Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3449

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
C/08/255538 / HA ZA 20-420
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissement B.V. ontstaan door onbehoorlijk bestuur. Gedaagden zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de ontstane schulden en krijgen een bestuursverbod opgelegd voor de duur van vijf jaar. Matiging m.b.t. te betalen voorschot wegens persoonlijke omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer C/08/255538 / HA ZA 20-420

Vonnis van 1 september 2021

in de zaak van

mr. Nick Johan Herman Leferink q.q.,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

[X] B.V.,

kantoorhoudende te Enschede,

eiser, hierna te noemen: de curator,

advocaat mr. N.J.H. Leferink te Enschede,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde 2] ,

gedaagden,

advocaat: mr. L. van der Wijngaart te Rotterdam,

3. de stichting

Stichting Administratiekantoor Ait Vedan,

gevestigd te Winterswijk,

gedaagde, hierna te noemen: de Stichting,

niet verschenen,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde 4] ,

niet verschenen.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 14 september 2020;

  • -

    de akte overlegging producties van de zijde van de curator;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de conclusie van repliek met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek met producties;

  • -

    de akte uitlaten producties.

Ten slotte is vonnis gevraagd. Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

Op 17 september 2019 is [X] B.V. failliet verklaard door de rechtbank Rotterdam met aanstelling van mr. N.J.H. Leferink tot curator.

2.2.

Op het moment van het faillissement van [X] B.V. stond geen bestuurder daarvan meer ingeschreven in het handelsregister. Als enig aandeelhouder stond in het handelsregister vermeld [Y] B.V. (hierna: de holding). De holding is per 1 april 2019 opgeheven. Uit het handelsregister is verder kenbaar dat:

- [gedaagde 1] van 26 juni 2013 tot 19 november 2018 stond ingeschreven als bestuurder van de holding, die in die periode bestuurder van de gefailleerde vennootschap was;

- [gedaagde 2] van 13 november 2018 tot 12 december 2018 stond ingeschreven als bestuur-der van [X] B.V. en van 13 november 2018 tot 12 december 2018 als bestuurder van de holding, die toen bestuurder was van de gefailleerde vennootschap;

- de Stichting van 12 december 2018 tot 15 maart 2019 stond ingeschreven als bestuurder van zowel de holding als de gefailleerde vennootschap;

- [gedaagde 4] vanaf 3 december 2018 stond ingeschreven als bestuurder van de Stichting.

2.3.

Naar aanleiding van een verzoek ter zake van de curator hebben zowel [gedaagde 1] ,

[gedaagde 2] als [gedaagde 4] verklaard geen administratie van de gefailleerde vennootschap te bezitten. [gedaagde 2] heeft verklaard dat hij die administratie heeft gedumpt nadat hij, toen hij de administratie wilde overdragen, was bedreigd door een knokploeg.

2.4.

De jaarrekening van [X] B.V. over 2014 is gedeponeerd op

7 juli 2016. De jaarrekening over 2015 is gedeponeerd op 25 oktober 2016. De jaarrekening over 2016 is gedeponeerd op 20 september 2017. De jaarrekening over 2017 is nimmer gedeponeerd. Verlengingsbesluiten ter zake zijn door de curator niet aangetroffen.

2.5.

Bij brief van 7 april 2020 heeft de curator [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld voor het faillissementstekort vanwege kennelijk onbehoorlijk bestuur, bestaande uit schending van de administratieplicht, betrokkenheid bij een vorig faillissement met een soortgelijke handelwijze en schending van de deponeringsplicht.

Bij brief van 7 april 2020 heeft de curator [gedaagde 2] aansprakelijk gesteld voor het faillissementstekort vanwege kennelijk onbehoorlijk bestuur, bestaande uit schending van de administratieplicht en het dumpen van de administratie, het onzorgvuldig omgaan met bedrijfseigendommen en/of het afgeven daarvan, betrokkenheid bij een vorig faillissement met een soortgelijke handelwijze en schending van de deponeringsplicht.

