Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3340

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
26-08-2021
Zaaknummer
08-997004-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 50-jarige uitvoerend projectleider van de opdrachtgever van het duikbedrijf is door de rechtbank vrijgesproken. Uit het dossier blijkt niet dat hij opdracht geeft gegeven voor de duikwerkzaamheden. Ook lag de eindbeslissing of het verantwoord was om te duiken bij het duikbedrijf.

Twee leidinggevenden van een duikbedrijf en een duikploegleider zijn veroordeeld tot taakstraffen vanwege hun rol bij een dodelijk duikongeval bij een stuw. De rechtbank oordeelt dat het duikbedrijf, de twee voormalig leidinggevenden en de duikploegleider aanmerkelijk nalatig zijn geweest en veiligheidsvoorschriften niet hebben nageleefd.

Bij duikwerkzaamheden bij het stuwcomplex in de Rijn bij Driel werd op 8 september 2017 een van de duikers verrast door een krachtige zuiging als gevolg van een groot gat aan de onderzijde van de stuw. Daardoor werd hij tegen de stuwwand gezogen en had hij, door de enorme kracht van het water, geen mogelijkheid om te ontsnappen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie HSE 2021/136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-997004-19 (P)

Datum vonnis: 26 augustus 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 juli 2021, dat op 12 augustus 2021 is gesloten.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mr C.L. van Kooten en mr. C.V. van Overbeeke en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat in Borne, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 8 september 2017 bij stuwcomplex Driel aanmerkelijk nalatig, onvoorzichtig en/of onachtzaam heeft gehandeld waardoor door zijn schuld Bart [slachtoffer] is overleden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op of omstreeks 8 september 2017 te Driel, gemeente Overbetuwe tezamen en in vereniging met anderen of (een) andere (rechts)perso(o)n(en), danwel alleen,

zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld,

hierin bestaande dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) bij duikwerkzaamheden aan een stuwcomplex, gelegen aan de Drielse Rijndijk, aldaar,

-er zich niet van heeft/hebben vergewist of voorafgaand aan duikwerkzaamheden in de zuidboog een Risico Inventarisatie en Evaluatie en/of Task Risk Analysis (TRA) voor die duikwerkzaamheden in die zuidboog had plaats gevonden, en/of

-voorafgaand aan duikwerkzaamheden in de zuidboog geen werkvergunning heeft/hebben gevraagd/gekregen, en/of

-aan (de/een lid van) een duikploeg en/of de schipper van [verdacht bedrijf] B.V. opdracht heeft/hebben gegeven, althans heeft/hebben verzocht duikwerkzaamheden te verrichten in de zuidboog van dat stuwcomplex, inhoudende het bovenstrooms inspecteren van de rivierbodem en/of de vizierschuif van dat stuwcomplex op de aanwezigheid van grind, terwijl bij/aan die vizierschuif een lekkage aanwezig was, en/of

-aan die schipper en/of duikploegleider en/of duiker(s) geen mededeling heeft/hebben gedaan van die lekkage,

waardoor [slachtoffer] tijdens die duikwerkzaamheden bovenstrooms in de zuidboog van dat stuwcomplex, waar een lekkage in de vizierschuif aanwezig was, (met kracht) tegen de stuwwand is gedrukt en/of vervolgens door/in een opening in die stuwwand is gezogen en/of bekneld is geraakt,

waardoor het aan zijn/hun schuld te wijten is dat [slachtoffer] is overleden;

3 De voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is.

Bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat verdachte door het openbaar ministerie is gedagvaard om te verschijnen voor de meervoudige economische strafkamer, terwijl het openbaar ministerie hem geen economische delicten heeft ten laste gelegd. Dat stelt de rechtbank ambtshalve voor de vraag of zij, ondanks deze misslag van de officier van justitie, bevoegd is kennis te nemen van de zaak.

De economische kamers zijn in artikel 38 van de Wet Economische Delicten (WED) aangewezen om bij uitsluiting zaken over economische delicten te behandelen en daarover te beslissen. Voorts is in artikel 39 WED bepaald:

1. De economische kamers van de rechtbank, bedoeld in artikel 52 van de Wet op de rechterlijke organisatie, behandelen en beslissen ook zaken betreffende strafbare feiten die geen economische delicten zijn, indien de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van die strafbare feiten en die strafbare feiten zijn begaan in samenhang met een of meer economische delicten, en die strafbare feiten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die economische delicten.

