Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3448

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
ak_20_2471
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete opgelegd van € 4.400,- wegens overtreden van de Arbeidstijdenwet; toezicht op pompproces met stationair draaiende vrachtwagens; rechtbank gaat er vanuit dat werknemer toezicht heeft gehouden op dit pompproces; hierdoor sprake van arbeidstijd; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 20/2471


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam vennootschap] ., te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. van Groningen),

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 7 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete van € 4.400,- opgelegd wegens het op 11 en 12 september 2018 overtreden van artikel 4:3, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet (hierna: Atw).

In het besluit van 27 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2021 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P. van Kooten en M. Mannes.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is een in [vestigingsplaats] gevestigd bedrijf dat zich bezig houdt met het vervoer/transport van mest.

Wettelijk kader

2. Artikel 4:3, eerste lid, van de Atw bepaalt dat een werkgever en een persoon als bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, een deugdelijke registratie voert terzake van de arbeids- en rusttijden welke het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen mogelijk maakt.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld welke aangeven op welke wijze aan de in het eerste lid neergelegde verplichting wordt voldaan. Deze regels kunnen voor verschillende sectoren verschillend worden gesteld.

De in deze zaak van toepassing zijnde algemene maatregel van bestuur is het Arbeidstijdenbesluit vervoer (hierna: Atbv).

Uit artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv volgt dat, indien Verordening (EG) 561/2006 (hierna: Vo 561/2006) van toepassing is, de deugdelijke registratie dient te bestaan uit C-bestanden en M-bestanden; zijnde downloads van de bestuurderskaart en downloads van de tachograaf.

In artikel 34 van Verordening (EU) 165/2014 (hierna: Vo 165/2014) is het gebruik van bestuurderskaarten geregeld.

Het vijfde lid van dit artikel, onder b, bepaalt dat de bestuurder de schakelorganen moet bedienen met behulp waarvan de volgende te registreren tijden kunnen worden onderscheiden:

i. i) rijtijd,

ii) ‘andere werkzaamheden’, waaronder wordt verstaan de tijd die wordt besteed aan alle andere bezigheden in de zin van artikel 3, punt a), van Richtlijn 2002/15/EG, behalve aan het rijden, alsmede aan alle werkzaamheden voor dezelfde of een andere werkgever in of buiten de vervoerssector,

iii) ‘beschikbaarheidstijd’ in de zin van artikel 3, punt b), van Richtlijn 2002/15/EG,

iv) onderbrekingen of rust.

Artikel 3, onder a, van Richtlijn 2002/15/EG (hierna: de Richtlijn) bepaalt dat in deze richtlijn onder “arbeidstijd” wordt verstaan: de periode tussen het begin en het einde van het werk, waarin de werknemer op het werk is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn taken of activiteiten uitoefent, dat wil zeggen:

- de tijd die wordt besteed aan alle wegvervoersactiviteiten. Deze activiteiten zijn met

name:

i) t/m iv): (…);

v) alle andere werkzaamheden om de veiligheid van het voertuig, de lading of de passagiers te verzekeren, dan wel om te voldoen aan de wettelijke of bestuursrechtelijke verplichtingen die direct met het specifieke vervoer in kwestie verband houden met inbegrip van toezicht op het laden en lossen, afwikkeling van administratieve formaliteiten bij de politie, de douane, de immigratieautoriteiten, enz.

- de periodes waarin de werknemer niet vrijelijk over zijn tijd kan beschikken en op de werkplek moet blijven, gereed om aan het werk te gaan, en daarbij belast is met bepaalde aan die dienst verbonden taken, met name de wachttijden bij laden of lossen wanneer de verwachte duur daarvan niet vooraf bekend is, dat wil zeggen: vóór het vertrek of net vóór het daadwerkelijk begin van de periode in kwestie, of op grond van de algemene bepalingen die de sociale partners hebben afgesproken en/of die in de wetgeving van de lidstaten zijn vastgelegd.

Artikel 10:1 van de Atw bepaalt, voor zover hier van belang, dat het niet naleven van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw als overtreding wordt aangemerkt.

Artikel 10:5, eerste lid, van de Atw bepaalt dat een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar de bestuurlijke boete oplegt aan de natuurlijke of rechtspersoon op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.

Besluitvorming

3. Op 1 mei 2019 is door een toezichthouder van de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: de toezichthouder) bij eiseres een controle uitgevoerd op de naleving van de Atw en de daarop berustende wet- en regelgeving. Van deze controle is op 29 november 2019 een boeterapport opgemaakt. In dit boeterapport zijn twee overtredingen van artikel 4:3 van de Atw opgenomen. Dit betreft de navolgende overtredingen.

