Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3468

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
84-019970-21 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt 8 mannen tot een gevangenisstraf van 3 maanden. De mannen werden aangetroffen in een loods met een grote hoeveelheid tabak. Ze runden samen een illegale tabaksfabriek in de loods.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige Kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84-019970-21 (P)

Datum vonnis: 9 september 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] (Polen),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 augustus 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Lambregts en van wat namens verdachte door zijn raadsman mr. L.J.H.M. Achten, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: zich op 21 januari 2021 te Dronten samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het in strijd met bepalingen van de Wet op de Accijns voorhanden hebben van een grote hoeveelheid accijnsgoederen;

feit 2: samen met een ander of anderen een tabaksproductieapparaat voorhanden heeft gehad zonder een daartoe strekkende vergunning te hebben verkregen, terwijl hij wist of redelijkerwijs kon weten dat het tabaksproductieapparaat was bestemd of zou worden bestemd om te worden gebruikt tot ontduiking van de accijns.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 21 januari 2021 in de gemeente Dronten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (een) grote hoeveelheid accijnsgoed(eren), in elk geval 72.000 kilogram (rook)tabak, voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl die tabak niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken;

2.

hij op of omstreeks 21 januari 2021 in de gemeente Dronten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, een tabaksproductieapparaat (tabaksdroger) voorhanden heeft/hebben gehad, zonder een daartoe strekkende vergunning van de inspecteur te hebben verkregen, zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) en/of redelijkerwijs kon(den) weten dat het tabaksproductieapparaat bestemd was of zou worden bestemd om te worden gebruikt tot ontduiking van de accijns.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsmotivering

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overeenkomstig een door hem overgelegd schriftelijk requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig een door hem overgelegde pleitnota bepleit dat verdachte van het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet redelijkerwijs moest weten dat zijn “werkgever” de verplichting op aangifte accijns te voldoen niet zou nakomen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 21 januari 2021 ontvangt verbalisant [verbalisant] van de Belastingdienst/Douane een melding van het Douane Landelijk Tactisch Centrum met het verzoek om een accijnscontrole in te stellen op het adres [adres] te Dronten. Ter plaatse wordt de geur van tabak waargenomen. Rondom een loods op het terrein aan de [adres] achter de [adres] hing een sterke tabaksgeur en werden pallets met dozen aangetroffen die door verbalisanten werden herkend als tabaksdozen. In de loods werd onder andere een productieruimte aangetroffen, waar tabak werd gesneden en gedroogd. In deze ruimte stond een groot aantal dozen met (ruwe) tabak, productiemateriaal, evenals diverse machines die aan elkaar gekoppeld waren en die door de douaneambtenaren werden herkend als snijmachines. Daarnaast werden acht personen in de loods aangetroffen, te weten verdachte en zijn medeverdachten.

Medewerkers van de Belastingdienst/FIOD hebben contact opgenomen met het Douane Informatie Centrum (DIC) om navraag te doen of er voor de [adres] in Dronten een vergunning is afgegeven voor het vervaardigen van accijnsgoederen en/of voor het voorhanden hebben van een tabaksproductieapparaat. Dat bleek niet het geval te zijn.

Uit een aantal dozen met tabak zijn monsters genomen. Uit onderzoek van deze monsters is gebleken dat het grotendeels om rooktabak ging, zijnde een accijnsgoed in de zin van artikel 32 van de Wet op de accijns.

4.3.2

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Aan verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat hij met zijn medeverdachten opzettelijk accijnsgoederen (rooktabak), die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken, voorhanden heeft gehad.

Er is sprake van een dergelijk voorhanden hebben als een (rechts)persoon de feitelijke beschikkingsmacht heeft over in Nederland niet veraccijnsde goederen. Dat is het geval als:

  • -

    die persoon de hoedanigheid van de goederen kent, en

  • -

    deze daadwerkelijk toegang heeft tot die goederen, en

  • -

    deze persoon weet of redelijkerwijze moet weten dat de goederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland in de heffing zijn betrokken.1

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte, gelet op zijn verklaring en de verklaring van zijn medeverdachten tegenover de FIOD, de hoedanigheid van de goederen kende en dat hij daadwerkelijk toegang tot die goederen had.

De vraag die voorligt, is of verdachte ook wist of redelijkerwijze moest weten dat de goederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland in de heffing waren betrokken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Ten laste is gelegd het opzettelijk voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen. Voor de vraag of sprake is van opzet is niet van belang of verdachte en de medeverdachten van te voren wisten dat sprake zou zijn van een illegale tabaksfabriek en/of de aanwezigheid van deze onveraccijnsde goederen.

