Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3388

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
ZWO 20/1486
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het UWV heeft terecht geen WIA-uitkering met een verkorte wachttijd toegekend aan een man uit Almelo. De man heeft de ziekte CVS/ME en vroeg aan de uitkeringsinstantie om hem versneld volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te verklaren. Op 11 januari 2020 was een stabiele of verslechterende situatie volgens het UWV nog niet bereikt. Verbetering van de belastbaarheid was toen namelijk nog niet uitgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 20/1486


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: J.E. Eshuis),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), verweerder,

(gemachtigde: M.A. Kuilderd).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: Stichting [school], te Hengelo,

(gemachtigde: mr. A.M.W.A. van der Hoeven).

Procesverloop

In het besluit van 28 januari 2020 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met verkorte wachttijd afgewezen.

In het besluit van 17 juli 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Namens eiser zijn diverse stukken met beroepsgronden en bijlagen ingediend.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

De derde-partij heeft een schriftelijke reactie op de stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn partner [naam 1] en cardioloog Van Campen van Stichting Cardio Zorg. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De gemachtigde van de derde-partij is verschenen, samen met
[naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

Feiten en besluitvorming

1. Eiser was werkzaam als ICT-beheerder A voor 36,86 uur per week bij de derde-partij. Op 17 september 2018 is eiser uitgevallen met onder meer klachten van vermoeidheid, aangezichtspijn en problemen met lopen. In november 2018 is eiser geopereerd aan een trigeminus afwijking, waarna klachten bleven en verergerden.

1.1.

Eiser heeft op 1 november 2019 een aanvraag ingediend om met toepassing van een verkorte wachttijd in de zin van artikel 23, zesde lid van de Wet WIA in aanmerking te komen voor een WIA-uitkering.

1.2.

In verband met deze aanvraag heeft de verzekeringsarts het dossier en de informatie, ontvangen van de [bedrijfsarts] en [cardioloog] van de Stichting Cardio Zorg van 5 december 2019, bestudeerd. De verzekeringsarts komt kort gezegd tot de conclusie dat het momenteel nog niet mogelijk is om te stellen dat de prognose zodanig is dat enige verbetering van mogelijkheden is uitgesloten. Daarom is een verkorte wachttijd niet aan de orde. In lijn hiermee heeft verweerder in het primaire besluit de aanvraag van eiser afgewezen, onder de overweging dat eiser op 11 januari 2020 (de datum in geding) niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

1.3.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en stelt dat hij wel volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is ten tijde van de datum in geding. Er is geen behandeling die zijn belastbaarheid kan verbeteren. Daarbij heeft eiser gewezen op het advies van de Gezondheidsraad over ME/CVS van 19 maart 2018 (advies Gezondheidsraad), het beleidsstuk inzake “De beoordeling van cliënten met ME/CVS bij UWV”, zoals vastgesteld door de directie Sociaal Medische Zaken van het UWV op 4 juli 2018 (beleid UWV 2018) en de brief van de minister van Medische Zorg en Sport aan de Tweede Kamer inzake “Verzoek reactie op advies van de Gezondheidsraad inzake ME/CVS” van
11 december 2018 (brief van de Minister van 11 december 2018). Ook heeft eiser overgelegd een brief van [arts-assistent] , arts-assistent, mede namens neuroloog [neuroloog] van 15 oktober 2018, een rapportage van internist [internist] van de Vermoeidheidkliniek van 30 april 2019, een brief van [cardioloog] van
5 december 2019, een JPH rapportage in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) van medisch adviseur tevens arts [arts] van april 2020 en een brief van ergotherapeut [ergotherapeut] van Twentergo van 30 juni 2020.

1.4.

De derde-partij heeft eveneens bezwaar gemaakt en de bezwaargronden van eiser onderschreven. Aanvullend heeft zij gewezen op de verzwaarde motiveringsplicht die volgens haar geldt, omdat de werkgever bezwaar heeft gemaakt.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Aan het besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat op de datum in geding, te weten 11 januari 2020, geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Verweerder heeft daarbij - kort gezegd - verwezen naar de medische rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juli 2020.