Bij brief van 7 april 2020 heeft de curator de Stichting en [gedaagde 4] aansprakelijk gesteld voor het faillissementstekort vanwege kennelijk onbehoorlijk bestuur, bestaande uit schending van de administratieplicht, het uitschrijven als bestuurder uit het handelsregister zonder voor adequate opvolging te zorgen, schending van de deponeringsplicht en het verduisteren van een achttal telefoons.

3 Het geschil

3.1.1.

De curator heeft gevorderd, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. primair, voor recht verklaart dat gedaagden hun taak als (middellijk) bestuurder onbehoorlijk hebben vervuld, dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [X] B.V. en dat gedaagden daarom (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor het bedrag van de schulden van deze vennootschap voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan;

subsidiair, voor recht verklaart dat gedaagden hun taak als (middellijk) bestuurder onbehoorlijk hebben vervuld en dat zij jegens de curator aansprakelijk zijn voor de schade die [X] B.V. ten gevolge van deze onbehoorlijke taakvervulling heeft geleden;

II. primair, gedaagden hoofdelijk veroordeelt om aan de curator te betalen het gehele faillissementstekort van [X] B.V., zoals dit zal komen vast te staan na een te houden verificatievergadering, te vermeerderen met de boedelschulden, waaronder begrepen het salaris van de curator en de overige faillissementskosten;

subsidiair, gedaagden hoofdelijk veroordeelt om aan de curator te betalen de schade die [X] B.V. ten gevolge van de onbehoorlijke taakvervulling heeft geleden, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente;

III. gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een voorschot van € 98.000,- op het bedrag dat zij op grond van het sub II. gevorderde dienen te betalen;

IV. gedaagden veroordeelt in de proces- en nakosten, te vermeerderen met rente.

V. voor recht verklaart dat alle gedaagden als bestuurder het bepaalde in artikel 106a van de Faillissementswet (Fw) geheel, althans ten dele hebben overtreden;

VI. gedaagden elk een civielrechtelijk bestuursverbod op grond van artikel 106a van de Fw oplegt voor de duur van vijf jaren vanaf de datum dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en bepaalt dat zij gedurende de tussenliggende periode niet benoemd kunnen worden tot bestuurder en/of commissaris van een rechtspersoon en niet mogen optreden als feitelijk beleidsbepaler van een rechtspersoon, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.1.2.

Volgens de curator is [gedaagde 1] altijd bestuurder gebleven van de holding. Het enkele feit dat zij als zodanig is uitgeschreven in het handelsregister, betekent niet dat zij in werkelijkheid geen bestuurder meer was. Een besluit ter zake van de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) ontbreekt immers en het overgelegde besluit van het bestuur is niet rechtsgeldig als het gaat om het aftreden van een bestuurder. Ook ontbreekt in dat besluit de datum vanaf welke zij geen bestuurder meer zou zijn.

Ten aanzien van [gedaagde 2] heeft de curator gesteld dat niet is gebleken dat en, zo ja, per wanneer hij als bestuurder van de holding is ontslagen of is afgetreden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat hij bestuurder is gebleven.

De Stichting en [gedaagde 4] waren in elk geval in de in 2.2 genoemde periodes (middellijk) bestuurder van de gefailleerde vennootschap en/of de holding.

De curator heeft geen administratie van de gefailleerde vennootschap aangetroffen, zodat geconcludeerd moet worden dat de administratieplicht is geschonden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kan worden verweten dat de administratie is weggegooid en dat er geen back-up was. Verder zijn de jaarrekeningen van de gefailleerde vennootschap te laat of niet gedeponeerd, wat een schending van de deponeringsplicht oplevert. De curator leidt uit de ingediende vordering van het Pensioenfonds Vervoer af dat niet alle pensioenpremie is betaald.