Uit de door verdachte en medeverdachten afgelegde verklaringen komt het volgende naar voren. Naar eigen zeggen mochten de verdachten de loods niet verlaten en moesten zij daar ook slapen. Eten werd dagelijks door “de baas”, het leek een Turkse man, bezorgd. Daarnaast moesten zij hun mobiele telefoons inleveren, was er geen sprake van een professioneel ingerichte productieruimte, ontbrak – zowel buiten als binnen – een naamsvermelding van het bedrijf, werd de vergoeding uitbetaald in cash en werd een hoge beloning beloofd bij het leveren van goed en snel werk.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de genoemde omstandigheden niet anders worden uitgelegd dan dat het om illegale activiteiten ging. Uit de verklaringen van de verdachten leidt de rechtbank af dat ook zij, en in ieder geval verdachte, zich dat op enig moment hebben beseft, nu de genoemde omstandigheden maakten dat bij hen het vermoeden ontstond dat de situatie waarin zij zich bevonden en de werkzaamheden die zij verrichtten, niet klopten. Verdachte en medeverdachten hebben de tabak gezien, alsook de machines, en hebben zelf werkzaamheden verricht met deze tabak. Dat verdachte en zijn medeverdachten in een eerder stadium mogelijk wel vertrouwen in de situatie hadden door de arbeidsovereenkomst die elk van hen heeft ondertekend, wat daarvan ook zij gezien onder meer de daarin genoemde persoon van de werkgever en plaats van de werkzaamheden alsmede de ontbrekende definiëring van de te verrichten werkzaamheden in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden die zij bij en na aankomst aantroffen, doet daar niet aan af.

Verdachte moest redelijkerwijs weten dat zijn ‘werkgever’ de verplichtingen om op aangifte accijns te voldoen niet zou nakomen, waarmee sprake is van de situatie dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat de aangetroffen rooktabak niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in Nederland in de heffing waren betrokken.

Ondanks het besef dat de werkzaamheden illegaal waren, hebben verdachte en zijn medeverdachten deze werkzaamheden gecontinueerd. Dat terwijl zij de mogelijkheid hadden om de loods – hoewel dit niet was toegestaan – te verlaten en zich aan het strafbare handelen te onttrekken, nu de sleutels van de loods aan de deur hingen en in ieder geval één van de verdachten over een eigen voertuig beschikte.

Uit het onderzoek is gebleken dat de hoeveelheid rooktabak die verdachte en zijn medeverdachten voorhanden hadden, mede omdat een deel daarvan tabaksafval betrof, kleiner is dan aan verdachte ten laste is gelegd.

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde opzettelijk met betrekking tot een grote hoeveelheid accijnsgoederen, tezamen met anderen heeft begaan.

Feit 2

Aan verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat hij samen met zijn medeverdachten een tabaksproductieapparaat voorhanden heeft gehad, zonder dat de daarvoor vereiste vergunning is afgegeven.

De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachten het tabaksproductieapparaat hebben gebruikt om tabak te snijden en te drogen, en aldus verder te verwerken tot rooktabak. Dat terwijl verdachte en zijn medeverdachten – zoals hierboven is overwogen – redelijkerwijs konden weten dat de rooktabak niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland in de heffing is betrokken, nu het een illegale tabaksproductielijn betrof.

Naar het oordeel van de rechtbank maakt het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, dat verdachte en zijn medeverdachten in ieder geval redelijkerwijs konden weten dat het tabaksproductieapparaat, waarvoor geen vergunning was afgegeven en dat gebruikt werd ten behoeve van de illegale productielijn, bestemd was of zou worden bestemd om te worden gebruikt tot ontduiking van de accijns.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde opzettelijk tezamen met anderen heeft begaan.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 21 januari 2021 in de gemeente Dronten, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een grote hoeveelheid accijnsgoederen voorhanden heeft gehad, terwijl die tabak niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing was betrokken;

2.

hij op 21 januari 2021 in de gemeente Dronten, tezamen en in vereniging met anderen, een tabaksproductieapparaat (tabaksdroger) voorhanden heeft gehad, zonder een daartoe strekkende vergunning van de inspecteur te hebben verkregen, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders redelijkerwijs konden weten dat het tabaksproductieapparaat bestemd was of zou worden bestemd om te worden gebruikt tot ontduiking van de accijns.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 97 en 99 van de Wet op de accijns. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5, eerste lid, onder b, van de Wet op de accijns opgenomen verbod;

feit 2

het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 90a, eerste lid, onder c, van de Wet op de accijns opgenomen verbod.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overeenkomstig een door hem overgelegd schriftelijk requisitoir gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig een door hem overgelegde pleitnota verzocht om bij een bewezenverklaring rekening te houden met een aantal (strafverminderende) omstandigheden.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

In de loods waar verdachte en zijn medeverdachten zijn aangetroffen en werkzaam waren, is een enorme hoeveelheid (rook)tabak aangetroffen. Het ging daarbij zowel om (ruwe) tabak, als om het verwerkte eindproduct, te weten rooktabak. Ten behoeve van de verwerking van de tabak tot rooktabak was in de loods een volledig ingerichte productiestraat aanwezig, bestaande uit machines en ander productiemateriaal.

Het illegaal voorhanden hebben van accijnsgoederen en daartoe bestemde productiemiddelen verstoort de reguliere, legale markt voor tabakswaren en werkt ontwrichtend op de economische ordening en het fiscale systeem van het land. Door aldus te handelen hebben verdachte en zijn medeverdachten zich schuldig gemaakt aan ontduiking van de accijnsverplichting. In het onderhavige geval loopt het financieel nadeel voor de Staat in de miljoenen. Daarnaast heeft het handelen van verdachte en zijn medeverdachten tot gevolg dat ook handelaren en bedrijven, die wel voldoen aan hun verplichting in het kader van de accijnsheffingen, financiële schade ondervinden, nu oneerlijke concurrentie in de hand wordt gewerkt.

