Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3409

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
ZWO 20/1955
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om intrekking omgevingsvergunning voor bouw van zorghotel; intrekken omgevingsvergunning omdat er ten onrechte een Wnb-toestemming niet zou zijn aangehaakt, is niet mogelijk; wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 20/1955


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp),

en

het college van burgemeester en wethouders van Borne, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 18 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser - om intrekking van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een zorghotel op het perceel [adres] te Zenderen (hierna: het perceel) - afgewezen.

In het besluit van 27 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2021 op zitting behandeld. Eiser heeft

zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.T.T. Taken.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit (a) het bouwen van een bouwwerk en (c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo bepaalt, voor zover hier van belang, dat

het bevoegd gezag de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geheel of gedeeltelijk kan intrekken, voor zover gedurende 26 weken geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.

Besluitvorming

2. In het besluit van 21 juli 2016 is aan de [naam vennootschap] B.V. (hierna: [naam vennootschap] ) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een zorghotel op het perceel.

Deze omgevingsvergunning heeft, voor zover voor het geschil van belang, betrekking op

de activiteiten ‘bouwen’ en ‘afwijken van het bestemmingsplan’, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo. Hierbij is toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo. Dit besluit is onherroepelijk geworden na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4182.

3. Op 22 november 2019 heeft eiser, die een agrarisch bedrijf in de omgeving exploiteert, verweerder verzocht deze omgevingsvergunning, voor zover deze ziet op

de activiteiten ‘bouwen’ en ‘afwijken van het bestemmingsplan’ in te trekken. Eiser

heeft hierbij aangegeven dat [naam vennootschap] failliet is gegaan waardoor de bouw al ongeveer 1,5 jaar stilligt. Ook heeft eiser aangegeven dat de procedure tot verlening van deze omgevingsvergunning niet correct is verlopen, te weten geen inspraak en geen (aangehaakte) natuurtoestemming op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Dit is volgens eiser ook een reden om deze omgevingsvergunning in te trekken.

4. Verweerder heeft bij brief van 7 januari 2020 aan eiser meegedeeld voornemens

te zijn het verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning af te wijzen. Eiser is in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven. Eiser heeft op 23 januari 2020 een zienswijze gegeven.

5. In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft verweerder

het verzoek om intrekking van de op 21 juli 2016 aan [naam vennootschap] verleende omgevingsvergunning, afgewezen. Verweerder heeft zich hierbij op de navolgende standpunten gesteld.

5.1.

De bouwwerkzaamheden hebben zeker 1,5 jaar, dus meer dan 26 weken, stilgelegen, zodat hij bevoegd is om op grond van artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo de omgevingsvergunning in te trekken.

5.2.

Hij is niet bereid om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder aangevoerd dat de bouw van een zorghotel nog steeds mogelijk

is onder het huidige planologische regime, er geen relevante wijzigingen hebben plaats-gevonden, de inzichten op ruimtelijk, bouwkundig en milieukundig gebied niet zijn gewijzigd, de vergunninghouder onevenredig wordt benadeeld bij intrekking van de omgevingsvergunning en tijdens een controle op 7 januari 2020 is geconstateerd dat de bouwwerkzaamheden zijn hervat. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt wat zijn belangen zijn bij intrekking van de omgevingsvergunning, aldus verweerder.

5.3.

Artikel 2.32 van de Wabo is niet van toepassing omdat geen sprake is van een inrichting. Een eventuele fout in de procedure ten behoeve van de vergunningverlening

kan geen aanleiding zijn de omgevingsvergunning in te trekken wegens onjuiste opgave.

Beoordeling van het beroep

Formele beroepsgrond

6. Eiser stelt dat ten onrechte van horen is afgezien.

7. De rechtbank overweegt hierover dat uit de stukken blijkt dat er op 22 juni 2020 een hoorzitting bij de bezwarencommissie heeft plaatsgevonden, dat eiser - onweersproken - bij brief van 12 juni 2020 hiervoor is uitgenodigd en dat eiser zonder kennisgeving hier niet is verschenen.

Deze beroepsgrond mist feitelijke grondslag.

Inhoudelijke beroepsgronden

8. Niet in geschil is dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van een zorghotel op het perceel na de uitspraak van de Afdeling op 19 december 2018 onherroepelijk is geworden. Ook is niet in geschil dat de vergunninghouder nadien gedurende meer dan

26 weken geen bouwwerkzaamheden heeft verricht. Verweerder is dan ook bevoegd deze vergunning met toepassing van artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo, in te trekken.

