Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3342

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-08-2021
Datum publicatie
26-08-2021
Zaaknummer
267380 / KG ZA 21-146
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Partijen zijn buren. Erfdienstbaarheid pad tussen woningen. Gedaagde heeft last van arbeidsmigranten die een deel van het pand van eisers huren. Gedaagde heeft 3 camera's laten ophangen.

De camera's registreren ook een deel van de eigendommen van eisers.

Eisers vorderen verwijdering van de camera's i.v.m. inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer / rolnummer : 267380 / KG ZA 21-146

Vonnis in kort geding van 20 augustus 2021

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

2. [eiseres sub 2] ,
beiden wonende te [woonplaats 1] ,

eisers in conventie, verweerders in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen (gezamenlijk) [eiser] c.s.

advocaat mr. R.A.M. Koolen te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen [gedaagde] ,

advocaat mr. A.Y. van Sermondt te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het inleidende exploot van dagvaarding van 29 juli 2021, met producties;

  • -

    de zijdens [eiser] c.s. ingezonden producties;

  • -

    de zijdens [gedaagde] ingezonden producties alsmede de pleitaantekeningen tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie, ingezonden namens [gedaagde] ;

  • -

    de zijdens [eiser] c.s. voorafgaand aan de mondelinge behandeling ingezonden nadere producties.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 6 augustus 2021, in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten. Bij die gelegenheid hebben beide partijen het eigen standpunt mondeling nader toegelicht. De griffier heeft daarvan aantekening gehouden.

1.3.

Namens [gedaagde] heeft mr. Sermondt bezwaar gemaakt tegen de zijdens [eiser] c.s. ingezonden nadere producties, ter griffie ontvangen op 6 augustus 2021, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, omdat deze te laat zijn ingediend. De voorzieningenrechter honoreert dat bezwaar. De betreffende stukken van [eiser] c.s. maken geen onderdeel uit van het procesdossier. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

2.1.

Partijen zijn buren. [eiser] c.s. zijn sinds december 2017 de bewoners van de woning aan [het adres 1] . [gedaagde] is sinds maart 2018 de eigenaresse en bewoonster van de naastgelegen woning aan [het adres 2] . Zij woont samen met haar zoontje in die woning.

2.2.

Tussen de beide woningen bevindt zich een doorgang (door partijen in de processtukken ook aangeduid als de brink).

2.3.

Op genoemde brink rust een erfdienstbaarheid, meer bepaald hebben partijen een recht van overpad, dat wil zeggen op het gedeelte van de brink dat in eigendom toebehoort aan [gedaagde] ten behoeve van [eiser] c.s. en andersom, op het gedeelte van de brink dat in eigendom toebehoort aan [eiser] c.s., ten behoeve van [gedaagde] .

2.4.

De brink wordt ook gebruikt door voertuigen als doorgang naar het achtergelegen gedeelte van het perceel/woonhuis van [eiser] c.s.

2.5.

Vanaf eind 2018 hebben [eiser] c.s. een deel van hun woning verhuurd aan een gezin met kinderen. Het gezin heeft het gehuurde na enige tijd verlaten.

2.6.

Vanaf 1 mei 2020 hebben [eiser] c.s. een deel van hun woning opnieuw verhuurd, ditmaal aan enkele arbeidsmigranten uit Roemenië.

2.7.

[gedaagde] heeft zich in de periode mei/juni 2020 enkele malen beklaagd bij [eiser] c.s. over door haar ervaren (geluids)overlast, veroorzaakt door de betreffende huurders van [eiser] c.s. Partijen hebben met elkaar daarover gesproken.

2.8.

In de loop van 2020 besloot [gedaagde] een beveiligingscamera te (laten) plaatsen, waarmee zij zicht heeft op haar perceel/eigendommen en, in ieder geval deels, ook op het perceel en de eigendommen van [eiser] c.s. Kort daarna plaatste [gedaagde] een tweede camera bij haar keuken en een derde camera bij haar voordeur.

2.9.

In januari 2021 heeft [gedaagde] een poort aangeschaft en laten plaatsen. De betreffende poort is geplaatst op het gedeelte van de brink dat in de volle breedte in eigendom toebehoort aan [gedaagde] .

De volgende dag hebben [eiser] c.s. de poort verwijderd, dan wel laten verwijderen.

2.10.