Het handelen van verdachte en zijn medeverdachten heeft niet alleen financiële gevolgen, maar het heeft ook een negatieve invloed op het anti-rookbeleid van de Nederlandse overheid en andere Europese landen. Met het oog op de algemene volksgezondheid wordt het roken van tabak immers actief ontmoedigt door prijsverhogingen op basis van heffingen en belastingen. Met illegale tabaksfabrieken wordt dit beleid ondermijnd.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de korte pleegperiode en met het gegeven dat hij niet in de opbrengst heeft gedeeld.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 januari 2021 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder (in Nederland) is veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de ernst van de feiten, niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft acht geslagen op de straffen die volgens recente jurisprudentie in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Alles afwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr, passend en geboden.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

7.4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vervreemdingsopbrengst van de voorwerpen zoals genoemd onder de nummers 11, 14, 15, 16 en 19 wordt verbeurdverklaard.

7.4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot het beslag.

7.4.3

Het oordeel van de rechtbank

In het betoog van de officier van justitie ligt besloten dat de in beslag genomen goederen zoals vermeld op de beslaglijst onder de nummers 11, 14, 15, 16 en 19 na een daartoe op de voet van artikel 117 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) verkregen machtiging om baat zijn vervreemd. Nu niet is gesteld of gebleken dat die goederen ten tijde van het verlenen van die machtiging niet (meer) aan verdachte toebehoorden, moeten zij voor de toepassing van artikel 33a Sr geacht worden aan verdachte toe te behoren (HR 10 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC1348). De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie daarom verstaan in de zin dat de in beslag genomen goederen zoals vermeld onder de nummers 11, 14, 15, 16 en 19 verbeurd worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat die goederen verbeurd moeten worden verklaard, omdat het voorwerpen betreft met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 33, 33a en 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1:

het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5, eerste lid, onder b, van de Wet op de accijns opgenomen verbod;

feit 2:

het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 90a, eerste lid, onder c, van de Wet op de accijns opgenomen verbod;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de in beslag genomen voorwerpen

- verklaart verbeurd de op de beslaglijst genoemde voorwerpen onder de nummers 11, 14, 15, 16 en 19.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, voorzitter, mr. M.B. Werkhoven en mr. H. Manuel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.B. Cakir, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2021.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Indien hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s (van de individuele stukken) uit het dossier van onderzoek Adderbury (Poldermodel), dossiernummer 69615, van FIOD/Belastingdienst, van 2 juni 2021. Er wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal, tenzij hieronder anders wordt vermeld.

1.

Het proces-verbaal van aanhouding, opgesteld door verbalisant [verbalisant] , van

22 januari 2021, AMB-001, pagina’s 1 en 2, zakelijk weergegeven, als relaas van die verbalisant:

“Op 21 januari 2021 was ik belast met de taak om in Dronten een loods op het adres [adres] met vermoedelijk tabaksproducten te controleren. (…)

Vervolgens heb ik om 18.46 uur de 8 personen medegedeeld dat zij zijn aangehouden (…). (…)

Vervolgens heb ik van de aanwezige personen de identiteit gecontroleerd zover het kon middels hun identiteitsbewijs met daarop gelijkende pasfoto.

[medeverdachte] , geboren [geboortedatum] .

[medeverdachte] , geboren [geboortedatum] .

[medeverdachte] , geboren [geboortedatum] .

[verdachte] , geboren [geboortedatum] .

[medeverdachte] , geboren [geboortedatum] .

[medeverdachte] , geboren [geboortedatum] .

[medeverdachte] , geboren [geboortedatum] .

[medeverdachte] , geboren [geboortedatum] .”

2.

Het proces-verbaal van aanleiding, opgesteld door verbalisant [verbalisant] , van

25 januari 2021, AMB-008, pagina’s 1 en 2, zakelijk weergegeven, als relaas van die verbalisant:

“Op 21 januari 2021 werd ik op of omstreeks 15:45 uur gebeld door collega [verbalisant] van het Douane Landelijk Tactisch Centrum. Hij vroeg mij of ik een accijnscontrole kon laten instellen op het adres, [adres] te Dronten. (…)

Inmiddels had collega [verbalisant] mij nog gebeld en gezegd dat we er ook rekening mee moesten houden dat het om het pand aan de [adres] kon gaan. (…)

Toen ik uitstapte rook ik de voor mij bekende geur van tabak. (…)

Ik zag dat het ging om een terrein van een bedrijf genaamd [bedrijf 1] . Dit bedrijf is gevestigd aan de [adres] te Dronten. Ik rook dat de geur van tabak hier sterker was. (…)

Ik zag als het zeil opwaaide pallets met dozen die vast zaten met witte trekbanden. Op basis van kennis en ervaring kreeg ik het vermoeden dat het hier om lege dozen tabak ging. lk heb vervolgens collega [verbalisant] de opdracht gegeven om te kijken of het om tabaksdozen ging. (…)

Ik hoorde collega [verbalisant] zeggen dat hij de dozen ook herkende als zijnde tabaksdozen. (…) Omdat op kloppen op de deuren niet werd gereageerd, is collega [verbalisant] het dak op geklommen om door een ventilatierooster naar binnen te kijken. lk hoorde collega [verbalisant] zeggen dat hij de warmte binnen voelde en dat het erg stoffig was. (…)

Op de foto's zag ik een grote hoeveelheid dozen die ik herkende als zijnde tabaksdozen. lk heb vervolgens een van de aanwezige collega's verzocht contact op te nemen met het Douane Informatie Centrum om te kijken of er op dit adres een vergunning was afgegeven om accijnsgoederen te vervaardigen. Ik hoorde een van de collega's zeggen dat er op dit adres geen accijnsvergunning was afgegeven. (…)

Ik hoorde collega [verbalisant] zeggen dat hij 8 personen telde. (…)

Ik ben vervolgens de loods ingelopen en zag een grote machine en een grote hoeveelheid dozen met tabak staan. (…)”

3.

