Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3526

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-08-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
08/993018-17 (P) (FP)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 29-jarige man heeft zich een geruime periode als feitelijk leidinggevende van een bedrijf schuldig gemaakt aan belastingfraude en valsheid in geschrift door met die vennootschap deel te nemen aan btw-carrousels. De rechtbank Overijssel veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-9-2021
FutD 2021-2925
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/993018-17 (P) (FP)

Datum vonnis: 27 augustus 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officieren van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven aan [adres] ,
nu gedetineerd in de PI Vught.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van
6 juli 2021, 7 juli 2021, 9 juli 2021 en 27 augustus 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie,
mr. F.A. Demmers en mr. J.C.G. van der Wulp, en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Voor de leesbaarheid van dit vonnis nummert de rechtbank de feiten 1, 3 en 5 respectievelijk als feit 1, feit 2 en feit 3.

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 24 juni 2015 tot en met 2 februari 2017 feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 1] B.V., al dan niet samen met andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen, opzettelijk onjuist of volledig indienen van aangiften omzetbelasting;
feit 2: in de periode van 24 juni 2015 tot en met 6 maart 2017 feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 1] B.V, al dan niet samen met andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen, valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie door valse facturen in de administratie op te nemen;
feit 3: in de periode van 1 januari 2015 tot en met 6 maart 2017 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten valsheid in geschrifte en/of witwassen en/of het opzettelijk niet, dan wel onjuist of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V.

in of omstreeks de periode van 24 juni 2015 tot en met 2 februari 2017 te Emmeloord en/of Lemmer en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten de maandaangifte(n) in de maand(en) van de/het ja(a)r(en) 2015 en/of 2016 en/of 2017, althans één of meer (elektronische) aangifte(n) voor de omzetbelasting, onjuist of onvolledig heeft gedaan, waaronder

- de (elektronische) aangifte over de maand(en) juli en/of november van het jaar 2015; en/of

- de (elektronische) aangifte over de maand(en) februari en/of mei en/of november van het jaar 2016; en/of

- de (elektronische) aangifte over de maand januari van het jaar 2017;

[vindplaatsen: Doc-268 en Doc-268-01]

terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte, dat te weinig belasting zou worden geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan dat op de vorenbedoelde aangifte(n) (telkens) een te hoog, althans onjuist, bedrag aan voorbelasting is opgegeven en/of (telkens) een te laag, althans onjuist, bedrag aan (verschuldigde) omzetbelasting is opgegeven,

tot welk(e) feit(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

2

de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V.

in of omstreeks de periode van 24 juni 2015 tot en met 6 maart 2017 te Emmeloord en/of Lemmer en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) de (bedrijfs)administratie van [bedrijf 1] B.V., zijnde die (bedrijfs)administratie een (samenstel van) geschrift(en), bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen,

bestaande de valsheid van de bedoelde (bedrijfs)administratie daarin dat hierin (opzettelijk) een of meerdere factu(u)r(en) in de (bedrijfs)administratie zijn verwerkt en/of geboekt en/of opgenomen, waaronder:

- Factuur [bedrijf 1] B.V. aan [bedrijf 2] B.V. d.d. 03-07-2015, invoice nummer [nummer] (Doc-150.01); en/of

- Factuur [bedrijf 1] BV aan [bedrijf 2] B.V. d.d. 26-02-2016, invoice nummer [nummer] (Doc-660); en/of

- Factuur van [bedrijf 1] B.V. aan [bedrijf 3] d.d. 25-08-2016, invoice nummer [nummer] (Doc-299.4); en/of

- Factuur [bedrijf 4] B.V. aan [bedrijf 1] B.V. d.d. 02-11-2016, factuur nummer [nummer] (DOC-103.01); en/of

- Orderbevestiging [bedrijf 1] B.V. aan [bedrijf 5] B.V. d.d. 01-12-2016, ordernummer [nummer] (Doc-046.3); en/of

- Factuur [bedrijf 6] aan [bedrijf 1] B.V. d.d. 18-01-2017, invoice nummer [nummer] (DOC-330.01);

zulks (telkens) met het oogmerk om die (bedrijfs)administratie als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,

tot welk(e) feit(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

3

hij,

in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 6 maart 2017 te Emmeloord en/of Lemmer en/of elders in Nederland,

heeft deelgenomen, aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en/of [bedrijf 1] B.V. en/of [medeverdachte 1] en/of [bedrijf 2] B.V. en/of [medeverdachte 2] en/of [getuige 1] en/of [bedrijf 7] B.V. en/of één of meer andere rechtsperso(o)n(en) en/of één of meer andere natuurlijke perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk heeft/had het plegen van misdrijven, namelijk te weten:

- valsheid in geschrifte, als bedoeld in artikel 225 Wetboek van Strafrecht, en/of

- het witwassen van geld en/of goederen, althans voorwerpen, als bedoeld in artikel 420bis/420ter van het Wetboek van Strafrecht, en/of

- het opzettelijk niet en/of onjuist en/of onvolledig doen van bij de belastingwet voorziene aangifte(n) omzetbelasting,

terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven (BTW-carrouselfraude), als bedoeld in artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

3 De voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaardingen - partiële nietigheid

Op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn, alsmede met vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Bij de uitleg van deze bepaling staat de vraag centraal of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. Ook voor de rechter moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn. De eis van ‘opgave van het feit’ wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk moet zijn, in de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig en in de derde plaats voldoende feitelijk.

Onder feit 2 wordt verdachte verweten dat hij als feitelijke leidinggever/opdrachtgever betrokken is geweest bij het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie door één of meerdere facturen in die administratie op te nemen waarna in de tenlastelegging het woord “waaronder” is vermeld en met behulp van gedachtestreepjes een gedetailleerde opsomming van specifieke facturen volgt. De rechtbank heeft op de zitting van 6 juli 2021 geoordeeld dat onvoldoende duidelijk is op welke andere facturen dan die in de opsomming staan, wordt gedoeld. Het woord in de tenlastelegging “waaronder” is in de context van de tenlastelegging dan ook onvoldoende duidelijk en begrijpelijk. De rechtbank heeft de dagvaarding in zoverre partieel nietig verklaard.

De verdediging heeft voorts bepleit dat de dagvaarding ten aanzien van de feiten 1 en 2 (partieel) nietig is, omdat de dagvaarding ten aanzien van deze feiten onduidelijk en innerlijk tegenstrijdig is. De tenlastelegging maakt niet duidelijk of verdachte als pleger of als feitelijke leidinggever zich heeft schuldig gemaakt aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting dan wel valsheid in geschrifte. De dagvaarding dient op deze punten nietig te worden verklaard. Daarnaast is de dagvaarding nietig wegens de onbegrijpelijkheid ervan en het ontbreken van de noodzakelijke verfeitelijking van de ten laste gelegde ‘valsheid’. Immers is in de tenlastelegging van feit 2 niet opgenomen waar de vervalsing van de facturen uit bestaat. De tenlastelegging is daarmee onvoldoende feitelijk omschreven en dus nietig.

De rechtbank is van oordeel dat geen onduidelijkheid kan bestaan over de vraag welke feiten aan verdachte onder feit 1 en 2 ten laste worden gelegd. De tenlastelegging is – met uitzondering van het onder feit 2 genoemde woord “waaronder”, zoals hiervoor reeds is overwogen - voldoende duidelijk en voldoende bepaald. Verdachte moet in staat worden geacht om zich op basis van deze tenlastelegging goed te verdedigen. De rechtbank is verder van oordeel dat de tenlastelegging van feit 2 wel degelijk een verfeitelijking van de valsheid bevat, namelijk door het vermelden van de toevoeging dat het ‘opzettelijk verwerken, boeken en/of opnemen van facturen in de bedrijfsadministratie’ betreft. Als de tenlastelegging in onderlinge samenhang wordt bezien met de inhoud van het dossier, volgt daaruit dat het openbaar ministerie verdachte verwijt dat (een deel van) de in de bedrijfsadministratie opgenomen facturen vals zijn, omdat deze voorkomen in btw-carrouselrondes, waardoor deze bedrijfsadministratie vals is, terwijl het oogmerk is deze als echt en onvervalst te gebruiken. Dit maakt dat de tenlastelegging ook op dit punt voldoende feitelijk en begrijpelijk is. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging op deze punten.

De rechtbank heeft vastgesteld dat (ook) voor het overige de dagvaarding geldig is.

3.2

De overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Inleiding

Aanleiding onderzoek FIOD

De aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek zijn de controlebevindingen van de Belastingdienst.2

Binnen de Belastingdienst/FIOD is een team werkzaam dat zich met name richt op mogelijke fraude in de omzetbelasting: het Coördinatie Punt BTW-fraude (CPB). Binnen het CPB worden onder meer signalen die duiden op mogelijke intracommunautaire btw-fraude geanalyseerd en worden op basis van deze analyse controle-opdrachten bij de Belastingdienst uitgezet. De Belastingdienst en het CPB monitoren bedrijven die handelen in voor btw-fraude gevoelige risicogoederen. Een onderdeel van dit monitoren is het uitreiken van waarschuwingsbrieven aan bedrijven die handelen in deze risicogoederen, zodra wordt vastgesteld dat één van de ondernemingen in de handelsketen niet aan zijn btw-verplichtingen voldoet. Tevens wordt de betreffende ondernemer gevraagd zijn nieuwe leveranciers en afnemers te melden bij de Belastingdienst.

Onder andere de bedrijven [bedrijf 8] , [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ) en Innovativegroep handelen in goederen die tot btw-fraude gevoelige risicogoederen worden gerekend. Nader onderzoek bij [bedrijf 8] heeft uitgewezen dat het bedrijf [bedrijf 9] B.V. (hierna: [bedrijf 9] ) GoPro’s heeft geleverd aan [bedrijf 8] en dat [bedrijf 2] GoPro’s heeft gekocht van [bedrijf 8] . Nader onderzoek bij [bedrijf 9] heeft uitgewezen dat de onderneming niet over een bedrijfsruimte beschikte, sinds 1 januari 2015 in GoPro’s handelt en daarvoor in mobiele telefoons en tablets, de afnemers de facturen vooruit betaalden en dat [bedrijf 9] daarna de bestelde goederen inkocht, [bedrijf 9] de gekochte goederen zelf bij de leverancier ophaalde en afleverde bij haar afnemers, de bij de ING Bank aangehouden bankrekening door de bank was stopgezet omdat de bank van mening was dat de onderneming zich bezig hield met witwassen en terroristische activiteiten, [bedrijf 9] een bankrekening aanhield bij de Rabobank en dat de contacten met de leveranciers en afnemers verliepen via Skype.3

Hierop heeft de Belastingdienst nader onderzoek verricht naar de afnemers en leveranciers van [bedrijf 9] , waaronder [bedrijf 2] en [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ), zijnde de bedrijven waaraan verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn gelieerd.

De Belastingdienst heeft aan de hand van facturen, betalingen en het vervoer in een aantal

transacties geconstateerd dat de bedrijven [bedrijf 2] en [bedrijf 1] goederen verkochten aan ondernemingen in andere EU-lidstaten. Deze EU-ondernemingen leverden de goederen weer door aan zogenaamde ploffers in Nederland. Hierna werden de goederen via één of meerdere bufferondernemingen weer gekocht door [bedrijf 2] en/of [bedrijf 1] . Ook is geconstateerd dat de goederen hierna nog een keer hetzelfde traject beliepen waarbij beide bedrijven fungeerden als afnemer en leverancier van elkaar. Tevens werden door banken vragen gesteld over ongebruikelijke transacties. In de periode van 1 januari 2015 tot en met februari 2017 werden door de Belastingdienst maandelijks grote geldbedragen aan btw teruggegeven aan [bedrijf 2] en [bedrijf 1] . Dit gebeurde naar aanleiding van de door deze bedrijven ingediende aangiften omzetbelasting, waarbij de zogenoemde voorbelasting werd teruggevraagd. De Belastingdienst heeft geconstateerd dat er in de “handelsketen” door meerdere partijen niet aan de btw-verplichtingen werd voldaan.