Voorts verwijt de curator aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij [X] B.V. op een onzorgvuldige wijze hebben verkocht. De koopovereenkomst is onzorgvuldig opgesteld en zij hebben al uitvoering aan de verkoop gegeven voordat de aandelen waren geleverd door allerlei bedrijfseigendommen aan de beoogde koper over te dragen.

De curator meent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het klappen van de zweep kenden, omdat zij in het faillissement van [Z] B.V. al door de curator ervan aansprakelijk waren gesteld in verband met kennelijk onbehoorlijk bestuur. In dat geval was er ook sprake van bestuurderswissels, het ontbreken van activa en een administratie die niet op orde was. [gedaagde 2] is ter zake zelfs strafrechtelijk veroordeeld.

De Stichting en [gedaagde 4] kan worden verweten dat zij post van de gefailleerde vennootschap hebben weggegooid, dat acht nog niet betaalde telefoons zijn verdwenen en dat [gedaagde 4] bij zijn vertrek niet heeft gezorgd voor een opvolgend bestuurder.

Het niet voldoen aan de administratieplicht en de deponeringsplicht brengt mee dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, dat wordt vermoed een belangrijke oorzaak te zijn van het faillissement. Ook zijn de gedaagden aansprakelijk wegens onbehoorlijke taakvervulling in de zin van artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Gelet op artikel 2:11 BW rusten voormelde aansprakelijkheden niet alleen op de onmiddellijke, maar ook op de middellijke bestuurders. Nu het kennelijk onbehoorlijk bestuur vaststaat, meent de curator dat aan alle gedaagden een civielrechtelijk bestuursverbod moet worden opgelegd. Het faillissementste-kort bedraagt circa € 182.000,-. De curator maakt aanspraak op betaling van een voorschot van € 98.000,-.

3.2.

De Stichting en [gedaagde 4] zijn niet in rechte verschenen en hebben dus geen verweer gevoerd tegen de vorderingen van de curator.

3.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de stellingen en de vorderingen van de curator betwist. Daarop zal in het navolgende nader worden ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

het (on)middellijk bestuurderschap

4.1.

Op grond van artikel 2:242, eerste lid BW geschiedt benoeming van bestuurders voor de eerste maal bij de akte van oprichting en later door de AVA. Ingevolge artikel 244, eerste lid BW kan iedere bestuurder te allen tijde worden ontslagen door het orgaan dat bevoegd is tot benoeming. Een bestuurder kan eenzijdig ontslag nemen, zonder dat dit door de AVA hoeft te zijn aanvaard om het ontslag te effectueren. De ontslagverklaring van de bestuurder moet de vennootschap wel hebben bereikt om effect te hebben. Inschrijving van ontslag(name) in het handelsregister is niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of iemand (nog) bestuurder is.

4.2.

De holding was tot 1 april 2019 (datum van opheffing) dan wel 13 december 2018 bestuurder van de gefailleerde vennootschap. [gedaagde 2] was van 13 tot 20 december 2018 als zodanig ingeschreven in het handelsregister. Hij werd opgevolgd door de Stichting, waarvan [gedaagde 4] vanaf 3 december 2018 bestuurder was.

De holding is gezien het handelsregister tot 19 november 2018 door [gedaagde 1] bestuurd, van 13 november 2018 tot 12 december 2018 door [gedaagde 2] en daarna tot 15 maart 2019 door de Stichting. Zoals hiervoor reeds overwogen, is de inschrijving in het handelsregister echter niet bepalend voor de vraag of iemand (nog) bestuurder is.

Nu gesteld noch gebleken is dat de holding op enig moment is ontslagen als bestuurder of haar taak als bestuurder heeft neergelegd, gaat de rechtbank er vanuit dat zij tot 1 april 2019 (datum opheffing) bestuurder was van [X] B.V.