Partijen zijn inmiddels gebrouilleerd geraakt. Diverse pogingen om te komen tot een minnelijke oplossing van het geschil hebben geen resultaat gehad.

3 Het geschil

Standpunt [eiser] c.s.

3.1.

[eiser] c.s. hebben gevorderd bij vonnis, bij wege van voorlopige voorziening en zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (samengevat):

I. [gedaagde] te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis over te gaan tot verwijdering van de drie camera’s en deze verwijderd te houden, als ook [gedaagde] te verbieden om opnieuw een camera te bevestigen op een zodanige plaats en met zodanige positie dat daarmee zicht wordt verschaft op het perceel van [eiser] c.s., zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,00;

II. [gedaagde] te veroordelen om bij wijze van voorschot aan [eiser] c.s. te betalen het bedrag van € 1.297,11 aan schade;

III. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Daartoe is, kort gezegd, het navolgende aangevoerd.

[gedaagde] heeft een drietal beveiligingscamera’s geplaatst (dan wel laten plaatsen). De camera’s registreren niet alleen de eigendommen van [gedaagde] , maar ook een deel van het perceel en de eigendommen van [eiser] c.s. Voor een deel wordt zelfs tot in de woning van [eiser] c.s. gefilmd. Daarmee maakt [gedaagde] zich schuldig aan een onrechtmatige daad. De camera’s maken een niet te rechtvaardigen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] c.s. doordat ook de eigendommen van [eiser] c.s. maar ook bewegingen in en rondom de woning en het perceel van [eiser] c.s. worden gefilmd. Dat is niet toegestaan.

Daar komt nog bij dat de camera’s overlast veroorzaken. Er is sprake van een hinderlijk flitslicht en schelle geluidssignalen (een soort sirene) afkomstig van de camera’s, waarschijnlijk omdat de camera’s zo ingesteld zijn dat deze geluiden en flitslichten afgeven zodra en beweging wordt gedetecteerd door de camera’s. [eiser] c.s. ervaren overlast daardoor, zij worden gestoord in hun woon- en slaapgenot. Hoewel het beeld van de camera’s enige tijd afgedekt is geweest met een soort kapje, dat bevestigd was aan de camera, is dat kapje later weer verwijderd. Het was qua constructie niet bedoeld als structurele oplossing.

Daar komt nog bij dat [eiser] c.s. ervoor vrezen dat de beelden die de camera’s vastleggen online zijn gezet, of kunnen worden gezet, waarmee dus ook voor derden zichtbaar is wat de camera’s vastleggen. Voor [eiser] c.s. is dat niet acceptabel.

Omdat [eiser] c.s. het belang inzagen van een goede verstandhouding met [gedaagde] , zij zijn immers buren, is getracht te komen tot een minnelijke oplossing van het geschil. Diverse opties zijn de revue gepasseerd, evenwel zonder enig resultaat. Er is, onder meer, bemiddeling gevraagd van S&B Mondial B.V. (in de persoon van de heer [X] , die overleg heeft gevoerd met de advocaat van [gedaagde] over onder meer het kapje op de camera’s).

[eiser] c.s. menen dat zij de kosten die daarmee gepaard zijn gegaan, meer bepaald de factuur van S&B Mondial B.V. groot € 1.297,11, als schade kunnen verhalen op [gedaagde] .

Zij vorderen, bij wijze van voorschot, betaling van dat factuurbedrag.

3.3.

[eiser] c.s. betogen een spoedeisend belang bij de vordering te hebben.

De voortdurende inbreuk op hun privacy ervaren zij als zeer ingrijpend. Zij voelen zich ernstig in hun privacy aangetast en vorderen langs deze weg dat daar op korte termijn een einde aan wordt gemaakt door verwijdering van de drie camera’s.

Standpunt [gedaagde]

3.4.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd dat, kort gezegd, strekt tot afwijzing van de vordering van [eiser] c.s., kosten rechtens. Daartoe is, samengevat, het navolgende aangevoerd. [gedaagde] heeft een drietal camera’s geplaatst omdat zij zich daartoe genoodzaakt voelde. Zij is een alleenstaande moeder en ervaart veel overlast, van zowel [eiser] c.s. als ook de huurders van [eiser] c.s. Allereerst bestaat die overlast eruit dat de brink, een pad dat als doorgang kan worden gebruikt, door [eiser] c.s. zeer intensief wordt gebruikt, niet slechts met personenauto’s maar ook voor de verplaatsing van vrachtverkeer, landbouwvoertuigen, grote aanhangwagens en paardentrailers. De erfdienstbaarheid ziet daar uitdrukkelijk niet op. De bestrating van de brink is daarvoor evenmin geschikt. Daar komt nog bij dat ook al het bezoek van [eiser] c.s. over de brink rijdt om vervolgens achter de woning van [eiser] c.s. te parkeren.

