Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3451

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-09-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
08/149319-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 69-jarige bestuurder van een brommobiel tot een taakstraf van 120 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De man reed een fietser aan die door het ongeluk is overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/149319-19 (P)

Datum vonnis: 7 september 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1952 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 augustus 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. Van Haaren - Paulus en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. ing. M.J. Jansma, advocaat in Kampen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op

6 februari 2019 te Kampen als bestuurder van een brommobiel een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor een ander is overleden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 6 februari 2019 te Kampen in de gemeente Kampen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (brommobiel),komende uit de richting van de Europa-allee en/of gaande in de richting van de
kruising van de Flevoweg en een ter hoogte van de Korteweg aldaar gelegen fiets/bromfietspad, daarmede rijdende over de weg, de Flevoweg

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl verdachte goed bekend was met vorenstaande kruising en/of verkeerssituatie en/of het uitzicht voor hem, verdachte niet werd beperkt of gehinderd en/of

terwijl op korte afstand voor die kruising in zijn, verdachtes rijrichting aan de rechter zijde van die weg (de Flevoweg) een waarschuwingsbord J24 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met het onderbord: “Let op (bromfietsen +) fietsen hebben voorrang was/waren geplaatst” en/of

bij die kruising een pianoklavier op het wegdek was aangebracht, ten teken dat bestuurders hun snelheid moeten minderen en/of voor voormelde kruising in de gezien zijn, verdachte rijrichting rechter berm van die weg (de Flevoweg) een in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg", was geplaatst en/of

direct voor die kruising op het wegdek van die weg, (de Flevoweg) haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van voormeld reglement, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht
en/of

niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken of over dat fiets/bromfietspad verkeer naderde en/of in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (brommobiel) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (brommobiel) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (de Flevoweg) en/of

die kruising kon overzien en waarover deze vrij was waren en/of die kruisende (voorrangs)weg (dat fiets/bromfietspad)/die kruising is op- en/of overgereden en/of

in strijd met voormelde bord B6 en/of voormelde haaientanden geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder van een over die kruisende weg (dat fiets/bromfietspad) rijdende, toen gezien, zijn verdachtes rijrichting dicht van links genaderd zijnde fiets en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat over die kruisende (voorrangs)weg, (dat fiets/bromfietspad) rijdende, toen dicht van links genaderd zijnde fiets en/of de bestuurder van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt, doordat hij, verdachte geen voorrang heeft verleend;


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 februari 2019 te Kampen in de gemeente Kampen, als bestuurder van een motorrijtuig (brommobiel), komende uit de richting van de Europa-allee en/of gaande in de richting van de kruising van de Flevoweg en een ter hoogte van de Korteweg aldaar gelegen fiets/bromfietspad, daarmede heeft gereden over de weg, de Flevoweg en

terwijl op korte afstand voor die kruising in zijn, verdachtes rijrichting aan de rechter zijde van die weg (de Flevoweg) een waarschuwingsbord J24 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met het onderbord: “Let op (bromfietsen +) fietsen hebben voorrang was/waren geplaatst” en/of

bij die kruising een pianoklavier op het wegdek was aangebracht, ten teken dat bestuurders hun snelheid moeten minderen en/of

voor voormelde kruising in de gezien zijn, verdachte rijrichting rechter berm van die weg (de Flevoweg) een in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg", was geplaatst en/of

direct voor die kruising op het wegdek van die weg, (de Flevoweg) haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van voormeld reglement, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (brommobiel) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (brommobiel) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (de Flevoweg) en/of die kruising kon overzien en waarover deze vrij was waren en/of

die kruisende (voorrangs)weg (dat fiets/bromfietspad)/die kruising is op- en/of overgereden en/of

in strijd met voormelde bord B6 en/of voormelde haaientanden geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder van een over die kruisende weg (dat fiets/bromfietspad) rijdende, toen gezien, zijn verdachtes rijrichting dicht van links genaderd zijnde fiets en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat over die kruisende (voorrangs)weg, (dat fiets/bromfietspad) rijdende, toen dicht van links genaderd zijnde fiets en/of de bestuurder van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsmotivering

4.1

Inleiding

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende vast gesteld.

Verdachte reed als bestuurder van een brommobiel met kenteken [kenteken] op 6 februari 2019 omstreeks 08:30 uur over de Flevoweg in Kampen, komende vanuit de richting van de Europa-allee in de richting van de Ebbingestraat.

