – voor het teweegbrengen van een ontploffing – cruciaal onderdeel van de handgraat aangetroffen. Daar waar bij het enkel vasthouden van een handgranaat men er in zijn algemeenheid voor zal kiezen om de handgranaat rondom de huls vast te houden, is het DNA-materiaal van verdachte aangetroffen op de beugel die de handgranaat tot ontploffing kan laten brengen.

Onder deze omstandigheden mag van verdachte een verklaring worden verwacht, die tot op heden is uitgebleven. De rechtbank stelt vast dat verdachte voor zijn aangetroffen DNA-materiaal op de beugel van de handgranaat geen aannemelijke en verifieerbare verklaring heeft gegeven; verdachte heeft geen namen willen noemen van bekenden van hem die over een handgranaat (zouden) beschikken via wie zijn DNA-materiaal op de beugel van de handgranaat zou zijn gekomen en evenmin heeft verdachte aannemelijk gemaakt dat zijn DNA-materiaal via speeksel op de beugel van de handgranaat zou zijn gekomen. Dat verdachte fysiek in het geheel niet in staat zou zijn om een handgranaat te activeren is niet gebleken. Dit alles maakt dat de rechtbank de verklaring van verdachte waarin hij iedere betrokkenheid bij het tenlastegelegde ontkent, als ongeloofwaardig terzijde schuift en van oordeel is dat verdachte degene is geweest die op 11 september 2020 bij het adres [adres 1] in Almelo een ontploffing teweeg heeft gebracht. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat voor de vaststelling van daderschap steunbewijs nodig is naast de databankmatch overweegt de rechtbank dat er geen regel van bewijsrecht is die inhoudt dat het daderschap van de verdachte niet mag worden gebaseerd op uitsluitend DNA-bewijs.

Gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

De vraag waar de rechtbank zich vervolgens voor gesteld ziet, is of door de ontploffing van de handgranaat gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.

Verdachte heeft kort na middernacht in de achtertuin van de woning aan de [adres 1] een handgranaat tot ontploffing gebracht. Na de ontploffing is forensisch onderzoek gedaan in de achtertuin en woning van [adres 1] , als ook bij de [adres 2] en [adres 3] . De schade in de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als ook in hun achtertuin was enorm. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren ten tijde van de ontploffing in hun woning aanwezig. De forensische opsporing heeft verder geconstateerd dat als gevolg van het werpen van een geactiveerde handgranaat en gezien de aangetroffen scherfdelen en schade bij de buurpercelen ook gemeen gevaar voor personen en goederen in de directe omgeving van [adres 1] is ontstaan.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het teweegbrengen van een ontploffing door het gooien van een handgranaat in een achtertuin van een woning gelegen in een straat met dicht op elkaar gebouwde huizen impliceert dat als gevolg daarvan levensgevaar voor de in de woning aanwezige bewoners ontstaat én voorzienbaar is. Scherfdelen van de handgranaat kwamen - na het doorboren van rolluiken en de daarachter gelegen dubbelglazige ramen - tot ver in de woning van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en ook omliggende woningen hadden schade. Aan de [adres 3] werden niet alleen scherfdelen in de achtertuin aangetroffen, maar is ook schade ontstaan aan een slaapkamerraam van een kinderkamer gelegen op de tweede woonlaag van de woning. Op het moment van de ontploffing lag een van de kinderen van het buurgezin in die slaapkamer te slapen.

Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat als gevolg van de ontploffing gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 2] en

[slachtoffer 1] als ook voor het in de naastgelegen woning slapende kind te duchten was.

De rechtbank acht daarmee op grond van voornoemde feiten en omstandigheden het primair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.1.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

Primair.

hij op 11 september 2020 te Almelo opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een handgranaat in de richting van een woning gelegen aan de [adres 1] te gooien en tot ontploffing te brengen, en daarvan gemeen gevaar voor die woning en omringende woningen en de in die woningen aanwezige goederen en levensgevaar voor de in die woning aanwezige personen en voor de in omringende woningen aanwezige personen (te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een ander persoon) en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning aanwezige personen en voor de in omringende woningen aanwezige personen (te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een andere persoon) te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.2

In de zaak met parketnummer 08/211093-20

4.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van feit 2 moet worden vrijgesproken, omdat geen sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening van de geldbedragen door verdachte.

