Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3450

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-09-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
08/049725-21, 08/045389-21 (ttz.gev), 15/108013-19 TUL (tul), 13/081325-20 (ttz.gev), 15/150067-20 (ttz.gev), 15/173436-20 (ttz.gev) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 23-jarige man tot een gevangenisstraf van 1 jaar en tbs met dwangverpleging voor het plegen van 15 strafbare feiten binnen 2 jaar. De man hackte onder andere een systeem van de gemeente Amsterdam en liet zo salarissen van medewerkers betalen op zijn bankrekening, hij mishandelde een buschauffeur en stak een boa in de borststreek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 08/049725-21, 08/045389-21 (ttz.gev), 15/108013-19 TUL (tul), 13/081325-20 (ttz.gev), 15/150067-20 (ttz.gev), 15/173436-20 (ttz.gev) (P)

Datum vonnis: 7 september 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven aan de Huub van Doornestraat 15, 8013NR te Zwolle (PI Zwolle),

nu verblijvende in het Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 augustus 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.J. Wiegant en van wat door verdachte en zijn raadslieden mr. M. Stam, advocaat in Haarlem en mr. P.L.E.M. Krauth, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Voor de leesbaarheid van dit vonnis nummert de rechtbank de feiten van de zaak met parketnummer A: 08/049725-21 als feiten 1, 2, 3 en 4, het feit van de zaak met parketnummer B: 08/045389-21 als feit 5, de feiten van de zaak met parketnummer
C: 13/081325-20 als feiten 6, 7, 8 en 9, de feiten van de zaak met parketnummer

D: 15/150067-20 als feiten 10, 11, 12 en 13 en de feiten van de zaak met parketnummer

E: 15/173436-20 als feiten 14 en 15.

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: winkelruiten toebehorende aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] heeft vernield;

feit 2: geprobeerd heeft om [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

feit 3: [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft bedreigd;

feit 4: een verboden wapen heeft gedragen;

feit 5: buitengewoon opsporingsambtenaar [slachtoffer 5] heeft mishandeld;

feit 6: het Citrix Netwerk van de gemeente Amsterdam heeft gehackt;

feit 7: bankrekeningnummers van personeelsleden van de gemeente Amsterdam heeft gewijzigd in zijn eigen bankrekeningnummer;

feit 8: identificerende persoonsgegevens van een ander heeft gebruikt, met als doel die identiteit te misbruiken;

feit 9: een geldbedrag van € 1.380,16 heeft witgewassen;

feit 10: buschauffeuse [slachtoffer 6] heeft mishandeld;

feit 11: geprobeerd heeft buitengewoon opsporingsambtenaar [slachtoffer 7] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

feit 12: buitengewoon opsporingsambtenaren [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] heeft bedreigd;

feit 13: [slachtoffer 9] heeft bedreigd;

feit 14: geprobeerd heeft agenten [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

feit 15: [slachtoffer 11] (hoofdagent) en [slachtoffer 12] (aspirant) heeft mishandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

A. 08/049725-21

1.
hij, op een of meerdere tijdstippen, op of omstreeks 20 februari 2021 te Zwolle,
(telkens)opzettelijk en wederrechtelijk een of meer (winkel)ruiten, in elk geval enig
goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [bedrijf 1] en/of
[bedrijf 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt
en/of weggemaakt;
2.
hij op of omstreeks 20 februari 2021 te Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte
voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een wapen de straat
op is gegaan en/of met een wapen op en/of in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] ,
[slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat
voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.
hij, op een of meer tijdstippen, op of omstreeks 20 februari 2021 te Zwolle, [slachtoffer 1]
, [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig
misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (telkens) met
een wapen op en/of in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]
te schieten;
4.
hij op of omstreeks 20 februari 2021 te Zwolle, een wapen van categorie I, onder 7°
van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en
Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon
vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of
afdreiging geschikt was, namelijk voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en
afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor
ontploffing bestemde voorwerpen, met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als
bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG heeft gedragen;

B. 08/045389-21

5.

hij op of omstreeks 16 februari 2021 te Zwolle, een ambtenaar, te weten [slachtoffer 5]
(buitengewoon opsporingsambtenaar), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige
uitoefening van zijn bediening, heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] , één of meerdere
malen op/tegen de elleboog, alhtans het lichaam, te stompen/slaan;

C. 13/081325-20

6.

hij op om omstreeks 19 november 2019 te Amsterdam en/of Velserbroek, in elk geval in
Nederland, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd
werk, te weten het Citrix Netwerk van de gemeente Amsterdam en/of de MPN (Mijn
Personeelsnet) omgeving van de gemeente Amsterdam, in elk geval de computersystemen/servers van de gemeente Amsterdam, is binnengedrongen door het doorbreken van een beveiliging en/of door een valse sleutel en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten door het (telkens) inloggen met onrechtmatig verkregen inlognamen en/of wachtwoorden en/of andere (inlog)gegevens van medewerker(s) ( [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] en/of [slachtoffer 16] ) van de gemeente Amsterdam;

7.
hij op of omstreeks 19 november 2019 te Amsterdam en/of Velserbroek,
in elk geval in Nederland, telkens opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen, te weten een of meer bankrekeningnummer(s) van personeelsleden van de gemeente Amsterdam en/of een
of meer persoonlijke keuze budget(ten), heeft gewist en/of gewijzigd en/of toegevoegd door:
- de bankrekeningnummers van [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] en/of [slachtoffer 16] aan te passen/te wijzigen in zijn, verdachtes, eigen bankrekeningnummer(s) en/of de persoonlijke keuze budgetten op uitbetalen gezet terwijl hij hier geen toestemming voor had;
8.
hij op of omstreeks 19 november 2019 te Amsterdam en/of Velserbroek, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten,
- het Citrix-account van [slachtoffer 14] en/of
- de MPN-accountgegevens van [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] en/of [slachtoffer 16] heeft gebruikt, met het oogmerk de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan;


9.
hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 december 2019 t/m 12 februari 2020, te Amsterdam en/of Velserbroek, in elk geval in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer 1380,16 euro, althans enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van enig voorwerp gebruik heeft gemaakt terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

D. 15/150067-20

10.

hij op of omstreeks 30 december 2019 te Haarlem
[slachtoffer 6] (werkzaam als buschauffeuse) heeft mishandeld door die
[slachtoffer 6] met kracht, met de tot vuist gebalde hand, tegen/op/in het
gezicht, althans het hoofd te slaan;

11.
hij op of omstreeks 15 april 2020 te Velserbroek, gemeente Velsen ter
uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan
[slachtoffer 7] (buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de
gemeente Velsen) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een schroevendraaier, althans enig lang en/of puntig en/of scherp voorwerp, in de borststreek,
althans het bovenlichaam van die [slachtoffer 7] heeft gestoken, terwijl de
uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

12.
hij op of omstreeks 15 april 2020 te Velserbroek, gemeente Velsen
[slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] (beiden buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Velsen) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een schroevendraaier, althans enig lang en/of puntig en/of
scherp voorwerp, stekende, althans bedreigende, bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] ;

13.
hij op of omstreeks 15 april 2020 te Velserbroek, gemeente Velsen
[slachtoffer 9] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling, door een lijmpistool (zijnde een op een
vuurwapen gelijkend voorwerp) uit zijn broekzak te halen en/of (vervolgens) in de richting van die [slachtoffer 9] te houden en/of daarmee in naar die [slachtoffer 9] te wijzen;

E. 15/173436-20

14.

hij, op of omstreeks 2 juli 2020 te Velserbroek, gemeente Velsen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 10] (agent van politie Eenheid Noord-Holland) en/of [slachtoffer 11] (hoofdagent van politie Eenheid Noord-Holland), opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een parasol voet naar beneden heeft gegooid in de richting van die [slachtoffer 10] en/of die [slachtoffer 11] met een stalen buis richting/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
15.
hij, op of omstreeks 2 juli 2020 te Velserbroek, gemeente Velsen,
een ambtenaar, [slachtoffer 11] (hoofdagent van politie Eenheid Noord-Holland) en/of [slachtoffer 12] (aspirant van politie Eenheid Noord-Holland), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hen bediening heeft mishandeld door dakpannen en/of
(glazen) potten en/of een stalen buis tegen die [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 11] aan te gooien.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsmotivering

4.1

Leeswijzer

De rechtbank zal ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis de bewijsoverweging als volgt indelen. De rechtbank zal per parketnummer oordelen of er al dan niet voldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen voor de verschillende feiten. Bij elk parketnummer afzonderlijk komen tevens de standpunten van de officier van justitie en de verdediging aan de orde. In het geval van een bewezenverklaring, zijn de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen opgenomen in de ‘bijlage bewijsmiddelen’.

4.2

Overwegingen per parketnummer

4.2.1

Parketnummer 08/049725-21(feiten 1,2,3 en 4)

Op grond van de bewijsmiddelen staat het volgende vast. Op 20 februari 2021 is verdachte aan komen lopen op de Oude Vismarkt te Zwolle met beide handen in zijn jaszakken. Plotseling haalde hij één hand uit zijn zak met daarin een balletjespistool. Verdachte begon daarmee meermalen op personen te schieten. Bij het incident hebben meerdere personen verwondingen opgelopen en zijn twee winkelruiten vernield, dan wel beschadigd.

Verdachte heeft bekend dat hij op de Oude Vismarkt heeft geschoten met een balletjespistool. De vraag is hoe het handelen van verdachte strafrechtelijk moet worden geduid.

Volgens de officier van justitie kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling, poging tot zware mishandeling, bedreiging met zware mishandeling en het voorhanden hebben van een wapen, gelijkend op een vuurwapen.