[gedaagde 1] heeft erkend dat zij tot 19 november 2018 bestuurder was van de holding. Uit de door haar in het geding gebrachte notulen van de bestuursvergadering van 17 oktober 2018 blijkt niet per wanneer zij ontslag heeft genomen als bestuurder. Op grond hiervan neemt de rechtbank aan dat zij tot 1 april 2019 bestuurder van de holding (en middellijk bestuurder van de gefailleerde vennootschap) is geweest.

[gedaagde 2] was in elk geval van 13 november 2018 tot 12 december 2018 bestuurder van zowel de holding als de gefailleerde vennootschap. Dat hij per laatstgenoemde datum bij één van die vennootschappen ontslag heeft genomen als bestuurder, is niet gebleken. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat hij tot datum faillissement bestuurder was van de thans failliete vennootschap.

De Stichting stond per 12 december 2018 ingeschreven als bestuurder van zowel de holding als de gefailleerde vennootschap en [gedaagde 4] vanaf 3 december 2018 als bestuurder van de Stichting. Dat zij op enig moment ontslag hebben genomen als bestuurder, blijkt uit niets. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de Stichting tot datum faillissement bestuurder was van de gefailleerde vennootschap en dat [gedaagde 4] tot de datum van het faillissement de middellijk bestuurder was van de gefailleerde vennootschap.

de administratieplicht

4.3.

Ingevolge artikel 2:10, eerste lid BW rust op het bestuur van een vennootschap de verplichting om op zodanige wijze administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de vennootschap kunnen worden gekend. De bewaarplicht geldt gedurende zeven jaar (derde lid).

4.4.

Het staat vast dat de curator geen administratie van de gefailleerde vennootschap heeft aangetroffen. Hij heeft slechts grootboekkaarten over 2017 en 2018 ontvangen van de voormalige boekhouder. Bovendien heeft [gedaagde 2] erkend (de) administratie weggegooid te hebben. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat alle gedaagden de administratieplicht van artikel 2:10 BW hebben geschonden.

Het verweer van [gedaagde 1] dat zij wel een deugdelijke administratie had bijgehouden en dat haar niet kan worden verweten dat [gedaagde 2] de administratie heeft weggegooid, kan haar niet baten. In de eerste plaats geldt dat zij niet heeft onderbouwd dat zij een deugdelijke administratie heeft gevoerd: er is geen bewijs ter zake overgelegd. In de tweede plaats kan haar worden verweten dat zij geen digitale administratie heeft bijgehouden of een back-up heeft gemaakt van de administratie. Indien zij dat wel had gedaan, had het weggooien van de administratie door [gedaagde 2] niet tot gevolg gehad dat er geen administratie meer was.

Dat [gedaagde 2] geen verwijt kan worden gemaakt van het weggooien van de administratie omdat hij deze onder dwang zou hebben weggegooid, is door hem onvoldoende feitelijk onderbouwd. Er zijn geen aangiftes gedaan of verklaringen overgelegd.

de deponeringsplicht

4.5.

Ingevolge artikel 2:394, eerste lid BW is een rechtspersoon verplicht tot openbaar-making van de jaarrekening binnen acht dagen na vaststelling. Uiterlijk dertien maanden na afloop van het boekjaar (de hier relevante termijn) moet de rechtspersoon de jaarrekening op de voorgeschreven wijze openbaar hebben gemaakt.

Uitgaande van de door de curator genoemde tijdstippen waarop de jaarrekeningen van de gefailleerde vennootschap openbaar zijn gemaakt, is sprake van te late deponering van de jaarrekening 2014 en zijn de jaarrekeningen over 2015 en 2016 tijdig gedeponeerd (hierbij is relevant dat bij de toepassing van artikel 2:248, tweede lid BW ervan moet worden uitge-gaan dat het uitblijven van een besluit tot verlenging van de termijn voor het opmaken van de jaarrekening niet relevant is). De jaarrekening over 2017 is niet gedeponeerd, dus te laat. De rechtbank komt op grond hiervan tot de conclusie dat de deponeringsplicht geschonden is in de periode dat gedaagden (middellijk) bestuurder van de gefailleerde vennootschap waren (wat betreft de Stichting en [gedaagde 4] betreft het alleen de jaarrekening 2017).

schending artikel 2:248 BW

4.6.