4.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier stelt de rechtbank het volgende vast.

Aangever [slachtoffer 5] heeft aangifte gedaan van onder meer diefstal van een bankpas van de schaakvereniging op 6 juli 2020 vanuit zijn woning. Deze pinpas hoort bij bankrekeningnummer [rekeningnummer] .

Op 6 juli 2020 hebben om 14:01 uur, 14:07 uur en 14:08 uur pintransacties plaatsgevonden bij de pinautomaat van de Rabobank aan De Werf in Almelo met de pinpas behorende bij het bankrekeningnummer [rekeningnummer] . Op dezelfde dag hebben om 14:16 uur, 14:56 uur en 14:59 uur met dezelfde pinpas pintransacties plaatsgevonden bij [cafetaria] aan de [adres 4] in Almelo. In totaal is een bedrag van € 180,20 weggenomen.

Verbalisant [verbalisant] heeft camerabeelden van de Rabobank aan De Werf uitgekeken.1 Op de beelden is te zien dat twee personen bij de geldautomaat staan en geld pinnen met een SNS-bankpas.

Door verbalisant [verbalisant] is een van de personen die pint herkend als verdachte [verdachte] .

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij geen pinpas bij [slachtoffer 5] heeft weggenomen, maar dat hij op 6 juli 2020 een pinpas met bijbehorende pincode van iemand heeft gekregen met het verzoek om geld te pinnen en hierdoor zou de schuld van € 100,-- à € 150,-- die verdachte bij die persoon had, zijn ingelost. Vervolgens heeft verdachte met de pinpas geldbedragen gepind.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verdachte met de pinpas behorende bij bankrekeningnummer [rekeningnummer] en toebehorende aan een schaakvereniging, een geldbedrag van in totaal € 150,-- heeft weggenomen bij de Rabobank.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat geen sprake zou zijn van wederrechtelijke toe-eigening omdat verdachte de pinpas met pincode van een derde heeft gekregen met het verzoek om voor die derde te pinnen. De rechtbank is van oordeel dat met het pinnen van een geldbedrag voor een derde om daarmee een eigen schuld in te lossen en daarbij gebruik te maken van een pinpas met pincode die toebehoort aan een ander, de wederrechtelijkheid is gegeven.

Hoewel gezien de afstand tussen beide locaties en het gegeven dat in een kort tijdsbestek met de weggenomen pinpas behorende bij hetzelfde bankrekeningnummer opnieuw is gepind bij de pinautomaat bij [cafetaria] in Almelo, zal de rechtbank verdachte van het wegnemen van die geldbedragen vrijspreken, aangezien het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat dat het verdachte was die daar gepind heeft.

4.2.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 6 juli 2020 te Almelo geldbedragen toebehorende aan een ander heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door zonder toestemming gebruik te maken van een bankpas en de bij die bankpas horende pincode.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

In de zaak met parketnummer 08/045754-21 is het bewezenverklaarde strafbaar gesteld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In de zaak met parketnummer 08/211093-20 is het bewezenverklaarde strafbaar gesteld in artikel 311 Sr.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

In de zaak met parketnummer 08/045754-21 levert het bewezenverklaarde op het misdrijf: opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten is.

In de zaak met parketnummer 08/211093-20 levert het bewezenverklaarde op het misdrijf: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gelet op de bepleitte vrijspraak geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft op 11 september 2020 een handgranaat in de achtertuin van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tot ontploffing gebracht met levensgevaar voor hen en hun buurkind alsmede gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor die woning en omliggende woningen. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit. De handelwijze van verdachte is buitengewoon gevaarlijk en vormt een dermate grote aantasting van het basale gevoel van veiligheid waarop een ieder recht heeft, dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende sanctie is.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat de samenleving de laatste tijd regelmatig wordt opgeschrikt door de inzet van zwaar wapentuig zoals een handgranaat. Het is uitermate zorgwekkend dat bepaalde groepen dergelijk oorlogstuig kennelijk met gemak hanteren en geen enkel oog hebben voor de mogelijke consequenties.

Bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf heeft de rechtbank voorts overwogen dat het hier een bedreiging van de ingrijpendste soort betreft, temeer nu de door verdachte gegooide granaat is geëxplodeerd in de achtertuin van de woning waarin de bewoners lagen te slapen. Een dergelijke bedreiging is naar zijn aard niet alleen gevaarzettend maar ook voldoende om de bewoners en omwonenden grote vrees aan te jagen. De bedreiging heeft bovendien plaatsgevonden midden in een straat waar de woningen dicht op elkaar staan. Het feit heeft dan ook zonder meer geleid tot gevoelens van grote onveiligheid en onrust in de directe omgeving van de woning van de slachtoffers. Dit is ook gebleken uit de indrukwekkende slachtofferverklaringen die door [slachtoffer 2] en

[slachtoffer 3] ter zitting zijn voorgelezen.

Het gegeven dat hierdoor zonder enig pardon onschuldige burgers en zelfs kinderen worden betrokken, maakt deze daad des te verwerpelijker. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. ‘Gelukkig’ is niemand gewond geraakt en is het bij grote materiële schade en psychische gevolgen gebleven. Als aangever en zijn partner op het moment van de ontploffing beneden in hun woning waren geweest, hadden de gevolgen veel ernstiger kunnen zijn.

De verdachte heeft volhard in zijn ontkenning van enige betrokkenheid bij het incident. Er is daarom geen inzicht ontstaan in de beweegreden en/of motieven van verdachte, waardoor tot op heden ook bij met name [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vragen blijven bestaan waarom en al dan niet in wiens opdracht de handgranaat in hun tuin is gegooid en of zij nu en in de toekomst nog gevaar lopen. Door de ontkenning is logischerwijs ook onduidelijk gebleven of verdachte inziet hoe kwalijk zijn handelen is geweest. Dit weegt in het nadeel van de verdachte mee.

Verdachte heeft zich bovendien nog schuldig gemaakt aan een diefstal met valse sleutel, door met een gestolen pinpas geld te pinnen uit een pinautomaat. Verdachte heeft hierdoor financiële schade toegebracht aan de eigenaar van de pinpas. Uit de justitiële documentatie van verdachte van 26 augustus 2021 blijkt dat hij in het verleden vaker voor vermogensdelicten is veroordeeld.

Ook neemt de rechtbank in overweging hetgeen door de reclassering in haar rapport van

18 mei 2021 over verdachte heeft gerapporteerd. De reclassering schat het risico op recidive en letselschade hoog in. Ook schat de reclassering de kans hoog in dat verdachte zich zal onttrekken aan eventueel op te leggen voorwaarden, omdat verdachte tot op heden in onvoldoende mate voorwaarden en afspraken is nagekomen. In haar rapportage van 5 maart 2021 schrijft de reclassering tevens dat het risico op onttrekking hoog is gezien de meerdere toezichten en klinische opnames die voortijdig negatief zijn beëindigd. De reclassering adviseert desondanks – indien juridisch haalbaar – om verdachte te veroordelen tot een (deels) voorwaardelijke straf met oplegging van bijzondere voorwaarden. Gelet op de omvang van de hierna aan verdachte op te leggen gevangenisstraf, is een (deels) voorwaardelijke deel uitgesloten op grond van artikel 14a Sr en gaat de rechtbank voorbij aan het advies van de reclassering.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren dient te worden opgelegd.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen in de zaak met parketnummer 08/045754-21

8.1.1

De vorderingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben zich elk via hun advocaat mr. L.V.S. Cassese als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.

[slachtoffer 2] vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.262,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de post eigen bijdrage medicijnen ter hoogte van € 11,28. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 3.251,-- gevorderd.

[slachtoffer 1] vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.269,58, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de post eigen bijdrage medicijnen ter hoogte van € 18,58. Ter vergoeding van immateriële schade wordt eveneens een bedrag van € 3.251,-- gevorderd.