De verdediging verzoekt ten aanzien van de vernieling om partiële vrijspraak. Met betrekking tot de vernieling van de winkelruit van [bedrijf 1] refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Daarentegen is er volgens de verdediging onvoldoende bewijs dat het sterretje in de winkelruit van [bedrijf 2] door verdachte is veroorzaakt, waardoor de verdediging verzoekt verdachte hiervan partieel vrij te spreken. Ten aanzien van feit 2 bepleit de verdediging dat, gelet op het vermogen van het balletjespistool, het gegeven dat cliënt van behoorlijke afstand schoot, en daarbij op onderlichamen richtte én het feit dat aangevers kleding droegen en de balletjes hier niet doorheen kunnen, geen sprake is van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel zodat de verdediging verzoekt verdachte van dit feit vrij te spreken. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft feit 3 en stelt dat feit 4 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, nu verdachte dat heeft bekend.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Feit 1

In tegenstelling tot hetgeen de verdediging heeft gepleit is de rechtbank van oordeel dat zowel de vernieling van de winkelruit van [bedrijf 1] alsook van [bedrijf 2] wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Uit de aangifte van [bedrijf 1] blijkt dat men op 20 februari 2021 omstreeks 18.30 uur de winkel heeft verlaten. Toen men op 22 februari 2021 omstreeks 13.00 uur terugkwam zaten er twee kleine ronde gaatjes in de ruiten. De binnenruit was hierdoor vernield. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de vorm en omvang van de kogels, welke bij verdachte thuis zijn aangetroffen, sterk overeen komen met de omvang en grootte van de gaatjes in de ruit.

Ook uit de aangifte van [bedrijf 2] volgt dat zij op 20 februari 2021 omstreeks 15.30 uur de winkel verlieten en op 22 februari 2021 omstreeks 10.00 uur weer bij de winkel arriveerden. Het viel hen toen direct op dat er een ster in de voorruit van het pand zat. Precies in het centrum van de ster zat een klein gaatje. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de omvang en rondingen van de inslagen in de ruiten van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] overeenkomen. Gelet hierop en op het tijdsbestek kan het volgens de rechtbank niet anders zijn, dan dat dit sterretje ook door het schieten van verdachte is veroorzaakt. De rechtbank acht het door de verdediging naar voren gebrachte scenario – dat het sterretje ook voor of na het incident heeft kunnen ontstaan – dan ook niet aannemelijk.

Feit 2

De rechtbank overweegt dat niet is gebleken van kwaad opzet bij verdachte om de slachtoffers zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of daarmee wel sprake was van opzet in voorwaardelijke zin op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarvoor is vereist dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de slachtoffers door zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. De vraag is of de kans op zwaar lichamelijk letsel naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te noemen is. Het dient te gaan om een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Naar het oordeel van de rechtbank was de kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk. De afstand tussen verdachte en de slachtoffers was relatief kort en het feit dat de balletjes ruiten van omringende winkels hebben vernield, geeft aan dat een balletjespistool wel degelijk het vermogen had, om flink lichamelijk letsel bij de slachtoffers toe te brengen. Bovendien verklaart verdachte dat met het balletjespistool niet zo precies kon worden gericht, waardoor er door hem mogelijk andere dingen zijn geraakt dan dat hij wilde raken. De rechtbank overweegt dat dit de kans op zwaar lichamelijk letsel des te meer aanmerkelijk maakt. Zo blijkt ook uit de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 2] dat zij (mede) op haar bovenarm is geraakt. Ter terechtzitting verklaart zij dat dit gebeurde, terwijl ze naar achteren keek. Indien verdachte het slachtoffer in haar gezicht had geraakt, had dit (zeer) ernstig letsel tot gevolg kunnen hebben.

Met betrekking tot de vraag of verdachte deze aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard, overweegt de rechtbank dat verdachte, door het op relatief korte afstand meermalen schieten in de richting van aangevers, terwijl met het balletjespistool niet precies gericht kon worden, de kans op de koop toe heeft genomen dat er mensen ernstig gewond zouden raken.. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van opzet in voorwaardelijke zin en komt tot een bewezenverklaring van dit feit.

Feit 3

De rechtbank komt ook tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde en overweegt dat er enige overlap zit in de bewijsmiddelen voor het onder 2 en 3 ten laste gelegde, en verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen.

Aanvullend overweegt de rechtbank dat het handelen van verdachte, te weten het in het openbaar rondschieten met een balletjespistool, naar algemene maatstaven als bedreigend kan worden gekwalificeerd. De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat de slachtoffers zich hierdoor ook daadwerkelijk bedreigd hebben gevoeld, mede gelet op het feit dat het balletjespistool sterke gelijkenissen vertoonde met een echt vuurwapen en dat het incident in de avonduren heeft plaatsgevonden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Feit 4

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde feit op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1.

Resumerend komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

4.2.2

Parketnummer 08/045389-21 (feit 5)

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Aangever [slachtoffer 5] is op 16 februari 2021 te Zwolle door een verdachte met een gebalde vuist tegen zijn elleboog geslagen. Als gevolg hiervan voelde aangever direct een brandend gevoel op zijn linker elleboog. Verdachte heeft bekend het slachtoffer één keer te hebben geslagen.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer 5] heeft mishandeld.

De verdediging stelt sluit zich daarbij aan.

Feit 5

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 5 ten laste gelegde feit op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen2.

4.2.3

Parketnummer 13/081325-20 (feiten 6,7,8 en 9)

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, vastgesteld. Op dinsdag 19 november 2019, tussen 22:32 uur en 23.46 uur is er ingelogd op het Citrix systeem van de gemeente Amsterdam. Vervolgens is er ingelogd in de “Mijn Personeelsnet” (hierna: MPN) omgevingen van de medewerkers [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 16] . In MPN zijn de bankrekeningnummers aangepast, waarop de salarissen van de betrokkenen worden uitbetaald. In het account van [slachtoffer 15] is zijn eigen bankrekeningnummer veranderd in een Brits rekeningnummer [rekeningnummer] van de Revolut Bank. Op dit rekeningnummer is het salaris van [slachtoffer 15] van de maand december 2019 overgemaakt. In de accounts van [slachtoffer 14] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 16] zijn de rekeningnummers veranderd in een Duits rekeningnummer [rekeningnummer] van de N26 bank uit Berlijn. Naar deze rekening is geprobeerd om de salarissen van december 2019 van deze medewerkers over te maken, maar dat is door onbekende redenen niet gelukt. Naast het wijzigen van de bankrekeningnummers zijn daarbij ook persoonlijke keuze budgetten op uitbetaald gezet en is een identiteitsbewijs van [slachtoffer 14] gedownload. Alleen in het geval van [slachtoffer 15] is het persoonlijk keuze budget ook daadwerkelijk uitbetaald op de hiervoor vermelde rekening bij de Revolut Bank. Na ontvangst is het bedrag om onduidelijke redenen direct weer gestorneerd. De door verdachte illegaal verkregen gelden zijn vervolgens door hem uitgegeven. Verdachte heeft het hem tenlastegelegde bekend.

Volgens de officier van justitie kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan computervredebreuk, gegevensaantasting, misbruik van ID-gegevens en het witwassen van een geldbedrag van € 1.380,16. De officier van justitie overweegt daarbij dat er bij feit 6 t/m 8 sprake is van eendaadse samenloop.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden wat verdachte onder parketnummer 13/081325-20 ten laste is gelegd. De verdediging stelt dat bij feit 6 t/m 8 sprake is van eendaadse samenloop en verzoekt de rechtbank hier rekening mee te houden.

Feiten 6,7,8 en 9

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde feiten op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen3.

4.2.4

Parketnummer 15/150067-20 (feiten 10,11,12 en 13)

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, vastgesteld. Op 30 december 2019 is [slachtoffer 6] , buschauffeuse, in Haarlem door een man die de bus binnenkwam met de vuist in het gezicht geslagen, ter hoogte van haar linkeroog. Vervolgens is op 15 april 2020 buitengewoon opsporingsambtenaar, [slachtoffer 7] door een man met een schroevendraaier ter hoogte van het borstbeen gestoken, in het bijzijn van zijn collega [slachtoffer 8] . Tot slot wordt [slachtoffer 9] op diezelfde dag bedreigd, doordat een man op de fiets een lijmpistool, gelijkend op een vuurwapen, uit zijn zak haalt en op [slachtoffer 9] richt.

Volgens de officier van justitie kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, poging tot zware mishandeling, bedreiging met zware mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Verdachte wil over de mishandeling niets zeggen en hij ontkent het hem onder 11 t/m 13 ten laste gelegde. De verdediging refereert zich voor wat betreft de mishandeling aan het oordeel van de rechtbank. Voor feit 11 t/m 13 bepleit de verdediging dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Volgens de verdediging had verdachte een fietssleutel in zijn hand en geen schroevendraaier. Uit het dossier zijn onvoldoende bewijsmiddelen naar voren gekomen, waaruit blijkt dat door de bewegingen met de fietssleutel zwaar lichamelijk letsel of zelfs de dood zou kunnen volgen. Voor wat betreft het laatste feit is er onvoldoende wettig bewijs voor de kern van het verwijt, te weten het richten dan wel wijzen naar aangever [slachtoffer 9] met het lijmpistool. Het enkele feit dat verdachte het lijmpistool uit zijn broekzak haalt om zo zijn fietssleutel te kunnen pakken, is onvoldoende wettig bewijs om een bewezenverklaring te ondersteunen.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Feit 10

Uit de verklaring van aangeefster blijkt dat zij op 30 december 2019 om 15.39 uur arriveerde bij de bushalte Raaksbrug te Haarlem. Aangeefster verklaart dat zij de deuren opende en zag dat verdachte instapte bij de voorste deur. Hij vroeg: “waarom reed je door?”, waarop aangeefster antwoordde met “de deuren waren al dicht en ik reed al”. Verdachte stapte hierna direct op aangeefster af en hief zijn rechter vuist en haalde uit naar het gezicht van aangeefster. Aangeefster voelde een harde klap tegen de linkerkant van haar gezicht, ter hoogte van haar linkeroog. De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de camerabeelden uit de bus. Dat verdachte de man betreft die de buschauffeuse heeft geslagen volgt uit het proces-verbaal van herkenning. Verdachte wordt herkend aan zijn totaalbeeld en meer specifiek aan de inhammen in zijn voorhoofd, de vorm van zijn gezicht en zijn bril. De verbalisant die verdachte herkent heeft hem eerder 2,5 uur lang in het gezicht aangekeken. Zij herkende hem onmiddellijk. Verdachte heeft verklaard dat het is gegaan zoals te zien is op de beelden. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend bewezen is.