De curator heeft primair aangevoerd dat ten aanzien van alle gedaagden sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 2:248 BW.

Artikel 2:248, eerste lid BW bepaalt dat in geval van faillissement van de vennootschap elke bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 en 2:394 BW heeft het zijn taak onbehoorlijk vervuld (een onweerlegbaar vermoeden) en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (een weerlegbaar vermoeden). Een onbelangrijk verzuim wordt niet in aanmerking genomen (tweede lid). Niet aansprakelijk is de bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden (derde lid). De rechter kan het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld (vierde lid). Is de omvang van het tekort nog niet bekend, dan kan de rechter bepalen dat van het tekort tot betaling waarvan hij de bestuurders veroordeelt een staat wordt opgemaakt (vijfde lid). De vordering kan slechts worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement (zesde lid). Dit artikel laat onverlet de bevoegdheid van de curator tot het instellen van een vordering op grond van artikel 2:9 BW.

In het kader van artikel 2:248 BW is van belang dat tot de bestuurders worden gerekend zowel zij, die deze bevoegdheid hadden op het moment dat het faillissement uitgesproken werd, als ook zij die bestuurder waren, toen het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk vervulde. De vraag of het bestuur zijn taak niet behoorlijk heeft vervuld, moet beoordeeld worden naar hetgeen het bestuur voorzag of kon voorzien op het moment dat het die taak vervulde. Van kennelijk onbehoorlijk bestuur kan slechts worden gesproken indien geen redelijk denkend bestuurder - onder dezelfde omstandigheden - aldus gehandeld zou hebben. De bestuurders moeten voorts hebben gehandeld met de (objectieve) wetenschap dat de schuldeisers zullen worden benadeeld.

In geval van schending van artikel 2:10 en 2:394 BW dient de bestuurder aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan zijn kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak zijn van het faillissement. Stelt de bestuurder daartoe een van buiten komende oorzaak en wordt hem door de curator verweten dat hij heeft nagelaten om het intreden van die oorzaak te voorkomen, dan zal de bestuurder tevens feiten/omstandigheden moeten stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dat nalaten geen onbehoor-lijke taakvervulling oplevert.

4.7.

De rechtbank stelt voorop dat de vordering ex artikel 2:248 BW slechts kan worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaar voorafgaand aan het faillissement, derhalve in de periode van 17 september 2016 tot 17 september 2019. Dit betekent dat de te late deponering van de jaarrekening 2014 hier buiten beschouwing moet blijven.

4.8.

Hiervoor is al overwogen dat het bestuur van de gefailleerde vennootschap de verplichtingen ex de artikelen 2:10 en 2:394 BW heeft geschonden. Hiervan kan gedaagden gelet op hun hoedanigheid van (middellijk) bestuurder van [X] B.V. op enig moment in de relevante periode een verwijt worden gemaakt (zie 4.2.). Op grond van het bepaalde in artikel 2:248, tweede lid BW hebben gedaagden hun taak als bestuurder dus onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [X] B.V. Het is dan aan gedaagden aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak zijn van het faillissement.