Door de Belastingdienst zijn meerdere zogenoemde waarschuwingsbrieven uitgereikt aan diverse betrokkenen in de “handelsketen”.4 Hierbij werden bedrijven gewaarschuwd dat het vermoeden bestond dat er sprake was van btw-carrouselfraude. Nadat aan [bedrijf 2] in mei 2016 een dergelijke brief is uitgereikt, vonden er veranderingen plaats in de keten; [bedrijf 2] kocht niet meer rechtstreeks in van [bedrijf 1] , maar kocht de goederen vanaf dat moment in bij [bedrijf 7] B.V. (hierna: [bedrijf 7] ). Hiermee leek [bedrijf 7] te fungeren als een buffer tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] .

Op 18 mei 2016 is besloten een strafrechtelijk onderzoek te starten tegen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] en de hieraan verbonden natuurlijke personen.5 De bevindingen hebben bij de Belastingdienst/FIOD geleid tot een vermoeden dat sprake was van btw-carrouselfraude, waarbij het fiscale verlies in Nederland viel.

Btw-carrouselfraude

De term btw-carrouselfraude wordt gebruikt voor een samenstel van strafbare, frauduleuze,

gedragingen waarbij minimaal één bedrijf (een zogenaamde ‘ploffer’) in een handels- en

facturenketen geen btw afdraagt aan de fiscus. Dat bedrijf brengt vervolgens wel btw in

rekening bij zijn afnemers.

De schakels in de handelsketen na de ploffer - zogenaamde ‘buffers’- vragen de btw terug.

De namen en btw-nummers van bedrijven die als ploffer fungeren worden meestal maar korte tijd gebruikt, waarna de activiteiten worden gestaakt en een nieuwe ploffer de plaats inneemt van de eerdere ploffer. De Belastingdienst kan vervolgens de eerste ploffer niet meer aanspreken op haar fiscale verplichtingen. Bestuurders van de bedrijven die fungeren als ploffer of buffer zijn slechts formeel leidinggevende en niet feitelijk betrokken bij de

ondernemingen; zij zetten de bedrijven en bankrekeningen slechts op naam (‘katvangers’).

Eén van de kenmerken van btw-carrouselfraude is dat sprake is van een prijsval: de ploffers

factureren goederen aan de bufferbedrijven voor lagere bedragen dan waarvoor die aan de

ploffers waren gefactureerd. Deze prijsval kan alleen worden gerealiseerd doordat plofferbedrijven geen btw afdragen. De ‘winst’ die ten gevolge van deze handelwijze ontstaat, wordt over de diverse schakels verdeeld.

Op basis van een eerste onderzoek heeft de FIOD de volgende ondernemingen als vermoedelijke ploffers aangemerkt:6

  • -

    [bedrijf 10] B.V. (hierna: [bedrijf 10] );

  • -

    [bedrijf 11] B.V. (hierna: [bedrijf 11] );

  • -

    de eenmanszaak [bedrijf 12] (hierna: [bedrijf 12] );

  • -

    [bedrijf 13] B.V. (hierna: [bedrijf 13] );

  • -

    [bedrijf 14] B.V. (hierna: [bedrijf 14] );

  • -

    [bedrijf 15] B.V. (hierna: [bedrijf 15] ), en

  • -

    de eenmanszaak [bedrijf 16] (hierna: [bedrijf 16] ).

De volgende bedrijven werden als vermoedelijke buffers aangemerkt:7

  • -

    [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] );

  • -

    [bedrijf 17] B.V. (hierna: [bedrijf 17] );

  • -

    [bedrijf 18] B.V. (hierna: [bedrijf 18] ), en

  • -

    [bedrijf 9] .

Kenmerken

Btw-carrouselfraude wordt gekenmerkt door een aantal omstandigheden, welke zich steeds in wisselende samenstelling voordoen. Als dergelijke omstandigheden kunnen de hierna te noemen gelden:8

- meerdere partijen; een carrousel bestaat uit meerdere partijen. Het aantal kan variëren van minimaal drie (bij de eenvoudigste carrousel), tot heel veel bij de meer ingewikkelde carrousels, waarbij het doel van heel veel partijen het versluieren van de carrousel is en soms ook het meerdere malen ‘pakken van de winst’ door het gebruiken van meer dan één ploffer;
- internationaal karakter; de deelnemers aan een btw-carrousel bevinden zich in minimaal twee lidstaten van de EU, maar ook landen buiten de EU kunnen erin betrokken zijn;
- repeterend karakter; goederen kunnen al dan niet fictief in een carrousel worden rondgepompt. Ze worden tegen bodemprijzen op de Europese markt gedumpt of verdwijnen buiten de EU. De oorspronkelijke kostprijs van de goederen is dan vaak in zijn geheel terugverdiend ten koste van de schatkist. Echter, ook als de goederen niet helemaal rondgaan en het repeterend karakter dus ontbreekt, wordt bij deze vorm van btw-carrouselfraude gesproken;
- snelle wisseling van leveranciers en afnemers; de kracht van een goed georganiseerde carrousel is dat de organisatoren in staat zijn om de gaten in de carrousel, die door ingrijpen van de Belastingdienst zijn ontstaan, zeer snel te dichten. Dat betekent dat op het moment dat de Belastingdienst deelnemers aan een btw-carrousel ontdekt en hen het werken onmogelijk maakt, deze direct worden vervangen door anderen;
- kennis werkwijze Belastingdienst; deelnemers aan de carrousel laten zich op fiscaal gebied door adviseurs informeren over de (on)mogelijkheden van de Wet op de Omzetbelasting (Wet OB) en de werkwijze van de Belastingdienst (organisatie en werking van het OB-aangiftesysteem);
- ICL of export; in de gesignaleerde carrousels is altijd sprake van een ondernemer die intracommunautair goederen levert, dan wel exporteert.

[bedrijf 2] en [bedrijf 1]

De Belastingdienst is tot de conclusie gekomen dat [bedrijf 2] en [bedrijf 1] binnen de carrousel fungeerden als vertrek- en eindpunt van de goederen. In de tussenliggende fase werden er eerst meerdere fiscale voordelen genoten doordat één van de schakels (de ploffer) de in rekening gebrachte omzetbelasting niet op aangifte afdroeg en doordat de eindschakel een hoge vooraftrek genoot voordat de goederen via het buitenland weer in Nederland terugkwamen.9

[verdachte] (verdachte), de directeur/bestuurder van [bedrijf 1]10, is de zoon van de directeur/bestuurder van [bedrijf 2] , [medeverdachte 1] (medeverdachte).11

Voor de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank de verdachten [familienaam] aanduiden met hun voornaam en medeverdachte [medeverdachte 2] met zijn achternaam.

4.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, met uitzondering van de factuur die is genoemd onder het vierde gedachtestreepje van feit 2. Daartoe hebben zij gesteld dat door verdachte en zijn medeverdachten goederen- en factuursstromen zijn opgezet met als doel het plegen van belastingfraude. Over deze gefingeerde handel hebben de ploffers in de keten doelbewust nooit belasting afgedragen, terwijl door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] wel de voorbelasting op deze transacties is teruggevraagd. Verdachte is na zijn vertrek bij [bedrijf 2] het bedrijf [bedrijf 1] gestart, waar hij de handel dreef en de bedrijfsvoering bestierde. Er was geen personeel in dienst. Uit diverse verklaringen blijkt dat deze handel, evenals die van [bedrijf 2] , was geregisseerd; bedrijven wisten op voorhand met wie zaken zou worden gedaan. [bedrijf 1] maakte hier onderdeel van uit. [bedrijf 1] werd net als [bedrijf 2] meerdere malen eigenaar van de goederen die zij kort ervoor aan het buitenland had verkocht en wist nieuwe bedrijven feilloos te vinden. Verdachte bepaalde hoe de handel werd gedreven, gaf instructies aan de bedrijven en zocht bestuurders voor de ploffers en de buffers. Dat er geen sprake was van ‘normale handel’ wordt eveneens bevestigd door de tap- en skypegesprekken in het dossier. Verdachte vormde aantoonbaar de schakel tussen een aantal van de betrokken bedrijven en was degene die de keten feitelijk aanstuurde. Door het terugvragen van voorbelasting waar [bedrijf 1] , gelet op de wetenschap van de fraude, geen recht op had, kan worden bewezen dat [bedrijf 1] onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan. Doordat sprake is van gefingeerde handel en geen legitieme economische handel, zijn ook de onderliggende stukken vals. Immers wordt met de facturen, orders en andere documenten gepretendeerd dat sprake was van legitieme goederentransacties, hetgeen niet het geval was. Door deze stukken op te nemen in de bedrijfsadministratie is ook deze vals.

Verdachte heeft aan deze strafbare handelingen, gepleegd door [bedrijf 1] , feitelijke leiding gegeven. Gelet op het feit dat tussen de verdachten onderling, evenals met enkele van de andere bij de fraude betrokken partijen, sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat tot doel had om btw-carrouselfraude mogelijk te maken, kan ook deelneming aan een criminele organisatie worden bewezen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de verdediging onder meer gesteld dat veel van de genoemde kenmerken van btw-carrouselfraude niet op de handel van verdachte van toepassing zijn en dat de praktijk anders is dan hoe de FIOD dit doet overkomen. De kern van het bewijs rust op de analyses die zijn gemaakt in AMB-036 en AMB-037. Deze ambtshandelingen zijn door één verbalisant opgemaakt, zijn gebaseerd op een eigen selectie, zijn niet volledig en bevatten louter persoonlijke/subjectieve conclusies. Deze documenten dienen dan ook te worden uitgesloten van het bewijs. Dit geldt ook voor de verklaring van [getuige 2] . Naast het feit dat [getuige 2] in strijd met de waarheid verklaart, is deze verklaring niet tot stand gekomen volgens de wettelijke regelingen. Immers is hier sprake van een ‘deal’ met een crimineel. Dit geldt ook voor de verklaringen van [getuige 1] . De raadsman stelt zich verder op het standpunt dat het kan zijn dat verdachte betrokken is geraakt bij btw-carrouselfraude, maar dat hij daar geen wetenschap van had, waardoor het opzet ontbreekt. Bovendien trekt het Openbaar Ministerie de skypegesprekken in het dossier volledig uit hun verband, hetgeen ook geldt voor het begrip ‘ronde’ dat in geen van de in het dossier voorkomende gevallen betrekking heeft op een carrousel-ronde. De raadsman heeft verder bepleit dat de ten laste gelegde facturen niet vals zijn, omdat niet kan worden aangetoond dat de goederen niet zijn geleverd. Tot slot heeft hij aangevoerd dat geen sprake kan zijn van deelname aan een criminele organisatie, nu het kenmerk van de organisatie ontbreekt. Niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband van meerdere personen die een gemeenschappelijk oogmerk deelden.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

De betrouwbaarheid van AMB-036 en AMB-037

Door de verdediging is betoogd dat de ambtshandelingen AMB-036 en AMB-037 niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat hierin slechts conclusies zijn weergegeven, zonder onderbouwing met concrete facturen en leveringsbewijzen.

De rechtbank stelt vast dat in deze ambtshandelingen diverse goederenstromen zijn uitgewerkt en gevisualiseerd, die mede zijn gebaseerd op onderliggende facturen en documenten. Bij de visualisaties zijn de facturen genoemd die volgens de FIOD aan de btw-rondes ten grondslag liggen, inclusief data, producten en prijzen. De rechtbank neemt de conclusies uit deze ambtshandelingen niet over, maar trekt - aan de hand van de onderliggende bewijsmiddelen, waaronder de facturen en leveringsbewijzen (voor zover aanwezig) - zelf een conclusie. Nu deze ambtshandelingen op zichzelf niet voor bewijs worden gebruikt kan de stelling over bewijsuitsluiting onbesproken blijven.

4.4.2

De betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 1]

In het strafrechtelijk onderzoek zijn door medeverdachten [getuige 2] en [getuige 1] verklaringen afgelegd bij de officier van justitie en de rechter-commissaris. De verdediging heeft gesteld dat deze verklaringen zijn afgelegd in het kader van artikel 226g Sv of mede hierdoor zijn ingegeven.