Feiten 11 en 12

Aangever [slachtoffer 7] verklaart op 15 april 2020 samen met zijn collega [slachtoffer 8] aan verdachte zijn identiteitsbewijs gevraagd te hebben. Verdachte zei: “je krijgt mijn identiteitsbewijs niet”. Vervolgens pakte verdachte uit zijn binnenzak een schroevendraaier. Hij hield de schroevendraaier aan het handvat vast en maakte meerdere malen met de schroevendraaier een beweging van boven naar beneden. Vervolgens maakte hij meerdere zwaaibewegingen op en neer met de schroevendraaier. Hij hield de schroevendraaier in de richting van [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] . Verdachte veranderde zijn greep op de schroevendraaier en maakte stekende bewegingen naar de aangevers. De aangevers schrokken hier enorm van. Vervolgens kwam de man in de richting van [slachtoffer 7] en stak met de schroevendraaier tegen zijn veiligheidsvest, ter hoogte van zijn borstbeen. Aangever [slachtoffer 7] voelde dat de schroevendraaier met kracht tegen zijn lichaam werd gedrukt. Aangever verklaart dat als hij geen veiligheidsvest aan had gehad, de schroevendraaier zijn lichaam had geraakt en mogelijk doorboord. De verklaring van aangever [slachtoffer 7] vindt steun in de verklaring van aangever [slachtoffer 8] en het proces-verbaal van bevindingen. De rechtbank overweegt dat naar haar oordeel op basis van de verklaringen van beide aangevers en het proces-verbaal van bevindingen vaststaat dat verdachte enig lang, puntig en scherp voorwerp in zijn handen heeft gehad en hiermee in de borststreek van aangever [slachtoffer 7] heeft gestoken.

De rechtbank overweegt dat er sprake is van voorwaardelijk opzet. De kans op zwaar lichamelijk letsel door met enig lang, puntig en scherp voorwerp een stekende beweging te maken in de borststreek van aangever [slachtoffer 7] , is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te noemen. Bovendien heeft verdachte de aanmerkelijke kans dat hij de heer [slachtoffer 7] zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen ook bewust aanvaard. Het feit, dat zichtbaar was dat de heer [slachtoffer 7] een veiligheidsvest droeg, doet hier niets aan af. Voorts staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat voornoemd handelen van verdachte bedreigend is en dat zowel [slachtoffer 7] als [slachtoffer 8] zich hierdoor bedreigd hebben gevoeld. De rechtbank acht daarom zowel feit 11 alsook feit 12 wettig en overtuigend bewezen.

Feit 13

Uit de verklaring van aangever [slachtoffer 9] volgt dat verdachte op 15 april 2020 langs hem fietste en zijn middelvinger naar hem opstak. Vervolgens stak verdachte zijn rechterhand in zijn rechter broekzak. Hij haalde de hand weer uit zijn broekzak en richtte, dan wel wees hiermee naar aangever. In zijn hand hield de man een voorwerp vast dat aangever herkende als een vuurwapen. De verklaring van aangever vindt steun in de verklaring van getuige [getuige] . Zij zag dat verdachte een voorwerp uit zijn rechter broekzak haalde en hiermee in de richting van aangever wees. Vervolgens hoorde ze het geluid: “Tjak”. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verdachte weliswaar geen vuurwapen, maar wel een lijmpistool bij zich had. Hij verklaart het lijmpistool enkel uit zijn zak gehaald te hebben, omdat hij zijn telefoon uit diezelfde broekzak wilde halen. Verdachte verklaart er niemand mee bedreigd te hebben. De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet aannemelijk, nu zowel door aangever alsook door getuige [getuige] nadrukkelijk wordt gezegd dat verdachte (met het lijmpistool) in de richting van aangever wees. Vast staat, in tegenstelling tot hetgeen door de verdediging is bepleit, dat dit handelen van verdachte bedreigend is en dat het slachtoffer zich hierdoor bedreigd heeft gevoeld, temeer nu het lijmpistool (vanaf een afstand) sterke gelijkenissen vertoont qua vorm en kleur met een echt vuurwapen. De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Resumerend komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de onder 10, 11, 12 en 13 ten laste gelegde feiten.

4.2.5

Parketnummer 15/173436-20 (feiten 14 en 15)

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende vastgesteld. Op 2 juli 2020 wilde de politie controleren, toen verdachte werd gezien op een fiets waar hij zelf een motor op had gebouwd. Hij wilde niet stoppen voor de politie en reed naar de boerderij van zijn oma, waar hij zich op de zolder van de schuur heeft verschanst. Verdachte werd door de agenten aangetroffen op de vliering ter hoogte van de trap. Vanuit de vliering werden door verdachte onder andere dakpannen en glazen potten naar beneden gegooid. Diezelfde dag is er door [slachtoffer 12] , [slachtoffer 11] en [slachtoffer 10] aangifte gedaan van respectievelijk mishandeling en poging tot zware mishandeling.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en mishandeling van meerdere ambtenaren in functie.

De verdediging bepleit dat verdachte betwist dat sprake is geweest van het slaan met een stalen buis, waardoor onvoldoende duidelijk is waarmee verdachte dan wel één keer heeft geslagen. Daarnaast heeft verdachte niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er enig letsel zou kunnen ontstaan door het gooien van de parasolvoet, nu [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] op vijf meter afstand stonden en de parasolvoet zo zwaar is dat deze hen nooit zou kunnen bereiken. De verdediging verzoekt daarom verdachte van feit 14 vrij te spreken.

Ten aanzien van het de onder feit 15 ten laste gelegde mishandeling verzoekt de verdediging om partiële vrijspraak van het gooien van een stalen buis. Voor het overige, te weten het gooien met dakpannen en/of (glazen) potten refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Feiten 14 en 15

Aangever [slachtoffer 11] verklaart dat verdachte op de vliering stond. Hij pakte uit het niets een stalen pijp en hield die met twee handen aan het uiteinde vast en hief deze boven zijn hoofd naar achteren. Vervolgens begon hij [slachtoffer 11] met kracht te slaan en heeft [slachtoffer 11] drie of vier keer geraakt. [slachtoffer 11] weerde de slagen af met zijn linkerhand en onderarm. [slachtoffer 11] hield zijn linkerhand omhoog ter hoogte van zijn voorhoofd. Als hij dit niet had gedaan was hij door verdachte tegen zijn hoofd geslagen. De verklaring van [slachtoffer 11] wordt ondersteund door de verklaringen van [slachtoffer 12] en [slachtoffer 10] . Alle drie de aangevers verklaren dat [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] vervolgens door verdachte bekogeld werden met dakpannen en (glazen) potten. Bij één van de eerste glazen potten voelde [slachtoffer 12] dat hij geraakt werd op zijn rechter bovenbeen. [slachtoffer 11] kreeg een glazen pot richting zijn hoofd gegooid, die hij nog net op tijd wist af te weren met zijn hand. De dakpannen en glazen potten werden door verdachte gericht op [slachtoffer 12] en [slachtoffer 11] gegooid. [slachtoffer 10] verklaart dat verdachte vervolgens nog een grote stalen of betonnen parasolvoet in zijn handen had. Hij bewoog deze parasolvoet naar achteren en keek in de richting van [slachtoffer 10] . [slachtoffer 10] is vervolgens heel hard weggerend, om te voorkomen dat hij de parasolvoet op zich kreeg. De aangifte van [slachtoffer 10] wordt op dit punt ondersteund door de aangifte van [slachtoffer 11] . Alle aangiftes vinden in zijn geheel steun in de processen-verbaal van bevindingen, waaruit onder andere ook blijkt dat aangever [slachtoffer 11] rode striemen aan de bovenzijde en onderzijde van zijn linker pols had. Verdachte betwist dat er sprake is geweest van het slaan met een stalen buis, maar verklaart ter terechtzitting dat hij wel een paar (glazen) potten en misschien ook een paar dakpannen tegen de muur achter de agenten heeft gegooid. De meeste dakpannen verklaart hij slechts – in de zin van een opruimsessie – te hebben laten vallen. Verdacht ontkent in elk geval uitdrukkelijk de potten en/of dakpannen tegen de aangevers aan te hebben gegooid. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de poging tot zware mishandeling dat er sprake is van voorwaardelijk opzet. De kans op zwaar lichamelijk letsel door (glazen) potten, dakpannen, een parasolvoet en een stalen buis tegen, dan wel in de richting van de agenten te gooien is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te noemen. Bovendien heeft verdachte de aanmerkelijke kans dat hij de agenten zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen naar het oordeel van de rechtbank ook bewust aanvaard. De rechtbank acht beide feiten op basis van het hiervoor genoemde wettig en overtuigend bewezen.