Het aanvullend proces-verbaal, opgesteld door verbalisant [verbalisant] , van 5 juli 2021, zakelijk weergegeven, als relaas van die verbalisant:

“In de loods zijn ongeveer 450 dozen aangetroffen met ruim 72.000 kilo aan tabak.

Tevens werden in de loods machines aangetroffen die vermoedelijk zijn gebruikt voor het versnijden en drogen van de tabak.

Op 28 juni 2021 verklaarde [verbalisant] , Coördinator Fysiek Toezicht Douane Arnhem, desgevraagd, dat één van de aanwezige douanemedewerkers op 21 januari 2021 contact heeft opgenomen met het Douane Informatie Centrum (hierna: DIC) om navraag te doen of er voor deze locatie een vergunning is afgegeven om accijnsgoederen te vervaardigen. Er was geen vergunning afgegeven om accijnsgoederen te vervaardigen op de locatie op het adres [adres] te Dronten. De douanemedewerker heeft tevens aan de medewerker van het DIC gevraagd of er een vergunning is afgegeven voor een tabaksproductieapparaat. Voor een tabaksproductieapparaat was evenmin een vergunning afgegeven op deze locatie.”

4.

Het proces-verbaal van ambtshandeling, opgesteld door verbalisanten [verbalisant] en

[verbalisant] , van 10 maart 2021, zakelijk weergegeven, als relaas van die verbalisant:

“In deze loods zagen wij diverse machines staan die aan elkaar gekoppeld waren. Ik, verbalisant [verbalisant] , herken deze machnies als zijnde tabak snijmachines.”

5.

De kennisgeving van inbeslagneming, IBN-009-01, pagina 1, inclusief bijlage, pagina’s

1. t/m 5, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Inbeslagneming. Adres: [adres] . Postcode: [postcode] . Datum en tijd: 21-01-2021 om 20:15 uur.

Omschrijving in beslag genomen goed. IBN-code/Voorwerpnummer: A.01.01.015/6069615_151056 t/m A.01.01.152. Object: Bruine dozen met inhoud tabak.

6.

Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant] , van

29 juni 2021, zakelijk weergegeven, als relaas van die verbalisant:

“Op donderdag 21 januari 2021, en uitlopend tot 22 januari 2021, heeft in een loods op het adres [adres] te Dronten een doorzoeking plaatsgevonden.

Tijdens deze zoeking is een grote hoeveelheid tabak in beslag genomen. (…)

De gewogen hoeveelheid tabak bedroeg 54.614 kg. (…)

Uit 8 dozen zijn monsters genomen. Uit elke doos zijn drie gripzakken gevuld met de inhoud uit de betreffende doos. (…)”

7.

Het proces-verbaal betreffende uitslag monsteronderzoek, opgesteld door ing.

[verbalisant] , van 15 maart 2021, AMB-012, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Onderzocht product: Tabak A.01.01.067. Na versnijden van het monster is de tabak rookbaar met behulp van een rookmachine. Op basis van de prejudiciële uitspraak in de zaak C-638/15 kan de tabak aangemerkt worden als rooktabak. Het product voldoet daardoor aan artikel 32 van de Wet op de Accijns.

8.

Het proces-verbaal betreffende uitslag monsteronderzoek, opgesteld door ing.

[verbalisant] , van 4 maart 2021, AMB-013, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Onderzocht product: Tabak A.01.01.095. Het product bestaat uit tabak en is zonder verdere behandeling rookbaar met behulp van een rookmachine. De tabak kan aangemerkt worden als rooktabak. Het product voldoet daardoor aan artikel 32 van de Wet op de Accijns.

9.

Het proces-verbaal betreffende uitslag monsteronderzoek, opgesteld door ing.

[verbalisant] , van 4 maart 2021, AMB-014, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Onderzocht product: Tabak A.01.01.019. Na versnijden van het monster is de tabak rookbaar met behulp van een rookmachine. Op basis van de prejudiciële uitspraak in de zaak C-638/15 kan de tabak aangemerkt worden als rooktabak. Het product voldoet daardoor aan artikel 32 van de Wet op de Accijns.

10.

Het proces-verbaal betreffende uitslag monsteronderzoek, opgesteld door ing.

[verbalisant] , van 4 maart 2021, AMB-015, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Onderzocht product: Tabak A.01.01.086. Na versnijden van het monster is de tabak rookbaar met behulp van een rookmachine. Op basis van de prejudiciële uitspraak in de zaak C-638/15 kan de tabak aangemerkt worden als rooktabak. Het product voldoet daardoor aan artikel 32 van de Wet op de Accijns.