De rechtbank is van oordeel dat een situatie zoals beschreven in artikel 226g Sv niet aan de orde is. Een dergelijke afspraak kan op grond van artikel 226g Sv enkel plaatsvinden in een geval waarbij een verdachte in ruil voor strafvermindering een getuigenverklaring aflegt in een strafzaak tegen een andere verdachte. [getuige 2] en [getuige 1] hebben beiden (op eigen initiatief) tegenover de officier van justitie een verklaring afgelegd in hun eigen strafzaak, waarna hen vervolgens een strafbeschikking is uitgereikt, hetgeen een bevoegdheid is van het Openbaar Ministerie. Dat deze verklaringen later zijn gevoegd in het strafdossier van verdachte maakt niet dat sprake is van een afspraak zoals bedoeld in artikel 226g Sv. De omstandigheid dat [getuige 2] en [getuige 1] vervolgens in de zaak van verdachte bij de rechter-commissaris en/of ter terechtzitting als getuige zijn gehoord, maakt dit niet anders.

Hoewel de afgelegde verklaringen officieel geen verklaringen in de zin van artikel 226g Sv zijn, dient de betrouwbaarheid van deze verklaringen naar het oordeel van de rechtbank wel met de nodige omzichtigheid te worden bezien en kritisch te worden getoetst. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring zijn een aantal factoren en omstandigheden van belang. In de eerste plaats is van belang of de getuige die belastend verklaart over anderen ook zelf (een deel van) de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen. In dat geval wint de verklaring aan betrouwbaarheid ten opzichte van een verklaring waarin de gehele schuld wordt afgewenteld op een ander of anderen. Verder is bij de vraag naar de betrouwbaarheid van de verklaring van een getuige of medeverdachte van belang of hetgeen wordt verklaard overeenkomt met of steun vindt in – zo te noemen – andere, bij voorkeur objectieve, bewijsmiddelen. Des te meer de verklaring wordt gestut door objectieve feiten of omstandigheden of verklaringen van anderen des te meer waarde aan die verklaring kan worden gehecht. Daarnaast is van belang of de betreffende verklaring ‘uit zichzelf’ (dat wil zeggen, zonder wetenschap vooraf van hetgeen uit het onderzoek reeds naar voren is gekomen) is afgelegd, of de verklaring op andere onderdelen steeds consistent is en of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens. Tot slot kan bij de vraag naar de betrouwbaarheid ook van belang zijn de positie van degene ten overstaan van wie de verklaring is afgelegd. Een verklaring afgelegd tegenover een onafhankelijke rechter onder ede kan de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaring ten goede komen.

De rechtbank is, anders dan de raadsman heeft bepleit, van oordeel dat er geen reden is om op essentiële onderdelen te twijfelen aan de verklaringen die [getuige 1] op 19 juni 2020 tegenover de officier van justitie, en op 25 mei 2021 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Hoewel [getuige 1] in een eerder stadium anders heeft verklaard, worden zijn verklaringen ondersteund door objectieve gegevens in het dossier, waaronder de facturen, de goederenstromen en de winsten die aan [bedrijf 2] en [bedrijf 1] zijn toegekomen. Dit geldt eveneens voor de verklaring van [getuige 2] van 29 juni 2021 ten overstaan van de officier van justitie en zijn verklaring voor de rechtbank ter terechtzitting van 6 juli 2021. Daar komt bij dat deze getuigen niet alleen anderen hebben belast met betrokkenheid, maar ook zichzelf daar een aandeel in hebben toegedicht. Van enig (ander) motief om ten koste van verdachte onjuist en in strijd met de waarheid te verklaren is de rechtbank niet gebleken.

4.4.3

De bespreking van de feiten

De positie van de verdachten binnen [bedrijf 2] en [bedrijf 1]

De rechtbank stelt vast dat op 22 augustus 2008 de eenmanszaak [bedrijf 2] is opgericht. De eenmanszaak is op 11 maart 2014 voortgezet als de besloten vennootschap [bedrijf 2] en is gevestigd te Emmeloord. De onderneming is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en [bedrijf 19] B.V. is sinds 11 maart 2014 enig aandeelhouder en bestuurder van deze rechtspersoon.12 [stichting] is sinds 3 april 2014 enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 19] B.V, met [medeverdachte 1] als zelfstandig bevoegd bestuurder.13

[bedrijf 2] handelde vanaf de start van de onderneming voornamelijk in Apple producten, bestemd voor de particuliere markt. Vanaf januari 2015, nadat de verleggingsregeling voor iPhones was ingesteld, is [bedrijf 2] hoofdzakelijk gaan handelen in opslagmedia, zoals SSD en HDD schijven en action cams.14 Deze btw-goederen vallen niet onder de verleggingsregeling. [bedrijf 2] verkocht vanaf dat moment niet meer aan consumenten, maar leverde en kocht voornamelijk aan en van andere bedrijven (tussenhandel).15

Medio 2015 heeft binnen [bedrijf 2] een reorganisatie plaatsgevonden, waarbij alle medewerkers in loondienst, met uitzondering van medeverdachte [medeverdachte 2] , zijn ontslagen.16 Ook het dienstverband van verdachte bij [bedrijf 2] is beëindigd. Vanaf medio 2015 is verdachte als bestuurder van zijn eigen besloten vennootschap [bedrijf 1] actief geworden.

[bedrijf 2] werd na de beëindiging van het dienstverband van verdachte gerund door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .17 [medeverdachte 1] was als algemeen directeur verantwoordelijk voor de bedrijfsmatige kant van het bedrijf, alsook voor de in- en verkoop van de goederen.18 [medeverdachte 2] hield zich voornamelijk bezig met de automatisering en inrichting van de systemen. Na de reorganisatie en de beëindiging van het dienstverband met verdachte, hield [medeverdachte 2] zich samen met [medeverdachte 1] ook bezig met de in- en verkoop van de goederen en werd hij verantwoordelijk voor de financiële administratie.19 [medeverdachte 2] onderhield daarnaast de contacten met de Belastingdienst en was veelal aanspreekpunt/contactpersoon voor afnemers en leveranciers.20

Binnen [bedrijf 2] werd voor vele miljoenen euro’s in- en verkocht. De omzet van [bedrijf 2] tot en met augustus 2015 bedroeg ongeveer 30 miljoen. De omzet van 2016 tot en met april was 6,7 miljoen euro.21

Op 16 juli 2014 is [bedrijf 1] , een groothandel in computers, randapparatuur en software, opgericht. De onderneming is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en [bedrijf 20] B.V. is sinds de oprichting bestuurder van deze rechtspersoon.22 Verdachte en [medeverdachte 1] zijn met ingang van 16 juli 2014 enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 20] B.V. Vanaf 26 juni 2015 wordt verdachte - nadat [medeverdachte 1] hem de aandelen van [bedrijf 20] B.V. heeft verkocht - middels [bedrijf 20] B.V. bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] .23 Het bedrijf is tot 7 januari 2016 gevestigd in Emmeloord, in een pand direct naast [bedrijf 2] . Hierna is [bedrijf 1] verhuisd naar het woonadres van verdachte in [adres] .

[bedrijf 1] handelde in vergelijkbare producten als [bedrijf 2] , had dezelfde binnenlandse leveranciers en de in- en verkoop van het bedrijf was vergelijkbaar. Binnen het bedrijf werd al snel voor miljoenen euro’s ingekocht en verkocht. De omzet van [bedrijf 1] tot en met mei 2016 was 10,7 miljoen euro. In 2015 bedroeg de omzet 20 miljoen euro.24

Algemene overwegingen ten aanzien van de feiten 1 en 2

Verdachte wordt onder de feiten 1 en 2 verweten feitelijke leiding te hebben gegeven aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en het plegen van valsheid in geschrift door [bedrijf 1] (en eventuele medeplegers). Bij de beantwoording van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, dient eerst te worden vastgesteld of die rechtspersoon een strafbaar feit heeft gepleegd of daaraan heeft deelgenomen. Als die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde of bewezen kan worden dat verdachte aan die gedraging feitelijke leiding heeft gegeven.

Tijdens het onderzoek van de FIOD hebben op 6 maart 2017 doorzoekingen ter inbeslagneming plaatsgevonden in het bedrijfspand en de opslagbox van [bedrijf 2] , op het bedrijfsadres van [bedrijf 1] , alsook op een aantal andere bedrijfsadressen van de in het dossier genoemde ploffers en buffers, en in de woningen en verblijfsadressen van verdachte en medeverdachten.25 Hierbij zijn administratie en digitale gegevensdragers in beslag genomen. De FIOD heeft aan de hand van de in- en verkoopfacturen, bank- en transportgegevens en overige administratie overzichten gemaakt van goederenbewegingen en factuurstromen van de bij de goederenstromen betrokken ondernemingen.

De rechtbank zal allereerst ingaan op een aantal goederen- en factuurstromen dat in de onder feit 1 ten laste gelegde periode heeft plaatsgevonden.

De rechtbank zal allereerst in gaan op een aantal goederen- en factuurstromen dat in de onder feit 1 ten laste gelegde periode heeft plaatsgevonden en waarvan onderliggende facturen en andere bewijsstukken in het dossier terug te vinden zijn.

Goederenstroom in GoPro camera’s (februari 2016)

De hierna te bespreken goederenstroom betreft de handel in GoPro camera’s.26 Het betreft een goederenstroom waarbij zowel [bedrijf 1] , [bedrijf 7] als [bedrijf 2] betrokken zijn.

Deze goederenstoom heeft plaatsgevonden in de periode van 10 tot en met 26 februari 2016 en is dus relevant voor de aangifte over de periode februari 2016 ten name van [bedrijf 1] .

Onderzoek aan de hand van de aangetroffen inkoop- en verkoopfacturen bij [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en ploffer- en bufferbedrijven leverde het volgende op:

- [bedrijf 1] heeft op 10 februari 2016 366 stuks GoPro camera’s (Hero 4 Black) verkocht aan [bedrijf 3] in Tjechië (hierna [bedrijf 3] ) voor € 386,00 per stuk;27

- [bedrijf 3] heeft deze goederen op 23 februari 2016 voor € 393,72 per stuk verkocht aan [bedrijf 21] (hierna [bedrijf 21] );28

- [bedrijf 21] heeft deze goederen onder haar inkoopprijs, te weten voor € 342,00 doorverkocht aan [bedrijf 17] ;29

- [bedrijf 17] heeft deze goederen weer verkocht aan [bedrijf 22] B.V. (hierna: [bedrijf 22] ) voor € 347,31 per stuk;30

- [bedrijf 22] heeft deze goederen op 24 februari 2016 doorverkocht aan [bedrijf 2] voor

€ 354,26 per stuk;31

- [bedrijf 2] heeft op 24 februari 2016 366 stuks GoPro camera’s (Hero 4 Black) ingekocht bij [bedrijf 22] B.V. (hierna: [bedrijf 22] ) voor een prijs van € 354,26 per stuk;32

- [bedrijf 2] heeft 350 van deze GoPro camera’s dezelfde dag (tegen een btw-tarief van 0%) verkocht aan [bedrijf 23] in Duitsland (hierna: [bedrijf 23] ) voor een bedrag van € 386,00 per stuk;33

- [bedrijf 23] heeft deze goederen vervolgens op 25 februari 2016 doorverkocht aan de eenmanszaak [bedrijf 21] (hierna: [bedrijf 21] ) voor een prijs van € 394,00 per stuk, exclusief btw.34 [bedrijf 21] heeft hierbij [bedrijf 24] te Vlaardingen als afleveradres en [naam 1] , de bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 17] , als chauffeur vermeld;35

- de GoPro’s zijn diezelfde dag door [bedrijf 21] onder de verkoopprijs, te weten voor een bedrag van € 345,00 per stuk, doorverkocht aan [bedrijf 17] ;36

- [bedrijf 17] heeft 366 GoPro camera’s voor een bedrag van € 347,31 per stuk doorverkocht aan [bedrijf 22]37 en 350 GoPro camera’s voor een bedrag van € 351,00 per stuk doorverkocht aan [bedrijf 4] , een handelsnaam van [bedrijf 4] ;38

- [bedrijf 22] heeft de goederen na de inkoop bij [bedrijf 17] een dag later doorverkocht aan [bedrijf 2] ;39