Bij het naderen van een fietsoversteekplaats op de Flevoweg heeft verdachte eerst naar links gekeken of vanuit de Oostzeestraat, die vlak voor de fietsoversteekplaats uit komt op de Flevoweg, (auto)verkeer kwam rijden. Verdachte heeft vervolgens naar rechts gekeken of uit de richting van de Korteweg fietsers kwamen aanrijden. Toen hij daarna weer naar links keek, nam hij plotseling voor zijn brommobiel het slachtoffer waar dat op zijn fiets de fietsoversteekplaats overstak. Verdachte heeft toen meteen geremd, maar kon een aanrijding niet meer voorkomen. Het slachtoffer is ten val gekomen en dientengevolge op een later moment aan de gevolgen van het verkeersongeval overleden.

Verdachte heeft verklaard dat hij goed bekend was met de Flevoweg en de verkeerssituatie aldaar, hij wist dat fietsers voorrang hebben op de fietsoversteekplaats, dat het kruispunt met de fietsoversteekplaats te boek staat als druk en onveilig en dat hij goed om zich heen heeft gekeken. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij direct voorafgaand aan het ongeval ongeveer 30 kilometer per uur reed, dat hij na de uitrit van de Oostzeestraat weer wat gas bij had gegeven en dat het regende.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend een voorrangskruising (fietsoversteekplaats) is overgestoken, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat het ongeval is ontstaan.

Verdachte reed op een weg waarmee hij goed bekend was. De kruising met de fietsoversteekplaats betreft een overzichtelijke kruising en het zicht werd ook niet gehinderd. De aanwezigheid van haaientanden, waarschuwingsborden en een pianoklavier op de weg hebben verdachte er niet toe bewogen om zijn verkeersgedrag aan te passen, daar waar dit wel had gemoeten.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW 1994).

Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte met beperkte snelheid reed, dat hij goed om zich heen had gekeken, dat het regende op het moment van het ongeluk en dat het zicht gedeeltelijk werd belemmerd door lage hegjes naast de weg en het slachtoffer achter de spijl van de auto verscholen ging. Dit maakt, aldus de raadsman, dat sprake was van een kort moment van onoplettendheid en dus niet van grove schuld.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid dan wel onoplettendheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertredingen en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.

De rechtbank stelt vast dat uit de stukken in het dossier niet is gebleken van een onoverzichtelijke verkeerssituatie in die zin dat het zicht vanaf de Flevoweg ter plaatse van de fietsoversteekplaats zowel naar links als naar rechts geheel wordt ontnomen. Verder blijkt uit de foto’s die zich in het dossier bevinden dat de kruising is voorzien van een duidelijk waarschuwingsbord voor (brom)fietsverkeer komend vanuit beide richtingen, van haaientanden en een pianoklavier, bedoeld om naderend verkeer af te remmen. Uit de verklaringen van verdachte maakt de rechtbank verder op dat er vrij veel verkeer kwam vanuit de richting van de Oostzeestraat kort voor het ongeval, dat het ongeval bij daglicht plaats vond en het op dat moment regende. Vorenstaande omstandigheden en de verkeerstekens duiden er volgens de rechtbank op dat sprake was van een gevaarlijke kruising waar extra alertheid en voorzichtigheid van verkeersdeelnemers geboden is wanneer zij de fietsoversteekplaats willen oversteken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte de vereiste alertheid en voorzichtigheid onvoldoende betracht. Uit het feit dat verdachte verklaard heeft dat hij het slachtoffer niet heeft gezien, leidt de rechtbank af dat hij in onvoldoende mate naar links heeft gekeken kort voor het moment dat hij de fietsoversteekplaats op de Flevoweg wilde oversteken. Verdachte heeft weliswaar verklaard ter hoogte van de Oostzeestraat naar links te hebben gekeken, maar heeft daarbij specifiek naar auto’s die vanuit die richting kwamen gekeken en niet, althans onvoldoende, naar aankomend fietsverkeer dat even verderop (mogelijk) de fietsoversteekplaats zou passeren. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte op dit aankomend fietsverkeer alert moeten zijn en had hij bij het aanrijden van de fietsoversteekplaats andermaal en gericht op dit verkeer naar links moeten kijken. Rekening houdende met de mogelijkheid van dit aankomende fietsverkeer en gegeven de verkeerssituatie en omstandigheden op dat moment, had het tevens op de weg van verdachte gelegen om zijn snelheid te matigen. Dat heeft hij niet gedaan. Verdachte heeft daarentegen verklaard zijn snelheid juist te hebben verhoogd door gas bij te geven na het passeren van de uitrit van de Oostzeestraat. Aldus is geen sprake van slechts een enkel moment van onoplettendheid.