De Stichting en [gedaagde 4] hebben het bestaan van dergelijke feiten of omstandigheden niet gesteld, zodat ten aanzien van hen vaststaat dat hun kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement en zij aansprakelijk zijn voor het tekort van de boedel.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gesteld dat het faillissement niet is veroorzaakt door hun wijze van handelen (toen was er nog geen sprake van een (dreigende) faillissementssituatie), maar door het handelen van de Stichting. De rechtbank overweegt ten eerste dat zij niet hebben onderbouwd dat hun handelwijze niet heeft geleid tot een (dreigende) faillissementssituatie. Enige administratie waaruit dat zou kunnen blijken hebben zij niet overgelegd en uit de bevindingen van de curator blijkt dat ook in de periode voordat de Stichting bestuurder werd al forse schulden bij onder meer de belastingdienst en het pensioenfonds waren ontstaan. In de tweede plaats stelt de rechtbank vast dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] buitengewoon onzorgvuldig hebben gehandeld bij de gestelde verkoop van de aandelen van de gefailleerde vennootschap aan de Stichting, zulks ten nadele van (de crediteuren van) de gefailleerde vennootschap. De koopovereenkomst die zij ter zake aan de curator hebben overhandigd vertoont ernstige gebreken. Zo wordt vermeld dat de overdracht op 26 november 2018 zal plaatsvinden, maar zijn er ter zake geen nadere bepalingen opgenomen (de levering heeft bovendien nimmer plaatsgevonden) en is geen koopsom vermeld, zodat onduidelijk is of er betaald zou worden voor de aandelen. Verder hebben zij al eigendommen van de gefailleerde vennootschap aan de Stichting afgestaan voordat de aandelen geleverd werden. Dit dient hen ernstig te worden aangerekend.

Hierdoor zijn de schuldeisers van de gefailleerde vennootschap benadeeld (het ontbrak daarna immers aan activa waarop vorderingen konden worden verhaald, naar zij moesten weten). Voorts geldt dat, als zij de handelwijze van de Stichting zouden willen aanmerken als van buiten komende oorzaak, zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat de verkoop van de aandelen aan de Stichting en het op voorhand overdragen van bedrijfseigendommen aan de Stichting geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Ook als ervan zou moeten worden uitgegaan dat zij niet wisten dat de Stichting malafide was, bestond er geen enkele noodzaak om de bedrijfseigendommen van de vennootschap over te dragen aan de Stichting voordat de aandelen waren geleverd.

4.9.

Op grond van het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat ten aanzien van alle gedaagden moet worden geconcludeerd dat zij hun taak als (middellijk) bestuurder van de gefailleerde vennootschap kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld als bedoeld in artikel 2:248 BW. Zij zijn aldus hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort in het faillissement voor zover dat niet door vereffening van de overige baten kan worden voldaan, welk tekort bij/na de verificatievergadering dient te worden vastgesteld, te vermeerderen met de boedelschulden. De vorderingen van de curator als vermeld onder 3.1.1., I. primair en II. primair dienen derhalve te worden toegewezen.

voorschot

4.10.

De curator vordert de hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van een voorschot op het nog vast te stellen boedeltekort van € 98.000,-. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de omvang van het gestelde boedeltekort betwist, ten aanzien van het gevorderde voorschot gesteld dat dit, gezien het te verwachten boedeltekort, te hoog is en verzocht om matiging van het aan voorschot te betalen bedrag op grond van hun persoonlijke omstandigheden.

4.11.

Gelet alleen al op de bij de curator ingediende vorderingen van de belastingdienst en het pensioenfonds (circa € 130.000,-) verwerpt de rechtbank de stelling dat het tekort van de boedel naar verwachting minder dan € 98.000,- zal bedragen.

De Stichting en [gedaagde 4] hebben ter zake geen verweer gevoerd, reden waarom de rechtbank hen hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van een voorschot van € 98.000,-.

Wat betreft hun persoonlijke omstandigheden hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aangevoerd dat zij geen (noemenswaardig) inkomen hebben, zodat zij niet in staat zullen zijn een substantiële betaling aan de curator te doen. Verder heeft [gedaagde 1] gesteld dat zij in verband met de aanwezigheid van drie jonge kinderen en haar gezondheid niet in staat zal zijn inkomen te verwerven en heeft [gedaagde 2] betoogd dat hij op grond van zijn leeftijd en zijn fysieke en geestelijke gesteldheid evenmin in staat is om voldoende inkomsten te verwerven.