- [bedrijf 4] heeft vervolgens de goederen voor € 358,00 per stuk weer doorverkocht aan [bedrijf 1] , op de factuur staat echter de datum 16 februari 2016 vermeld;40

- [bedrijf 1] heeft deze goederen op 26 februari 2016 doorverkocht aan [bedrijf 2] voor € 360,00 per stuk;41

- [bedrijf 2] heeft de ingekochte goederen vervolgens (tegen een btw-tarief van 0%) doorverkocht aan [bedrijf 25] in Ierland (hierna: [bedrijf 25] ) voor een bedrag van € 365,00 per stuk.42

In de hiervoor besproken goederenstroom, waarbij achtereenvolgens twee carrouselrondes hebben plaatsgevonden, zijn veel kenmerken van btw-carrouselfraude zichtbaar. In deze goederenstroom (en hierna beschreven goederenstromen) gaat het op de facturen telkens om gelijke omschrijvingen en (vrijwel) gelijke aantallen of opgesplitste delen daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan ook niet anders zijn dan dat het telkens dezelfde – al dan niet fictieve – goederen betreft. Uit het voorgaande blijkt dat [bedrijf 1] in een korte tijd twee keer dezelfde GoPro camera’s heeft verhandeld, waarbij de goederen in een zeer afzienbare tijd van de ene naar de andere afnemer zijn overgegaan en een latere schakel ( [bedrijf 17] ) de goederen in het buitenland ophaalde. Op de verkoopfactuur van [bedrijf 4] aan [bedrijf 1] is een eerdere datum vermeld dan de datum op de factuur van [bedrijf 17] , waar [bedrijf 4] de goederen heeft ingekocht. Dit doet aan de conclusie dat sprake is van een carrousel niet af, aangezien ondernemingen speelruimte hebben in de keuze voor het opmaken van een factuur, en kan zelfs een aanwijzing vormen dat men (ook) hierdoor heeft getracht de carrousel te verhullen. Evenzeer is het mogelijk dat de datum 16 februari 2016 een schrijffout betreft en had er 26 februari 2016 moeten staan. Voor de beoordeling van de zaak maakt dat echter geen verschil.


Binnen de keten is twee keer een onzakelijke prijsval zichtbaar. In de eerste ronde heeft [bedrijf 21] de goederen voor € 393,72 per stuk ingekocht en voor € 342,00 per stuk verkocht. In de tweede ronde heeft [bedrijf 21] de goederen voor € 394,00 per stuk ingekocht en voor
€ 345,00 per stuk doorverkocht. [bedrijf 21] heeft in deze keten dus als ploffer gefungeerd.

[bedrijf 21] is op 10 december 2015 als eenmanszaak ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en is op 25 juli 2016, wegens opheffing van de onderneming, weer uit het handelsregister uitgeschreven.43 Uit de bestanden van de Belastingdienst komt naar voren dat de btw die zij op de hiervoor vermelde facturen aan [bedrijf 17] heeft gefactureerd, niet aan de Belastingdienst heeft afgedragen.44Uit de facturenstroom en het overzicht van de bankrekening van [bedrijf 21] blijkt overigens dat het [bedrijf 21] enkel handelde met [bedrijf 17] en [bedrijf 3] , welke bedrijven in het onderzoek als buffers zijn aangemerkt.45 De Belastingdienst heeft de persoon achter de eenmanszaak [bedrijf 21] niet kunnen traceren. Het KvK-nummer is op 25 juli 2016 uitgeschreven.46

De bedrijven [bedrijf 17] , [bedrijf 4] en [bedrijf 22] hebben in deze keten als buffers gefungeerd. Kijkend naar de goederenstromen hadden deze bedrijven geen enkele economische toegevoegde waarde, maar waren het slechts extra schakels in de handelsketen.

Gebleken is dat [bedrijf 17] en [bedrijf 4] vanuit het niets voor vele miljoenen handel dreven en inkochten bij bedrijven die in het dossier als ploffer zijn aangemerkt.47 In zeer korte tijd gingen enorme bedragen over de rekening van deze bedrijven, waarbij het opvallend is dat sprake was van een zeer beperkte hoeveelheid afnemers en leveranciers.48 [bedrijf 17] kocht in bij dezelfde ploffers als waar haar grootste afnemer, [bedrijf 4] , zaken mee deed.49 Daarnaast mailt [bedrijf 17] op 10 februari 2016 met [bedrijf 22] over een specifiek aantal van 366 GoPro’s50, terwijl [bedrijf 17] deze partij pas op 23 februari 2016 inkoopt bij [bedrijf 21] .

[bedrijf 3] en [bedrijf 23] hebben de goederen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] afgenomen, waarna de goederen door deze buitenlandse afnemers weer aan Nederlandse ploffers zijn geleverd. In de goederenstroom is te zien dat de goederen op deze manier weer zijn teruggekomen en opnieuw de carrousel in zijn gegaan. Dat het niet toevallig is dat deze bedrijven de Nederlandse ploffers wisten te vinden, komt later in het vonnis aan de orde.

Dat de handel vooraf was afgestemd wordt bevestigd door resultaten uit onderzoek naar de Duitse onderneming [bedrijf 23] , welk bedrijf achtereenvolgens op naam stond van [naam 2] en [naam 3] .51 Beiden hebben verklaard dat zij slechts op papier (tegen betaling) eigenaar waren en dat in werkelijkheid [naam 4] feitelijk leidinggevende was bij [bedrijf 23] . [naam 4] was verantwoordelijk voor de in- en verkopen.52Hoewel [naam 4] op papier niets met [bedrijf 23] te maken had, is bij [bedrijf 2] een notitie aangetroffen met de tekst:

“De eigenaar [naam 4] kennen we al een tijdje. Hij heeft nu een nieuw bedrijf. In 2014 hebben we ook al zaken met hem gedaan [bedrijf 23] .” 53

Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op het voorgaande de conclusie worden getrokken dat deze goederenstroom schijnhandel betreft.

Goederenstroom in Samsung televisies (mei 2016)

De hierna te bespreken goederenstroom betreft de handel in 1.064 Samsung televisies.

Deze goederenstroom heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016 en is dus relevant voor de aangifte over de periode mei 2016 ten name van [bedrijf 1] .

Aan de hand van de aangetroffen inkoop- en verkoopfacturen bij [bedrijf 1] , ploffer- en bufferbedrijven is gebleken dat [bedrijf 16] op 11 mei 2016 1.064 Samsung televisies heeft verkocht aan [bedrijf 17] voor een prijs van € 143,50 per stuk (exclusief btw).54 [bedrijf 17] heeft deze voorraad dezelfde dag voor € 145,18 per stuk (exclusief btw) doorverkocht aan [bedrijf 4] , een handelsnaam van [bedrijf 4] .55

Uit onderzoek is gebleken dat [bedrijf 16] de eerste helft van 2016 in btw-carrousels als ploffer heeft gefungeerd.56

[bedrijf 16] is op 18 januari 2016 als eenmanszaak ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en het omzetbelastingnummer is op 11 mei 2016 afgevoerd door de Belastingdienst.57 Evenals andere ploffers werd bij [bedrijf 16] verliesgevend gehandeld. Over het eerste kwartaal van 2016 heeft [bedrijf 16] een nihilaangifte gedaan bij de Belastingdienst. Over de latere kwartalen zijn geen aangiften omzetbelasting gedaan.58 Verder is gebleken dat [bedrijf 16] , net als andere Nederlandse plofbedrijven, gebruik maakte van een bankrekening bij de Slowaakse Tatrabank.59 Uit de bankgegevens van [bedrijf 16] is gebleken dat zij haar goederen inkocht bij de buitenlandse bedrijven [bedrijf 3] , [bedrijf 28] , [bedrijf 23] en [bedrijf 26] (hierna: [bedrijf 26] )60, en dat zij haar goederen verkocht aan de bedrijven [bedrijf 27] Center B.V. (hierna: [bedrijf 27] ) en [bedrijf 17] , die in het dossier als buffers zijn aangemerkt.61

De FIOD heeft met betrekking tot de levering van de 1.064 Samsung televisies gegevens bij [bedrijf 24] opgevraagd. Uit deze gegevens is met betrekking tot deze partij goederen de volgende chronologische tijdlijn te maken:62

  • -

    11 mei 2016, 15:42 uur: e-mail van [bedrijf 28] in Duitsland (hierna: [bedrijf 28] ) naar [bedrijf 24] : de goederen mogen worden vrijgegeven aan [bedrijf 16] ;

  • -

    11 mei 2016, 16:18 uur: e-mail van [bedrijf 17] naar [bedrijf 24] : de goederen mogen worden vrijgegeven aan [bedrijf 4] ;

  • -

    11 mei 2016, 16:21 uur: e-mail van [bedrijf 16] naar [bedrijf 24] : de goederen mogen worden vrijgegeven aan [bedrijf 17] ;

  • -

    11 mei 2016, 16:24 uur: e-mail van [bedrijf 16] naar [bedrijf 24] : met de tekst ‘moest dit van mijn leverancier melden’;

  • -

    11 mei 2016, 16:21 uur: e-mail van [bedrijf 4] naar [bedrijf 24] : de goederen mogen worden vrijgegeven aan [bedrijf 1] . Daarbij wordt opgemerkt dat de kosten voor rekening van [bedrijf 1] zijn;

  • -

    11 mei 2016, 16:46 uur: e-mail van [bedrijf 1] naar [bedrijf 24] : verzoek om de goederen ‘on hold’ te zetten naar [naam 5] ;

  • -

    11 mei 2016, 17:09 uur: e-mail van [bedrijf 1] naar [bedrijf 24] : goederen mogen worden vrijgegeven aan [naam 5] ;

  • -

    13 mei 2016, 09:19 uur: e-mail van [bedrijf 24] naar [naam 5] en [bedrijf 29] in Letland (hierna [bedrijf 29] ): de goederen zijn vrijgegeven aan [bedrijf 29] .

Uit het voorgaande blijkt dat de partij televisies binnen 1,5 uur zes verschillende eigenaren heeft gekregen. De goederen zijn op dezelfde datum binnen 1,5 uur verkocht door [bedrijf 28] aan [bedrijf 16] , weer doorverkocht aan [bedrijf 17] , aan [bedrijf 4] , aan [bedrijf 1] , aan [naam 5] en tot slot aan [bedrijf 29] in Letland. Uit de [bedrijf 24] -gegevens is gebleken dat [naam 5] al om 15:26 uur een e-mail naar [bedrijf 24] heeft gestuurd met het verzoek om te bevestigen dat de goederen “on hold” staan, dat de zending van [bedrijf 1] is binnengekomen en met de mededeling dat hij deze wil verkopen aan [bedrijf 29]63. Dit terwijl de goederen pas om 15.42 uur zijn vrijgegeven door [bedrijf 28] aan [bedrijf 16] , vijf schakels terug in de keten. Daarnaast geeft [bedrijf 17] om 16:18 uur, ruim een uur voordat de goederen door [bedrijf 16] aan [bedrijf 17] zijn vrijgegeven, aan [bedrijf 24] de opdracht om de goederen vrij te geven aan [bedrijf 4] .
Het in zéér korte tijd verhandelen van technologisch hoogwaardige goederen in een grensoverschrijdende keten, waarbij gebruik wordt gemaakt van onnodige schakels, waarbij de goederen – voor zover bestaand en niet fictief – niet worden verplaatst, maar blijven liggen in een opslag bij een vervoerder en waarbij betalingen voor leveranties plaatsvinden door een ander dan de directe afnemer (in dit geval [bedrijf 1] ) zijn kenmerken van btw-carrouselfraude. Gelet op de snelheid van handelen, waarbij ook al voor de eerste release bekend was wie de goederen uiteindelijk zou afnemen van [bedrijf 1] en [naam 5] , kan het niet anders zijn dan dat deze handel van te voren was afgestemd. Alle schakels in de keten moesten leveren zoals zij hebben gedaan, om te zorgen dat [bedrijf 1] haar goederen aan [naam 5] kon leveren en [naam 5] weer aan [bedrijf 29] . Dit kan niet zonder dat de tussenliggende schakels zijn aangestuurd.

De rechtbank stelt dan ook vast dat voorgaande goederenstroom schijnhandel betreft.