Dit terwijl [eiser] c.s. en hun bezoek ook via de andere zijde van de woning toegang hebben tot hun woning. De woning beschikt over vier verschillende ingangen. Zij hoeven met andere woorden niet per se over de brink te lopen, terwijl dat in de praktijk wel gebeurt.

Dan is er nog meer overlast, veroorzaakt door de huurders van [eiser] c.s.

Het gaat om een groep arbeidsmigranten uit Roemenië, aan wie een deel van de woning van [eiser] c.s. is verhuurd. [gedaagde] ervaart ernstige overlast sinds de komst van die huurders.

Die huurders maken intensief gebruik van de brink. Zij houden terras op de brink (er is daar een soort zitje geplaatst), nabij de voordeur van [gedaagde] en onder haar slaapkamerraam.

De huurders veroorzaken veel geluidsoverlast en zelfs stank. Er worden luidruchtige gesprekken gevoerd op de brink, soms zelfs tot laat in de avond- of nachturen, en er wordt gerookt en gedronken door de huurders. Er is een incident geweest waarbij één van die huurders op de voordeur van [gedaagde] luid stond te bonken, op de ramen sloeg en naar binnen scheen in de woning van [gedaagde] met het lampje van zijn mobiele telefoon. [gedaagde] ervaart dit alles als zeer intimiderend en bedreigend. Zij heeft dit meer dan eens aangekaart bij [eiser] c.s., evenwel zonder enig resultaat.

Het zitje waarvan de huurders gebruik maken is enige tijd verplaatst geweest naar de achterzijde van de woning van [eiser] c.s., maar later weer teruggezet. Dit terwijl het onnodig is (er is immers genoeg grond aanwezig voor de huurders om elders te zitten) om het zitje op de brink te plaatsen. De huurders kunnen bovendien ook gebruik maken van de andere ingangen die de woning van [eiser] c.s. heeft. Dat doen zij niet, zij gebruiken steevast de brink om de woning binnen te gaan. Dat strookt niet met het uitgangspunt dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid op de voor [gedaagde] minst bezwarende wijze moet gebeuren. Integendeel, het heeft er alle schijn van dat bij wijze van pesterijen en intimidatie juist een intensivering van het gebruik van de brink en het recht van overpad plaatsvindt.

Er wordt op geen enkele wijze rekening gehouden met de belangen van [gedaagde] .

[gedaagde] meent een gerechtvaardigd belang te hebben met plaatsing van de camera’s.

Er hebben zich diverse incidenten voorgedaan die voor [gedaagde] aanleiding zijn geweest om zichzelf, haar zoontje en haar eigendommen te beschermen door het plaatsen van de camera’s. Zij voelt zich, gelet op alles wat is voorgevallen, niet langer veilig in haar eigen woning. Dat is een gerechtvaardigd en te respecteren belang van [gedaagde] . De inzet van die camera’s is wel degelijk noodzakelijk. De camera’s verhogen het gevoel van veiligheid en leefbaarheid voor [gedaagde] . De camera’s zijn gericht op bescherming van de eigendommen van [gedaagde] en filmen uitdrukkelijk niet hetgeen zich in de woning van [eiser] c.s. afspeelt.

Het is evenwel onvermijdelijk dat er iets van het erf van [eiser] c.s. zichtbaar is op de camera’s. Dat is minimaal. Doordat de twee woningen dicht op elkaar staan en het feit dat de brink niet meer is dan een smalle doorgang, kan het niet anders dan dat ook een deel van het perceel van [eiser] c.s. gefilmd wordt. [gedaagde] heeft dat wel tot een minimum weten te beperken door de camera’s deels af te plakken met tape. [gedaagde] plaatst de beelden niet online, zij heeft dat nimmer gedaan en betwist dat uitdrukkelijk.

3.5.