8.1.2

De vordering van [slachtoffer 3]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.975,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- verwijderen bestaande kozijnen en afvoeren € 91,63;

- aanpassingen stelkozijn/compriband e.d. € 70,03;

- nieuw kunststofkozijn voorzien van draaikiepraam € 942,58;

- glas HR ++ € 139,63;

- ventilatierooster € 102,72;

- aftimmeren binnenzijde € 65,65;

- schilderwerk betimmeringen binnenzijde (totaal) € 220,00;

- btw € 342,77.

De rechtbank constateert na optelling van de kostenposten dat het totaalbedrag van de vordering € 1.975,01 bedraagt. De rechtbank zal dit bedrag als uitgangspunt nemen.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 2] en

[slachtoffer 1] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de officier van justitie gesteld dat nu de benadeelde partij de vordering niet met bewijsstukken heeft onderbouwd, de rechtbank van haar schattingsbevoegdheid gebruik dient te maken aangezien het aannemelijk is dat benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit schade heeft geleden.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de bepleite vrijspraak de benadeelde partijen elk niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vordering.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] .

De door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] opgevoerde schadeposten zijn niet inhoudelijk betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk.

De door [slachtoffer 3] opgevoerde schadeposten zijn weliswaar niet onderbouwd maar naar het oordeel van de rechtbank wel aannemelijk.

De rechtbank zal daarom de vordering van elk van de benadeelde partijen toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met respectievelijk 42, 42 en 29 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichtingen niet opheft.

8.6

De vordering van de benadeelde partij in de zaak met parketnummer 08/211093-20

[slachtoffer 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 1.058,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- bankpas SNS Bank € 8,50;

- gepind bedrag € 180,20;

- hangslot € 30,--;

- sloten woning € 190,--;

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 650,-- gevorderd.

8.7

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

Zowel de officier van justitie als de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

8.8

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De heer [slachtoffer 5] heeft in eigen persoon schadevergoeding gevorderd. Ter zitting is gebleken dat de gevorderde materiële schadeposten “bankpas SNS Bank” en “gepind bedrag” niet door hem geleden schade betreft, maar schade is van de schaakclub waarvan [slachtoffer 5] stelt penningmeester te zijn. De stelling dat [slachtoffer 5] penningmeester van de schaakclub is en om die reden gemachtigd is de vordering in te dienen, is niet met bewijsstukken onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van [slachtoffer 5] om dat alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van de vordering – zowel de materiele als immateriële schade – niet-ontvankelijk verklaren, nu deze schade naar het oordeel van de rechtbank geen rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde feit.

Ook dit deel van de vordering kan de benadeelde partij in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 De vordering tenuitvoerlegging

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter van 4 december 2019 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen, nu is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank zal de tenuitvoerlegging gelasten van de gevangenisstraf van drie maanden.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 63 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

in de zaak met parketnummer 08/211093-20

ontvankelijkheid officier van justitie

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van feit 1;

in de zaak met parketnummer 08/045754-21 en 08/211093-20

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08/045754-21 primair en het in de zaak met parketnummer 08/211093-20 onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte in de zaak met parketnummer 08/045754-21 primair en in de zaak met parketnummer 08/211093-20 onder 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

parketnummer 08/045754-21

het misdrijf: opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten is;

parketnummer 08211093-20

feit 2, het misdrijf: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het in de zaak met parketnummer 08/045754-21 primair en het in de zaak met parketnummer 08/211093-20 onder 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoedingen in de zaak met parketnummer 08/045754-21

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van

€ 3.262,28 (bestaande uit materiële schade en immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 3.262,28 (drieduizendtweehonderdentweeënzestig euro en achtentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.262,28 (drieduizendtweehonderdentweeënzestig euro en achtentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 42 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van

€ 3.269,58 (bestaande uit materiële schade en immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 3.269,58 (drieduizendtweehonderdennegenenzestig euro en achtenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.269,58 (drieduizendtweehonderdennegenenzestig euro en achtenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 42 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 1.975,01 (bestaande uit materiële schade en immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van € 1.975,01 (duizendnegenhonderdenvijfenzeventig euro en één eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf
11 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.975,01 (duizendnegenhonderdenvijfenzeventig euro en één eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 29 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

schadevergoeding in de zaak met parketnummer 08/211093-20

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 5] (feit 2) in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 08/275866-19

- beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Almelo van

4 december 2019 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. V.P.K. van Rosmalen en

mr. M.S. de Waard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2021.