3.
Gebleken is dat inmiddels aan eiser een IVA-uitkering is toegekend, omdat eiser volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 4 van de Wet WIA.

Zorgvuldigheid onderzoek

4. Eiser heeft ter zitting naar voren gebracht dat het medisch onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is geschied, omdat hij nooit persoonlijk door één van de verzekeringsartsen is onderzocht. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig tot stand gekomen en moet worden vernietigd.

5. Verweerder heeft ter zitting daarop gereageerd en gesteld dat het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit zorgvuldig is geweest. Volgens verweerder was de verzekeringsarts voornemens om nader onderzoek te doen. Na ontvangst van de brief van [cardioloog] van 5 december 2019 werd dat niet langer noodzakelijk geacht. Eiser is vervolgens in de bezwaarfase uitgenodigd voor een hoorzitting, maar heeft meegedeeld daarvan af te zien. Omdat tijdens de bezwaarfase ook veel informatie is verstrekt, was het houden van een spreekuur volgens verweerder niet noodzakelijk. Daarbij wijst verweerder naar de rapportages van de verzekeringsarts van 24 januari 2020 en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juli 2020.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts in zijn rapportage van

24 januari 2020 de informatie van de bedrijfsarts van 22 oktober 2019 en de brief van [cardioloog] van 5 december 2019 kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken. De bedrijfsarts heeft eiser op 22 oktober 2019 op zijn spreekuur gezien. [cardioloog] heeft hem vlak voor het schrijven van 5 december 2019 onderzocht. De verzekeringsarts heeft de diagnoses die [cardioloog] bij eiser heeft gesteld overgenomen. De verzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien om eiser op een spreekuur te zien. Aanvankelijk was de verzekeringsarts dat wel van plan, maar inmiddels was voldoende informatie voor een zorgvuldige beoordeling van de ‘duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid’ beschikbaar gekomen, zo heeft verweerder ter zitting toegelicht. De rechtbank stelt verder vast dat eiser in bezwaar de medische grondslag van het primaire besluit heeft betwist, maar daarbij de omstandigheid dat hij niet door de verzekeringsarts op een spreekuur is gezien niet specifiek aan de orde heeft gesteld. Eiser heeft vervolgens uit eigen beweging afgezien van deelname aan een hoorzitting. Uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juli 2020 blijkt voorts dat deze arts de medische bezwaren, het medisch dossier van eiser en de beschikbare medische informatie van de behandelaars heeft bestudeerd. Zij ziet geen grond om informatie op te vragen, omdat voldoende informatie van eisers behandelaars voorhanden is, waardoor opvragen van nog meer informatie niet van toegevoegde waarde is. Ook bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep staat de diagnose CVS/atypische ME niet ter discussie en zijn de overige diagnoses, waaronder posturaal orthostatische tachycardie syndroom (POTS), in de beoordeling meegenomen. Niet is gebleken van informatie die ziet op de medische situatie van eiser tot en met de datum in geding, die ten onrechte door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet in de beoordeling is betrokken.
Onder deze specifieke omstandigheden en gezien de aard van de beoordeling kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat het medisch onderzoek in de bezwaarfase onzorgvuldig is geweest. De beroepsgrond faalt.
Duurzame arbeidsongeschiktheid op 11 januari 2020?
7. Eiser voert - samengevat - aan dat CVS/ME een chronische multisysteem ziekte is, die niet te genezen is. Die ziekte, in combinatie met de overige bij hem vastgestelde aandoeningen, waaronder POTS en post inspanningsmalaise (PEM), en het verloop daarvan, maakt dat op de datum in geding geen herstel van functionele mogelijkheden te verwachten is. Er is sprake van een progressief ziektebeeld. Eiser heeft geprobeerd om zijn belastbaarheid te verbeteren, maar na iedere inspanning werd zijn situatie slechter. Nadat door [cardioloog] eind 2019 aanvullende diagnoses zijn gesteld, is hij nooit met de multidisciplinaire behandeling bij het Roessingh gestart. Op de datum in geding is voor eiser alleen een symptomatische behandeling mogelijk die slechts een geringe verbetering van de kwaliteit van leven kan opleveren. De cognitieve gedragstherapie (CGT) en Graded exercise therapie (CET), zoals omschreven in de richtlijn CVS, kunnen helpen bij acceptatieproblematiek. Van die problematiek is bij eiser geen sprake. Ter onderbouwing van zijn stellingen wijst eiser op de in bezwaar overgelegde (medische) stukken, zoals onder 1.3. weergegeven. Ook heeft eiser in beroep diverse (medische) stukken overgelegd, waarbij hij met name aandacht vraagt voor de informatie van cardioloog Van Campen in de brieven van 27 juli 2020, 18 september 2020, 24 november 2020 en 19 januari 2021, de wetenschappelijke artikelen van Van Campen e.a. op het gebied van CVS/ME, de Amerikaanse richtlijn “Diagnosing and Treating Myalgic Encephalomyelitis/chronic fatigue syndrome (ME/CFS)” van augustus 2019 (Amerikaanse richtlijn) en de brief van huisarts [huisarts] aan verzekeringsarts Voogd van 12 januari 2021.