Goederenstroom (januari 2017)

Uit onderzoek is naar voren gekomen dat [bedrijf 1] in januari 2017 goederen heeft ingekocht bij het Tsjechische bedrijf [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6] ).

Op 18 januari 2017 heeft [bedrijf 1] 8.000 stuks Windows 10 (KW9-00139) tegen een btw-tarief van 0% voor € 68,65 ingekocht bij [bedrijf 6] .64 Op 31 januari 2017 heeft [bedrijf 1] deze partij goederen voor € 68,65 exclusief btw, per stuk doorverkocht aan [bedrijf 5] B.V. (hierna [bedrijf 5] ).65

Uit de bankmutaties van [bedrijf 6] is gebleken dat [bedrijf 6] in de periode van 25 oktober 2016 tot en met 3 maart 2017 goederen in- en verkocht bij [bedrijf 2] , [bedrijf 1] en [bedrijf 7] .66 [bedrijf 1] (met bankrekeningnummer [rekeningnummer] ) is vanaf 25 oktober 2016 de eerste grote buitenlandse afnemer van [bedrijf 6] .67 In de maand januari 2017 hebben op de rekening van [bedrijf 6] meerdere (tientallen) transacties plaatsgevonden van [bedrijf 6] naar [bedrijf 1] , waarvan soms meerdere op één dag.68 Vanaf 13 maart 2017, een week na de inval van de FIOD bij [bedrijf 1] , hebben in het geheel geen bankmutaties meer plaatsgevonden op de rekening van [bedrijf 6] .

Uit informatie van de Tsjechische politie is naar voren gekomen dat [bedrijf 6] in Tsjechië een fictief tussengeschoven bedrijf is en in Tsjechië geen zinvolle economische activiteiten verricht.69 Bij het pand waar het bedrijf zou zijn gevestigd hing een lijst met namen van tientallen bedrijven die daar hun zetel zouden moeten hebben. Op de locatie vonden geen zichtbare economische activiteiten plaats en de deuren waren gesloten. Het bedrijf was niet bereikbaar en er was geen brievenbus aanwezig. Uit het Tsjechische handelsregister is gebleken dat sinds de oprichting van [bedrijf 6] meerdere bestuurders bij de onderneming betrokken zijn geweest. Het is de Tsjechische autoriteiten niet gelukt om de laatste bestuurder van [bedrijf 6] , de uit Servië afkomstige [naam 6] , te traceren.70

Tijdens de doorzoeking op 6 maart 2017 is in de woning van [getuige 1] , de bestuurder van [bedrijf 7] , een notitieblok aangetroffen, waarin de inloggegevens van de e-mail en het skype account van de Tsjechische bedrijven [bedrijf 30] en [bedrijf 6] stonden geschreven.71

De verklaring van [getuige 1] , waaruit kortgezegd blijkt dat de handel bij [bedrijf 7] werd gedreven en geregisseerd door verdachte, komt later in dit vonnis aan de orde.

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat in de maand januari 2017 ten aanzien van deze goederen- en factuurstroom eveneens sprake is geweest van schijnhandel.

Tussenconclusie goederen- en factuurstromen

De rechtbank stelt op grond van de hiervoor beschreven goederen- en factuurstromen – in onderlinge samenhang bezien – vast dat [bedrijf 1] , waarvan verdachte bestuurder was, in de ten laste gelegde periode deel heeft uitgemaakt van btw-carrousels.

In de goederen- en factuurstromen komt duidelijk de voor de btw-carrouselfraude essentiële prijsval bij de ploffers naar voren. Daarnaast wisselden de goederen, zonder economische toegevoegde waarde, in zeer korte tijd van eigenaar, kwamen goederen meermalen in handen van dezelfde bedrijven, werd er zonder economisch belang gewerkt met spoedbetalingen en begonnen en/of eindigden goederenrondes met intracommunautaire transacties. Dit zonder een enkele aanwijzing dat betrokken partijen met elkaar hebben onderhandeld over de prijs. De goederenstromen - voor zover al bestaand - dienden enkel als ondersteuning van de facturenstroom; van een reële handel in de goederen was er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Uit de goederenstromen wordt duidelijk dat het gaat om een gesloten stelsel van bedrijven die met elkaar handelden. De FIOD heeft overzichten gemaakt waarin is weergegeven welke bedrijven binnen ketens van samenwerkende ondernemingen als ploffer- of als bufferbedrijf zijn gebruikt door [bedrijf 1] voor het plegen van btw-carrouselfraude.72 De elkaar opvolgende ploffers in de keten, leverden telkens aan een beperkt aantal buffers, waarbij [bedrijf 7] (die later in het vonnis wordt besproken) onder meer als buffer tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] heeft gediend. [bedrijf 2] en [bedrijf 1] waren binnen de carrousel de enige constante bedrijven; ploffers en buffers volgden elkaar op in de tijd, buitenlandse bedrijven werden wisselend ingezet, maar [bedrijf 2] en [bedrijf 1] bleven op dezelfde positie als start-/eindpunt van de carrousel terugkomen.

Op basis van concrete, volledige btw-frauderondjes is gebleken dat circa 35 procent van de via fraude verkregen btw terecht kwam bij het start-/eindpunt van de carrousel.73

Het hoogte winstpercentage viel aldus toe aan [bedrijf 2] en [bedrijf 1] en levert een extra aanwijzing voor hun regiefunctie in de fraudecarrousel.

De facturen

Onder feit 2 wordt verdachte verweten dat hij betrokken is geweest bij het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] door in die administratie valse facturen op te nemen. De facturen DOC-660 en DOC-330.01 zijn onder de goederen- en factuurstromen reeds besproken. De rechtbank bespreekt hierna de overige ten laste gelegde facturen.

Allereerst wordt ingegaan op de factuur van [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] van 25 augustus 2016, waarbij de rechtbank tot de conclusie zal komen dat deze vals is. De facturen waarvan niet kan worden vastgesteld dat deze vals zijn, komen verderop in dit vonnis onder het kopje Partiële vrijspraken aan bod.

Factuur van [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] van 25 augustus 2016 (DOC-299.4)

Deze factuur heeft betrekking op de verkoop van 1.430 stuks Samsung SSD’s (860 EVO, 250 GB), 132 GoPro’s en 1.000 Kingston SD-kaarten (512 Gb).

Onderzoek aan de hand van de aangetroffen inkoop- en verkoopfacturen bij [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en ploffer- en bufferbedrijven leverde het volgende op:

- [bedrijf 1] heeft op 25 augustus 2016 132 GoPro’s voor € 287,00 per stuk ingekocht bij [bedrijf 31] in Engeland (hierna: [bedrijf 31] );74

- op dezelfde dag heeft [bedrijf 1] 1.000 Kingston SD-kaarten (voor € 119,50 per stuk)75 en 1.410 Samsung SSD’s voor € 72,40 per stuk ingekocht bij [bedrijf 4] ;76

- op 25 augustus 2016 heeft [bedrijf 1] , gelet op de omschrijving, de aantallen en de factuurdata, deze partij verkocht aan [bedrijf 3] in Tsjechië;77

- [bedrijf 2] heeft op 26 augustus 2016 dezelfde soort goederen, in een iets kleinere hoeveelheid, te weten 960 SSD’s, 30 GoPro’s en 800 Kingston SD-kaarten, ingekocht bij [bedrijf 27] .78 Ook heeft zij die dag 200 SSD’s ingekocht bij [bedrijf 7] ;79

- op 26 augustus 2016 heeft [bedrijf 2] 1.000 SSD’s verkocht aan [bedrijf 26] in Slowakije;80

- [bedrijf 1] heeft diezelfde dag bij [bedrijf 4] een deel van de goederen ingekocht, die zij de dag daarvoor heeft verkocht aan [bedrijf 3] (96 GoPro’s en 410 Samsung SSD kaarten).81

[bedrijf 2] krijgt aldus op 26 augustus met twee transacties een 1.000-tal van dezelfde SD-kaarten in haar bezit, als die de dag ervoor door [bedrijf 1] zijn verkocht aan [bedrijf 3] . De bestelling van [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] is gedateerd op 24 augustus 2016, een dag vóórdat [bedrijf 1] de goederen heeft aangeschaft van [bedrijf 31] en [bedrijf 4] .82 [bedrijf 27] heeft exact dezelfde prijs voor de goederen in rekening gebracht aan [bedrijf 2] , als [bedrijf 4] dat heeft gedaan aan [bedrijf 1] , namelijk € 70,00 voor de SSD’s en € 277,30 voor de GoPro’s. Dit is tevens een lagere prijs dan waarvoor [bedrijf 1] een dag eerder dezelfde goederen heeft verkocht aan [bedrijf 3] .

Gebleken is dat [bedrijf 27] , evenals buffer [bedrijf 4] , goederen inkocht bij diverse ploffers die in het onderzoek naar voren zijn gekomen, waaronder [bedrijf 32] B.V., [bedrijf 33] , [bedrijf 10] en [bedrijf 16] .83 De inkoop van [bedrijf 27] liep in de miljoenen.84 Uit bankafschriften en facturen blijkt dat het overgrote deel van haar verkopen naar [bedrijf 4] ging.85 Een ander deel van de handel ging naar [bedrijf 7] , die alleen via spoedbetalingen betaalde86, en naar [bedrijf 2]87.

Uit de eerder genoemde informatie van de Tsjechische politie is, zoals hiervoor al overwogen, naar voren gekomen dat [bedrijf 3] , net als [bedrijf 6] , een fictief tussengeschoven bedrijf is, zonder zinvolle economische activiteiten.88 Uit onderzoek is gebleken dat [bedrijf 3] geen zetel heeft en dat hun statutaire organen zich hoogstwaarschijnlijk niet in de Tsjechische Republiek bevinden. Het is de Tsjechische autoriteiten niet gelukt om de bestuurder van het bedrijf te traceren.89

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande, waarbij sprake is van handel met dezelfde bedrijven als die ook in sluitende btw-carrouselrondes voorkomen en waarbij door [bedrijf 1] is geleverd aan een niet reële vennootschap, dat de aan deze factuur ten grondslag liggende goederen- en facturenstroom schijnhandel betreft.

Tussenconclusie facturen

De onderliggende facturen aan de schijntransacties, te weten de factuur van [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] (DOC-299.4), de factuur van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] (DOC-660) en de factuur van [bedrijf 6] aan [bedrijf 1] (DOC-330.01) zijn in dat verband valselijk opgemaakt. Deze facturen gaven opzettelijk een verkeerde voorstelling van zaken en hadden geen enkel ander doel dan het faciliteren van het goederen- en betalingsverkeer tussen de schakels van de handelsketen, waarbinnen de btw-carrouselfraude is gepleegd.

Nadere overwegingen ten aanzien van feit 1 (onjuiste aangiften omzetbelasting)

[bedrijf 1] heeft over de periode van februari 2016 tot en met januari 2017 de aangiften omzetbelasting digitaal ingediend bij de Belastingdienst. Deze aangiftegegevens zijn met behulp van een softwarepakket ingezonden door MTH Holding B.V. te Emmeloord, de boekhouder/accountant van [bedrijf 1] .90 Het betreft kwartaalaangiften en maandaangiften, waar de voorbelasting door [bedrijf 1] is teruggevraagd.

In de aangiften omzetbelasting van de maanden februari 2016, mei 2016 en januari 2017 zijn de volgende bedragen opgenomen:

Maand

verschuldigd

voorbelasting

teruggevraagd

Februari 201691

€ 290.118,00

€ 353.612,00

€ 63.494,00

Mei 2016

€ 202.780,00

€ 286.572,00

€ 83.792,00

Januari 2017

€ 725.466,00

€ 851.924,00

€ 126.458,00

De rechtbank heeft zoals hiervoor overwogen vastgesteld dat de facturen die betrekking hebben op de in de hiervoor uitgewerkte goederenstromen, de schijnhandel, vals zijn. De btw, vermeld op dergelijke valse facturen, is volgens artikel 37 van de Wet omzetbelasting weliswaar verschuldigd, maar er bestaat geen recht op aftrek van voorbelasting voor de ondernemer die dergelijke facturen opneemt in zijn administratie. Wanneer een ondernemer op basis van dergelijke facturen toch btw in aftrek brengt, is sprake van een onjuiste aangifte omzetbelasting.