11.

Het proces-verbaal betreffende uitslag monsteronderzoek, opgesteld door ing.

[verbalisant] , van 4 maart 2021, AMB-016, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Onderzocht product: Tabak A.01.01.034. Het product bestaat uit tabak en is zonder verdere behandeling rookbaar met behulp van een rookmachine. De tabak kan aangemerkt worden als rooktabak. Het product voldoet daardoor aan artikel 32 van de Wet op de Accijns.

12.

Het proces-verbaal betreffende uitslag monsteronderzoek, opgesteld door ing.

[verbalisant] , van 4 maart 2021, AMB-017, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Onderzocht product: Tabak A.01.01.107. Het product bestaat uit tabak en is zonder verdere behandeling rookbaar met behulp van een rookmachine. De tabak kan aangemerkt worden als rooktabak. Het product voldoet daardoor aan artikel 32 van de Wet op de Accijns.

13.

Het proces-verbaal betreffende uitslag monsteronderzoek, opgesteld door ing.

[verbalisant] , van 4 maart 2021, AMB-018, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Onderzocht product: Tabak A.01.01.044. Het product bestaat uit tabak en is zonder verdere behandeling rookbaar met behulp van een rookmachine. De tabak kan aangemerkt worden als rooktabak. Het product voldoet daardoor aan artikel 32 van de Wet op de Accijns.

14.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 22 januari 2021,

V-001-01, pagina’s 2 t/m 4, zakelijk weergegeven, als verklaring van deze verdachte:

“A: Op het moment dat wij werden aangehouden, waren wij al klaar met ons werk. Wij moesten bladeren in een machine gooien, en die bladeren werden gesneden in de machine. Het waren tabaksbladeren.

Ik was daar nog, omdat we daar ook moesten slapen. (…)

V: Wat zijn uw verdiensten voor uw werkzaamheden?

A: Op de overeenkomst stond dat we ongeveer € 16,-- bruto per uur zouden krijgen, maar er werd ook een bonus beloofd. (…) Het eten en de overnachting zouden gratis zijn. De bonus zouden we krijgen, als we een goede productie zouden maken. (…) Ik heb 300 euro in mijn hand gedrukt gekregen, als voorschot. (…)

V: Heeft u een (arbeids)contract?

A: Ik heb een arbeidsovereenkomst gekregen. (…) Het was met een bedrijf, gevestigd in Keulen, met afdelingen in België en Nederland. Ik weet nam van het bedrijf niet, maar er stond wel in dat het bedrijf zich bezighield met tabak.

V: Wij tonen u een foto van een contract op naam van het bedrijf [bedrijf 2] , had u ook zo'n contract?

A: Ja, mijn contract was ook met dit bedrijf. Ik heb dit contract hier in Nederland ondertekend. (…) Namens het bedrijf is het contract niet getekend. Er stonden alleen stempels op van het bedrijf. (…)

V: Hoe was de werkverdeling tussen u en de zeven mannen?

A: Iedereen deed een stukje werk, we wisselden vaak van taak of plek. (…)

V: Heeft u een toegangssleutel van het pand?

A: Nee, natuurlijk niet. De enige sleutels waren in het bezit van de man met de Turkse of

Marokkaanse afkomst, en andere sleutels hingen aan een haak in het gebouw. (…)

V: Was u in het bezit van een telefoon? (…)

A: Mijn telefoon was ingenomen door die meneer, ik heb nu geen telefoon.”

15.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 22 januari 2021,

V-003-01, pagina’s 2 t/m 4, zakelijk weergegeven, als verklaring van deze verdachte:

“V: Was u in het bezit van een telefoon en wat is de toegangscode van uw telefoon?

A: Op dit moment niet, die is van mij afgenomen. (…) De telefoon is aan het begin van de week van mij afgenomen. Dit is gedaan door de man die ons eten en matrassen bracht. (…)

V: Wat is uw reactie op de verdenkingen tegen u?

A: (…) Ik wist dat ik bezig was met tabak (…).

O: U bent gisteravond 21 januari 2021 omstreeks 18.45 uur aangehouden in een bedrijfshal (…).

V: Wat was u hier aan het doen?

A: Ik werkte daar en ik sliep daar. (…)

V: Wat hielden uw werkzaamheden in?

A: Ik moest die bladeren in een machine stoppen zodat die bladeren kleiner werden. Er waren daar bladeren in die hal (…)

V: In een eerdere vraag heeft u verklaard dat u bezig was met tabak. In de laatste vraag zegt u dat u niet wist dat het om tabak ging. Hoe kunt u dat verklaren?

A: (…) lk had in het begin helemaal niet door dat het hier om tabak ging. Na enige tijd wel, dat gaf me geen prettig gevoel en daarom wilde ik ook terug naar huis vertrekken.

V: Hoe lang deed u deze werkzaamheden al?

A: Afgelopen vrijdag ben ik daar gearriveerd. (…)

V: Wat zijn uw verdiensten voor uw werkzaamheden?

A: Het was 17 euro zoveel per uur. Maar er werd ons ook beloofd dat we nog een goede premie zouden krijgen. Dus we zouden meer verdienen. Dat maakte het nog aantrekkelijker. (…) Het geld zou mij cash worden uitbetaald. (…) Dus ik heb 150 euro ongeveer gekregen.