8. De derde-partij onderschrijft het standpunt van eiser. Aanvullend wijst zij erop dat verweerder voorbij gaat aan de door eiser ingebrachte informatie van de medisch specialisten en niet heeft onderbouwd waarom er bij eiser geen progressief of stabiel beeld zonder behandelmogelijkheden bestaat. Ook heeft verweerder onvoldoende informatie bij eisers behandelaars ingewonnen.
9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op de datum in geding herstel van arbeidsmogelijkheden niet was uitgesloten. Daarbij wijst hij op de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juli 2020, 2 september 2020, 30 oktober 2020,
4 januari 2021 en 3 mei 2021. Van eiser had mogen worden verwacht dat hij met de voorgestelde multidisciplinaire therapie, of delen daarvan, zou zijn gestart. De nieuwe diagnoses die door [cardioloog] zijn gesteld, staan daaraan niet in de weg.
Verweerder wijst op de expertise van de eigen verzekeringsartsen en de richtlijn CVS. Ook wijst hij op de informatie op de website van PsyQ, de website van het Isala ziekenhuis en de website van het Nederlands Kenniscentrum Chronische Vermoeidheid. Daaruit volgt dat het ziektebeeld bij CVS op zich niet maakt dat verbetering op voorhand is uitgesloten. Er zijn nog behandelmogelijkheden die resultaat kunnen opleveren. Uit het advies van de Gezondheidsraad, het UWV beleid 2018, de brief van de Minister van 11 december 2018 en de Amerikaanse richtlijn kan volgens verweerder niet worden afgeleid dat bij eiser sprake is van duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid. Dit geldt ook voor de wetenschappelijke artikelen van cardioloog Van Campen e.a. waarnaar eiser verwijst. Niet ter discussie staat dat hier sprake is van een ziekte. Uit de informatie van het Roessingh kan niet worden opgemaakt dat verbetering van de klachten en beperkingen is uitgesloten. De brief van de huisarts heeft geen betrekking op de situatie ten tijde van de datum in geding en leidt daarom volgens verweerder niet tot een andere conclusie.

10. De rechtbank overweegt als volgt.

11. De vraag die voorligt is of de arbeidsongeschiktheid van eiser duurzaam was, uitgaande van de in artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA bedoelde periode van tien weken vanaf de aanvraagdatum, dus op 11 januari 2020 (de datum in geding).

11.1.