Bovenstaand verkeersgedrag kan, mede gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad, de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in artikel 6 WVW 1994 te wijten is.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 februari 2019 te Kampen in de gemeente Kampen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (brommobiel), komende uit de richting van de Europa-allee en gaande in de richting van de kruising van de Flevoweg en een ter hoogte van de Korteweg aldaar gelegen fiets/bromfietspad, daarmede rijdende over de weg, de Flevoweg

aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl verdachte goed bekend was met vorenstaande kruising en verkeerssituatie en het uitzicht voor hem, verdachte niet werd beperkt of gehinderd en

terwijl op korte afstand voor die kruising in zijn, verdachtes rijrichting aan de rechter zijde van die weg (de Flevoweg) een waarschuwingsbord J24 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met het onderbord: “Let op (bromfietsen +) fietsen hebben voorrang was/waren geplaatst” en

bij die kruising een pianoklavier op het wegdek was aangebracht, ten teken dat bestuurders hun snelheid moeten minderen en voor voormelde kruising in de gezien zijn, verdachte rijrichting rechter berm van die weg (de Flevoweg) een in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg", was geplaatst en

direct voor die kruising op het wegdek van die weg, (de Flevoweg) haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van voormeld reglement, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht en

in onvoldoende mate heeft gekeken en is blijven kijken of over dat fiets/bromfietspad verkeer naderde en in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (brommobiel) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (brommobiel) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (de Flevoweg) en

die kruising kon overzien en waarover deze vrij was en die kruising is op- en overgereden en

in strijd met voormelde bord B6 en voormelde haaientanden geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder van een over die kruisende weg (dat fiets/bromfietspad) rijdende, toen gezien, zijn verdachtes rijrichting dicht van links genaderd zijnde fiets en

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat over die kruisende (voorrangs)weg, (dat fiets/bromfietspad) rijdende, toen dicht van links genaderd zijnde fiets en de bestuurder van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt, doordat hij, verdachte, geen voorrang heeft verleend;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 175 van de WVW 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

primair

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het primair bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd op grond van wat zij bewezen acht dat aan verdachte wordt opgelegd:

- een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om bij een bewezenverklaring van het primair danwel subsidiair tenlastegelegde een geheel voorwaardelijke rijontzegging op te leggen. De raadsman heeft daarbij gewezen op het tijdsverloop sinds het ongeluk, het feit dat verdachte nooit eerder ter zake een vergelijkbaar of ander strafbaar feit is veroordeeld, zijn beperkte belastbaarheid en de afhankelijkheid van zijn brommobiel.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het de gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft als bestuurder van een brommobiel een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt als gevolg waarvan de bestuurder van de door hem aangereden fiets is komen te overlijden. Dit is voor alle betrokkenen een ingrijpende gebeurtenis. Verdachte zelf heeft ter zitting er blijk van gegeven dat hij zeer geraakt is door het gebeuren. Het houdt hem bezig en geeft hem een gevoel van schaamte. Verdachte heeft zich schuldbewust getoond en verantwoordelijkheid genomen. De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de ouderdom van de zaak. Verdachte heeft langere tijd in onzekerheid moeten verkeren over wat er met de strafzaak zou gebeuren. Tenslotte is verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest. Daarom zal de rechtbank een werkstraf opleggen voor de duur van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk. De proeftijd zal daarbij op 2 (twee) jaar worden bepaald.

De werkstraf zal, in afwijking van hetgeen door de officier van justitie is geëist, gedeeltelijk voorwaardelijk zijn, mede vanwege het feit dat verdachte niet eerder voor verkeersdelicten is veroordeeld, verdachte ter zitting er blijk van heeft gegeven het ongeval zeer te betreuren en heeft getuigd van inlevingsvermogen ten opzichte van het slachtoffer.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit:

primair

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren;

- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

- bepaalt dat deze taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. C.A. Peterzon en mr. W.B. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Jentzsch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2021.