9. Ten aanzien van de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren gebruik te maken van de intrekkingsbevoegdheid overweegt de rechtbank het volgende.

9.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is de intrekking van een omgevings-vergunning geen verplichting, maar een bevoegdheid. Bij de toepassing van die bevoegd-heid komt verweerder beleidsruimte toe. De rechter toetst of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Bij toepassing van deze bevoegdheid moeten alle relevante belangen worden geïnventariseerd en afgewogen. Daartoe behoren ook de (financiële) belangen van vergunninghouder. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 23 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1700. Uit de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3520, volgt dat deze rechtspraak onverkort van toepassing is bij een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ (als bedoeld

in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo), mits deze ten grondslag is gelegd aan de activiteit ‘bouwen’ (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo).

9.2.

In deze zaak heeft verweerder de (ontbrekende) algemene belangen bij intrekking

en de belangen van de vergunninghouder (die zich verzetten tegen intrekking) in beeld gebracht en afgewogen tegen de door eiser (niet genoemde) belangen bij intrekking.

Eiser heeft in zijn beroepschrift volstaan met het bestrijden van één door verweerder genoemd belang van de vergunninghouder, te weten dat de vergunninghouder de bouw-werkzaamheden ondertussen heeft hervat, waaruit blijkt dat deze nog steeds gebruik wil maken van de verleende omgevingsvergunning. Volgens eiser bestaan de gestelde bouwwerkzaamheden enkel uit het afvoeren van bouwmaterialen.

De rechtbank oordeelt dat deze stelling van eiser niet overeenkomt met het controlerapport dat als gedingstuk 7 door verweerder is ingebracht. Uit dit rapport blijkt dat er op 7 januari, 30 april, 18 mei, 27 mei, 29 mei en 3 juni 2020 controles hebben plaatsgevonden. Hierbij is geconstateerd dat er bouwwerkzaamheden plaatsvinden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid de belangen van vergunninghouder bij niet-intrekking van de omgevingsvergunning kunnen laten prevaleren boven de belangen van eiser bij intrekking.

Niet is gebleken dat verweerder bij deze belangenafweging een of meerdere (niet nader gespecificeerde) algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, zoals eiser in zijn beroepschrift heeft gesteld.

De in dit kader aangevoerde beroepsgronden slagen niet.

10. Eiser stelt dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning ten onrechte niet is aangehaakt bij de Wnb en dat dit een gebrek is dat verweerder had moeten herstellen door de omgevingsvergunning in te trekken. Ter zitting heeft eiser in dit kader verwezen naar artikel 2.33, eerste lid, onder g, van de Wabo.

11. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

11.1.

De opsomming van intrekkingsgronden in artikel 2.33 van de Wabo is limitatief. Andere gronden voor intrekking, voor zover die niet zijn bedoeld als sanctie, zijn uitgesloten (uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:465).

11.2.

De intrekkingsgrond, neergelegd in artikel 2.33, eerste lid, onder g, van de Wabo, ziet op gevallen waarbij in de omgevingsvergunning een aanhakende toestemming is opgenomen. Deze toestemming moet worden ingetrokken indien de verplichting daartoe in die andere wettelijke bepaling is opgenomen.

In deze zaak is er geen Wnb-toestemming aangehaakt. Reeds hierom is deze intrekkings-grond niet van toepassing.

11.3.

Het intrekken van een omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘afwijken van het bestemmingsplan’ omdat er ten onrechte een Wnb-toestemming niet

zou zijn aangehaakt, is niet mogelijk. Hier is immers geen wettelijke grondslag voor.

Verder overweegt de rechtbank dat eiser dit gestelde ten onrechte niet aanhaken had

kunnen en moeten aanvoeren in de procedure tot verlening van de omgevingsvergunning

en hij dit ook heeft gedaan. Zo heeft eiser, zowel in de procedure tot vaststelling van het bestemmingsplan om de bouw van het zorghotel mogelijk te maken als in de procedure tot verlening van de omgevingsvergunning, aangevoerd dat sprake is van strijd met de Wnb. Deze beroepsgronden zijn verworpen door de Afdeling in haar uitspraak van 7 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1516, en door de rechtbank in haar uitspraak van 8 januari 2016, zaaknummers 17/1792 en 17/2478.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E.M. Lever, griffier, op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.