Mr. Van Rosmalen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

In de zaak met parketnummer 08/045754-21

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer 2020431590 (onderzoek Reiger02) van 1 april 2021. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] (pag. 70 en 71) onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik woon aan de [adres 1] in Almelo. Mijn vriendin is gisterenavond om 21:30 - 22:00 uur naar bed gegaan. Wij slapen op de eerste etage aan de achterzijde van onze woning. Ik ben rond 23:15 uur naar bed gegaan. Ik heb de lampen en de televisie uit gedaan toen ik naar bed ging. De buitenverlichting bleef wel aan. Ik heb op een gegeven moment, ongeveer 20 minuten later, twee paracetamols gepakt. Deze lagen beneden.

Daarna ben ik weer naar bed gegaan. Ik lig in bed en hoor in één keer een knal. Dat was niet normaal. Die was zo hard. Ik ben naar beneden gelopen.

Ik liep de woonkamer in. Ik keek naar onze ramen aan de achterzijde van de woning. Ik keek in het licht van de lamp die brandde in de achtertuin. Ik zag slierten op de ramen, later bleek dit dat scheuren in het glas waren. Toen ik daar stond en naar de ramen keek zag ik een wit poeder dwarrelen in de woonkamer. Er hing wat in de lucht en ik rook het ook. Ik liep naar de achterzijde van onze woning en zag dat er gaten in onze ruiten zaten. Ik voelde dat er wat op de grond lag, ik trapte ergens op. Ik zag dat er ook een gat in de ruit van de achterdeur zat. Toen had ik door dat het bij ons gebeurd was.


2.

Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres 1] Almelo) van

[verbalisant] en [verbalisant] van 8 oktober 2020 (pag. 37-39), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 11 september 2020 om 02:00 uur kwamen wij naar aanleiding van een ontploffing explosief voor een forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 1] in Almelo.

Ter hoogte van de voordeur in de brandgang zagen wij de koperkleurige beugel van een handgranaat op de grond. De beugel werd door ons verpakt, verzegeld en in beslag genomen voor nader onderzoek op humaan biologische sporen.

Door ons werd de brandgang en de daar aan grenzende schuttingdelen van de [adres 2] en [adres 1] bekeken. Wij zagen diverse gaten in de schutting van [adres 1] en inslagen in de schutting van [adres 2] . Wij constateerden dat er scherfdelen dwars door de schutting van [adres 1] zijn gegaan en vervolgens in de schutting van [adres 2] zijn ingeslagen.

Door ons werd met toestemming van de bewoners van [adres 2] hun achtertuin betreden. In deze achtertuin zagen wij een grote granaatscherf welke hier terecht was gekomen.

Ook [adres 3] werd door ons met toestemming van de bewoners bekeken. Bij dit perceel troffen we niet alleen scherfdelen in de achtertuin aan maar zagen we ook dat er schade was ontstaan aan een slaapkamerraam op de tweede woonlaag van de woning. Het betrof een slaapkamerraam dat het dichtst aangrenzend aan het [adres 1] was. Wij concludeerden dat er een scherf door het kunststof frame van de ruit moet zijn gegaan waarbij ook de voorliggende hor werd beschadigd. In deze slaapkamer lag op het moment van de ontploffing een van de kinderen van het gezin te slapen.

In de beklinkerde achtertuin van [adres 1] zagen we tussen de tuintafel en droogmolen een krater van zo'n 15 x 15 cm. Wij zagen aan het fijne gruis en de uitgewaaierde beroeting en het ontbrandingspatroon om de krater dat hier de handgranaat tot ontploffing is gekomen.

Aan diverse beschadigde objecten in de achtertuin konden wij zien dat er scherfdelen waren ingeslagen. Tot aan de dakgoot van de woning toe.