Op grond van artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA geldt een wachttijd van 104 weken voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet. Op grond van het zesde lid van dat artikel stelt het UWV op aanvraag van de verzekerde, in afwijking van het eerste lid, een verkorte wachttijd vast indien de verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4, tweede lid, en bij de aanvraag artikel 66 in acht is genomen. Een verkorte wachttijd bedraagt ten minste 13 weken en ten hoogste 78 weken. Het einde van een verkorte wachttijd wordt niet eerder vastgesteld dan tien weken na de dag waarop de aanvraag daartoe is ingediend.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van het tweede lid van dat artikel wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.

11.1.1.

Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 23 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2114 en van 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2870 ) volgt dat de wetgever met de regeling van de verkorte wachttijd het oog heeft gehad op die werknemers van wie het al in een eerder stadium dan na twee jaar ziekte duidelijk is dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. In dat geval vervalt de ratio van de re-integratie-inspanningen en de financiële prikkel voor de werkgever. Om in aanmerking te komen voor een verkorte wachttijd dient volgens de wetgever wel aan een aantal voorwaarden te worden voldaan, waaronder die dat alleen een dergelijke aanvraag om uitkering kan worden gedaan als sprake is van een stabiele situatie, dat wil zeggen dat er geen mogelijkheden zijn om in arbeid te functioneren en dat er ook geen kans op herstel is. Alleen die zieke werknemers die in een evident stabiele situatie verkeren en die volledig arbeidsongeschikt zijn, kunnen in aanmerking komen voor een flexibele keuring (met een verkorte wachttijd). Het uitgangspunt dat slechts in een onomkeerbare situatie sprake kan zijn van een verkorte wachttijd, is tot uitdrukking gebracht door in artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA uitdrukkelijk slechts te verwijzen naar het tweede lid van artikel 4 en niet ook naar het derde lid of naar artikel 4, zonder verdere beperking. Dit betekent dat het Uwv in het kader van een aanvraag om een verkorte wachttijd slechts dient te beoordelen of sprake is van een stabiele of verslechterende medische situatie. Als herstel mogelijk is, kan geen sprake zijn van een toekenning met een verkorte wachttijd. Daarbij gaat het om herstel van arbeidsmogelijkheden (zie ook de uitspraak van de CRvB van 18 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4768).
11.2. De belastbaarheid van eiser op de datum in geding is op navolgbaar gemotiveerde wijze weergegeven in de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

11.3.