[gedaagde] betwist voorts de gestelde schade en de geldvordering van [eiser] c.s.

Bovendien ontbreekt het spoedeisend belang bij die vordering. Voor zover die vordering toewijsbaar is, doet [gedaagde] een beroep op verrekening. Zij heeft immers zelf ook kosten gemaakt, verband houdende met de poort die zij heeft aangeschaft en heeft laten aanbrengen. Zij heeft daarmee willen voorkomen dat zware voertuigen over de brink rijden.

De dag nadat [gedaagde] de poort liet plaatsen, is deze verwijderd door [eiser] c.s. Naast de schrik en het onveilige gevoel dat hierdoor werd veroorzaakt, lijdt [gedaagde] schade. Zij heeft aangifte gedaan bij de politie van het voorval. De schade, zijnde de kosten van aanschaf en plaatsing van de poort, groot € 961,99 wenst [gedaagde] te verhalen op [eiser] c.s. vanwege onrechtmatig handelen. Die schade dient te worden verrekend met de door [eiser] c.s. geclaimde schade.

In het geval het beroep op verrekening niet slaagt, vordert [gedaagde] in voorwaardelijke reconventie en bij wijze van voorschot [eiser] c.s. te veroordelen tot betaling van het hiervoor genoemde bedrag groot € 961,99, vermeerderd met proceskosten.

Verdere feiten en omstandigheden

3.6.

Op hetgeen door partijen overigens is aangevoerd, zowel in conventie als in voorwaardelijke reconventie, zal hierbij bij de beoordeling van het geschil en voor zover relevant, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

4.1.

Gelet op de nauwe samenhang van het geschil in conventie en in voorwaardelijke reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden beoordeeld.

Spoedeisendheid

4.2.

Voor wat betreft de door [eiser] c.s. gestelde spoedeisendheid ten aanzien van de hoofdvordering die ziet op, kort gezegd, de camera’s, wordt overwogen dat de spoedeisendheid daarvan, gelet op de aard van de vordering en hetgeen namens [eiser] c.s. daaromtrent is toegelicht, voldoende gebleken zodat [eiser] c.s. in zoverre kunnen worden ontvangen in die vorderingen.

4.3.

Voor wat betreft de door beide partijen, zowel in conventie als in voorwaardelijke reconventie ingestelde vorderingen die zien op de betaling van een geldsom, is dat evenwel anders, waarop hierna uitgebreider zal worden teruggekomen.

4.4.

De voorzieningenrechter zal eerst de kern van het geschil tussen partijen, de camera’s en de vordering die ziet op de verwijdering daarvan, beoordelen.

Het navolgende wordt overwogen.

[eiser] c.s. vorderen verwijdering van de drie camera’s. Zij voelen zich continu in de gaten gehouden en ervaren de camera’s als een voortdurende inbreuk op hun privacy omdat de camera’s ook zicht verschaffen op het perceel en/of de eigendommen van [eiser] c.s.

4.5.

Bij de beantwoording van de vraag of [gedaagde] met het gebruik van de camera’s onrechtmatig inbreuk maken op het recht van [eiser] c.s. op bescherming van hun privacy, heeft in zijn algemeenheid als uitgangspunt te gelden dat een inbreuk op een recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan echter aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. Daarbij moeten tegen elkaar worden afgewogen de ernst van die inbreuk en de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (vgl. HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9609). Ook dient te worden bezien of het gebruik van de camera voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat de betreffende camera’s niet alleen de eigendommen van [gedaagde] vastleggen/filmen, maar in ieder geval, ten dele, ook het perceel van [eiser] c.s. Het doel dat [gedaagde] beoogt te bereiken, het observeren van haar eigendommen/perceel ten behoeve van haar veiligheid, kan niet op een andere manier worden bereikt dan de wijze waarop de camera’s thans zijn geplaatst. Naar eigen zeggen is dat onvermijdelijk, omdat de woningen nu eenmaal dicht op elkaar staan.

[gedaagde] heeft wel maatregelen genomen om het registreren van het perceel van [eiser] c.s. te beperken, door, zo begrijpt althans de voorzieningenrechter, eerst een kapje te plaatsen op/over de camera en later tape op de lens van de camera’s te plakken, waarmee het beeld in ieder geval voor de deel is afgeplakt.