3.1.

Aan de hand van de analyse van het motorvoertuig met het kenteken [kenteken] heeft de toezichthouder vastgesteld dat op 11 september 2018 tussen 16:30 uur en 22:21 uur met dit voertuig werkzaamheden (rijden/laden/lossen/overige werkzaamheden om en nabij het voertuig) zijn verricht. Dit volgt uit gegevens die de tachograaf heeft geregistreerd. Deze werkzaamheden, voor zover die betrekking hebben op de periodes van 16:30 uur tot 16:57 uur en van 20:06 uur tot 22:21 uur, waren niet verantwoord op de bestuurderskaart van werknemer [naam 2] (hierna: de werknemer). De gegevens op de tachograaf (bepaalde werkzaamheden verricht met de vrachtwagen) komen dus niet overeen met de gegevens op de bestuurderskaart (geen werkzaamheden verricht). Uit de uren-verantwoordingsstaat en verloningsstaat van de werknemer bleek dat deze, volgens de bestuurderskaart niet gewerkte, uren door de werknemer zijn opgevoerd als gewerkte uren en dat deze uren ook aan hem zijn uitbetaald.

3.2.

Aan de hand van de uren-verantwoordingsstaat en verloningsstaat van de werknemer heeft de toezichthouder vastgesteld dat hij op 12 september 2018 tussen 06:00 uur en 20:00 uur werkzaamheden (rijden/laden/lossen/overige werkzaamheden om en nabij voornoemd voertuig) heeft verricht zonder dat hiervan een deugdelijke registratie aanwezig was. De toezichthouder heeft namelijk geconstateerd dat de tijd tussen 8:51 uur en 11:49 uur, de tijd tussen 12:25 uur en 15:51 uur en de tijd tussen 19:51 uur tot 20:00 uur niet als arbeidstijd (overige werkzaamheden) maar als rusttijd op de bestuurderskaart was geregistreerd.

4. Bij brief van 12 december 2019 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld voornemens te zijn haar een boete op te leggen van € 4.400,- wegens het overtreden van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw op 11 en 12 september 2018. Hierbij is aangegeven dat de boete per overtreding € 4.400,- bedraagt (zodat een boete van € 8.800,- opgelegd zou kunnen worden) maar dat een matiging van 50% wordt toegepast. De reden hiervoor is dat, gelet op de specifieke omstandigheden van het geval (1 chauffeur, 1 voertuig en een korte aaneengesloten periode van 2 dagen), een boete van € 8.800,- niet passend wordt geacht.

5. Eiseres heeft een zienswijze gegeven. Voor zover van belang heeft eiseres aangegeven dat de werknemer weliswaar aanwezig is geweest op de locatie in de provincie Groningen maar dat hij niet gedurende de gehele periode werkzaamheden heeft verricht. Vanwege een storing in een pomp bij de biovergister heeft de vrachtwagen de pompfunctie overgenomen. De werknemer is bij de vrachtwagen gebleven en is op de locatie blijven slapen. De werknemer heeft gedurende de in het boeterapport genoemde periodes geen werkzaamheden verricht maar wel gemeend deze uren te moeten schrijven als gewerkte uren.

6. In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 4.400,- wegens twee overtredingen van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw op 11 en 12 september 2018. Verweerder heeft zich hierbij, voor zover voor het geschil van belang, op de volgende standpunten gesteld.

6.1.

Omdat op 11 en 12 september 2018 de werkzaamheden niet uitsluitend op eigen terrein hebben plaatsgevonden maar er tevens op de openbare weg is gereden, is Vo 561/2006 van toepassing. Dit blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:404, overweging 5.1. Dit betekent dat alle werkzaamheden van de werknemer op zijn C-bestanden geregistreerd moeten worden.

Gelet op het bepaalde in artikel 34, vijfde lid, onder b, sub ii, van Vo 165/2014 moet de werknemer alle tijd die wordt besteed aan (onder meer) andere bezigheden in de zin van artikel 3, onder a, van de Richtlijn, registreren als ‘andere werkzaamheden’. In artikel 3, onder a, van deze Richtlijn wordt onder meer de periode waarin een werknemer niet vrijelijk over zijn tijd kan beschikken, genoemd als ‘andere werkzaamheden’.

6.2.

Volgens verweerder was gedurende de in het boeterapport genoemde periodes sprake van periodes waarin een werknemer niet vrijelijk over zijn tijd kon beschikken. De werknemer moest immers bij de vrachtwagen blijven en kon, met uitzondering van de gebruikelijke pauzes, niet vrijelijk over zijn tijd beschikken. Dit komt overeen met de in het boeterapport opgenomen verklaring van [naam 3] inhoudende dat de werknemer zich bezig had gehouden met (reparatie)werkzaamheden aan de pompinstallatie en tussendoor enkele korte pauzes had genoten.