2. Berechting door een andere dan de economische kamer is mogelijk indien economische delicten zijn begaan in samenhang met een of meer strafbare feiten, niet zijnde economische delicten waarvan de rechtbank bevoegd is kennis te nemen en die economische delicten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die andere strafbare feiten.

Naar aanleiding van een dodelijk (bedrijfs)ongeval bij een stuwcomplex Driel is verdachte samen met vier andere verdachten gedagvaard met de bedoeling om de behandeling van de zaak tegen hen gelijktijdig te laten plaatsvinden. Drie verdachten zijn in dat verband gedagvaard voor een economisch delict, namelijk overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet. Dat betekent dat in hun zaken de economische strafkamer bevoegd is om de zaak te behandelen. Daarnaast wordt alle verdachten dood door schuld verweten. Hetgeen verdachte en de vier andere verdachten wordt verweten ziet op hetzelfde feitencomplex. Het opsporingsonderzoek (in alle zaken door de Inspectie SZW) is in alle zaken identiek geweest en er is één proces-verbaal voor alle zaken.

Uit de memorie van toelichting van de WED blijkt de bedoeling van de wetgever om slechts speciale rechters met de afdoening van economische strafzaken te belasten. De rechters die deel uitmaken van de economische strafkamer moeten dus worden geacht speciale kennis en ervaring te hebben op het gebied van de berechting van economische delicten. Op deze speciale kennis en ervaring hoeft geen beroep te worden gedaan als een gewone strafzaak aan hun oordeel wordt onderworpen, zoals in de strafzaak van verdachte het geval is.

Dat een gewone strafzaak wordt afgedaan door rechters die ook nog eens speciale ervaring en kennis hebben van economische verhoudingen is geen omstandigheid die de wetgever – gezien artikel 39 lid 1 WED – ten koste van alles heeft willen voorkomen.

Daarbij komt dat in de onderhavige zaak de rechters in dezelfde combinatie ook optreden als een gewone meervoudige strafkamer. Praktisch gezien is verdachte door behandeling van de meervoudige economische kamer op geen enkele manier in zijn belangen is geschaad. In wezen wordt in dit geval ook niet gehandeld in strijd met de bedoeling van de wetgever als de rechtbank de zaak behandeld.1

Tot slot heeft de rechtbank ook acht geslagen op het belang dat zowel de verdachte als de nabestaanden hebben bij afdoening van de zaak. Tijdens de zitting is gebleken welke gevolgen het forse tijdsverloop van bijna 4 jaar nog dagelijks voor hen heeft. Gelet op het volle zittingsrooster zou een nieuwe behandeling – wellicht door dezelfde rechters als in deze zaak die dan als gewone meervoudige strafkamer optreden – weer lange tijd op zich laten wachten. Ook de maatschappij is gebaat bij een voortvarende afdoening van de zaak. Bij een nog langer tijdsverloop en daarmee gepaard gaande onzekerheid is dus niemand gebaat.

Daarom acht de rechtbank zich bevoegd om kennis te nemen van hetgeen verdachte is ten laste gelegd.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie en schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Gelet op het proces-verbaal en de inhoudelijke behandeling van de zaak tijdens de zitting kunnen de volgende (mede tot een goed begrip van dit vonnis strekkende) feiten en omstandigheden, die ter zitting niet ter discussie hebben gestaan, als vaststaand worden aangemerkt.

Vanwege renovatiewerkzaamheden aan het stuwcomplex aan de Drielse Rijndijk in Driel vonden daar op 8 september 2017 duikwerkzaamheden plaats. Deze werden uitgevoerd door [verdacht bedrijf] B.V. (hierna: [verdacht bedrijf] ), in opdracht van [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). Bestuurders van [verdacht bedrijf] waren op dat moment [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , die toen respectievelijk als operationeel directeur en commercieel directeur bij [verdacht bedrijf] werkzaam waren. Verdachte was namens [bedrijf] bij het stuwcomplex aanwezig als uitvoerend projectleider.