V: Hoe was de huisvesting geregeld?

A: Er was een bank waar iemand op sliep, er waren opblaasmatrassen en die man bracht nog meer matrassen. Dat was in de loods. (…)

V: Hoe was de werkverdeling tussen u en de zeven mannen?

A: Iedereen had zijn eigen taak. Iedereen deed iets. (…) Ik weet dat iedereen zijn eigen uitleg kreeg. Sommigen moesten de bladeren nog kleiner maken, maar iedereen had zijn eigen taak. (…)

V: Heeft u een toegangssleutel van het pand?

A: Nee. Tegen ons werd gezegd dat we niet naar buiten mochten, dus deed niemand dat. (…)

O: In de loods is ook een tabaksdroger aangetroffen. (…)

V: Hij heeft al gezegd dat er een machine stond.

A: Ik heb daar de bladeren in gestopt.”

16.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 22 januari 2021, V-004-01, pagina’s 2 t/m 4, zakelijk weergegeven, als verklaring van deze verdachte:

“V: Was u in het bezit van een telefoon en wat is de toegangscode van uw telefoon?

A: Nee, dat niet. Bij aankomst hier is mijn telefoon van mij afgenomen. (…)

O: U bent gisteravond 21 januari 2021 omstreeks 18.45 uur aangehouden in een bedrijfshal (…).

V: Wat was u hier aan het doen?

A: Ik werkte daar. lk hield me bezig met het vervaardigen van tabak. (…) Na enige tijd vroeg ik me af of het wel legaal was wat ik daar deed. Het moment dat ik me realiseerde dat er iets niet in orde zou kunnen zijn, was toen de telefoons werden afgepakt en niet meer terugkregen. (…)

V: Wat houden uw werkzaamheden in?

A: Iedereen had zijn eigen taak. lk hield met bezig met het eindproduct van de bladeren in kartonnen dozen in te pakken. En ik mocht die dozen op pallets stapelen.

V: Wat bedoelt u met bladeren?

A: De klein gemalen bladeren die van de machine afkwamen. Dat eindproduct moest ik in een doos doen. Ik wist eerst niet waar het over ging. (…) Die man liet mij zien wat ik moest doen. lk weet niet sinds wanneer ik wist dat het tabak was, maar dat was ergens tijdens dat ik daar aan het werk was. In de arbeidsovereenkomst was ook sprake van het vervaardigen of produceren van iets. (…)

V: Hoe lang doet u deze werkzaamheden al?

A: Vanaf afgelopen week vrijdag.

V: Van wie krijgt u opdrachten?

A: (…) Dat was alleen de meneer die ik eerder noemde. Die onze telefoons afpakte. Hij kwam een keer per dag eten brengen en matrassen of wisselen. (…)

V: Wat zijn uw verdiensten voor uw werkzaamheden?

A: 16,20 bruto stond in de arbeidsovereenkomst. (…) Ik heb een keer een bedrag gekregen, dat was 250 euro. (…) Ik heb dit cash ontvangen. (…)

V: U verklaarde net dat u het eindproduct van de bladeren in kartonnen dozen moest doen. Waar kwamen de bladeren vandaan?

A: Die bladeren haal ik van de machine af. Het was een soort cyclus van de productie. De een moest de bladeren snijden, de andere moest het in de machine doen en de andere moest ze uit de machine halen en in dozen doen. (…)

V: Wat was het voor machine?

A: Weet ik niet. Het was een hele grote machine. (…) Het was een droogmachine voor bladeren. (…)

V: Heeft u een vervoermiddel?

A: Ja, die bezit ik. Ik ben met mijn auto naar Nederland gekomen. Het is een Audi A4 met kenteken [kenteken] . Die staat in Dronten bij de loods waar ik ben aangehouden. Ik ben samen met [medeverdachte] uit Polen komen rijden.”

17.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 22 januari 2021, V-004-02, pagina’s 2 t/m 4, zakelijk weergegeven, als verklaring van deze verdachte:

“V: Wat heeft u gedaan op de vrije dag?

A: Ik ben binnen gebleven. De verplichting was dat we niet naar buiten mochten. Ik heb daar van vrijdag tot en met donderdag gewerkt en op zondag was ik vrij.

V: Vond je het normaal dat je niet naar buiten mocht op je vrije dag?

A: Ja, iedereen deed het.

V: Hoe lang zou je hier gaan werken?

A: Zo kort mogelijk. De bedoeling zou zijn dat ik in gewone omstandigheden zou gaan werken en een plek had om te slapen. Maar dat was niet geregeld dus mijn bedoeling was om na de eerste betaling weg te gaan.

V: Ja, maar wat was de bedoeling toen je vertrok uit Polen om hier te gaan werken?

A: Ik was overtuigd dat het legaal werk was, ik heb verschillend werk gedaan en er veel ervaring in. Niemand kan toch iemand in een hok opsluiten, dat is niet goed.”

18.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte D. Marcinski van 22 januari 2021, V-005-01, pagina’s 2 t/m 5, zakelijk weergegeven, als verklaring van deze verdachte:

“V: Wat is uw reactie op de verdenkingen tegen u?