In de achtergevel en rolluik troffen wij een groot aantal inslagen van scherven aan waarvan een paar dusdanig vast in de gevel zaten dat deze er niet uit te krijgen waren.

In de woning konden wij zien dat een aantal scherfdelen dwars door het rolluik waren gegaan en de dubbel beglaasde woonkamerruit aan de achterzijde hadden gebroken. Wij zagen dat een paar scherfdelen in de isolatielaag van de dubbele ruit waren terecht gekomen.

In de keuken die zich bij de achterdeur bevindt, troffen wij een scherfdeel op de keukenvloer aan die door de ruit van de achterdeur was gegaan en afgeketst op een keukenkastje.

Enkele scherfdelen die door de ruiten waren gegaan kwamen tot ver in de woonkamer. Wij zagen beschadigingen in het plafond die veroorzaakt waren door deze scherfdelen.

3.

Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] (pag. 76), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

In het onderzoek Reiger20 zijn door aangever [slachtoffer 1] beelden ter beschikking gesteld die zijn opgenomen met vier aan zijn woning -van bewegingssensoren voorziene- bevestigde camera’s. Deze beelden zijn door mij op zondag 13 september en donderdag 24 september 2020 uitgekeken.

Van 00.11.25 tot 00.11.28 uur loopt een persoon de gang in, voor de voordeur langs en

verdwijnt uit beeld terwijl hij verder de gang inloopt. Kennelijk heeft de persoon een (niet

herkenbaar) voorwerp in zijn rechterhand.

Te 00.11.36 uur is te zien dat een voorwerp, vanuit de richting van de gang naast de woning, over de schutting neerwaarts in de richting van het terras achter de woning “vliegt”. Het volgende moment is te zien dat een rond/ovaal voorwerp over de terrasregels rolt en te

00.11.40 uur tot ontploffing komt.

Van 00.11.37 tot 00.11.40 uur rent een persoon dezelfde gang uit.

4.

De kennisgeving van inbeslagneming van [verbalisant] en [verbalisant] (pag. 13 en 14), onder meer inhoudende:

Volgnummer 11

Goednummer : PL0600-2020431590-2353353

Aantal/eenheid : 1 stuks

Verpakking : breathable bag

Merk/type : granaat beugel

Kleur : goudkleurig

Spooridentificatienummer : AANH0895NL

Bijzonderheden : oprit/steeg tussen [adres 2] en [adres 1] thv voordeur.

5.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344 lid 1 onder 5 Sv, te weten het NFI rapport “Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een brandstichting in Almelo op 11 september 2020” van dr. ir. A.M. Rolloos van 28 december 2020 (pag. 113 en 114), onder meer inhoudende zakelijk weergegeven:

Beugel AANH0895NL van een handgranaat

De gehele beugel is bemonsterd gericht op het verzamelen van DNA van degene(n) die de beugel heeft/hebben gehanteerd. De bemonstering is als AANH0895NL#01 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.

Resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend DNA-onderzoek

Het DNA-profiel van [verdachte] (geboren op [geboortedatum] 1991) is betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek vanwege een overeenkomst in de DNA databank.

Resultaten, interpretatie en conclusie van het (vergelijkend) DNA-onderzoek

SIN (omschrijving): AANH0895NL#01 (beugel van een handgranaat)

DNA kan afkomstig zijn van:

minimaal twee personen:

- [verdachte] (zie ‘DNA-databank). Bewijskracht: meer dan 1 miljard

- minimaal één onbekende persoon.

Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek

DNA-mengprofiel AANH0895NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen.

In de zaak met parketnummer 08/211093-20

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2020392763 van 26 augustus 2020. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] (pag. 18 en 19) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 7 juli 2020 heb ik contact opgenomen met de SNS bank in verband met de diefstal van de bankpas van de schaakvereniging. Deze pas hoort bij rekeningnummer [rekeningnummer] . Ik hoorde toen van de medewerker van de SNS bank dat er transacties hadden plaatsgevonden met de gestolen pas. Bij de Rabobank aan De Werf in Almelo € 70,-- en twee keer € 40,--. Dit was gebeurd om 14.01 uur, 14.07 uur en 14.08 uur.