De door [verdacht bedrijf] aangestelde duikploeg bestond op 8 september 2017 uit [medeverdachte 3] (duikploegleider), [naam] (schipper), J. [naam] (duiker) en [slachtoffer] (duiker). Tijdens een duikinspectie bovenstrooms (waar het waterpeil hoog is) naar de aanwezigheid van grind op de bodem van de zuidboog, is [slachtoffer] beklemd geraakt aan de onderzijde van de stuw. Na verloop van tijd is de vizierschuif geopend en is hij onder de stuw door gekomen en benedenstrooms (waar het waterpeil laag is) uit het water gehaald. Daar bleek hij te zijn overleden. Volgens de forensisch arts is [slachtoffer] meest waarschijnlijk overleden aan de gevolgen van de fixatie tegen de stuw en daarbij de onmogelijkheid om in te ademen.

Vervolgens is de Inspectie SZW een onderzoek gestart. Daaruit is onder meer gebleken dat aan de onderzijde van de vizierschuif (op ongeveer 7 meter diepte) een gat bleek te zitten van ongeveer 3,6 meter breed dat in de hoogte geleidelijk opliep richting ongeveer 27,5-30 centimeter in het midden van het gat. Verder is gebleken dat er kracht op [slachtoffer] heeft gestaan van meer dan 350 kilogram en kan volgens ingenieur [naam] (specialist veiligheid & producten Inspectie Kennis Centrum ISZW) geconstateerd worden dat [slachtoffer] geen mogelijkheid tot ontsnappen had.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht dood door schuld bewezen omdat verdachte degene is geweest die in afwijking van de planning, zonder zich te vergewissen van gemaakte risico-inventarisaties en met de wetenschap van de lekkage de duikwerkzaamheden in de zuidboog in gang heeft gezet. [verdachte] was degene die bepaalde en plande wanneer gedoken moest worden, tenzij [medeverdachte 1] zelf aanwezig was. In de keten van gebeurtenissen is de gedraging van verdachte een noodzakelijke factor geweest voor het ingetreden gevolgd, of dat risico is daardoor in ieder geval in aanzienlijke mate verhoogd. Dat er een professioneel duikbedrijf was ingehuurd doet aan de verantwoordelijkheid van verdachte niet af, gelet op de informatiepositie die hij in het project had.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het overlijden van [slachtoffer] niet aan verdachtes schuld in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is te wijten, gelet op het volgende.

Onderdeel van de bewijsconstructie in het requisitoir van de officier van justitie is dat verdachte degene was die bepaalde dat werd gedoken, tenzij [medeverdachte 1] aanwezig was. Verdachte heeft hierover verder verklaard: ‘de directie was vertegenwoordigd in de vorm van de heer [medeverdachte 1] . Als hij er niet was had hij het werk overgedragen aan iemand anders van [verdacht bedrijf] . De heer [medeverdachte 1] was op dat moment niet aanwezig. Mijn contact persoon was de heer [naam]’ (pagina 1269). Dat er een ander gemandateerd en geïnformeerd contactpersoon van [verdacht bedrijf] was als [medeverdachte 1] niet aanwezig was, wordt bevestigd door het Whatsapp-bericht dat [medeverdachte 1] op 8 september 2017 om 00:44 uur naar [verdachte] heeft verzonden: ‘Morgenochtend kan ik er niet bij zijn [medeverdachte 3] en [naam] Hubens de schipper zijn er bij we alles samen besproken dus alles wat ik weet weten hun ook’ (pagina 476).

Uit het dossier blijkt niet dat verdachte opdracht heeft gegeven voor de duikinspectie in de zuidboog, of dat hij daartoe in de positie was. Verdachte heeft hierover zelf verklaard:

omdat er grind in de noordboog lag, onvoorzien, hebben wij gevraagd aan de schipper of het mogelijk was om onderwater te kijken of er grind lag in de zuidboog. Dat was een algemene vraag. Wij hebben deze vraag samen met de site manager gesteld omdat wij nieuwsgierig waren of er in de zuidboog grind lag (..) ik weet niet wie de opdracht heeft gegeven. (..) Wij hebben geen ervaring met duikwerkzaamheden. Juist daarom hebben wij getracht een gespecialiseerd dijkbedrijf te contracteren (..) Wij hebben nooit [verdacht bedrijf] een verplichting opgelegd hoe zij hun werkzaamheden uit moeten voeren. Zij zijn de specialisten. Als [verdacht bedrijf] het niet mogelijk achtte, dan werd het niet gedaan. Wij stelden vragen of iets mogelijk was, de opdrachten werden gegeven door het duikbedrijf zelf’ (pagina 1269). Vast staat dat [verdacht bedrijf] de duikwerkzaamheden ter plaatse als onderaannemer van [bedrijf] uitvoerde. Ook uit de verklaring [naam] bij de rechter-commissaris blijkt dat [verdacht bedrijf] door [bedrijf] is ingeschakeld omdat [verdacht bedrijf] over specifieke kennis en kunde beschikte. Zo deed [verdacht bedrijf] zich in haar VGM-instructieboek bovendien ook voorkomen (pagina 153). [verdacht bedrijf] besliste over dergelijke verzoeken, zo verklaren onder meer [naam] en [verdachte] . [verdacht bedrijf] moet als specialistisch duikbedrijf worden aangemerkt, als enige op de arbeidsplaats. Verdachte kan niet als werkgever worden aangemerkt en de duikwerkzaamheden werden niet onder zijn gezag verricht, terwijl de eindbeslissing of de omstandigheden op dat moment toelieten dat – op verzoek – op verantwoorde wijze wordt gedoken niet bij verdachte ligt. Voor verdachte was (dus) geen sprake van een verhoogde zorgplicht en daaraan gekoppelde aansprakelijkheid, ook wel ‘Garantenstellung’ genoemd.

Dat sprake is geweest van ‘een verzoek’ (en niet van ‘een opdracht’) blijkt verder uit de verklaring van [naam] en de verklaring van [medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris. Uit de verklaringen van de leden van de duikploeg blijkt verder dat er onderling is gesproken over het verzoek van verdachte en dat zij eerder die dag eigenhandig verzoeken hebben afgewezen omdat die niet uitvoerbaar waren.

Uit het dossier blijkt dat verdachte enkele uren na het incident het volgende heeft verklaard, in het bijzijn van [naam] (en [medeverdachte 3] , [naam] , [naam] en [medeverdachte 1] ) die hierop vervolgens niet heeft gereageerd: ‘(..) toen zaten [naam] en ik hier met zijn beiden in de toren en wij zeiden van nou gisteravond zouden wij ook even kijken op de zuidzijde of daar ook grind lag maar dat is niet gelukt waarschijnlijk. Wij vragen even aan [naam] [de rechtbank begrijpt: [naam] ], van is het mogelijk, omdat jullie toch op de zuidzijde liggen, dat jullie even een inspectieduik maken om te kijken hoeveel grind er op de bodem ligt. Nou goed, die vraag is gestel aan [naam] en [naam] heeft aangegeven 'nou uiteraard, dat kunnen wij wel even doen' (..)’ (pagina 38). Verder heeft ook [medeverdachte 1] verklaard dat verdachte en [naam] hiervoor toestemming hebben gegeven (pagina 44). Uit het dossier blijkt verder niet dat een werkvergunning was vereist voor de duikinspectie naar de aanwezigheid van grind.

Wat er verder ook zij van de wetenschap die [verdachte] wellicht heeft gehad over een kleine ‘lekkage’, gelet op de e-mail van [naam] van 29 augustus 2017 (pagina 1016: waarin in het bijgevoegde ‘verslag start werkbespreking’ onder meer is vermeld: ‘Enige stagnatie door constatering van een kleine ‘lekkage’ van de vizierschuif zuid’) en de verklaring van [naam] bij de rechter-commissaris, zou dat onvoldoende zijn om aan te merken als een in of meer grove of aanmerkelijke schuld, zoals is vereist voor een bewezenverklaring van schuld als delictbestandsdeel. Verdachte heeft tijdens de zitting bovendien verklaard dat hij niet wist van de lekkage omdat hij het betreffende verslag bij de e-mail niet gelezen heeft en op de vraag wat hij gedaan zou hebben als hij het verslag wel had gelezen ‘ik heb geen ervaring met duiken, dus ik had geen idee wat dat zou betekenen’. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat verdachte bij gebrek aan kennis van duikwerkzaamheden de betekenis van een ‘kleine ‘lekkage” niet heeft kunnen inschatten.

Reeds gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde.

5 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Manuel, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. R.P. van Campen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2021.

1 Zie ook AG Machielse ECLI:NL:PHR:2013:1176 r.o. 3.7.