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen stukken hebben overgelegd waaruit kan blijken dat zij over onvoldoende financiële middelen beschikken om een substantieel bedrag aan de curator te betalen. De rechtbank acht echter voldoende aannemelijk dat [gedaagde 1] op grond van beperkte belastbaarheid en als moeder van drie jonge kinderen moeilijk werk zal kunnen vinden, net als [gedaagde 2] op grond van zijn geschiedenis en leeftijd. Dit geldt temeer door het uit te spreken bestuursverbod. De verwachting is dan ook dat zij op korte en/of langere termijn niet veel inkomsten zullen kunnen verwerven. De rechtbank zal op grond hiervan hen hoofdelijk veroordelen tot betaling van een voorschot aan de curator van € 25.000,-.

civielrechtelijk bestuursverbod

4.12.

Ingevolge artikel 106a van de Fw kan de rechtbank op vordering van de curator of op verzoek van het openbaar ministerie een bestuursverbod opleggen aan de bestuurder van een rechtspersoon, de gewezen bestuurder daaronder begrepen, als tijdens of in de drie jaren voorafgaand aan het uitspreken van het faillissement van die rechtspersoon door de rechter bij onherroepelijk geworden uitspraak is geoordeeld dat hij voor zijn handelen of nalaten bij die rechtspersoon aansprakelijk is, als bedoeld in artikel 2:248 BW. Een bestuursverbod kan mede worden uitgesproken jegens de bestuurder van een of meer rechtspersonen die bestuurder is of zijn als bedoeld in het eerste lid.

4.13.

De rechtbank zal aan alle gedaagden een bestuursverbod opleggen voor de duur van vijf jaren op grond van het navolgende.

In dit vonnis, uitgesproken tijdens het faillissement van [X] B.V., komt de rechtbank tot het oordeel dat gedaagden aansprakelijk zijn voor hun handelen of nalaten bij deze vennootschap als bedoeld in artikel 2:248 BW. Er is dus voldaan aan (in ieder geval één van) de alternatieve voorwaarden waaronder een bestuursverbod kan worden opgelegd. Gelet op het feit dat de crediteuren van de gefailleerde vennootschap benadeeld zijn door de handelingen van gedaagden, is er ook aanleiding tot het opleggen van een dergelijk verbod. Ten aanzien van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in het bijzonder overweegt de rechtbank dat zij hebben verzuimd om, toen zij kennelijk niet meer verder wilden met de vennootschap, ervoor te zorgen dat de rechten en verplichtingen van de vennootschap deugdelijk zijn overgedragen aan een derde partij. Dit rekent de rechtbank hen zwaar aan.

Wat betreft de duur van het bestuursverbod overweegt de rechtbank dat [gedaagde 1] gelet op haar leeftijd (nu 28 jaar) nog mogelijkheden genoeg heeft om op termijn weer een eigen onderneming te starten. Daar waar vaststaat dat [gedaagde 2] ook al in het faillissement van [Z] B.V. met succes door de curator aansprakelijk is gesteld in verband met het door hem gevoerde beleid, is de rechtbank van oordeel dat ook in zijn geval een bestuursverbod voor de duur van vijf jaren passend is. De rechtbank zal niet bepalen dat (een of elk van) gedaagden in de periode, gelegen tussen deze uitspraak en het moment waarop deze in kracht van gewijsde gaat, niet benoemd kan/kunnen worden tot bestuurder en/of commissaris van een rechtspersoon en niet mag/mogen optreden als feitelijk beleidsbepaler van een rechtspersoon, omdat daarmee een met ingang van heden effectief verbod wordt uitgesproken zonder dat gedaagden daar voor inwerkingtreding tegen kunnen opkomen.

4.14.