Buiten staat:

Mr. C.A. Peterzon is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2019055317-13. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 6 februari 2019, pagina 15, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte:

Op 6 februari 2019 omstreeks 08:30 uur reed ik over de Flevoweg te Kampen . Ik kwam vanuit de richting van de Europa-allee en ging in de richting van de Ebbingestraat. Op de kruising met de Oostzeestraat is een oversteek voor fietsers. Hiervoor zat voor mij de kruising met de Oostzeestraat en op het moment dat ik daarvoor was keek ik of er geen auto’s voor mij van links aankwam. Daarna keek ik bij de oversteek of er voor mij fietsers aankwamen van recht, dit bleek niet het geval. Gelijk kijk ik naar links om te zien of daar een fietser aankwam en op dat moment zag ik dat er al een fietser voor mijn auto zat. Ik kon op dat moment een aanrijding niet meer voorkomen. Net voor de aanrijding reed ik ongeveer 40 km en toen ik de fietser zag ben ik gelijk hard gaan remmen.”

2.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 29 maart 2019, pagina 18-19, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte:

Ja, ik rijdt hier vaker. De situatie is me bekend”

….

De plek van het ongeval is een T-splitsing met de Oostzeestraat en voorbij de T-splitsing is het een fietspad met looppad. Deze gaat vanaf de dokterspraktijk in de richting van de Korte weg. De fietsers hebben hier voorrang.

Kwam vrij veel verkeer van de Oostzeestraat af, dus ik reed al heel rustig aan. Ik denk een km of dertig. Toen ik die kruising over was zag ik dat er een busje uit de richting van de Albert Hein en reed in de richting van de Flevoweg. Deze reed dus voor mij in tegenovergestelde richting. Ik keek daarna naar rechts de Korteweg in en op het moment dat ik weer voor me keek zag ik de man op de fiets met de kop naar beneden fietsen. Ik wist automatisch dat de man op de fiets voorrang had en heb ik gelijk op de rem getrapt. Op het moment van de aanrijding regende het en ik heb de man nooit gezien. Tot het moment dat ik hem in beeld kreeg, toen zat hij al recht voor de auto.

Ik heb goed om me heen gekeken. Ik zag de bus uit tegen tegenovergestelde richting komen en daarna heb ik de Korte weg in gekeken, deze zit voor mij rechts. Daarna heb ik weer voor me gekeken en toen zag ik hem aankomen met de kop naar beneden. Dit waarschijnlijk doordat het regende en dat kan ik wel begrijpen dat je dan geen regen in de ogen wil hebben.

….

Ik denk dat ik op dat moment nog geen 40 km geweest zijn. Ik reed met de kruising met de Oostzeestraat ongeveer 30 km en daarna heb ik weer wat gas bijgegeven.”

3.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 29 maart 2019, pagina 12, voor zover inhoudende de verklaring van een getuige:

Op een gegeven moment zag ik dat vlak bij de fietsoversteekplaats een auto vanuit tegenovergestelde richting kwam rijden. Ik zag dat deze eerder dan mij bij de oversteek zou zijn. Ik zag op dat moment dat er voor mij bij de oversteek een fietser van rechts aan kwam rijden. Ik zag dat ik voor deze fietser niet hoefde te remmen en dat deze voor me langs ging. Ik weet dat bij deze oversteek de fietsers voorrang hebben en van beide kanten mogen komen. Ik zag op dat moment dat de bestuurder van de andere auto de fietser compleet miste en dat er een aanrijding volgde. Ik zag dat de fietser geschept werd en dat hij een meter of vier verder op de grond terecht kwam.”

4.

Het proces-verbaal aanrijding overtreding d.d. 6 februari 2019, pagina 4, voor zover inhoudende de bevindingen van de verbalisanten:

Lichtgesteldheid : Daglicht

Weersgesteldheid : Regen”

5.

Het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 oktober 2019 (aanvullend procesdossier), pagina’s 1 en 2, voor zover inhoudende, een nadere beschrijving van de verkeerssituatie ter plaatse, aangeduid op een foto uit het procesdossier (pagina 9):

Op blz. 9 van het dossier heb ik een afbeelding van Streetvieuw toegevoegd met daarop de bebording ter plaatse bij de oversteekplaats. Hierop zijn de haaientanden, pianoklavier en het bord B6 te zien

Er staat inderdaad een waarschuwingsbord voor de oversteekplaats.”

6.

Verslag betreffende een niet natuurlijke dood d.d. 19 maart 2019 (aanvullend procesdossier), pagina 2, voor zover inhoudende de evaluatie en conclusie:

“Evaluatie

Overleden aan de gevolgen van een verkeersongeval

Conclusie

Niet natuurlijke dood”