De rechtbank concludeert aldus dat de aangiften van [bedrijf 1] over de maanden februari 2016, mei 2016 en januari 2017 onjuist zijn ingediend.

Ten aanzien van feit 2 (valselijk (doen) opmaken/(doen) vervalsen bedrijfsadministratie)

Zoals hiervoor is overwogen, zijn de facturen van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] (DOC-660), de factuur van [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] (DOC-299.4) en de factuur van [bedrijf 6] aan [bedrijf 1] (DOC-330.01) valselijk opgemaakt. Deze facturen maken deel uit van de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] . Op grond daarvan oordeelt de rechtbank dat (een deel van) de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] valselijk is opgemaakt, door in die administratie opzettelijk valselijk opgemaakte facturen op te nemen.

Opzet

Uit getuigenverklaringen blijkt dat verdachte niet alleen de handel van [bedrijf 1] bepaalde, maar dat hij ook de handel aanstuurde van andere bedrijven die in diverse btw-carrousels voorkomen. De rechtbank zal nu meer in detail ingaan op de rol die verdachte hierbij heeft gespeeld.

Nederlandse bedrijven


[bedrijf 2] heeft in mei 2016 een waarschuwingsbrief heeft ontvangen, waarin zij door de Belastingdienst is gewaarschuwd dat er een sterk vermoeden bestaat dat er door [bedrijf 1] goederen zijn aangeschaft binnen een handelsketen waarbij ten minste één partij niet aan de

btw-verplichtingen voldoet.

Uit onderzoek naar de bankrekening van [bedrijf 1] is gebleken dat er tot 31 mei 2016 voor miljoenen euro’s werd verhandeld tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en dat de handel hierna, op twee transacties na, is gestopt.92 Dit terwijl [bedrijf 1] jarenlang de grootste leverancier van [bedrijf 2] was; [bedrijf 2] kocht 80% van haar totale inkoop in bij [bedrijf 1] .93

Nadat de handel tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] was gestopt, is handel van vergelijkbare aard en omvang aangevangen tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 7] . Uit onderzoek naar de bankrekeningen van [bedrijf 7] is gebleken dat vóór 19 mei 2016 geen transacties hebben plaatsgevonden tussen [bedrijf 7] en [bedrijf 2] , en dat daarna plotseling voor miljoenen euro’s met elkaar is gehandeld. Daarbij is het opvallend dat [bedrijf 7] wel al vanaf haar oprichting handelde met [bedrijf 1] , maar dat de meeste transacties pas na 23 mei 2016 hebben plaatsgevonden.94

[getuige 1] heeft bij de officier van justitie een verklaring afgelegd over hoe de handel tussen [bedrijf 7] en [bedrijf 2] tot stand is gekomen. Deze verklaring heeft hij bij de rechter-commissaris herhaald en bevestigd.95

[getuige 1] heeft verklaard dat verdachte hem heeft geholpen met de start en de handel van [bedrijf 7] . Verdachte hielp hem met het papierwerk en nam hem mee naar beurzen, waar hij aan verschillende handelspartners werd voorgesteld, waarmee hij later ook heeft gehandeld. Binnen [bedrijf 7] werd gehandeld met ‘want to buy’ en ‘want to sell’ lijstjes, die via skype circuleerden. Hiermee werd voor hem bepaald welke goederen [bedrijf 7] moest in- en verkopen. Er vond vrijwel nooit een prijsonderhandeling plaats. Na een beurs op Mallorca, waar hij met verdachte en [medeverdachte 1] was, is de handel met [bedrijf 2] begonnen. [bedrijf 7] handelde vanaf dat moment alleen nog met [bedrijf 2] en [bedrijf 1] . De bedragen liepen fors op en [getuige 1] kreeg van verdachte instructies welke goederen hij moest in- en verkopen en aan wie hij deze moest betalen. Volgens [getuige 1] werd de handel binnen [bedrijf 7] geregisseerd; het was vooraf duidelijk wat er gekocht en verkocht zou worden.

Verdachte heeft op de zitting van 6 juli 2021 verklaard dat [bedrijf 7] als extra schakel tussen de handel van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] heeft gezeten, omdat er na de waarschuwingsbrief geen handel meer tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] mocht plaatsvinden.96

Ook [getuige 2] , formeel bestuurder van [bedrijf 9] , heeft bij de officier van justitie een verklaring afgelegd over hoe de handel binnen [bedrijf 9] verliep. Deze verklaring heeft [getuige 2] als getuige ter terechtzitting van 6 juli 2021 bevestigd.97

[getuige 2] heeft verklaard dat hij op advies van verdachte [bedrijf 9] heeft opgericht en dat verdachte hem voor zijn (formele) betrokkenheid bij de BV zou betalen. De handel werd gedreven door verdachte. [getuige 2] moest de in de e-mail binnengekomen facturen uitprinten en deze aan zijn boekhouder geven. Verdachte had de beschikking over de bankrekeningen, de e-mailbox en de bedrijfstelefoon waarnaar de zogenoemde tan-codes werden verstuurd. Als de Belastingdienst wilde langskomen werd [getuige 2] door verdachte geïnstrueerd over wat hij moest zeggen. Verdachte heeft hem ook gevraagd of hij (tegen betaling) nog andere mensen kon noemen die op eenzelfde manier een bedrijf zouden willen oprichten.

Uit het voorgaande blijkt dat [bedrijf 7] en [bedrijf 9] binnen de fraudeketen onder regie van verdachte als bufferbedrijven hebben gediend en dat verdachte deze handel coördineerde. Verdachte is hiermee een belangrijke schakel geweest tussen verschillende buffers en ploffers in de keten, die elkaar volgens verdachte allemaal kenden.98

Hoewel verdachte in mei 2015 ‘op papier’ bij [bedrijf 2] is vertrokken, is gebleken dat hij zich ook na zijn “vertrek” heeft beziggehouden met de handel van en voor [bedrijf 2] .
Op 25 juli 2016 vindt via skype het volgende groepsgesprek plaats tussen verdachte, [medeverdachte 2] en [naam 7] van [bedrijf 34] :99

Verdachte: ‘ [medeverdachte 2] , Can you make PO to itrade, 18x go pro black full MC, 30days’.

[medeverdachte 2] : ‘of course’.
Verdachte: ‘369,90, EU spec’.
Verdachte: ‘[naam 7] what is your email adres?

[naam 7] : ‘ [mailadres] .

[medeverdachte 2] : ‘alright, i will send you the PO’.

Op 28 september 2016 zegt verdachte in een groepsgesprek met [medeverdachte 2] en [naam 8] van [bedrijf 5] het volgende:100

‘200x WO20EFRX op Eur 70,50

en 360x WD30EFRX op Eur 86,80

30 dagen

kun je die bij [bedrijf 5] inkope [medeverdachte 2] ?

Goed goed prijs, als je ze zelf niet kwijt kan verkoop ik ze wel voor je’

Uit deze skypegesprekken blijkt dat verdachte aan [medeverdachte 2] instructies geeft over welke partijen goederen [bedrijf 2] moet afnemen en bij welke leverancier dit dient te gebeuren. Uit de reactie van [medeverdachte 2] valt af te leiden dat het kennelijk normaal is dat verdachte, een ex-werknemer van [bedrijf 2] , een jaar na de formele beëindiging van zijn dienstverband bepaalt bij welk bedrijf [bedrijf 2] goederen inkoopt.

Buitenlandse bedrijven

Uit de reeds genoemde verklaringen van [naam 2] en [naam 3] , de (formeel) bestuurders van [bedrijf 23] en de verklaring van [getuige 3] van [bedrijf 35] in Duitsland (hierna: [bedrijf 35] ) blijkt dat ook de handel voor het Duitse bedrijf [bedrijf 23] van te voren was bepaald.

[naam 2] en [naam 3] hebben verklaard dat zij slechts op papier (tegen betaling) eigenaar van [bedrijf 23] waren en dat in werkelijkheid [naam 4] de feitelijk leidinggevende was.101Volgens [naam 2] had [naam 4] al een klant voordat hij de goederen inkocht.102

[getuige 3] heeft verklaard dat [naam 4] hem heeft verteld dat [bedrijf 2] in Nederland een zakenpartner van hem was en dat de directeur van deze firma een zekere heer [naam 9] (fonetisch) was. De verantwoordelijken voor het bedrijf waren volgens [getuige 3] vader en zoon. [bedrijf 7] was ook een zakenpartner van hem. [naam 4] vertelde [getuige 3] dat hij werkte met SSD harde schijven van Samsung, die [bedrijf 23] op grote schaal zou verkopen. [bedrijf 2] zou de exporteur in Nederland zijn. Nadat [getuige 3] zich met deze deal had ingelaten, bepaalde [naam 4] dat [bedrijf 2] en [bedrijf 7] de leveranciers voor [bedrijf 35] zouden zijn. Medio of eind november vond de eerste deal plaats. De goederen werden door [bedrijf 7] (de rechtbank begrijpt: [bedrijf 7] ) geleverd. [naam 4] bepaalde ook de klanten voor [bedrijf 35] . Elke stap in de transactie werd door [naam 4] bepaald; hij zei wanneer er een e-mail kwam, wat [getuige 3] moest schrijven, en hij wist welke geldbedragen er binnen kwamen. Het geld werd in termijnen betaald, dat wist [naam 4] van te voren. [getuige 3] heeft verklaard dat hij wist dat het transacties waren gericht op fraude met omzetbelasting.103

[naam 10] , de eigenaar/bestuurder van [bedrijf 26] in Slowakije, heeft verklaard dat de handel met [bedrijf 2] is ontstaan via een meneer uit Duitsland, waarvan hij de bedrijfs- of persoonsnaam niet meer weet. Het was waarschijnlijk een Nederlander. Deze meneer regelde de klanten voor [bedrijf 26] . [naam 10] kocht meestal bij Nederlandse personen die hij kreeg van vorige klanten. De zaken bij [bedrijf 26] liepen zo goed dat [naam 10] geen kapitaal nodig had; hij schafte goederen aan en verkocht deze meteen weer door.104

Uit het voorgaande blijkt dat de handel van [bedrijf 23] , [bedrijf 35] en [bedrijf 26] , buitenlandse bedrijven waar [bedrijf 1] direct en indirect mee handelde, geen vrije handel betrof, maar dat deze handel van te voren was afgestemd. Dit kan niet zonder dat de tussenliggende schakels zijn gestuurd. Gelet op de voorgaande bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] , was verdachte in de positie om de goederen- en factuurstromen voor meerdere betrokken ploffers en buffers te bepalen en te coördineren.

Conclusie

De rechtbank stelt op grond van de voorgaande bewijsmiddelen, in samenhang bezien, vast dat verdachte als coördinator en uitvoerder betrokken is geweest bij nagenoeg alle onderdelen van de btw-carrouselfraude. Verdachte bepaalde de handel van in ieder geval [bedrijf 9] en [bedrijf 7] , en gaf medeverdachte [medeverdachte 2] instructies welke goederen hij voor [bedrijf 2] moest inkopen. Daarbij is gebleken dat de handel met buitenlandse zakenpartners van [bedrijf 1] van te voren was afgestemd. Verdachte vormde een schakel tussen veel van de betrokken bedrijven bij de carrouselhandel en zocht daarbij actief naar bestuurders voor andere bedrijven (ploffers en buffers) in de keten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat uit al het voorgaande, in samenhang bezien, volgt dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld en een (aan)sturende rol heeft gehad in het plegen van fraude – op grote schaal – met btw.

De rechtbank overweegt verder dat het door verdachte ter zitting opgeworpen scenario dat hij een deel van de handel binnen [bedrijf 1] onder druk en aansturing van anderen heeft gedreven en dat hij door een persoon genaamd [naam 11] is afgeperst om zaken te doen met bepaalde partijen, onvoldoende is onderbouwd, niet aannemelijk is geworden en niet wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank constateert dat de positie van [bedrijf 1] binnen de btw-carrousel geenszins strookt met de ter zitting door verdachte afgelegde verklaring, te meer nu is gebleken dat de winsten van de btw-carrouselfraude voornamelijk aan [bedrijf 2] en [bedrijf 1] zijn toegekomen. Het door de verdachte geschetste scenario schuift de rechtbank daarom als ongeloofwaardig ter zijde.