De tijd waarin de werknemer op 11 en 12 september 2018 niet vrijelijk over zijn tijd kon beschikken, wordt dan ook aangemerkt als arbeidstijd. Dit had geregistreerd moeten worden als ‘andere werkzaamheden’. Op 11 september 2018 is niets geregistreerd; op 12 september 2018 is in plaats daarvan ‘rust’ geregistreerd. Bij het stationair draaien van de vrachtwagen (indien deze als pomp fungeert) registreert een tachograaf geen rijtijd (R). Een bestuurder kan dan handmatig op zijn bestuurderskaart registreren of hij rust (N) of andere werkzaamheden (L) verricht. Dit heeft de werknemer niet gedaan. Hierdoor is geen sprake van een deugdelijke registratie als bedoeld in artikel 4:3, eerste lid, van de Atw.

Beoordeling van het beroep

7. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat in deze zaak V0 561/2006 van toepassing is zodat, gelet op het bepaalde in artikel 2.4.13, tweede lid, van het Atbv, de deugdelijke registratie moet bestaan uit downloads van de bestuurderskaart en downloads van de tachograaf en dat hierbij voldaan moet worden aan de wijze van registreren, neergelegd in artikel 34, vijfde lid, onder b, van Vo 165/2014.

8. Tussen partijen is in geschil of de manier waarop op 11 en 12 september 2018 door de werknemer is geregistreerd, voldoet aan laatstgenoemd artikel. Meer specifiek zijn partijen verdeeld over de vraag of gedurende de in het boeterapport genoemde tijdsvakken de werknemer ‘andere werkzaamheden’ heeft verricht (en hij dit ten onrechte niet als zodanig heeft geregistreerd) of dat de werknemer gedurende deze tijdsvakken helemaal niet heeft gewerkt (11 september 2018) of heeft gerust (12 september 2018), en hij dit correct heeft geregistreerd.

9. Eiseres stelt in haar beroepschrift dat de werkzaamheden van de werknemer gedurende deze tijdsvakken enkel hebben bestaan uit het koppelen van de pomp van de vrachtwagen aan de biovergister. De aanwezigheid van de werknemer was gedurende het pompen niet vereist. Volgens eiseres kan dit niet worden aangemerkt als ‘andere werkzaamheden’ in de zin van artikel 34, vijfde lid, onder b, sub ii, van Vo 165/2014 juncto artikel 3, onder a, van de Richtlijn.

9.1.

Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres ten eerste aangevoerd dat deze werkzaamheden niet voldoen aan de omschrijving van ‘andere werkzaamheden’, zoals neergelegd in artikel 3, onder a, eerste gedachtestreepje, onder v, van de Richtlijn.

9.2.

Ten tweede heeft eiseres aangevoerd dat deze werkzaamheden ook niet kunnen worden geduid als ‘het niet vrijelijk over zijn tijd kunnen beschikken’ als bedoeld in artikel 3, onder a, tweede gedachtestreepje, van de Richtlijn. Eiseres heeft in dit kader allereerst opgemerkt dat het bij de vrachtwagen moeten blijven niet betekent dat er geen sprake is van rusten. Eiseres heeft hierbij als voorbeeld verwezen naar het rusten op een parkeerplaats. Ook in een dergelijke situatie moet de chauffeur bij de vrachtwagen blijven en kan hij niet vrijelijk over zijn tijd beschikken.

Om te voldoen aan het criterium ‘niet vrijelijk over de eigen tijd kunnen beschikken’ als bedoeld in artikel 3, onder a, tweede gedachtestreepje, van de Richtlijn moet daarom tevens worden voldaan aan de nadere eisen ‘gereed om aan het werk te gaan’ en ‘daarbij belast met bepaalde aan die dienst verbonden taken’. Aan deze nadere eisen wordt niet voldaan, aldus eiseres.

10. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

10.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft gesteld dat de werkzaamheden gedurende de bewuste tijdsvakken kunnen worden geduid als ‘andere werkzaamheden’ in de zin van artikel 3, onder a, eerste gedachtestreepje, onder v, van de Richtlijn.

De hiertegen gerichte beroepsgrond behoeft daarom geen bespreking.

10.2.

Wat betreft de stelling van eiseres dat de gestelde werkzaamheden niet kunnen worden geduid als ‘periodes waarin de werknemer niet vrijelijk over zijn tijd kan beschikken’ als bedoeld in artikel 3, onder a, tweede gedachtestreepje, van de Richtlijn, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat eiseres in deze procedure wisselende verklaringen heeft afgelegd over de aard en omvang van de werkzaamheden die de werknemer op de locatie in de provincie Groningen heeft uitgevoerd.