4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

A. 08/049725-21

feit 1

hij op 20 februari 2021 te Zwolle, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk een of meer (winkel)ruiten die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] toebehoorden, heeft vernield en beschadigd;

feit 2

hij op 20 februari 2021 te Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een wapen de straat op is gegaan en met een wapen op voornoemde [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3

hij op 20 februari 2021 te Zwolle, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft bedreigd met zware mishandeling, door (telkens) met een wapen op voornoemde [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] te schieten;

feit 4

hij op 20 februari 2021 te Zwolle, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen, met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG heeft gedragen;

B. 08/045389-21

feit 5

hij op 16 februari 2021 te Zwolle, een ambtenaar, te weten [slachtoffer 5] (buitengewoon opsporingsambtenaar), gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] , één of meerdere malen tegen de elleboog te stompen;

C. 13/081325-20

feit 6

hij op 19 november 2019 te Amsterdam, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten het Citrix Netwerk van de gemeente Amsterdam en de MPN (Mijn Personeelsnet) omgeving van de gemeente Amsterdam, is binnengedrongen door een valse sleutel, te weten door het (telkens) inloggen met onrechtmatig verkregen inlognamen en wachtwoorden en andere inloggegevens van medewerkers ( [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] ) van de gemeente Amsterdam;

feit 7

hij op 19 november 2019 te Amsterdam, telkens opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen, te weten een of meer bankrekeningnummers van personeelsleden van de gemeente Amsterdam en een of meer persoonlijke keuzebudgetten, heeft gewist en gewijzigd en toegevoegd door:

- de bankrekeningnummers van [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] te wijzigen in zijn, verdachtes, eigen bankrekeningnummer(s) en de persoonlijke keuze budgetten op uitbetalen gezet terwijl hij hier geen toestemming voor had;

feit 8

hij op 19 november 2019 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten:

- het Citrix-account van [slachtoffer 14] en;

- de MPN-accountgegevens van [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] heeft gebruikt, met het oogmerk de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan;

feit 9

hij in de periode van 21 december 2019 t/m 12 februari 2020, te Amsterdam, een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer 1380,16 euro, heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, althans van enig voorwerp gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;

D. 15/150067-20

feit 10

hij op 30 december 2019 te Haarlem [slachtoffer 6] (werkzaam als buschauffeur) heeft mishandeld door die [slachtoffer 6] met kracht, met de tot vuist gebalde hand, tegen het gezicht, althans het hoofd te slaan;

feit 11

hij op 15 april 2020 te Velsenbroek, gemeente Velsen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 7] (buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Velsen) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met enig lang, puntig en scherp voorwerp, in de borststreek van die [slachtoffer 7] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 12

hij op 15 april 2020 te Velsenbroek, gemeente Velsen [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] (beiden buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Velsen) heeft bedreigd met zware mishandeling, door met enig lang, puntig en scherp voorwerp, stekende, althans bedreigende, bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] ;

feit 13

hij op 15 april 2020 te Velsenbroek, gemeente Velsen [slachtoffer 9] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een lijmpistool (zijnde een op een vuurwapen gelijkend voorwerp) uit zijn broekzak te halen en (vervolgens) in de richting van die [slachtoffer 9] te houden en daarmee naar die [slachtoffer 9] te wijzen;

E. 15/173436-20

feit 14

hij op 2 juli 2020 te Velsenbroek, gemeente Velsen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 10] (agent van politie Eenheid Noord-Holland) en [slachtoffer 11] (hoofdagent van politie Eenheid Noord-Holland), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een parasolvoet naar beneden heeft gegooid in de richting van die [slachtoffer 10] en die [slachtoffer 11] met een stalen buis richting het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 15

hij op 2 juli 2020 te Velsenbroek, gemeente Velsen, een ambtenaar, [slachtoffer 11] (hoofdagent politie Eenheid Noord-Holland) en [slachtoffer 12] (aspirant van politie Eenheid Noord-Holland), gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening heeft mishandeld door dakpannen en (glazen) potten en een stallen buis tegen die [slachtoffer 12] en [slachtoffer 11] aan te gooien.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 13 van de Wet wapens en munitie en in de artikelen 138ab, 231b, 285, 300, 302, 304, 350, 350a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

A. 08/049725-21

feit 1

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen, meermalen gepleegd;

feiten 2

het misdrijf: poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

B. 08/045389-21

feit 5

het misdrijf: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

C. 13/081325-20

feiten 6, 7 en 8

eendaadse samenloop van de misdrijven: computervredebreuk en opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk of door middel van telecommunicatie zijn opgeslagen, wissen, veranderen en andere gegevens daaraan toevoegen en opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om de identiteit van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan;

feit 9

het misdrijf: witwassen;

D. 15/150067-20

feit 10

het misdrijf: mishandeling;

feit 11

het misdrijf: poging tot zware mishandeling;

feit 12

het misdrijf: bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd;

feit 13

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

E. 15/173436-20

feit 14:

het misdrijf: poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd;

feit 15:

het misdrijf: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich onder andere op basis van de bevindingen van de deskundigen op het standpunt gesteld dat verdachte ten tijde van alle aan hem ten laste gelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen nadrukkelijk onderbouwd standpunt gegeven over de strafbaarheid van verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft acht geslagen op de pro Justitia rapportages van 17 november 2020, 15 juni 2021 en 18 juni 2021, waarin over verdachte is gerapporteerd door respectievelijk drs. S. Crombag, GZ-psycholoog, drs. N. van der Weegen, GZ-psycholoog en dr. C.J.F. Kemperman, psychiater.

Deskundige Crombag heeft gerapporteerd naar aanleiding van de verdenking van de feiten 6, 7, 8 en 9, en heeft geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis, ADHD en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde (onder parketnummer 13/081325-20) was er eveneens sprake van deze problematiek. Deze stoornissen hebben de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte toentertijd beïnvloed. Verdachte wordt samenhangend met zijn psychische problematiek onvoldoende geremd door een gezonde gewetensfunctie. Het bevredigen van de eigen behoeften wordt als belangrijker gezien dan dat zijn handelingen schade voor gedupeerde anderen oplevert. Het ten laste gelegde lijkt vanuit een bozige stemming enigszins impulsief gepleegd, anderzijds had verdachte enkele maanden eerder al voorbereidingen getroffen om, indien de gemeente wat tegen hem zou doen, iets terug te kunnen doen. Verdachtes mogelijkheden tot zelfsturing worden daarom als reëel verminderd gezien. Crombag heeft op grond van het vorenstaande geconcludeerd dat het onder parketnummer 13/081325-20 ten laste gelegde, indien bewezen verklaard, in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Deskundige Van der Weegen concludeert eveneens dat verdachte lijdt aan een autismespectrumstoornis, ADHD en aan een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, welke ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde ook aanwezig waren. Verdachte heeft door zijn stoornissen moeite met sociale situaties en het anticiperen en reageren op anderen. Voorts heeft hij heeft geen empathie, is hij impulsief, opportunistisch en is zijn geweten lacunair. Gelet op het feit dat Van der Weegen de ten laste gelegde feiten niet met verdachte heeft kunnen bespreken kan zij niet aangeven of dit leidt tot het advies om het ten laste gelegde in een verminderde mate, dan wel in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen.

Tot slot concludeert psychiater Kemperman ook dat verdachte lijdt aan een autismespectrumstoornis, ADHD gecombineerd type en een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Dit was eveneens aan de orde ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. Daarnaast bestond er op 20 februari 2021 vermoedelijk een psychotische misidentificatie, mogelijk verergerd of teweeggebracht door inname van 3-MMC. Verdachte dacht dat hij een hem onwelgevallige man herkende op wie hij wraak wilde nemen. Verdachte vertelt een klein beetje 3-MMC gebruikt te hebben diezelfde avond en daardoor mogelijk sneller gewelddadig te zijn geworden, zodat dit drugsgebruik enigszins zou kunnen hebben meegespeeld. Kemperman heeft op grond van het vorenstaande geadviseerd om het onder parketnummer 08/049725-21 ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen, gelet op de psychotische overschrijding en paranoïde grondhouding met een impulsief overkomende geweldpleging bij een bewezenverklaring. Het onder parketnummer 08/045389-21 ten laste gelegde kan naar het advies van Kemperman volledig aan verdachte worden toegerekend. Ten aanzien van het overige aan verdachte ten laste gelegde onthoudt Kemperman zich van een advies over de toerekenbaarheid.

De rechtbank neemt de deugdelijk onderbouwde conclusies en adviezen uit de hierboven weergegeven rapportages grotendeels over en maakt deze tot de hare. Dit betekent dat voor de rechtbank vaststaat dat bij verdachte ten tijde van het begaan van het onder parketnummers 13/081325-20 en 08/049725-21 bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, ten gevolge waarvan die feiten hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Aanvullend op de adviezen is de rechtbank van oordeel dat de overige aan verdachte ten laste gelegde feiten eveneens in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend.

Op grond van het vorenstaande zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte ter zake het onder 1 t/m 15 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee (2) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts vordert de officier van justitie dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit dat aan cliënt moet worden opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest en een voorwaardelijk strafdeel met daaraan als bijzondere voorwaarde gekoppeld een behandeling binnen ForFACT, dan wel een opname binnen een forensisch psychiatrische kliniek.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van vijftien strafbare feiten in een periode van nog geen twee (2) jaren. Dit betreffen voor het overgrote deel geweldsincidenten en bedreigingen.

Op 19 november 2019 heeft verdachte het Citrix Systeem van de Gemeente Amsterdam gehackt, om zo salarissen en individuele keuze budgetten van vier willekeurige werknemers over te kunnen maken op zijn bankrekening. Daarnaast heeft verdachte het identiteitsbewijs van één werknemer gedownload. Verdachte heeft de ontvangen gelden eveneens witgewassen, nu hij deze heeft uitgegeven, terwijl hij wist dat het geldbedrag uit een misdrijf afkomstig was. Witwassen vormt een ernstige bedreiging voor de maatschappij, omdat de integriteit van het financiële en economische verkeer wordt aangetast en het plegen van misdrijven erdoor wordt begunstigd.

Op 30 december 2019 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van een buschauffeuse, waarbij hij haar met gebalde vuist in het gezicht heeft geslagen. Vervolgens heeft verdachte zich op 15 april 2020 opnieuw schuldig gemaakt aan een geweldsdelict (en tevens bedreiging), door te pogen een buitengewoon opsporingsambtenaar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een lang, scherp en puntig voorwerp in de borststreek te steken. Op diezelfde dag heeft verdachte ook een ander persoon bedreigd met een lijmpistool.

Op 2 juli 2020 heeft verdachte opnieuw gepoogd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen – dit keer aan agenten – door een parasolvoet naar beneden te gooien in de richting van een van deze agenten en met een stalen buis in de richting van het hoofd van de andere agent te slaan. Daarnaast heeft verdachte op diezelfde dag agenten mishandeld door dakpannen, glazen potten en een stalen buis tegen hen aan te gooien.