Juridische toerekening feiten 1 en 2 aan [bedrijf 1]

Nu ten aanzien van de feiten 1 en 2 vaststaat dat een deel van de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] valselijk is opgemaakt door in die administratie opzettelijk valselijk opgemaakte facturen op te nemen en voorts vaststaat dat onjuiste aangiften omzetbelasting zijn ingediend, dient de deelnemingsvorm van het handdelen van verdachte te worden gekwalificeerd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van artikel 51 Sr kunnen strafbare feiten worden begaan door een rechtspersoon. Hiertoe is van belang of de verboden gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Het antwoord op deze vraag hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn wanneer zich een of meer van de hierna volgende omstandigheden voordoen, zo bepaalde de Hoge Raad in het Drijfmest-arrest (HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938):

1. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

2. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

3. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

4. de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

[bedrijf 1] heeft valselijk opgemaakte facturen in haar bedrijfsadministratie opgenomen met het oogmerk om die bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken bij het doen van aangiften omzetbelasting. Daarnaast heeft [bedrijf 1] onjuiste aangiften omzetbelasting ingediend, immers op basis van omzet die (mede) was gebaseerd op bedragen op valselijk opgemaakte facturen, zodat de aangiften daarmee onjuist waren. Genoemde gedragingen houden verband met een of meer wettelijke verplichtingen op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Wet op de omzetbelasting en hebben aldus plaatsgevonden binnen de sfeer van de rechtspersoon. Door het onjuist aangeven van de af te dragen omzetbelasting door [bedrijf 1] is de verboden gedraging daarnaast dienstig geweest in het door [bedrijf 1] uitgeoefende bedrijf of haar taakuitoefening.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de verboden gedragingen de rechtspersoon kunnen worden toegerekend.

Feitelijke leidinggeven


Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven. Bij de beoordeling van de vraag of verdachte feitelijke leiding heeft gegeven dient niet uitsluitend te worden betrokken de juridische positie, maar ook de feitelijke positie van de verdachte bij de rechtspersoon en het gedrag dat de verdachte heeft vertoond of nagelaten op grond waarvan hij geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven.


Bij het gedrag dat de verdachte heeft vertoond, kan worden gedacht aan actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip feitelijk leiding geven valt, maar ook het algemene door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid waarvan de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is dan wel het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Als feitelijke leidinggever moet de verdachte ten minste de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de feitelijke leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging.

Uit de bewijsmiddelen zoals hiervoor weergegeven blijkt dat verdachte de keten waarin de btw-carrouselfraude heeft plaatsgevonden en waaraan [bedrijf 1] heeft deelgenomen, heeft uitgevoerd en gecoördineerd. [bedrijf 1] is normadressaat: zij is de belastingplichtige en de valse facturen en documenten zijn in haar bedrijfsadministratie opgenomen. Verdachte was sinds 26 juni 2015 enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 20] B.V. en via die rechtspersoon indirect formeel bestuurder van [bedrijf 1] . Verdachte heeft ten behoeve van [bedrijf 1] op grote schaal frauduleus gehandeld met behulp van vals opgemaakte facturen, door vervolgens op basis van een bedrijfsadministratie, waarin die valse facturen waren opgenomen, onjuiste aangiften omzetbelasting in te dienen, waarbij ten onrechte forse bedragen aan voorbelasting zijn opgegeven en teruggevraagd. Het opzet van verdachte is dan ook zonder meer toe te rekenen aan [bedrijf 1] .

De rechtbank is van oordeel, gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld ten aanzien van de gedragingen van verdachte en zijn rol bij de door [bedrijf 1] begane strafbare feiten, dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde gedragingen, gepleegd door [bedrijf 1] .

Partiële vrijspraken

De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat [bedrijf 1] in de maanden juli 2015, november 2015 en november 2016 heeft deelgenomen aan een btw-carrouselronde, zodat zij verdachte partieel zal vrijspreken van het feitelijk leidinggeven aan [bedrijf 1] ten aanzien van deze maandaangiften omzetbelasting.

Het dossier bevat eveneens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de facturen, genoemd onder feit 2 in de tenlastelegging onder het eerste, vierde en vijfde gedachtestreepje (de factuur van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] van 3 juli 2015 (DOC-150.01), de factuur van [bedrijf 4] aan [bedrijf 1] van 2 november 2016 (DOC-103.01) en de orderbevestiging van [bedrijf 1] aan [bedrijf 5] van 1 december 2016 (DOC-046.3)), onderdeel hebben uitgemaakt van een btw-carrouselronde. De rechtbank spreekt verdachte dan ook in zoverre vrij.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.

Gelet op al hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van de verschillende hierna bewezen

te verklaren feiten heeft overwogen, kan zonder meer de conclusie worden getrokken dat sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat tot doel had om btw-carrouselfraude mogelijk te maken. Of er nu sprake was van één of meer schakels, of één of meer goederenrondjes, maakt voor de btw-carrouselfraude niet uit. Door de ten onrechte geclaimde omzetbelasting ontstaat er in de samenwerkende groep ruimte om bij een lagere verkoopprijs toch de gewenste winstmarge te realiseren, ten koste van de fiscus. De (geregisseerde en afgestemde) nauwe en bewuste samenwerking tussen de deelnemers aan de carrousel is daarbij onontbeerlijk.

Ten aanzien van de met de fraude gepaard gaande geldstromen was dientengevolge ook sprake van witwassen. Immers zijn door valse facturen en schijnhandel, de werkelijke aard en herkomst van de (winst)gelden verborgen. Met de opgezette goederen- en facturenstroom is gedaan alsof sprake was van legitieme handel, terwijl deze geldstromen enkel en alleen waren bedoeld om de fraude te verhullen. Het verdiende geld werd vervolgens weer in de keten gebruikt voor nieuwe fraudes en/of uitgekeerd aan de deelnemers/verdachten.

Binnen dit samenwerkingsverband was sprake van een zekere taakverdeling.

[medeverdachte 1] was de bestuurder van [bedrijf 2] en had de dagelijkse leiding binnen het bedrijf. De handel werd tot medio 2015 gedreven door verdachte en [medeverdachte 1] gezamenlijk. Na de beëindiging van het dienstverband van verdachte bij [bedrijf 2] hield ook [medeverdachte 2] zich hiermee bezig. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren samen verantwoordelijk voor de (vooraf geregisseerde) in- en verkoop en hadden hierover regelmatig overleg. Uit tapgesprekken blijkt dat zij financiële zaken, waaronder belastingaangiftes en transacties, met elkaar bespraken105. [medeverdachte 2] onderhield de contacten met de Belastingdienst, was aanspreekpunt voor logistieke dienstverleners en werd na de reorganisatie verantwoordelijk voor de gehele financiële administratie. [medeverdachte 1] was van alle bedrijfsprocessen op de hoogte. In [programma] , een softwareprogramma ontworpen en beheerd door [medeverdachte 2] , werden de boekhouding, de voorraden, de leveranciers en de facturen van [bedrijf 2] nauwgezet bijgehouden en aan elkaar gekoppeld. De rechtbank ziet dit als wezenlijk onderdeel om de fraudeleuze handelingen te maskeren. Het programma ( [programma] ) werd niet alleen door [bedrijf 2] , maar ook door [bedrijf 1] en [bedrijf 7] gebruikt. [medeverdachte 2] kon via de applicatie Teamviewer op afstand meekijken met en handelingen verrichten in de bedrijfsadministratie van deze bedrijven106, waaronder begrepen het (op verzoek van verdachte) crediteren van orders.107

Hoewel verdachte op papier enkel bestuurder van [bedrijf 1] was, regisseerde hij (mede) de handel binnen [bedrijf 1] , alsmede de handel binnen in ieder geval [bedrijf 9] en [bedrijf 7] . Daarnaast is gebleken dat hij, ook na de beëindiging van het dienstverband met [bedrijf 2] , feitelijk aanwijzingen en opdrachten gaf aan [medeverdachte 2] met betrekking tot inkoop en verkoop van [bedrijf 2] . Binnen de keten coördineerde hij goederen- en facturenstromen, hield zich bezig met de transacties van ploffers en buffers en zocht nieuwe bestuurders voor deze bedrijven. Daarnaast onderhield hij contacten met diverse medeverdachten, alsmede met buitenlandse ondernemingen die ook bij de btw-carrousels betrokken waren.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte een aandeel heeft gehad in gedragingen die strekten tot/verband hielden met de verwezenlijking van het binnen de criminele organisatie bestaande oogmerk. Verdachte heeft een wezenlijke

bijdrage geleverd aan de criminele organisatie. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat

verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. in de periode van 1 februari 2016 tot en met 2 februari 2017 in Nederland, opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten de maandaangiften in de maanden van de jaren 2016 en 2017 de omzetbelasting, onjuist of onvolledig heeft gedaan, te weten

- de elektronische aangifte over de maanden februari en mei van het jaar 2016 en

- de elektronische aangifte over de maand januari van het jaar 2017;

terwijl die feiten er telkens toe strekten, dat te weinig belasting zou worden geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan dat op de vorenbedoelde aangiften telkens een te hoog bedrag aan voorbelasting is opgegeven en/of telkens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting is opgegeven,

aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. in de periode van 1 februari 2016 tot en met 6 maart 2017 in Nederland, de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] B.V., zijnde die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, bestaande de valsheid van de bedoelde bedrijfsadministratie daarin dat hierin opzettelijk facturen in de bedrijfsadministratie zijn verwerkt en/of geboekt en/of opgenomen, te weten:

  • -

    factuur van [bedrijf 1] BV aan [bedrijf 2] B.V. d.d. 26-02-2016, invoice nummer [nummer] en

  • -

    factuur van [bedrijf 1] B.V. aan [bedrijf 3] d.d. 25-08-2016, invoice nummer [nummer] en

- factuur van [bedrijf 6] aan [bedrijf 1] B.V. d.d. 18-01-2017, invoice nummer [nummer] ;

zulks telkens met het oogmerk om die bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken,

aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven;

3

hij, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 6 maart 2017 te Emmeloord en/of Lemmer en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en/of [bedrijf 1] B.V. en/of [medeverdachte 1] en/of [bedrijf 2] B.V. en/of [medeverdachte 2] en/of [getuige 1] en/of [bedrijf 7] B.V. en/of andere rechtspersonen en/of andere natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- valsheid in geschrifte, als bedoeld in artikel 225 Wetboek van Strafrecht, en

- het witwassen van geld en/of goederen als bedoeld in artikel 420bis/420ter van het Wetboek van Strafrecht, en

- het opzettelijk niet en/of onjuist en/of onvolledig doen van bij de belastingwet voorziene aangiften omzetbelasting, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting wordt geheven (BTW-carrouselfraude), als bedoeld in artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 of 3 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 140 en 225 Sr en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, waaraan verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, waaraan verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van de in voorarrest en in uitleveringsdetentie doorgebrachte tijd. Zij hebben in dit kader verwezen naar de aansturende/regisserende rol en de sleutelpositie van verdachte binnen de btw-carrousel, de proceshouding van verdachte, de aan [bedrijf 1] en dus aan verdachte toegekomen winsten, het fiscale nadeel, de aard en ernst van de feiten en het georganiseerd verband waarbinnen de feiten werden gepleegd. Zij hebben in strafverminderende zin rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn (met één jaar).

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde feiten. Mocht de rechtbank tot een strafoplegging komen, dan heeft hij subsidiair bepleit dat moet worden aangesloten bij de straffen (strafbeschikkingen) die aan medeverdachten [getuige 1] en [getuige 2] zijn opgelegd. Zij werden voor dezelfde strafbare feiten vervolgd en de rol van verdachte is dezelfde als die van [getuige 1] . Daarnaast heeft de raadsman erop gewezen dat de op te leggen straf enkel betrekking mag hebben op de feiten die speelden binnen de eigen onderneming van verdachte ( [bedrijf 1] ), waarbij niet het totale fraudebedrag, maar het persoonlijk voordeel van verdachte uitgangspunt moet zijn. Daarnaast behoeft een bewezenverklaring van deelname aan criminele organisatie niet tot strafverzwaring te leiden, nu carrouselfraude enkel mogelijk is in georganiseerd verband.