A: Ik ben naar Nederland afgelopen vrijdag (vorige week de 15e) gekomen om te werken. (…) Wij hebben daar in die hal geslapen en gewerkt. (…) Hij heeft gezegd dat ik 16 euro per uur zou ontvangen. Als wij goed en snel zouden werken, dan zouden wij een toeslag van 500 euro ontvangen.

Hij liet zien wat ik moest doen. Ik moest uit dozen grote bladeren tabak halen. Die waren bij elkaar gedrukt/geperst. Ik vroeg hem wat ik moest doen. Dat is werken bij de tabak. (…)

V: Wat houden uw werkzaamheden in?

A: Ik stond bij opgestapelde dozen. Dat was een soort tafel. Die dozen moest ik open maken en de bladeren eruit trekken. Die bladen waren geperst en die moest ik van elkaar af halen. Die gingen in een andere doos. En andere mensen deden vervolgens die bladen in een machine. (…)

Met mijn persoon erbij waren we met 8 personen. (…) Het was geen werk voor normale mensen. (…)

V: Heeft u een (arbeids)contract?

A: Ja, ik heb dat getekend. De Turkse man hoefde niet te tekenen. Hij heeft er een stempel op gezet. De stempel stond er al op. (…)

V: Wat zijn uw verdiensten voor uw werkzaamheden?

A: Ik zou 16 euro per uur ontvangen. De Turkse man zei dat ik aan het eind van de week contant betaald zou worden. (…)

V: Heeft u een toegangssleutel van het pand?

A: Die stond open. Wij hebben naast de hal geslapen. Na het werk bleven wij in onze slaapruimte. Die mochten wij niet verlaten. Wij mochten ons niet buiten laten zien. (…)

V: Was u in het bezit van een telefoon en wat is de toegangscode van uw telefoon?

A: (…) De Turkse maan zei geef mij jouw mobieltje. (…)

Ik heb op dit moment geen mobiele telefoon.”

19.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 22 januari 2021, V-005-01, pagina’s 2 t/m 5, zakelijk weergegeven, als verklaring van deze verdachte:

“V: Wat is uw reactie op de verdenkingen tegen u?

A: (…) Ik kwam hier om te sorteren. De eigenaar heeft vooraf niet gezegd wat ik moest sorteren. Toen we kwamen liet men ons dat zien. Maar er was niets om te sorteren. Alleen blaadjes. Toen bleek dat tabaksbladen te zijn. De eigenaar heeft ons een contract gegeven. En wij zouden tussen 16 en 18 euro per uur verdienen. (…)

Het bleek dat wij moesten sorteren. En het bleek tabak te zijn. (…)

Voor mij was dat verdacht, omdat de man ons 500 euro per week extra wilde geven. (…)

O: U bent gisteravond 21 januari 2021 omstreeks 18.45 uur aangehouden in een bedrijfshal (…).

V: Wat was u hier aan het doen?

A: De bladeren waren geperst. Die moesten wij los maken, uit elkaar halen. Volgens mij waren het tabaksbladen. Het stonk in ieder geval naar tabak. (…)

U vraagt mij wanneer ik naar Nederland ben gekomen. Ik ben op donderdag uit Polen vertrokken en vorige week vrijdag (de 15de) in Nederland aangekomen. (…)

Onze telefoons (van iedereen) werden door de betreffende man afgenomen. (…) De telefoons werden gelijk de eerste dag afgenomen. (…)

U vraagt mij waar wij sliepen. Wij verbleven de hele tijd daar. Dat is waar wij zijn aangehouden. Wij sliepen op dezelfde locatie als waar wij werkten. (…)

V: Wat zijn uw verdiensten voor uw werkzaamheden?

A: De uitbetaling zou iedere maandag cash plaatsvinden. Dus contant. (…)

V: Wat voor werkzaamheden verrichten deze 7 personen.

A: De anderen deden de bladeren op een band. Andere personen knipten de bladeren. En weer andere deden de geknipte bladeren weer in dozen. (…)

V: Heeft u een toegangssleutel van het pand?

A: Van binnen was het pand gesloten. (…) Wij konden van binnen de deur open maken. De sleutel hing naast de deur, maar er werd ons gevraagd om de hal niet te verlaten. (…)

Ik wil nog toevoegen dat wij eerst niet wisten dat het illegaal was wat we deden. Toen we daar achter kwamen, wilden we stoppen en terug naar onze gezinnen in Polen. Alleen wilden we afwachten tot maandag zodat we in ieder geval ons geld zouden krijgen.”

20.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 22 januari 2021, V-007-01, pagina’s 3 t/m 5 en 7, zakelijk weergegeven, als verklaring van deze verdachte:

“O: U bent gisteravond 21 januari 2021 omstreeks 18.45 uur aangehouden in een bedrijfshal (…).

V: Wat was u hier aan het doen?

A: Ik kwam om te werken. (…)

V: Waar is uw telefoon nu?

A: Er was een meneer die mij de telefoon heeft afgenomen toen ik kwam werken. (…)

V: Vond u het niet vreemd dat u gelijk uw telefoon moest inleveren?

A: Ja, dat was wel mijn vraag. Ik heb het mij de hele week afgevraagd waarom we geen telefoon mochten hebben en waarom we daar moesten slapen. (…)

V: Wat dacht u dat u ging doen voor werk?