Op 16 februari 2021 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een buitengewoon opsporingsambtenaar, door hem tegen zijn elleboog te stompen.

Tot slot heeft verdachte op 20 februari 2021 meerdere personen bedreigd en gepoogd zwaar te mishandelen door met een wapen, welke naar haar vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een echt vuurwapen, op hen te schieten. Hierbij heeft verdachte eveneens de ruiten van twee winkels, vernield.

De rechtbank overweegt dat verdachte met zijn handelen niet alleen de slachtoffers, maar ook de samenleving als geheel heeft geschokt. Een aantal incidenten vonden nota bene plaats in een woonwijk. Het handelen van verdachte zal bij omwonenden, alsook bij de slachtoffers en hen die op andere wijze op de hoogte zijn geraakt van de incidenten, gevoelens van angst en onveiligheid hebben veroorzaakt. Ook in algemene zin brengen bedreigingen of (zware) mishandelingen dan wel pogingen daartoe voor het grote publiek dat gevoel van onveiligheid met zich. De rechtbank rekent verdachte dit alles aan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het uittreksel justitiële documentatie van verdachte, gedateerd 17 juli 2021. Hieruit blijkt dat verdachte in 2019 eerder is veroordeeld voor vernieling en bedreiging van ambtenaren in functie. Ook houdt de rechtbank rekening met de eendaadse samenloop van de feiten 6, 7 en 8.

Evenals alle deskundigen, de officier van justitie en verdachte zelf ziet de rechtbank op basis van de handelingsvaardigheden en pedagogische beïnvloeding van verdachte, geen aanleiding voor toepassing van het minderjarigenstrafrecht.

De rechtbank oordeelt dat in onderhavige zaak, gezien de aard en ernst van de gepleegde feiten, niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zij zal daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft verbleven. Deze straf is lager dan hetgeen de officier van justitie heeft geëist, nu de rechtbank van oordeel is dat, gelet op het feit dat het het afgelopen jaar steeds slechter met verdachte is gegaan, de nadruk moet komen te liggen op de behandeling van verdachte.

Adviezen deskundigen

De rechtbank benoemde hiervoor de door de drie pro Justitia rapporteurs geconstateerde stoornissen bij verdachte. Zij hebben in de rapportages ook bevindingen beschreven ten aanzien van het recidivegevaar.

Crombag heeft beschreven dat verdachte wordt als gevolg van de psychische problematiek onvoldoende geremd door een gezonde gewetensfunctie. Het bevredigen van de eigen behoeften wordt als belangrijker gezien dan dat zijn handelingen schade voor gedupeerde anderen oplevert. De kans op herhaling van soortgelijke feiten acht Crombag op langere termijn hoog. Deze risico inschatting is gemaakt op basis van indrukken, voorinformatie en hetero-anamnestische informatie.

Van der Weegen concludeert dat het recidiverisico gevormd wordt door de problemen die samenhangen met de stoornissen van verdachte. Hij voelt situaties niet goed aan, anticipeert en reageert niet goed op anderen, heeft weinig empathie, is opportunistisch, impulsief en zijn geweten is lacunair. Dit lijkt tot zowel instrumentele als reactieve, impulsieve agressie te leiden. Het recidiverisico wordt dan ook als hoog ingeschat. Verdachte lijkt daarentegen gemiddeld intelligent en heeft een goede relatie met zijn moeder, maar van andere beschermende factoren lijkt geen sprake te zijn. Voorts recidiveerde verdachte binnen zijn proeftijd en is er binnen de penitentiaire inrichting sprake van gewelddadig gedrag.

Kemperman concludeert dat verdachte zijn agressieve impulsen niet goed in adequate banen leiden en diverse behandelingen niet hebben geresulteerd in verbetering. Een recente reclasseringsrapportage laat zien dat het toezicht werd geretourneerd, omdat verdachte zich niet aan de voorwaarden hield. Al met al betekent dit dat het recidiverisico op geweldsdelicten, mede gebaseerd op de HCR-20, hoog is.

De rechtbank heeft tot slot kennis genomen van het reclasseringsadvies van 5 juli 2021. De reclassering ziet geen mogelijkheden om verdachte in enige variant met voorwaarden te gaan begeleiden. Eerdere trajecten zijn mislukt, er is sprake van agressieve gedragingen in de penitentiaire inrichting en zelfs het verblijf in het PPC in Zwolle heeft niet tot stabilisatie geleid. Er was zelfs een boeienregime noodzakelijk. De rechtbank ziet gelet op het vorenstaande dan ook geen mogelijkheid om verdachte, zoals door de verdediging bepleit, in de vorm van bijzondere voorwaarden te laten behandelen binnen ForFACT dan wel te laten opnemen in een forensisch psychiatrische kliniek.

Oplegging maatregel

Op basis van voornoemde rapporten stelt de rechtbank vast dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Ondanks dat de deskundigen slechts voor twee parketnummers een advies over de toerekenbaarheid hebben kunnen uitbrengen, is de rechtbank van oordeel dat alle tenlastegelegde feiten aan verdachte in verminderde mate moeten worden toegerekend. Gezien de ernst van de stoornis, het hoge recidivegevaar en het gevaar voor anderen, indien verdachte onbehandeld in de maatschappij terugkeert, acht de rechtbank het opleggen van de terbeschikkingstellings-maatregel passend en geboden, nu de veiligheid van de samenleving zulks vereist. Daarbij is de voorgestelde langdurige, intensieve en forensische (klinische) behandeling van verdachte noodzakelijk in een kliniek met een hoog beveiligingsniveau.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opleggen. Aan de wettelijke voorwaarden daarvoor is voldaan. Er zijn adviezen van gedragsdeskundigen van twee verschillende disciplines die niet ouder zijn dan een jaar. Op een deel van de door verdachte begane feiten staat naar de wettelijke omschrijving een straf van meer dan vier jaar. Ten tijde van het plegen van deze feiten bestond bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist zowel de terbeschikkingstelling als de verpleging van overheidswege.

De rechtbank overweegt dat de maatregel tot terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake meerdere misdrijven gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 359, zevende lid, Wetboek van Strafvordering (Sv). De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het onder verdachte in beslag genomen goed (lijmpistool) moet worden onttrokken aan het verkeer.

De raadsvrouw heeft betoogd dat het onder verdachte in beslag genomen goed (lijmpistool) teruggegeven moet worden aan verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat het onder parketnummer 15/150067-20 op de beslaglijst vermelde goed, te weten een lijmpistool, vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, aangezien met behulp van dit voorwerp het strafbare feit onder 13 is begaan.

8 De schade van benadeelden

08/049725-21 feit 1

8.1

De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 2]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 673,88 (zegge zeshonderddrieënzeventig euro en achtentachtig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende post:

- het vervangen van de etalageruit à € 673,88.

8.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering voldoende is onderbouwd en in zijn geheel kan worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat er geen uittreksel van de Kamer van Koophandel en een volmacht van de directie of bestuurder van [bedrijf 2] is meegezonden. Subsidiair verzoekt de verdediging de vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, gelet op het verzoek tot partiële vrijspraak van de vernieling van de winkelruit van [bedrijf 2] . Meer subsidiair verzoekt de verdediging de vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, omdat uit de vordering onvoldoende blijkt waarom bij een klein sterretje, de gehele ruit moet worden vervangen.

8.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, in tegenstelling tot hetgeen de verdediging heeft bepleit, van oordeel dat [bedrijf 2] ontvankelijk is in haar vordering, nu de vordering door 2 personen is ingediend en uit onderzoek is gebleken dat bij het bedrijf twee werknemers werkzaam zijn. Nergens is uit gebleken dat [bedrijf 2] een BV betreft, waardoor een volmacht niet noodzakelijk is.

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De schade is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 673,88 (zegge zeshonderddrieënzeventig euro en achtentachtig cent), te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

08/049725-21 feiten 2 en 3

8.2

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 1.656,11 (zegge duizendzeshonderdzesenvijftig euro en elf cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- eigen risico zorgverzekering à € 237,29;

- opgenomen verlofuren à € 418,82.

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 1.000,00 gevorderd.

8.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering voldoende is onderbouwd en in zijn geheel kan worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich voor wat betreft de hoogte van de immateriële schade op het standpunt dat deze aanzienlijk gematigd dient te worden tot een bedrag van € 150,00 à
€ 250,00. Met betrekking tot de materiële schade bepleit de verdediging dat deze niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden dan wel dienen te worden afgewezen, wegens onvoldoende onderbouwing.

8.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De schade is onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.656,11 (zegge duizendzeshonderdzesenvijftig euro en elf cent), te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

08/049725-21 feiten 2 en 3

8.3

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag
€ 600,00 (zegge zeshonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd, bestaande uit immateriële schade.

8.3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering voldoende is onderbouwd en in zijn geheel kan worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij toewijzing van de vordering, de hoogte van het gevorderde bedrag aanzienlijk gematigd dient te worden tot een bedrag van € 150,00 à
€ 250,00.

8.3.3

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De schade is onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 600,00 (zegge zeshonderd euro), te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

08/045389-20 feit 5

8.4

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 250,00 (zegge tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, bestaande uit immateriële schade.

8.4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering voldoende is onderbouwd en in zijn geheel kan worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing vatbaar is, nu deze alleszins redelijk is.

8.4.3

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De schade is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 250,00 (zegge tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

13/081325-20 feiten 6,7 en 8

8.5

De vordering van de benadeelde partij Gemeente Amsterdam

De gemeente Amsterdam heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 18.400,42 (zegge achttienduizendvierhonderd euro en tweeënveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- onderzoekskosten recherchebureau à € 8.397,40;

- onderzoekskosten recherchebureau à € 8.622,86;

- salarisbetaling (hack) à € 1.380,16.