De raadsman heeft verder bepleit dat rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid dat een ontnemingsvordering is aangekondigd en dat sprake is van schending van de redelijke termijn van niet één jaar, maar ruim twee jaren. Dat verdachte zich heeft onttrokken aan de voorlopige hechtenis is irrelevant voor het bepalen van de dag waarop de redelijke termijn aanvangt. Tot slot heeft de raadsman erop gewezen dat in soortgelijke zaken veelal lagere straffen worden opgelegd dan die in de LOVS-oriëntatiepunten voor fraudedelicten zijn gesteld. De raadsman heeft hiertoe verwezen naar diverse rechterlijke uitspraken.

Hij heeft bepleit om aan verdachte op te leggen een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf met een lange proeftijd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft zich gedurende een geruime periode als feitelijke leidinggevende van [bedrijf 1] schuldig gemaakt aan belastingfraude en valsheid in geschrift door met die vennootschap deel te nemen aan btw-carrousels. Binnen deze carrousels werden fictieve handelsstromen vormgegeven door gebruik te maken van onder andere valse facturen. Deze btw-fraude heeft er toe geleid dat er te weinig btw is afgedragen door meerdere bedrijven (de ploffers) en ten onrechte btw is teruggevraagd door andere bedrijven (de buffers en de bedrijven die als start en eindpunt fungeerden) in de btw-carrousel. Verdachte is in de periode vóórdat hij actief werd met [bedrijf 1] ook betrokken geweest bij vergelijkbare frauduleuze handelingen van [bedrijf 2] . Al deze gedragingen vonden plaats in het verband van een criminele organisatie.

Verdachte heeft een leidende rol gehad binnen de btw-carrousel (en criminele organisatie) nu hij controle had over meerdere bedrijven binnen de keten en dus ook over meerdere goederen- en geldstromen die de btw-carrousel hebben gediend. Verdachte coördineerde de goederen- en facturenstromen, hield zich bezig met de handelstransacties van ploffers en buffers en vroeg daarbij anderen om bestuurders voor ploffers en buffers aan te leveren. Met zijn handelen heeft verdachte de werking van het systeem van de btw aangetast, daar dit systeem afhankelijk is van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de door de belastingplichtigen te voeren (bedrijf)administratie. Door opzettelijk onjuist aangiften te doen heeft verdachte bijgedragen aan de ondergraving van het systeem van de heffing van omzetbelasting. Verdachte heeft het vertrouwen dat de Belastingdienst moet kunnen hebben in de belastingplichtigen dan ook misbruikt.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 25 februari 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank zal hiermee noch in strafverzwarende, noch in strafverminderende zin rekening houden.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van het reclasseringsadvies van 22 juni 2021. De reclassering adviseert de rechtbank een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.

De rechtbank houdt daarnaast rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de aanzienlijke nadelige financiële en sociale gevolgen van de strafzaak op verdachte en zijn (jonge) gezin. Daarnaast neemt de rechtbank in het voordeel van verdachte in aanmerking dat hij sinds zijn overlevering zijn voorlopige hechtenis doorbrengt in de EBI in Vught, waar het detentieregime aanzienlijk zwaarder drukt dan in een regulier huis van bewaring.

Gezien de ernst van de gepleegde feiten kan evenwel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de straf zoekt de rechtbank aansluiting bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar passend en geboden.

Over de vraag of er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en de vervolgvraag of dat aanleiding geeft tot strafvermindering overweegt de rechtbank het volgende. In deze zaak is de redelijke termijn, anders dan de officier van justitie stelt, aangevangen op de datum van aanhouding en inverzekeringstelling, te weten 6 maart 2017. Dit betekent, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren, dat verdachte in beginsel de afronding van zijn proces met een eindvonnis op 6 maart 2019 had mogen verwachten. Dit vonnis is echter gewezen op 27 augustus 2021, ruim twee jaar en vijf maanden na het verstrijken van de redelijke termijn. In de omstandigheid dat verdachte ruim drie jaar voortvluchtig is geweest ziet de rechtbank aanleiding deze overschrijding van de redelijke termijn niet als strafverminderende factor mee te wegen. Het is aannemelijk dat juist door deze omstandigheid, die aan verdachte is toe te rekenen, de overschrijding van de redelijke termijn is veroorzaakt.

Gelet op het lucratieve karakter van de strafbare gedragingen ziet de rechtbank aanleiding om een deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw – soortgelijke – strafbare feiten te plegen.

Alles overwegende acht de rechtbank passend en geboden om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest (inverzekeringstelling, bewaring, gevangenhouding en uitleveringsbewaring) heeft doorgebracht. Gelet op het tijdsverloop stelt de rechtbank de proeftijd vast op twee jaren.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting een beslaglijst overgelegd. Deze is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De officier van justitie heeft gevorderd dat alle goederen op deze lijst verbeurd worden verklaard, omdat deze goederen onderdeel zijn geweest van of gebruikt kunnen worden voor btw-carrouselfraude.

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de inbeslaggenomen goederen.

De rechtbank zal gelasten dat de op de beslaglijst vermelde goederen aan verdachte worden teruggegeven, aangezien artikel 33a Sr geen wettelijke grondslag biedt voor verbeurdverklaring van deze goederen. Met name kan niet worden vastgesteld dat de beslagen voorwerpen zijn verkregen door één van de bewezenverklaarde feiten, dan wel zijn gebruikt om één van die feiten te plegen.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 51 en 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

nietigverklaring

- verklaart de dagvaarding onder feit 2 nietig voor wat betreft het woord “waaronder”;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1, het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, waaraan verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

feit 2, het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, waaraan verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

feit 3, het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 1 (één) jaar niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis (inclusief overleveringsbewaring) heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

de in beslag genomen voorwerpen

- gelast de teruggave van alle op de beslaglijst genoemde voorwerpen aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. M. van Berlo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. Potgieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2021.

Buiten staat

Mr. Van Berlo en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Belastingdienst/FIOD, met dossiernummer 58565 (onderzoek BERG). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 OPV, pagina 16, bovenaan.

3 AMB-002, pagina 1444.

4 DOC-21, pagina 3152-3154.

5 OPV, pagina 5.

6 OPV, pagina 5-10.

7 OPV, pagina 6, 8 en 9.

8 Gerechtshof Amsterdam d.d. 19 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:544.

9 OPV, pagina 16, onderaan.

10 DOC-004 en DOC-005, pagina 3117-3119.

11 DOC-001, DOC-002 en DOC-003, pagina 3112-3116.

12 DOC-001, pagina 3112-3113.

13 DOC-002, pagina 3114.

14 G01-01, pagina 2723, midden.

15 G-048, pagina 2787.

16 DOC-655, pagina 5800-5801.

17 DOC-655, pagina 5801, midden.

18 G01-01, pagina 2723, midden.

19 G-048, pagina 2789.

20 Zie o.a. G-01-01, pagina 2727, G-031, pagina 2784, midden, V-06-04, pagina 2401, onderaan.

21 G01-01, pagina 2725, midden.

22 DOC-004, pagina 3117-3118.

23 DOC-005, pagina 3119.

24 G02-01, pagina 2732, bovenaan.

25 OPV, pagina 37, bovenaan.

26 DOC-341.01, pagina 4749.

27 DOC-353, pagina 4778.

28 AMB-002, bijlage 4 1/12, pagina 1471.

29 AMB-002, bijlage 6, pagina 1487.

30 AMB-002, bijlage 7, pagina 1488.

31 DOC-656, pagina 5809.

32 DOC-656, pagina 5809.

33 DOC-657, pagina 5810.

34 AMB-002, bijlage 11, pagina 1492.

35 AMB-002, bijlage 12, pagina 1495.

36 AMB-002, bijlage 13, pagina 1496.

37 DOC-076, pagina 3493.

38 DOC-072, pagina 8489.

39 DOC-656, pagina 5809.

40 DOC-659, pagina 5812.

41 DOC-660, pagina 5813.

42 DOC-661, pagina 5814.

43 DOC-403, pagina 4941.

44 AMB-008, pagina 1550.

45 DOC-404-405, pagina 4943-4944 en .

46 DOC-403, pagina 4941.

47 AMB-008, pagina 1549, vierde alinea en AMB-007, pagina 1541.

48 AMB-008, pagina 1549, bovenaan, AMB-007, pagina 1542 en ???

49 Bijvoorbeeld DOC-286, DOC-390, DOC-404, DOC-423.

50 DOC-510, pagina 5253.

51 AMB 105, pagina 2312, tweede alinea.

52 AMB 105, pagina 2312, tweede alinea.

53 DOC-689, pagina 5978 en ZPV-01, pagina 67.

54 DOC-085, pagina 3510 en DOC-434.09 (totale waarde € 430174 incl. btw, totale waarde tv’s € 152.684,00), pagina 5046.

55 DOC-085, pagina 3511.

56 AMB-103, pagina 2296, tabel onderaan.

57 DOC-422, pagina 4997.

58 AMB-030, pagina 1715.

59 DOC-430, pagina 5006 en ZPV-03, pagina 135, bovenaan.

60 DOC-426 t/m DOC-429, pagina 5002-5005.

61 DOC-424 en DOC-425, pagina 5000-5001.

62 DOC-610, pagina 5648.

63 DOC-610, pagina 5648, volgnummer 27.

64 DOC-330.01, pagina 4718.

65 DOC-330.03, pagina 4720.

66 DOC-682, pagina 5924-5954 en AMB-106, pagina 2317, bovenaan.

67 AMB-106, pagina 2317, vierde alinea.

68 DOC-682, pagina 5931-5937.

69 DOC-630, pagina 5703, onderaan, AMB-106, pagina 2315, midden

70 AMB-106, pagina 2315, onderaan, en DOC-642, pagina 4749.

71 AMB-106, pagina 2316, bovenaan, en DOC-495, pagina 5182.

72 AMB-103, pagina 2296, onderaan en AMB-104, pagina 2306-2307.

73 AMB-036, pagina 1795.

74 DOC-299.03, pagina 4633.

75 DOC-299.02, pagina 4632.

76 DOC-299.01, pagina 4631.

77 DOC-299.04, pagina 4634.

78 DOC-303.01, pagina 4642.

79 DOC-303.02, pagina 4643.

80 DOC-303.03, pagina 4644.

81 DOC-305.01, pagina 4649.

82 DOC-299.06, pagina 4636.

83 DOC-375, pagina 4816, DOC-393, pagina 4907, DOC-378, pagina 4827, DOC-424, pagina 5000.

84 DOC-364, DOC-375, DOC-378, DOC-393, DOC-399, DOC-424.

85 DOC-349, pagina 5076-5078.

86 DOC-482, pagina 5166.

87 Zie bijvoorbeeld facturen DOC-043.13, pagina 3356, DOC-217.01, pagina 1486 en DOC-220.01, pagina 4103.

88 DOC-630, pagina 5703, onderaan, AMB-106, pagina 2315, midden

89 AMB-106, pagina 2315, midden.

90 DOC-268, pagina 4332-4333.

91 DOC-268, pagina 4371.

92 OPV-ZPV-02, pagina 108.

93 G-01-01, pagina 2724, vierde en vijfde alinea.

94 OPV-ZPV-02, pagina 108-109.

95 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris van 25 mei 2021 en het proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2020.

96 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 juli 2021.

97 De verklaring van getuige [getuige 2] ter terechtzitting van 6 juli 2021 en het proces-verbaal van bevindingen van 29 juni 2021, pagina 3-5.

98 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 juli 2021.

99 DOC-527, pagina 5324.

100 DOC-528, pagina 5325.

101 AMB 105, pagina 2312, tweede alinea.

102 DOC-687, pagina 5972, onder 28.

103 AMB 105a, bijlage 7, pagina 7 en 8.

104 G-05-01, pagina 2749, midden.

105 Zie o.a. DOC-671-672, pagina 574-5875.

106 OPV-ZPV-02, pagina 104, bovenaan.

107 DOC-529, pagina 5326.