Als de in het ongelijk gestelde partijen zullen gedaagden hoofdelijk veroordeeld worden in de kosten van het geding, aan de zijde van de curator tot op dit vonnis begroot op € 304,- aan griffierecht en € 563,- aan salaris van de advocaat. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen worden veroordeeld tot betaling van € 844,50 aan salaris van de advocaat. [gedaagde 1] , de Stichting en [gedaagde 4] zullen verder elk voor zich worden veroordeeld tot betaling van € 86,80 aan explootkosten en [gedaagde 2] ter zake tot betaling van € 150,-. Wat betreft de kosten van beslaglegging zal ieder van de gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 300,80, zullen [gedaagde 1] , de Stichting en [gedaagde 4] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 769,56 en zullen [gedaagde 4] , [gedaagde 1] en de Stichting ieder voor zich worden veroordeeld tot betaling van € 74,01. Een en ander zal telkens worden vermeerderd met wettelijke rente als na te melden. Tot slot zullen gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld in de nakosten, begroot op € 157,- zonder betekening en € 239,- ingeval van betekening van deze uitspraak.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat elk der gedaagden zijn/haar taak als (middellijk) bestuurder van [X] B.V. onbehoorlijk heeft vervuld, dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [X] B.V. en dat elk der gedaagden daarom hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden van deze vennootschap voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan;

5.2.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betaald hebbende de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, om aan de curator te betalen het gehele faillissementstekort van [X] B.V., zoals dit zal komen vast te staan na een te houden verificatie-vergadering, te vermeerderen met de boedelschulden, waaronder begrepen het salaris van de curator en de overige faillissementskosten;

5.3.

veroordeelt de Stichting en [gedaagde 4] hoofdelijk, des dat de een of [gedaagde 1] of [gedaagde 2] betaald hebbende de ander(en) in zoverre zal/zullen zijn bevrijd, tot betaling aan de curator van een voorschot van € 98.000,- op het bedrag dat zij op grond van de in 5.2. uitgesproken veroordeling dienen te betalen;

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een of de Stichting of [gedaagde 4] betaald hebbende zij/hij in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling van een voorschot van

€ 25.000,- op het bedrag dat zij op grond van de in 5.2. uitgesproken veroordeling dienen te betalen;

5.5.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betaald hebbende de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de curator begroot op € 304,- aan griffierecht en € 563,- aan salaris van de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de vijftiende dag na heden tot aan de dag der algehele voldoening;

5.6.

veroordeelt [gedaagde 1] , de Stichting en [gedaagde 4] elk tot betaling van de kosten van dagvaarding ad € 86,80 en de kosten van beslaglegging ad € 74,01, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de vijftiende dag na heden tot aan de dag der algehele voldoening;

5.7.

veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van de kosten van dagvaarding ad € 150,-, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de vijftiende dag na heden tot aan de dag der algehele voldoening;

5.8.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betaald hebbende de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in het salaris van de advocaat ad € 844,50, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de vijftiende dag na heden tot aan de dag der algehele voldoening;

5.9.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betaald hebbende de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, tot betaling van € 300,80, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de vijftiende dag na heden tot aan de dag der algehele voldoening;

5.10.

veroordeelt [gedaagde 1] , de Stichting en [gedaagde 4] hoofdelijk, des dat de een betaald hebbende de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, tot betaling van € 769,56 aan kosten van beslaglegging, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de vijftiende dag na heden tot aan de dag der algehele voldoening;

5.11.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betaald hebbende de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, tot betaling van de nakosten ad € 157,-, te vermeerderen met

€ 82,- indien betekening van deze uitspraak plaatsvindt;

5.12.

verklaart voor recht dat alle gedaagden als bestuurder het bepaalde in artikel 106a van de Fw hebben overtreden;

5.13.

legt aan ieder der gedaagden een civielrechtelijk bestuursverbod op grond van artikel 106a van de Fw op voor de duur van vijf jaren vanaf de datum dat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag voor diegene dit niet aan dit verbod voldoet, zulks tot een maximum van € 50.000,- voor elk van gedaagden;

5.14.

verklaart de onderdelen 5.2. tot en met 5.11. uitvoerbaar bij voorraad;

5.15.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Haarhuis en in het openbaar uitgesproken op

1 september 2021.