8.5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering, voor zover deze ziet op de gedane salarisbetaling als gevolg van het hacken, voldoende is onderbouwd en voor een bedrag van € 1.380,16 kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de vordering afgewezen te worden, nu niet met zekerheid valt vast te stellen dat die schade (in zijn geheel) door verdachte is veroorzaakt.

8.5.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering, voor zover deze ziet op de aan verdachte gedane salarisbetaling, voldoende is onderbouwd en voor een bedrag van
€ 1.380,16 kan worden toegewezen. Voor het overige dient de vordering te worden afgewezen.

8.5.3

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost “salarisbetaling (hack)” is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.380,16, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

De onder de posten “onderzoekskosten recherchebureau” opgevoerde schade is onvoldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadeposten alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij gelet op het vorenstaande in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

15/150067-20 feit 10

8.6

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.471,19 (zegge duizendvierhonderdeenenzeventig euro en negentien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- eigen risico zorgverzekering à € 332,19;

- reparatie bril à € 139,00.

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 1.000,00 gevorderd.

8.6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering voldoende is onderbouwd en in zijn geheel kan worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het gevorderde bedrag aan immateriële schade aanzienlijk dient te worden gematigd. Voor het overige dient de vordering volgens de verdediging te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard, wegens onvoldoende onderbouwing.

8.6.3

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De schade is onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van
€ 1.471,19 (zegge duizendvierhonderdeenenzeventig euro en negentien cent), te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

15/150067-20 feiten 11 en 12

8.7

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 1.689,00 (zegge duizendzeshonderdnegenentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende post:

- vergoeding veiligheidsvest à € 1.089,00;

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 600,00 gevorderd.

8.7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering voldoende is onderbouwd en in zijn geheel kan worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering in zijn geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dient te worden afgewezen, gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair stelt de verdediging dat het gevorderde bedrag aan materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard, wegens het ontbreken van een volmacht van de Gemeente Velsen. De immateriële schade dient aanzienlijk te worden gematigd tot een bedrag van € 250,00.

8.7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk is in het materiële deel van zijn vordering. De benadeelde partij heeft niet voldoende onderbouwd dat dit schade is die hij persoonlijk lijdt. De rechtbank gaat er vanuit dat het veiligheidsvest eigendom is van de gemeente Velsen en een volmacht van de gemeente Velsen ontbreekt.

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is wel komen vast te staan dat verdachte door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. Die schade is onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 600,00 (zegge zeshonderd euro), te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

15/150067-20 feit 12

8.8

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 300,00 (zegge driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, bestaande uit immateriële schade.

8.8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering voldoende is onderbouwd en in zijn geheel kan worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dient te worden afgewezen, gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair stelt de verdediging dat het gevorderde bedrag aan immateriële schade aanzienlijk dient te worden gematigd tot een bedrag van € 150,00.

8.8.3

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De schade is onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 300,00 (zegge driehonderd euro), te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

15/150067-20 feit 13

8.9

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 350,00 (zegge driehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, bestaande uit immateriële schade.

8.9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering voldoende is onderbouwd en in zijn geheel kan worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dient te worden afgewezen, gelet op de bepleitte vrijspraak.

8.9.3

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De schade is onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 300,00 (zegge driehonderd euro), te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank zal de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

15/173436-20 feit 15

8.10

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 475,00 (zegge vierhonderdvijfenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, bestaande uit immateriële schade.

8.10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering voldoende is onderbouwd en in zijn geheel kan worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het gevorderde bedrag aan immateriële schade aanzienlijk dient te worden gematigd tot een bedrag van € 250,00.

8.10.3

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De schade is onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 475,00 (zegge vierhonderdvijfenzeventig euro), te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.11

De schadevergoedingsmaatregel t.a.v. alle benadeelde partijen

Alle benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft ten aanzien van alle schadevorderingen gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr bij alle toegewezen vorderingen opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met in totaal één (1) dag gijzeling (artt. 36f Sr en 24c lid 3 Sr), waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

9 De vordering tenuitvoerlegging

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen, gelet op de door hem geformuleerde strafeis, onder andere inhoudende oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft om verlenging van de proeftijd verzocht.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. Het is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. De toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging laat de rechtbank achterwege vanwege de aan verdachte opgelegde tbs-maatregel met dwangverpleging.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 55 en 57 Wetboek van strafrecht.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 t/m 15 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen, meermalen gepleegd;

feiten 2 en 14: telkens het misdrijf: poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd;

feiten 3 en 12: telkens het misdrijf: bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd;

feit 4: het misdrijf: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

feit 5: telkens het misdrijf: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

feiten 6, 7 en 8: eendaadse samenloop van de misdrijven: computervredebreuk en opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk of door middel van telecommunicatie zijn opgeslagen, wissen, veranderen en andere gegevens daaraan toevoegen en opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om de identiteit van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan;

feit 9: het misdrijf: witwassen;

feit 10: het misdrijf: mishandeling;

feit 11: het misdrijf: poging tot zware mishandeling;

feit 13: het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 15: telkens het misdrijf: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor de bewezen verklaarde feiten;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één (1) jaar;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

schadevergoeding

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zijn geheel toe tot een bedrag van € 1.656,11 (bestaande uit materiële schade en immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feiten 2 en 3) van een bedrag van € 1.656,11 (zegge duizendzeshonderdzesenvijftig euro en elf cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2021;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.656,11 (zegge duizendzeshonderdzesenvijftig euro en elf cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2021 ten behoeve van de benadeelde partij;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zijn geheel toe tot een bedrag van € 600,00 (bestaande uit immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feiten 2 en 3) van een bedrag van € 600,00 (zegge zeshonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2021;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 600,00 (zegge zeshonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2021 ten behoeve van de benadeelde partij;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 2] in zijn geheel toe tot een bedrag van € 673,88 (bestaande uit materiële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 2] (feit 1) van een bedrag van € 673,88 (zegge zeshonderddrieënzeventig euro en achtentachtig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2021;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 673,88 (zegge zeshonderddrieënzeventig euro en achtentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2021 ten behoeve van de benadeelde partij;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] in zijn geheel toe tot een bedrag van € 250,00 (bestaande uit immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] (feit 5) van een bedrag van € 250,00 (zegge tweehonderdvijftig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2021;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 250,00 (zegge tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2021 ten behoeve van de benadeelde partij;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij Gemeente Amsterdam gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.380,16 (bestaande uit materiële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Gemeente Amsterdam (feiten 6,7 en 8) van een bedrag van € 1.380,16 (zegge duizenddriehonderdtachtig euro en zestien cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 november 2019;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.380,16 (zegge duizenddriehonderdtachtig euro en zestien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 november 2019 ten behoeve van de benadeelde partij;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: Gemeente Amsterdam, voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] in zijn geheel toe tot een bedrag van € 1.471,19 (bestaande uit materiële en immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] (feit 10) van een bedrag van € 1.471,19 (zegge duizendvierhonderdeenenzeventig euro en negentien cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 december 2019;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.471,19 (zegge duizendvierhonderdeenenzeventig euro en negentien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 december 2019 ten behoeve van de benadeelde partij;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 600,00 (bestaande uit immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] (feiten 11 en 12) van een bedrag van € 600,00 (zegge zeshonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2020;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 600,00 (zegge zeshonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2020 ten behoeve van de benadeelde partij;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 7] , voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] in zijn geheel toe tot een bedrag van € 300,00 (bestaande uit immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 8] (feit 12) van een bedrag van € 300,00 (zegge driehonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2020;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 300,00 (zegge driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2020 ten behoeve van de benadeelde partij;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 300,00 (bestaande uit immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 9] (feit 13) van een bedrag van € 300,00 (zegge driehonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2020;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 300,00 (zegge driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2020 ten behoeve van de benadeelde partij;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 9] , voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] in zijn geheel toe tot een bedrag van € 475,00 (bestaande uit immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 11] (feit 15) van een bedrag van € 475,00 (zegge vierhonderdvijfenzeventig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2020;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 475,00 (zegge vierhonderdvijfenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2020 ten behoeve van de benadeelde partij;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt, voor het geval volledig verhaal van de verschuldigde bedragen niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van één (1) dag kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 15/108013-19

- wijst de vordering af.

beslag

- beveelt onttrekking aan het verkeer van het op de beslaglijst vermelde goed:

1 STK Lijmspuit (1137039)

Omschrijving: zwart

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. Peterzon, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. W.B. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Jentzsch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2021.

Buiten staat

Mr. C.A. Peterzon is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummers PL0600-2021079697, PL0600-2020137812, PL1300-2019272278, PL1100-2020104562 en PL1100-2020137812. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

08/049725-21

Feit 1

1. Het proces-verbaal van aangifte ( [bedrijf 1] ) d.d. 22 februari 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 70):

Ik zag bij het openen van de toegangsdeur van onze zaak dat er een klein rond gaatje aan de buitenzijde van de thermo-pane ruit zitten. De buitenruit was vernield. Mijn vrouw zag toen nog een gaatje aan de buitenzijde van de thermo-pane ruit. Als men voor de zaak staat rechts. De twee gaatjes waren gelijk van vorm;

2. Het proces-verbaal van aangifte ( [bedrijf 2] ) d.d. 22 februari 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 75):

Het viel mij toen gelijk op dat er een ster in de voorruit van ons pand zag. Precies in het

centrum van de ster zit een klein gaatje.

3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 februari 2021, opgemaakt door [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 80):

Ik zag dat de vorm en omvang van de kogel sterk overeen kwam met de omvang en grote van de gaatjes in de inslagen in de ruit.(…) Ik zag echter dat de omvang van de rondingen van de inslagen in de ruiten van [naam] en [bedrijf 2] wel overeen kwamen.

Feit 2, 3 en 4

1. Het proces-verbaal van aangifte ( [slachtoffer 1] ) d.d. 20 februari 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 22):

Plotseling haalde hij een hand uit zijn zak. Ik zag dat hij in zijn hand een pistool had.