2.

Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] (pag. 21) onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

In de aangifte van [slachtoffer 5] heeft hij verklaard dat hij van de SNS Bank begrepen heeft dat geldopnames en/of pintransacties hebben plaatsgevonden met de pinpas welke aangever als gestolen heeft opgegeven. Deze pinpas zit gekoppeld aan rekeningnummer [rekeningnummer] .

Van de medewerker van de bank kreeg ik telefonisch te horen dat, nadat de bankpas was weggenomen, de volgende transacties hebben plaatsgevonden:

6 juli 2020 te 14:01 uur, 14:07 uur en 14:08 uur hebben er geldopnames plaatsgevonden bij de pinautomaat van de Rabobank aan De Werf in Almelo.

3.

Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] (pag. 24 en 25) onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

De camera is gericht op De Werf in Almelo en de in de Rabobank geplaatste

geldautomaat aan het Kloosterpad. Op de beelden datum en tijd 6 juni 2020 (de rechtbank begrijpt 6 juli 2020) zie ik dat verdachte 2 een getinte man is. Hij heeft een smal postuur. Zijn haar is donker van kleur en is kort geknipt. Verder draagt hij een halflange jas waarvan het gedeelte op borst en schouders donkerder is dan de rest van de jas. Hij draagt onder de jas een donkere broek en donkere schoenen.

Vervolgens heb ik de beelden uitgekeken van de geldautomaat van de Rabobank. Dan zie ik dat verdachte 1 naar de geldautomaat loopt. Ik zie dat in zijn rechterhand een pasje vast heeft. Verdachte 1 brengt zijn hand met het pasje er in, in de richting van de

geldautomaat. In zijn linkerhand houdt hij een prop papier vast. Meteen komt ook verdachte 2 in beeld van de camera. De handen van beiden zijn in de richting van de geldautomaat. Ik zie dat beider handen regelmatig richting geldautomaat gaan. Ook wordt meerdere keren een pas ingebracht en weer uitgenomen. Op tijdstip 14:06:29 haalt verdachte 2 een bankpas uit de geldautomaat. De achterzijde van de betaalpas is zichtbaar. Dit is een pas van de SNS bank. Op de beelden is te zien dat de pas meerdere keren ingebracht wordt. Op de beelden is steeds weergegeven wat er de handelingen zijn die gedaan worden door de verdachten. Er wordt twee maal 40 euro opgenomen.

4.

Het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar van [verbalisant] (pag. 39 en 40) met bijlagen onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 22 juli 2020 kreeg ik een aandachtvestiging van BT Noord. Daarin werd op basis van de volgende informatie en beeldmateriaal de herkenning van een persoon gevraagd.

De aandachtvestiging bevatte 12 foto's.

De persoon links in beeld, groen/zwarte jas, geen hoofdbedekking op foto 3, de persoon links in beeld op foto 5 en de persoon links in beeld op foto 11 herken ik als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] .

Ik ken hem vanuit mijn werkzaamheden als politieagent. De persoon heb ik de afgelopen jaren meerdere keren gecontroleerd. Tevens vaker op straat zien lopen en op de briefing voorbij zien komen. Ik herkende hem aan het totaalbeeld van zijn kenmerken. Aan zijn herkenning droegen de volgende specifieke kenmerken bij: vorm van zijn gezicht, ogen, vorm van neus. Ik herkende hem onmiddellijk toen ik de foto's zag. Over zijn identiteit was mij door anderen geen informatie verstrekt.

Ik droeg geen voorkennis van de zaak waarin herkenning van de persoon werd gevraagd.

1 Hoewel het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] vermeldt dat camerabeelden bij de Rabobank van 6 juni 2020 worden bekeken, is de rechtbank van oordeel dat dit een kennelijk schrijffout betreft, aangezien het proces-verbaal vervolgens de datum van 6 juli 2020 vermeldt daar waar het het uitkijken van camerabeelden van de geldautomaat van de Rabobank betreft.