A: (…) Pas toen ik aankwam, bleek het om tabakswerkzaamheden te gaan. (…)

V: Wat houden uw werkzaamheden in?

A: Ik heb gewerkt bij de tabak. Uit de machine kwam de tabak gedroogd en gesneden. Dit kwam op een lopende band. Vanaf de band kwam het in een doos. lk moest het aanstampen in de dozen en de dozen daarna stapelen op een pallet. (…)

V: Hoeveel dagen heeft u gewerkt?

A: Vrijdagnamiddag, de dag dat we aankwamen, hebben we gewerkt. Zaterdag en zondag hebben we niet gewerkt. Nu hebben wij de hele week dat we er waren gewerkt. (…)

V: Waar sliepen jullie?

A: In de loods waar we werkten. (…)

V: Heeft u een toegangssleutel van het pand?

A: Nee. De sleutels zaten in de deur. Als je binnenkwam hingen ze altijd aan de rechterkant. (…)

V: Had jij je eigen identiteitsdocumenten bij je?

A: Ja. Die had ik altijd in mijn tas of in mijn jas. (…)”

21.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 22 januari 2021, V-008-01, pagina’s 2 t/m 4, zakelijk weergegeven, als verklaring van deze verdachte:

O: U bent gisteravond 21 januari 2021 omstreeks 18.45 uur aangehouden in een bedrijfshal (…).

V: Wat was u hier aan het doen?

A: (…) Ik was pas een paar dagen aan het werk. (…)

V: Hoe lang zou u komen werken?

A: Dat hebben wij nog niet besproken. (…) De verdiensten waren aantrekkelijk.

V: Wat begon je te achterhalen?

A: Eerste component dat er iets niet klopte, is dat we moesten slapen op de plaats waar we werkten. En bovendien was het zo dat we niet naar buiten mochten. Hij zei dat we ontslagen zouden worden, als we ons hoofd naar buiten zouden steken. Dat was een dreigement.

V: Wie was die hij?

A: Dat was een meneer die mij naar het werk heeft gebracht. (…)

V: Uw telefoon is in beslag genomen, zegt u. Waar is die telefoon gebleven?

A: Ik heb geen idee waar die nu is. Voor ik naar werk ging had ik die bij mij, maar toen ik bij het werk kwam, is mijn telefoon afgepakt. (…)

V: Wat houden uw werkzaamheden in?

A: Ik heb met een sneeuwschuiver de spullen op de band gelegd. Dat was de hele dag. Ik was de hele dag bladeren op de band aan het gooien. lk dacht dat het tabaksbladeren waren.

V: Hoe lang doet u deze werkzaamheden al?

A: Een paar dagen. Ik ben een week geleden naar Nederland gekomen. Donderdag zijn we weggegaan uit Polen en vrijdag was ik hier in de loods. (…)

V: Hoe zou er worden uitbetaald?

A: Cash, in de hand. (…)

V: Hoe is het met huisvesting en eten geregeld?

A: De man bij wie ik de overeenkomst getekend heb, regelde alles. Die bracht 's avonds eten en matrassen en ik kon hem om dingen vragen. Dat nam hij dan voor ons mee. (…)

V: Heeft u een toegangssleutel van het pand?

A: Nee. Niemand had de sleutel. De sleutel hing bij de ingang. De sleutel was daar dus als ik de sleutel had willen gebruiken had ik dat kunnen doen omdat de sleutel gewoon zichtbaar was.“

22.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 22 januari 2021, V-002-01, pagina’s 2 en 3, zakelijk weergegeven, als verklaring van deze verdachte:

“O: U bent gisteravond 21 januari 2021 aangehouden in een bedrijfshal. (…)

V: Wat was u hier aan het doen?

A: Ik was aan het werken, ik was bladeren aan het uit elkaar halen. Dat waren van die bruine bladeren, ik denk dat het tabaksbladeren zijn. (…)

V: Hoe lang doet u deze werkzaamheden al?

A: Ik ben afgelopen vrijdag vanuit Polen naar Nederland gevlogen en afgelopen zaterdag ben ik begonnen met werken. (…)

V: Welke telefoon hebt u in gebruik en waar is deze?

A: Ik mocht daar geen telefoon hebben en ik heb geen telefoon. (…)

V: Wat zijn uw verdiensten voor uw werkzaamheden?

A: Het was 15 euro per uur, en daarnaast zouden wij per week een bonus van 500 euro per week krijgen, maar dat zou stiekem gaan zodat daar geen belasting over betaald hoeft te worden. (…)

O: Tijdens uw aanhouding was u samen met zeven andere Poolse mannen.

V: Wat is uw relatie met deze mannen?

A: Die moesten hetzelfde werk doen als ik, er was niemand beter of slechter als ik, we deden allemaal hetzelfde werk. (…) Iedereen had zijn eigen taak. Ik moest bladeren uit elkaar halen, iemand anders moest het product inpakken, zo had iedereen zijn eigen taak. (…)

V: Heeft u een toegangssleutel van het pand?

A: Nee, Ik had geen sleutel, de buitendeur was altijd open.”

23.

Het schriftelijk bescheid, te weten een fotobijlage van de situatie in de loods, pagina’s 29, 44, 47 en 51:

1 HR 2 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3699 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1054