Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3416

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-08-2021
Datum publicatie
02-09-2021
Zaaknummer
9073183 \ CV EXPL 21-1142
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert betaling van premies uit 2010 en 2011. Gedaagde is ondertussen in de schuldsanering gekomen en deze is ook beëindigd, zonder schone lei. Eiser kan haar vordering echter niet meer opeisen. Ook in het voor eiser meest gunstige geval (dat de verjaringstermijn zou zijn verlengd tot zes maanden na de beëindiging van de WSNP (art. 36 lid 1 FW)), is de vordering verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 9073183 \ CV EXPL 21-1142

Vonnis van 17 augustus 2021

in de zaak van

de naamloze vennootschap N.V. UNIVÉ ZORG,
gevestigd en kantoorhoudende te Arnhem,

eisende partij, hierna te noemen Univé,

gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,

verschenen in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 februari 2021;

- de brief van [gedaagde] van 8 april 2021, aangemerkt als conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de brief van [gedaagde] van 2 juli 2021, aangemerkt als conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft een zorgverzekering afgesloten bij Univé. Op grond daarvan heeft [gedaagde] onder meer de verplichting om de premie voor de basisverzekering aan Univé te voldoen. Daarnaast moet [gedaagde] de zorgkostennota’s, waarin Univé het eigen risico in rekening brengt, aan Univé voldoen. [gedaagde] heeft in 2010 en 2011 een achterstand laten ontstaan in de betaling van de premies en de zorgkostennota’s.

2.2.

Op 9 juni 2015 is ten aanzien van [gedaagde] de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) uitgesproken. Bij vonnis van 7 februari 2019 van de rechtbank Midden-Nederland is de WSNP met toepassing van art. 350 lid 3 sub a Fw (de vorderingen kunnen volledig worden voldaan, geen schone lei) beëindigd.

3 Het geschil

3.1.

Univé wil dat [gedaagde] de openstaande premies en zorgkostennota’s uit 2010 en 2011 alsnog betaalt, plus rente en kosten. Nu de schuldsanering is beëindigd, zijn de openstaande vorderingen weer opeisbaar geworden, aldus Univé. In deze procedure beperkt Univé de vordering tot € 500,00. Daarom vordert Univé dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding, de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert kort gezegd aan dat Univé zich had moeten melden in de WSNP. Dat heeft Univé nagelaten. De WSNP is al in 2019 beëindigd. Univé kan niet nu nog tot opeising van de vordering overgaan, aldus [gedaagde] .

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter is van oordeel dat het verweer van [gedaagde] , waarbij hij nadrukkelijk een beroep doet op het wegvallen van Univé’s vorderingsrecht wegens het verstrijken van tijd, moet worden verstaan als een beroep op verjaring, zodat de kantonrechter dat verweer eerst heeft te beoordelen.

4.2.

De op 9 juni 2015 van kracht geworden WSNP-regeling was ingevolge het beëindigingsvonnis van toepassing tot 16 februari 2019, te weten de dag waarop de beroepstermijn tegen dat vonnis ongebruikt is verstreken.

4.3.

De kantonrechter stelt verder het volgende voorop.

Bij gebrek aan betwisting door Univé is tussen partijen komen vast te staan dat Univé haar vordering niet ter verificatie heeft aangemeld en voorts dat zij [gedaagde] na het eindigen van de WSNP pas op 13 oktober 2020 voor het eerst weer tot betaling heeft aangeschreven.

4.4.

Artikel 36 lid 1 Fw bepaalt het volgende:

“Wanneer een verjaringstermijn betreffende een rechtsvordering, als bedoeld in artikel 26, zou aflopen gedurende het faillissement of binnen zes maanden na het einde daarvan, loopt de termijn voort totdat zes maanden na het einde van het faillissement zijn verstreken.”

4.5.

De vordering bestaat uit premies en zorgkosten die dateren uit 2010 en 2011. Niet duidelijk is of Univé de verjaring in de periode tussen de factuurdata en het ingaan van de WSNP heeft gestuit, maar de kantonrechter wil gemakshalve wel aannemen dat de verjaringstermijn in ieder geval niet al vóór de WSNP-datum kan zijn volgelopen.

Uitgaande van het – voor Univé meest gunstige – geval dat zij de verjaring daags vóór de WSNP oftewel op 8 juni 2015 nog heeft gestuit, betekent dat dat de verjaringstermijn op

9 juni 2020 afliep. Dan blijft art. 36 Fw buiten toepassing en is de conclusie dat de vordering ruim vóór de aanmaning van Univé van 13 oktober 2020 was verjaard.

Ook als de verjaringstermijn wèl binnen het in art. 36 Fw bedoelde tijdvak zou eindigen kan dat Univé niet baten. In dat geval zou de verjaringstermijn immers zijn verlengd tot zes maanden na de beëindiging van de WSNP. En ook dan eindigt de termijn ruim vóór 13 oktober 2020.

Nu niet is gebleken dat Univé de verjaring voordien nog heeft gestuit, is de slotsom dat het beroep op verjaring slaagt.

4.6.

De vordering van Univé, en daarmee ook de nevenvorderingen, zullen gelet op het voorgaande worden afgewezen.

4.7.

Univé wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] . Deze worden begroot op nihil, nu [gedaagde] niet met een professioneel gemachtigde procedeert.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt Univé in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2021. (SB)