- In het boeterapport staat vermeld dat de toezichthouder van [naam 3] zijn vader desgevraagd heeft vernomen dat de werknemer op deze locatie gedurende de niet op de bestuurderskaart geregistreerde tijden, reparatiewerkzaamheden aan de mestpompinstallaties aan en rond de vrachtwagen heeft uitgevoerd en dat hij tussendoor enkele korte pauzes heeft gehad.

- In het bezwaarschrift heeft eiseres aangevoerd dat de werkzaamheden bestonden uit het aankoppelen van de pomp van de vrachtwagen en dat hij toezicht heeft gehouden op het pompproces.

- In het beroepschrift heeft eiseres aangevoerd dat de werkzaamheden enkel bestonden uit het aankoppelen van de pomp van de vrachtwagen en dat de werknemer verder niets hoefde te doen. Hij heeft enkel naast de vrachtwagen gezeten.

- Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat de werknemer de pomp van de vrachtwagen heeft aangekoppeld en dat vervolgens een medewerker van de locatie (die in dienst is bij een andere onderneming van eiseres) bij de vrachtwagen is gebleven en toezicht op het pompproces heeft uitgevoerd. De werknemer kon vertrekken (hiervoor was een personenauto beschikbaar) maar de werknemer heeft ervoor gekozen op de locatie te blijven. Hij is in de kantine gaan zitten. De op de tachograaf geregistreerde gegevens hebben betrekking op werkzaamheden van die andere medewerker, waardoor op de bestuurderskaart van de werknemer (die de werknemer blijkbaar uit de vrachtwagen heeft gehaald) niets is geregistreerd.

Uit deze wisselende verklaringen leidt de rechtbank af dat er sowieso toezicht moest worden gehouden op het pompproces. Los staande hiervan overweegt de rechtbank dat dit proces wordt uitgevoerd met een stationair draaiende vrachtwagen. Dat hierbij geen enkel toezicht wordt gehouden, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank acht het verder niet geloofwaardig dat dit toezicht is uitgevoerd door een eerst ter zitting opgevoerde andere medewerker, dat de werknemer de hele periode in de kantine heeft doorgebracht en hij vervolgens voor al deze uren wel is uitbetaald.

De rechtbank gaat er daarom van uit dat de werknemer toezicht heeft uitgeoefend op het pompproces. De rechtbank laat in het midden of de werknemer tevens reparatiewerkzaamheden heeft uitgevoerd.

10.3.

De rechtbank onderschrijft verweerders standpunt, neergelegd in het bestreden besluit en het verweerschrift, dat de (toezicht)werkzaamheden gedurende de bewuste tijdsvakken kunnen worden geduid als periodes waarin de werknemer niet vrijelijk over zijn tijd kon beschikken. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank worden geduid als ‘gereed om aan het werk te gaan en daarbij belast is met een aan de dienst verbonden taak’ als bedoeld in artikel 3, onder a, tweede gedachtestreepje, van de Richtlijn.

De door eiseres gemaakte vergelijking met het rusten op een parkeerplaats gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. Dat een chauffeur op een onbewaakte parkeerplaats zijn rust moet nemen in het zicht van de vrachtwagen (met het oog op diefstal van de lading) is niet vergelijkbaar met het bij de vrachtwagen moeten blijven omdat deze wordt gebruikt als pomp. In de laatste situatie draait de vrachtwagen stationair en moet er ingegrepen worden als er iets mis gaat. Dit vergt een andere benadering/houding en een andere verantwoordelijk dan in het zicht van de vrachtwagen een broodje eten.

Hierdoor is sprake van ‘arbeidstijd’ in de zin van artikel 3, onder a, van de Richtlijn en, daaruit voortvloeiend, sprake van ‘andere werkzaamheden’ als bedoeld in artikel 34, vijfde lid, onder b, onder ii, van Vo 165/2014.

10.4.

Omdat deze werkzaamheden op 11 en 12 september 2018 niet als zodanig zijn geregistreerd op de bestuurderskaart van de werknemer, is in strijd met artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv gehandeld. Hierdoor is er geen sprake van een deugdelijke registratie in de zin van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw.

Verweerder heeft zich terecht bevoegd geacht om eiseres hiervoor een bestuurlijke boete op te leggen.

11. Het gebruikmaken van deze bevoegdheid is niet bestreden. De rechtbank volstaat hier met deze constatering.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E.M. Lever, griffier, op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.