Als ik het wapen zou moeten beschrijven, dan is het wel vergelijkbaar met het pistool

van de politie. De man begon daarmee direct op ons te schieten. Ik dacht eerst dat hij alleen op de hondjes schoot, maar ik voelde vrijwel direct dat ik geraakt werd. Ik voelde dat ik werd geraakt op mijn linker bil en op mijn jas. (…) Mijn vriendin werd ook meerdere keren geraakt. (…) Ik denk dat de man wel een keer of 12 heeft geschoten.

2. Het proces-verbaal van verhoor aangeefster ( [slachtoffer 1] ) d.d. 22 februari 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 24):

De afstand was ongeveer 6 tot 8 meter. (…) Ik zag dat ik een blauwe plek op mijn bovenbeen had.

3. Het proces-verbaal van aangifte ( [slachtoffer 2] ) d.d. 20 februari 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 29):

Ik zag dat hij met zijn, wat ik denk, rechterhand iets op ons richtte. Ik hoorde wederom die schotgeluiden. Direct voelde ik dat ik door iets geraakt werd op mijn linker onderbeen. Hierop draaide wij ons om en zijn wij hard van de man weggerend. Ik hoorde de schotgeluiden daarna nog een aantal keren. Ik voelde dat ik ook op mijn rechter bovenarm geraakt werd.

4. Het proces-verbaal van aangifte ( [slachtoffer 3] ) d.d. 20 februari 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 36):

Ik zag dat de man het pistool op ons richtte en meerdere keren schoot. Ik denk 3 of 4 keer. Ik voelde dat ik één keer geraakt werd op mijn rechter bovenbeen.

5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 februari 2021, opgemaakt door [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 43):

Op plaats delict heb ik 3 kleine metalen ronde balletjes op straat aangetroffen.

6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 februari 2021, opgemaakt door [verbalisant] en [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 53):

Omstreeks 13:32 uur betraden wij de woning van de verdachte. Wij zagen in de genoemde

witte kast enkele pakken nasi-mix staan. Wij zagen dat dat in één van de pakken nasi-mix een zwart metalen op een vuurwapen gelijkend voorwerp zat met de loop naar beneden gericht.

7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 februari 2021, opgemaakt door [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 64 en 65):

Ik vond een wapen dat, voor wat betreft vorm een sprekende gelijkenis vertoont met

een bestaand vuurwapen, namelijk een pistool van het merk: Clock, type: Model 17,

kaliber: 9 x 19 mm. Het wapen heeft een lengte van 20,2 centimeter en een hoogte van

13,8 centimeter. Hij wapen is niet voorzien van een CE-keurmerk en valt daarom niet onder de uitzonderingsbepalingen met betrekking tot de speelgoedrichtlijn 2009/48/EG. (…) Genoemd voorwerp is strafbaar gesteld ingevolge artikel 55 lid 1 in verband met artikel 13 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie.

8. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 20 februari 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 66):

Vervolgens zag ik dat die man op de dames met het hondje af kwamen lopen. Ik zag dat

hij een pistool trok, donker van kleur. Ik zag dat hij dit in zijn rechterhand had en

dit op de dames richtte en hoorde dat hij enkele keren schoot. (…) Ik zag dat hij het pistool vervolgens op ons richtte en een keer of 3 op ons schoot. Ik zag dat hij mijn vrouw op haar bovenbeen raakte.

9. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 februari 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 89):

Toen ik buiten liep zag ik een man lopen met een witte hond. Ik dacht dat ik deze man herkende als de man die een getuigenverklaring tegen mij had afgelegd in een zaak van vorige week. Ik voelde dat ik boos op die man werd en ik pakte het pistool uit mijn jaszak en heb toen gevuurd. Ik heb niet echt gericht maar ik denk wel dat ik hem geraakt heb. Ik heb denk ik wel echt het hele magazijn leeggeschoten. Ik had 17 balletjes in het pistool gedaan en

het magazijn was leeg.

08/045389-21

Feit 5

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 16 februari 2021 (pagina’s 14 en 15);

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 17 februari 2021 (pagina’s 20 en 21);

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 16 februari 2021 (pagina 22);

4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 februari 2021, opgemaakt door [verbalisant] (pagina 26);

5. De verklaring van verdachte, zoals ter terechtzitting van 24 augustus 2021 afgelegd, voor zover inhoudende:

Ik heb één keer geslagen, niet heel hard, maar ik heb het wel gedaan. Had ik niet moeten doen.

13/081325-20

Feiten 6, 7, 8 en 9

1. Het proces-verbaal van aangifte (Gemeente Amsterdam) d.d. 28 januari 2020, (pagina’s 12 en 13);

2. Het proces-verbaal van aangifte ( [slachtoffer 15] ) d.d. 6 februari 2020 (pagina’s 29 en 30);

3. Het proces-verbaal van aangifte ( [slachtoffer 14] ) d.d. 5 februari 2020 (pagina’s 31 en 32);

4. Het proces-verbaal van aangifte ( [slachtoffer 13] ) d.d. 5 februari 2020 (pagina’s 33 en 34);

5. Het proces-verbaal van aangifte ( [slachtoffer 16] ) d.d. 5 februari 2020 (pagina’s 35 en 36);

6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 maart 2020, opgemaakt door [verbalisant] (pagina 37);

7. Het proces-verbaal van bevindingen (transactiegegevens) d.d. 14 april 2020, opgemaakt door [verbalisant] (pagina’s 41 en 42);

8. Het proces-verbaal van bevindingen (aantreffen revolut passen) d.d. 23 juli 2020, opgemaakt door [verbalisant] (pagina 59);

9. De verklaring van verdachte, zoals ter terechtzitting van 24 augustus 2021 afgelegd, voor zover inhoudende:

Ik heb dingen gedaan bij gemeente Amsterdam die ik niet zou moeten doen. Ik weet niet of het illegaal was wat ik heb gedaan. Ik heb spijt. Ik dacht, dit had ik eigenlijk niet moeten doen, maar ik maakte een stap over de berg waardoor ik niet meer terug kon. Ik heb wat dingen aangepast in die computer. Ik heb die rekeningnummers aangepast en dat had ik niet moeten doen. Ik was te veel aan geld aan het denken. Geld hield me heel erg bezig. Nadat ik het gedaan had dacht ik pas, dit had ik eigenlijk niet moeten doen.

15/150067-20

Feit 10

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 30 december 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 76 en 77):

Op maandag 30 december omstreeks 15.32 uur stapte ik op locatie station Haarlem. Omstreeks 15.39 uur arriveerde ik bij halte Raaksbrug. Ik zag dat hij hierna direct op mij afstapte en ik zag dat hij zijn rechter vuist hief. Ik zag dat hij met zijn rechter vuist uithaalde naar mijn gezicht. Ik dook hierop direct in elkaar. Hij stond op dat moment dicht bij mij, tegen het poortje aan. Ik voelde een harde klap tegen de linkerkant van mijn gezicht, ter hoogte van mijn linkeroog.

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2020, opgemaakt door [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 80):

Te zien is dat de verdachte met zijn vouwfiets de bus inkomt en met zijn rechterhand uithaalt naar de chauffeuse.

3. Het proces-verbaal van herkenning d.d. 19 april 2020, opgemaakt door [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 92):

Verdachte wordt herkend aan zijn totaalbeeld. Verbalisant die hem herkent heeft hem 2,5 uur in het gezicht aangekeken. Specifiek droegen bij: inhammen voorhoofd, vorm gezicht en bril. Hij herkende hem onmiddellijk.

4. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 24 augustus 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het is gegaan zoals in het filmpje.

Feiten 11 en 12

1. Het proces-verbaal van aangifte ( [slachtoffer 7] ) d.d. 21 april 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 24):

Ik zag dat de man met deze schroevendraaier in zijn rechterhand meerdere malen een
beweging maakte van boven naar beneden. Op dat moment besefte ik dat ik geen middelen ter beschikking had om mij tegen de man te verdedigen. (...) Ik zag dat de man de schroevendraaier vast bleef houden met zijn rechterhand. Ik zag dat de totale lengte van de schroevendraaier ongeveer 20 centimeter was. Ik zag dat het een platte schroevendraaier was. Ik was op dat moment bang om gestoken te worden door de man met die schroevendraaier. De man maakte meerder zwaaibewegingen op en neer met de schroevendraaier. Hij hield deze in de richting van [naam] en mij. Ik zag dat de man op ons af kwam met de schroevendraaier naar ons gericht. (...) Ik zag dat de man zijn greep op de schroevendraaier veranderde en met de schroevendraaier stekende bewegingen maakte in de richting van mij en naar [naam] . Ik schrok hier enorm van en was op dat moment echt bang dat hij mij met die schroevendraaier zou steken. Ik zag dat de man in mijn richting kwam en met een steek beweging de schroevendraaier tegen mijn veiligheidsvest stak. Ik voelde dat de schroevendraaier met kracht tegen mijn lichaam werd gedrukt.

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 april 2020, opgemaakt door [verbalisant] en [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 34):

Op de vraag of hij een schroevendraaier heeft getoond verklaarde hij dat wel een schroevendraaier in zijn zak had maar deze niet had getoond en zich niet dreigend had opgesteld, hij wilde enkel weg van de handhaving.

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 9] d.d. 28 april 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 35):

Ik zag dat de man een soort sleutel in zijn hand had. Ik denk dus zijn fietssleutel
omdat hij bezig was om zijn fiets op slot te zetten. Ik zag dat de man hiermee gekke bewegingen maakte in de richting van de twee handhavers. Ik bedoel hiermee dat hij steekbewegingen maakte met de sleutel in zijn hand en dat hij hiermee langs de gezichten van de handhavers zwaaide. Ik zag dat de man op dat moment op een meter afstand van de handhavers stond. Ik zag dat de handhavers allebei naar achter stapten om de steek bewegingen van de man te ontwijken.

