Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3381

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
08/252732 / HA ZA 20-345
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tekortkoming in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst. De reeds vervallen termijnen worden toegewezen. De gevorderde betaling van de toekomstige termijnen wordt afgewezen, omdat die termijnen thans nog niet opeisbaar zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 08/252732 / HA ZA 20-345

Vonnis van 25 augustus 2021

in de zaak van

[eiser] ,
wonende in [woonplaats] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiser] ,

gemachtigde: mr. H.M. van Eerten,

tegen

[gedaagde] ,
wonende in [woonplaats] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. N.S. Commijs.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 4 augustus 2020, met een productie;

- de conclusie van antwoord, met een productie;

- de mondelinge behandeling gehouden op 16 februari 2021, alwaar partijen met hun gemachtigden zijn verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en zij hebben vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mr. Commijs heeft op voorhand spreekaantekeningen overgelegd.

- de akte van 31 maart 2021 van [eiser] , houdende wijziging van eis, met producties;

- de akte van 14 juli 2021 van [gedaagde] , met producties.

1.2.

De griffier heeft partijen op 25 maart 2021 laten weten dat het vonnis wegens het vertrek van de comparitierechter door een andere rechter gewezen zal worden en dat zij met het oog daarop om een nieuwe mondelinge behandeling kunnen vragen. Van die gelegenheid hebben partijen geen gebruik gemaakt. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest onder huwelijkse voorwaarden. Ze zijn gescheiden per 3 september 2020. In maatschapsverband hadden zij een agrarisch bedrijf (hierna: het bedrijf).

2.2.

Partijen hebben tijdens een arbitrageprocedure een akte van dading gesloten op
6 maart 2020. Daarin is onder andere opgenomen dat [eiser] per 1 januari 2019 uit de maatschap treedt en dat [gedaagde] het bedrijf per die datum voor eigen rekening en risico voortzet. [gedaagde] moet verder de volgende bedragen aan [eiser] betalen:
- op uiterlijk 1 juni 2020: € 2.000,-
- op uiterlijk 1 juli 2020: € 2.000,-
- op uiterlijk 1 augustus 2020: € 271.000,-
- op uiterlijk 1 juni 2023: € 50.000,-
- op uiterlijk 1 juni 2025: € 75.000,-

Daarnaast moet [gedaagde] in geval van liquidatie van het bedrijf voor 1 januari 2035 een bedrag van € 400.000,- betalen met een afstaffeling van 10% per jaar vanaf 1 januari 2025. Indien de zoon van partijen het bedrijf volledig zou overnemen is geen sprake van een nabetalingsverplichting.

2.3.

De op dit moment vervallen termijnen van € 275.000,- heeft [gedaagde] niet aan [eiser] betaald. [eiser] heeft daarom beslagverlof gevraagd en verkregen op 20 augustus 2020.

2.4.

Op [datum] zijn de maatschap en partijen door deze rechtbank in staat van faillissement verklaard. Dat faillisementsvonnis en de daarbij uitgesproken faillietverklaring is na verzet vernietigd bij vonnis van deze rechtbank van 6 mei 2021.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – na wijziging en vermeerdering van eis – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 400.013,77, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2020 tot de dag van de volledige betaling. Ook vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over € 325.013,77 vanaf 1 juni 2023 en de wettelijke rente over € 400.013,77 vanaf 1 juni 2025, de beslagkosten en de proceskosten.

3.2.

[eiser] stelt hiertoe – kort gezegd – dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichting uit de vaststellingsovereenkomst. [eiser] vordert zowel de reeds vervallen termijnen van in totaal € 275.000,- als de termijnen die [gedaagde] in de toekomst zal zijn verschuldigd (€ 50.000,- op 1 juni 2023 en € 75.000,- op 1 juni 2025), vermeerderd met rente.

3.3.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij het bedrag van € 275.000,- nog niet heeft kunnen betalen vanwege financieringsproblemen, die deels aan [eiser] te wijten zijn. [gedaagde] betwist voor het overige niet dat zij dat bedrag alsnog aan [eiser] moet betalen. [gedaagde] betwist wel dat zij de gevorderde toekomstige termijnen reeds nu is verschuldigd.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank begrijpt uit de stellingen van [eiser] aldus dat hij nakoming vordert van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. De rechtbank zal dit geschil op deze grondslag (nakoming) beoordelen.

4.2.

Vaststaat dat [gedaagde] de op 1 juni 2020, 1 juli 2020 en op 1 augustus 2020 vervallen termijnen van respectievelijk € 2.000,-, € 2.000,- en € 271,000,- niet aan [eiser] heeft betaald. Dit betekent dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichting uit de vaststellingsovereenkomst. De tegenslagen die [gedaagde] bij het krijgen van financiering heeft ondervonden moeten voor haar rekening blijven. De genoemde bedragen dient [gedaagde] dus aan [eiser] te betalen. Het door [eiser] gevorderde bedrag van € 275.000,- is toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2020 tot de dag van de volledige betaling.

4.3.

De tot 1 augustus 2020 verschuldigde rente bedraagt € 13,77 en deze is berekend over de periode 1 juni 2021 tot 1 augustus 2021 over de bedragen die op 1 juni 2021 en 1 juli 2021 zijn vervallen (2 maal € 2.000,-). Deze rente is als niet betwist ook toewijsbaar.

4.4.

[eiser] heeft met een beroep op artikel 6:80 BW gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de toekomstige termijnen, die op 1 juni 2023 en 1 juni 2025 zullen vervallen. [eiser] heeft echter geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan thans geconcludeerd kan worden dat [gedaagde] de toekomstige termijnen niet (tijdig) zal betalen. [eiser] heeft evenmin uit een mededeling van [gedaagde] als bedoeld in lid 2 van genoemd artikel, die ontbreekt, kunnen afleiden dat [gedaagde] de toekomstige termijnen niet (tijdig) zal betalen. Van een gegronde vrees (lid 3) dat [gedaagde] de toekomstige termijnen niet (tijdig) zal betalen is verder, zonder nadere onderbouwing, geen sprake. Bovendien heeft [gedaagde] toegelicht dat zij bezig is om een financiering te regelen waarmee zij het bedrijf kan voortzetten en [eiser] kan afbetalen. Volgens [gedaagde] zit het financieringsplan in de afrondende fase, hetgeen door [eiser] niet is weersproken. De conclusie is dat [eiser] de vorderingen die zien op de toekomstige termijnen voorbarig heeft ingesteld, omdat deze nu niet opeisbaar zijn. De rechtbank wijst deze vorderingen dan ook af.

4.5.

[eiser] vordert dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 3.120,83. Dit bedrag bestaat uit € 629,83 voor verschotten (griffierecht € 297,- en explootkosten € 332,83) en € 2.491,- voor salaris advocaat
(1 rekest × tarief 2.491,00).

4.6.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 102,96;

- griffierecht € 1.639,-;

- salaris advocaat € 4.982,- (2,0 punten × tarief € 2.491,-)

Totaal € 6.723,96.

De nakosten zullen worden toegewezen als in de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 275.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 augustus 2020 tot de dag van de volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 13,77 aan tot 1 augustus 2020 vervallen rente;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 3.120,83;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die tot op heden aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 6.723,96;

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene, rechter, en in het openbaar uitgesproken op
25 augustus 2021.