Volgens de verzekeringsarts is bij eiser sprake van CVS/atypische ME matige tot ernstige vorm, ernstige orthostatische intolerantie, POTS als subtype van orthostatische intolerantie en geheugenstoornissen op basis van.“2n” en PEM (post inspanningsmalaise). De verzekeringsarts komt op basis van de informatie van de bedrijfsarts van
22 oktober 2019 en informatie van [cardioloog] van 5 december 2019 tot de conclusie dat geen sprake is van ziektebeelden met een bewezen blijvend slechte prognose. Hiervoor bestaat volgens hem onvoldoende medisch wetenschappelijke onderbouwing. Het beeld bij eiser moet worden beschouwd als een aandoening, waarbij in principe verbetering van functioneren mogelijk is, maar die in zijn aard ook kan leiden tot langdurige en blijvende beperkingen. Het is nog onzeker welke kant het opgaat. Verbetering van de functionele mogelijkheden is volgens de verzekeringsarts op de datum in geding niet uitgesloten.
11.4. De verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt de verzekeringsarts in zijn redenering en komt ook tot de conclusie dat op de datum in geding geen sprake is van een progressief of stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. Zij benoemt dat [cardioloog] een aantal adviezen heeft gegeven, te weten: beter binnen grenzen van energie blijven, meer ruimte voor (liggend) herstel inbouwen, ruim vocht (2-2,5 liter), ruim zout (9 gram NaCI per dag), niet langer dan 5 minuten staan, niet langer dan 20 minuten rechtop zitten en dit afwisselen met voldoende lang liggend herstel. De effecten hiervan moeten, zo volgt uit de brief van [cardioloog] , nog geëvalueerd worden. Daarnaast betrekt zij bij haar oordeel de rapportage van [internist] , internist van de Vermoeidheidkliniek, van 30 april 2019 die uitgaat van de diagnose ME/CVS en schrijft:
“(…)
er is geen bewezen effectieve behandeling voor genezing. Geneesmiddelen en supplementen kunnen vermindering van klachten en symptomen geven. De multidisciplinaire behandeling is eveneens gericht op het verminderen van klachten. Door tegelijk met verschillende therapeuten op verschillende gebieden aan het werk te gaan willen we verbetering bereiken (…). Bij Vermoeidheidkliniek is een multidisciplinaire behandeling mogelijk van tenminste 12 maanden, die grofweg bestaat uit:
- internist: is behandelend arts, doet de medicatie;
- ergotherapeut: ondersteunt het managen van activiteiten;
- oefentherapeut: leert ontspannen in het dagelijks leven;
- fysiotherapeut: ondersteunt het zoeken naar balans in bewegen, zonder hierbij over grenzen te gaan;
. psycholoog: ondersteunt met het leren omgaan met een chronische ziekte;
- diëtist: ondersteunt in het kiezen van de juiste voeding;
- patiëntdesk: begeleidt het traject en treedt op als contactpersoon.
De verwachting is dat belanghebbende baat heeft bij de multidisciplinaire behandeling. Multidisciplinaire behandeling is zinvol ten behoeve van opbouwen algehele conditie, balans in belasting/belastbaarheid, ondersteuning bij somberheid, leren ontspannen. (…) belanghebbende kan de multidisciplinaire behandeling starten (…)”.
(…).
Gebleken is dat de voorgestelde behandeling niet heeft plaatsgevonden. Uit de rapportage van medisch adviseur [arts] van april 2020, opgesteld in het kader van een Wmo-aanvraag, leidt de verzekeringsarts bezwaar en beroep af dat het traject niet is doorgegaan, omdat het geen positief resultaat zou opleveren met de diagnoses die later, na eisers bezoek aan de Vermoeidheidkliniek, zijn gesteld.

Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep wil de omstandigheid dat een oorzakelijke behandeling niet mogelijk is, echter niet zeggen dat een symptomatische behandeling bij eiser niet zou werken of niet tot klachtenvermindering kan leiden. Qua nieuwe diagnoses gaat het om de orthostatische intolerantie, waarbij als subtype POTS is vastgesteld door [cardioloog] . De verzekeringsarts bezwaar en beroep zet vraagtekens bij de diagnose POTS en legt in haar rapportage uit waarom. Uitgegaan wordt evenwel van de klachten die horen bij de overkoepelende diagnose orthostatische intolerantie. Klachten van POTS/orthostatische intolerantie kunnen onder andere toenemen als gevolg van warmte, stress en spanning, bedlegerigheid en stevige inspanning. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel degelijk behandeling mogelijk waarbij klachten kunnen verbeteren/verminderen, bijvoorbeeld met leefstijladviezen, steunkousen, spiertraining en medicatie. Het is op de datum in geding niet uitgesloten dat herstel van functionele mogelijkheden kan optreden.

11.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft tijdens de beroepsprocedure gemotiveerd waarom zij in de medische gegevens van cardioloog Van Campen en de andere (medische) stukken waarop eiser zich beroept, geen aanleiding ziet om haar standpunt te wijzigen.
Uit de informatie van het Roessingh kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet de conclusie getrokken worden dat op de datum in geding verbetering van klachten en beperkingen is uitgesloten. Dat er veranderingen zijn ontstaan in de medische situatie ná de datum in geding kan in de beoordeling geen rol spelen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep doen de medische publicaties van cardioloog Van Campen e.a. niet ter zake, omdat niet ter discussie staat dat bij eiser sprake is van ziekte en gebreken. Het advies van de Gezondheidsraad is van algemene aard en gaat niet in op de situatie van eiser. Ook uit het UWV beleid 2018 en de brief van de Minister van 11 december 2018 blijkt niet dat bij eiser sprake is van duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid. In dat beleid en de brief wordt CVS/ME erkend als ziekte en wordt het volgen van een behandeling gestimuleerd. Uit de informatie van cardioloog Van Campen leidt de verzekeringsarts bezwaar en beroep af dat cardioloog Van Campen van mening is dat verbetering is uitgesloten bij het ziektebeeld CVS/ME, maar die mening deelt zij dus niet.