[eiser] c.s. betwisten een en ander. Ook als er een kapje en/of tape is geplaatst over de lens van de camera, is dat niet een structurele oplossing, die immers door [gedaagde] ieder moment kan worden verwijderd. En voor zover [eiser] c.s. kunnen nagaan is dat kapje en/of die tape inmiddels ook verwijderd door [gedaagde] .

Wat verder ook moge zijn van de aanwezigheid van een kapje of tape, waarmee het beeld van de camera’s deels wordt beperkt, valt dat voor [eiser] c.s., zoals zij zelf ook terecht aanvoeren, niet te controleren. Het is een middel dat zich geheel in de macht van [gedaagde] bevindt. Voor [eiser] c.s. is immers niet kenbaar of controleerbaar of het zicht op hun perceel ook daadwerkelijk (digitaal) blijvend en onomkeerbaar is afgeschermd.

Het belang van [gedaagde] bij het plaatsen van de camera’s en hetgeen daarmee wordt geregistreerd, op de wijze zoals dat nu gebeurt, weegt in dit geval niet zwaarder dan het belang van [eiser] c.s. bij het bewaren van hun privacy.

Conclusie

4.7.

De hoofdvordering van [eiser] c.s., die ziet op het verwijderen en het verwijderd houden van de drie camera’s, als ook het verbieden om in de toekomst camera’s op te hangen die zicht bieden op de woning/het perceel van [eiser] c.s., ligt gelet op het vorenstaande, voor toewijzing gereed.

4.8.

Ook de gevorderde dwangsommen zullen als hierna bepaald worden toegewezen.

4.9.

Dat is evenwel anders waar het gaat om de vorderingen die zien op betaling van een geldsom, zowel die in conventie als die in voorwaardelijke reconventie.

Immers, beide vorderingen strekken tot betaling van een geldsom in kort geding.

Naar vaste jurisprudentie dient terughoudendheid te worden betracht bij toewijzing daarvan.

De voorzieningenrechter heeft daarbij, volgens vaste rechtspraak, te toetsen aan enkele voorwaarden, in de eerste plaats het spoedeisend belang bij die gevraagde voorziening.

Van een partij die een zodanige voorziening vraagt - en van de rechter die haar toewijst - mag worden verlangd dat naar behoren feiten en omstandigheden worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden.

Noch [eiser] c.s. noch [gedaagde] hebben bij dit onderdeel van hun vorderingen, derhalve die ziet op de betaling van een geldsom, aannemelijk gemaakt dat zij daarbij een spoedeisend belang hebben. Reeds daarom zullen die vorderingen, zowel in conventie als in voorwaardelijke reconventie, worden afgewezen. Omdat geen verrekening plaatsvindt is de voorwaarde van de reconventionele vordering in vervulling gegaan, zodat ook in reconventie zal worden beslist.

Proceskosten en nakosten

4.10.

[gedaagde] zal tot slot als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure in conventie, die aan de zijde van [eiser] c.s., worden begroot op:

- explootkosten € 121,39
- griffierecht € 952,00

- salaris advocaat € 656,00

Totaal € 1.729,39

Ook de apart gevorderde nakosten worden in conventie toegewezen als hierna vermeld.

Tot slot zal in conventie ook de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten worden toegewezen.

4.11.

De vordering in reconventie zal, zoals hierboven is overwogen, worden afgewezen. [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van [eiser] c.s., welke kosten worden gesteld op nihil.

5 De beslissing in kort geding

De voorzieningenrechter

in conventie:

- veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis over te gaan tot verwijdering van de drie camera’s en deze verwijderd te houden en verbiedt [gedaagde] om opnieuw een camera te bevestigen op een zodanige plaats en met zodanige positie dat daarmee zicht wordt verschaft op het perceel van [eiser] c.s.;

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een dwangsom aan [eiser] c.s. van € 250,00 voor iedere dag, een deel van een dag daaronder begrepen, dat zij in gebreke blijft met de hiervoor uitgesproken veroordeling, zulks tot een maximum van € 5.000,00 aan totaal te verbeuren dwangsommen;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 1.729,39;

- veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak. Een en ander dient vermeerderd te worden met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW gerekend vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

- verklaart dit vonnis voor wat betreft de uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie:

  • -

    wijst af de vordering van [gedaagde] ;

  • -

    veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure in reconventie, welke kosten worden gesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2021. (SA)