4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 8] d.d. 22 april 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 69):

Ik zag dat de man toen met zijn rechterhand in zijn binnenzak van zijn jas voelde. Ik
zag dat hij een schroevendraaier tevoorschijn haalde en deze in zijn hand hield. Ik
zag dat hij met zijn arm een op- en neerwaartse beweging maakt, met de
schroevendraaier in onze richting houdend. IK had het idee dat hij dit deed om ons op
afstand te houden. Ik zag dat de schroevendraaier een totale lengte had van ongeveer
twintig centimeter. Ik stond op dat moment op ongeveer anderhalf tot twee meter afstand van de man. Ik zag dat mijn collega [naam] aan mijn rechterzijde stond op ongeveer een meter afstand van mij. We stonden in een V vorm. Ik zag dat de man naar ons toe stapte met de schroevendraaier nog steeds in zijn hand en maakte nog steeds zwaaiende bewegingen in onze richting. Ik voelde mij op dat moment bedreigd.
(...)
Ik zag dat de man zich richtte op [naam] en dat hij dichter naar [naam] toe kwam. Ik zag
dat hij de schroevendraaier anders vast pakte en toen een steek beweging met de punt
van de schroevendraaier naar [naam] toe gericht maakte. Ik zag dat de schroevendraaier
het veiligheidsvest van [naam] raakte met de punt. Ik zag dat dat ter hoogte van het
borstbeen bij [naam] terecht kwam. Ik zag dat de steek beweging met kracht ging want
[naam] ging hierdoor achteruit.

Feit 13

1. Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 9] d.d. 28 april 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 36):

Later op de avond zag ik de man weer aan komen fietsen over de Galle Promenade. Hij
heeft mij toen bedreigd met een pistool. Ik heb toen meteen de politie gebeld en
aangifte gedaan. Ik hoor nu van u dat het geen echt pistool maar een lijm pistool is
geweest. Ik dacht toch echt dat het een echt pistool was op het moment dat de man dit
op mij richtte.

2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 15 april 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 38):

Ik zag dat de man langs mij fietste. Ik zag dat de man zijn middelvinger naar mij opstak. Ik zag dat de man zijn rechterhand in zijn rechter broekzak stak. Ik zag dat hij zijn hand uit zijn zak haalde. Ik zag dat hij zijn hand in mijn richting stak. Ik zag dat hij in zijn hand een voorwerp vasthield wat ik herkende als een vuurwapen.

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 16 april 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 45):

Ik zag dat de man op de fiets een voorwerp uit zijn rechter broekzak haalde. Ik zag
dat hij hiermee in de richting van [naam] wees, en ik hoorde een geluid van: Tjak.

4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 april 2020, opgemaakt door [verbalisant] en [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 47):

Ik zag dat [verdachte] naar buiten kwam en ik zag dat hij een zwart, op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in zijn rechter broekzak had. Ik vroeg [verdachte] wat dit was en ik vroeg hem of ik het uit zijn broekzak mocht halen. Ik hoorde hem zeggen: ''Dat is een lijmpistool''

15/173436-20

Feiten 14 en 15

1. Het proces-verbaal van aangifte ( [slachtoffer 11] ) d.d. 2 juli 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 4 en 5):

Uit het niets zag ik dat de jongen een stalen pijp pakte. Ik denk dat die pijp ongeveer een meter of anderhalve meter lang was en misschien een centimeter dik. Ik zag dat de pijp glom.
Ik zag dat de man de pijp met twee handen aan een uiteinde vasthield en deze echt
boven zijn hoofd hief naar achteren. Vervolgens begon hij met kracht naar mij te
slaan waardoor ik geraakt werd. Ik denk dat ik drie of vier keer geslagen werd. Ik
weerde de slagen af met mijn linkerhand en onderarm. Ik hield mijn linkerhand omhoog
ter hoogte van mijn voorhoofd op zo'n twintig centimeter afstand. Als ik dit niet had
gedaan was ik met zekerheid dus tegen mijn hoofd geraakt door de slagen.
(...)
Hij draaide zich vervolgens om en liep weer de trap op. Terwijl hij dit deed pakte hij al een glazen pot van de vliering af en gooide deze met kracht in de richting van hoofd. Gelukkig raakte deze pot mijn hand want anders was ik vol in mijn gezicht geraakt.
(...)
Volgens mij gooide hij hierna ook nog een aantal dakpannen naar mijn hoofd en naar dat van Loïs.
(...)
Op dat moment pakte hij meerdere dakpannen, glazen potten en een voet van een parasol. Al deze voorwerpen gooide hij naar mij en mijn collega's. Deze kwamen door de deuropening heen tot voorbij waar wij stonden. Hij probeerde ons dus echt te raken hiermee.

2. Het proces-verbaal van aangifte ( [slachtoffer 12] ) d.d. 2 juli 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 7 en 8):

Ik zag vervolgens dat de verdachte een plots een ijzeren staaf pakte. Ik zag dat hij collega [slachtoffer 11] hiermee sloeg. Ik zag dat de verdachte met kennelijk met kracht sloeg. Ik zag dat de
verdachte met een ruime beweging uithaalde en mijn collega [slachtoffer 11] raakte op zijn pols. Ik zag dat de verdachte nog zeker een (1) keer de slaande beweging herhaalde.
(...)
Er is rond dat moment door collega's onderling gesproken om een bus ter plaatste te
laten komen om de fiets van de verdachte mee te nemen. Dit heeft de verdachte
mogelijk gehoord en op dat moment werden ik en mijn collega [slachtoffer 11] bekogeld door
dakpannen en glazen potten.
Bij een van de eerst glazen potten die gegooid werden, voelde ik dat ik geraakt werd
op mijn bovenbeen. Dit betrof mijn rechter bovenbeen. Ik voelde dat de glazen pot mij
met kracht raakte. Dit betrof een soort van weckpot van ongeveer 25 a 30 centimeter
hoog. Ik voelde dat de glazen pot brak op het moment dat de pot mijn bovenbeen
raakte. Ik voelde dat dit pijn deed.
(...)
De dakpannen en de glazen potten die de verdachte gooide, waren voor mij en mijn
collega [slachtoffer 11] bedoeld. Dit was op het moment dat wij nog op de trap stonden. Deze
spullen werden niet in de open ruimte van de schuur gegooid maar gericht naar ons, op
het moment dat wij nog op de trap stonden.

3. Het proces-verbaal van aangifte ( [slachtoffer 10] ) d.d. 2 juli 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 14 en 15):

Ik zag dat [verdachte] boven gebukt op de vliering zat. Ik zag dat hij een soort stalen pijp
vast had. Ik hoorde collega [slachtoffer 11] roepen met luide stem:" Laat vallen".
Ik zag dat [verdachte] deze pijp naar achter bewoog. Ik zag dat hij deze pijp richting
collega [slachtoffer 11] een slaande beweging maakte. Ik zag dat collega [slachtoffer 11] zijn gezicht
weg draaide en een afwerende beweging maakte met zijn linkerhand. Ik kon niet zien of
de pijp collega [slachtoffer 11] raakte. Ik zag dat [verdachte] weer met de pijp naar achter bewoog. Ik zag dat hij deze pijp weer met een krachtige slaande beweging richting [slachtoffer 11] bewoog. Ik hoorde dat [verdachte] steeds een soort luid gegromd/geschreeuw slaakte. Ik zag dat [verdachte] hierna de pijp weer naar achter bewoog. Ik zag dat [verdachte] deze pijp weer met een krachtige beweging naar voren bewoog. Ik zag dat [verdachte] de pijp richting collega [slachtoffer 11] en mij gooide. Hierbij werd ik geraakt op mijn linkerhand door de pijp tijdens het afweren met mijn hand.
(...)
Ik zag dat hij een soort glazen vaas in zijn hand had. Ik zag dat collega [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] naar beneden bewogen van de trap af. Ik zag dat [verdachte] deze glazen vaas richting ons gooide.
(...)
Ik zag dat [verdachte] een oranje dakpan van de stapel naast hem pakte. Ik zag
dat [verdachte] deze dakpan bovenhands naar achteren bracht. Ik zag dat hij deze bovenhands
met kracht richting de collega's gooide die bij de ingang stonden. Ik hoorde de
dakpan bij neerkomst uiteenspatten. Ik hoorde dat [verdachte] tijdens het gooien van de
dakpannen steeds een kreun slaakte, hierdoor merkte ik dat hij met zeer veel kracht
de dakpannen op ons af gooide. (...) Het gericht gooien van de dakpannen richting mij en collega's bleef [verdachte] meerdere malen herhalen.
(...)
Ik zag dat hij in zijn beide handen een groot voorwerp vast had. Ik zag aan de houding van [verdachte] dat het een zwaar voorwerp was. Ik denk dat het een soort stalen of betonnen parasolvoet was. Ik zag dat hij dit voorwerp naar achter bewoog. Ik zag dat hij richting mij keek. Ik zag dat het leek alsof hij dit voorwerp richting mij wilde gooien. Ik dacht, als ik dit voorwerp tegen mij aankrijg dan wordt het mijn dood. Ik had echt het gevoel dat ik voor mijn leven zo snel als ik kon weg moest rennen.

4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 juli 2020, opgemaakt door [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 43):

Ik zag dat hij rode striemen aan de bovenzijde en onderzijde van zijn linker pols had.

5. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting op 24 augustus 2021, voor zover inhoudende:

V: Ik heb wel een paar potten gegooid, maar de dakpannen niet, die heb ik laten vallen.

R: Heeft u potten gegooid tegen de politiemensen?

V: Nee tegen de muur aan.

R: Er wordt gezegd: “De potten gooide hij naar mij en mijn collega’s”.

V: De potten heb ik tegen de muur gegooid, die was achter hun, maar niet tegen hun.

V: Dakpannen heb ik laten vallen, misschien ook paar gegooid, de agenten zijn tussen mij en de muur gaan staan. Het was niet mijn bedoeling om politie te raken.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2021079697. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2020137812. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

3 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL1300- 2019272278. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.