Aanvullend wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar de websites van PsyQ en het Isala ziekenhuis, waarop de mogelijkheid van het volgen van therapie (bijvoorbeeld CGT en GET) bij de diagnose CVS/ME wordt benoemd. Er zijn behandelmogelijkheden met resultaten. Op de site van het NKCV (Nederlands Kenniscentrum Chronische Vermoeidheid) staat vermeld dat daar CGT als behandeling voor CVS geldt. Er staat ook dat het doel van de behandeling herstel van CVS is. Dit betekent: geen ernstige moeheid meer en weer kunnen doen wat iemand wil. In het algemeen wordt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij CVS/ME aangegeven dat verbetering mogelijk is, in tegenstelling tot wat cardioloog Van Campen beschrijft. Met alle bekende medische feiten tot en met de datum in geding was in het geval van eiser niet uit te sluiten dat bij hem op dat moment nog verbetering mogelijk was.
De verzekeringsarts benadrukt ten slotte dat in Nederland Nederlandse richtlijnen gelden. De omstandigheid dat in Amerika anders wordt gehandeld, doet niet af aan wat in Nederland door diverse behandelingstellingen wordt geadviseerd en gehanteerd. Dat de situatie van eiser met de tijd steeds verder achteruit is gegaan duidt op een progressief ziektebeeld. Dit zegt echter volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niets over de situatie per datum in geding.
11.6. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiermee op overtuigende wijze heeft toegelicht dat, per datum in geding, verbetering van functionele mogelijkheden niet uitgesloten was. Zij heeft daarbij de klachten van eiser en de beschikbare medische informatie in aanmerking genomen. Ze heeft navolgbaar uiteengezet dat en waarom de bevindingen van cardioloog Van Campen en ook de andere overgelegde medische stukken geen aanleiding geven om haar standpunt te wijzigen. De rechtbank acht deze motivering overtuigend en ziet geen aanleiding de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin niet te volgen. De rechtbank acht daarbij van belang dat [cardioloog] in december 2019 weliswaar nadere diagnoses bij eiser heeft gesteld, maar dat uit zijn rapportage niet blijkt dat de voorgestelde multidisciplinaire behandeling niet door eiser opgestart zou kunnen worden of dat hem de behandeling afgeraden wordt. Ook uit de brief van pijnarts [pijnarts] van het Roessingh leidt de rechtbank dit niet af. In die brief staat onder meer vermeld dat eiser, gezien zijn belastbaarheid, het opstarten van de voorgestelde multidisciplinaire behandeling niet zag zitten. De rechtbank concludeert dan ook dat zij de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan volgen in haar redenering dat op de datum in geding niet is uitgesloten dat de voorgestelde multidisciplinaire behandeling resultaat kon opleveren welke mogelijk tot verbetering van functionele mogelijkheden zou kunnen leiden. Er was toen, dus op 11 januari 2020, nog geen sprake van een evident stabiele of verslechterende situatie, als bedoeld in de onder 11.1.1. genoemde uitspraken.
Ook deze beroepsgrond faalt.

12. Het voorgaande betekent dat verweerder de aanvraag van eiser om een WIA-uitkering met een verkorte wachttijd terecht heeft afgewezen. Het bestreden besluit blijft in stand.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Vollebregt-Kuipers, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.