Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3249

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-08-2021
Datum publicatie
18-08-2021
Zaaknummer
08-994562-18 en 08-993500-19 (gevoegd) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 28-jarige man uit Uden is veroordeeld voor onder andere meerdere verduisteringen, flessentrekkerij en faillissementsfraude in de agrarische sector. De rechtbank spreekt van een patroon van frauduleus handelen en legt hem een celstraf op van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden. Ook mag de man 5 jaar lang geen bestuurder van een rechtspersoon zijn en ook niet werken in de mestsector. Hij moet ruim 18.000 euro betalen aan de benadeelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-994562-18 en 08-993500-19 (gevoegd) (P)

Datum vonnis: 17 augustus 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officieren van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1993 in [geboorteplaats 1] ,

wonende op het adres: [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 19 en 21 juli en 17 augustus 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie,

mr. P. van der Vliet en mr. C.V. van Overbeeke, en van wat door verdachte en zijn raadsman, mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te Roermond, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Parketnummer 08-994562-18 (onderzoek ‘Tureluur):

1. in de periode van 10 augustus 2015 tot en met 11 mei 2016, samen met een ander, Maatschap [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft opgelicht, waarbij verdachte die maatschap heeft bewogen tot de afgifte van een grote hoeveelheid mest en een bedrag van € 6.000,-- ;

2. in de periode 10 augustus 2015 tot en met 11 mei 2016, samen met een ander, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften, te weten vervoersbewijzen dierlijke meststoffen;

3. primair: in de periode van 20 april 2017 tot en met 25 oktober 2017 samen met een ander [bedrijf 1] BV heeft opgelicht, waarbij verdachte die bv heeft bewogen tot de afgifte van twee opleggers;

subsidiair: in genoemde periode twee opleggers van [bedrijf 1] BV heeft verduisterd;

4. primair: in de periode van 1 september 2017 tot en met 27 maart 2018 samen met een ander [bedrijf 2] BV heeft opgelicht waarbij verdachte die bv heeft bewogen tot afgifte van een oplegger ( [kenteken 4] );

subsidiair: in genoemde periode een trailer van [bedrijf 2] BV heeft verduisterd;

5. primair: in de periode van 26 juli 2017 tot en met 30 januari 2018, samen met een ander, [bedrijf 3] BV heeft opgelicht waarbij verdachte die bv heeft bewogen tot de afgifte van een vrachtwagen ( [kenteken 1] );

subsidiair: in genoemde periode een vrachtwagen van [bedrijf 3] BV heeft verduisterd.

6. in de periode van 2 november 2016 tot en met 29 januari 2018, samen met een ander, de vennootschap [bedrijf 4] VOF heeft opgelicht waarbij verdachte deze onderneming heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van een tractor en/of kipper en/of chauffeur;

7. in de periode van 1 september 2016 tot en met 28 mei 2018, samen met een ander, een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen terwijl hij die goederen telkens niet of niet volledig betaalde;

8. primair: op 1 augustus 2014 [slachtoffer 3] , onder bedreiging met geweld - te weten door bedreiging met een nabootsing van een vuurwapen - , heeft gedwongen om aktes te ondertekenen voor de oprichting van twee vennootschappen;

subsidiair: [slachtoffer 3] en/of haar dochter [slachtoffer 4] met datzelfde wapen heeft bedreigd;

9. in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 30 mei 2018 een nabootsing van een vuurwapen (van het merk en type Colt 1911) voorhanden heeft gehad;

10. primair onder A:

in de periodes van 23 mei 2011 tot en met 22 april 2013 en van 23 april 2013 tot en met 30 juni 2016, samen met een ander, als feitelijk bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 5] BV, niet de volledige administratie heeft bewaard en/of uitgeleverd aan de curator;

primair onder B:

in de periode van 1 juli 2016 tot en met 10 juli 2018, samen met een ander, als feitelijk bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 5] BV niet de gevoerde en/of bewaarde administratie en/of de bijbehorende boeken en bescheiden aan de curator heeft verstrekt en/of geen administratie heeft gevoerd en bewaard;

subsidiair onder A:

in de periodes van 23 mei 2011 tot en met 22 april 2013 en van 23 april 2013 tot en met 30 juni 2016, samen met een ander, als feitelijk bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 5] BV niet de administratie en/of de boeken en/of andere gegevensdragers in ongeschonden staat te voorschijn heeft gebracht,

subsidiair onder B:

in de periode van 1 juli 2016 tot en met 10 juli 2018, samen met een ander, als feitelijk bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 5] BV geen administratie heeft bijgehouden, waardoor de afhandeling van het faillissement werd bemoeilijkt;

Parketnummer 08-993500-19 (gevoegd; onderzoek ‘Red Oil):

1. samen met een ander feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de rechtspersoon [bedrijf 6] BV op tijdstippen in de periode van 19 oktober 2015 tot en met 18 november 2016 voorhanden hebben van hoeveelheden rode diesel (68.563 liter in 2015 en 9.184 liter in 2016), welke diesel niet in de heffing op grond van de Wet op de Accijns was betrokken;

2. samen met een ander feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de rechtspersoon [bedrijf 7] BV op tijdstippen in de periode van 19 oktober 2015 tot en met 30 oktober 2015 voorhanden hebben van een hoeveelheid van 26.836 liter rode diesel, welke diesel niet in de heffing op grond van de Wet op de Accijns was betrokken;

3. samen met een ander feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de rechtspersoon [bedrijf 8] BV op tijdstippen in de periode van 5 april 2017 tot en met 10 april 2018 voorhanden hebben van hoeveelheden rode diesel, te weten 237.932 liter en 79.441 liter, welke diesel niet in de heffing op grond van de Wet op de Accijns was betrokken;

4. op momenten in de periode van 5 januari 2018 tot en met 29 maart 2018 rode diesel voorhanden heeft gehad, buiten een accijns-schorsingsregeling of een douaneschorsingsregeling.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

Parketnummer 08-994562-18:

feit 1:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 augustus 2015 tot en met 11 mei 2016 te Hattem en/of Staphorst en/of Haalderen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zich en/of (een) ander (en) wederrechtelijk te bevoordelen, door (telkens) het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

Maatschap [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bewogen tot

 de afgifte van 514.900 kilogram mest, althans een hoeveelheid mest, en/of

 de afgifte van 6.000, althans een hoeveelheid geld, en/of

 het aangaan van een schuld van 12.460,58, althans een hoeveelheid geld,

en/of

 het ter beschikking stellen van haar relatienummer (200649772) van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), althans een relatienummer van de RVO,

in elk geval tot de afgifte van enig goed en/of het aangaan van een schuld en/of het ter beschikking stellen van gegevens door (telkens):

 zich voor te doen als vertegenwoordiger en/of medewerker van het bedrijf [bedrijf 9] B.V. ( [bedrijf 9] B.V.) en/of het bedrijf [bedrijf 6] B.V. ( [bedrijf 6] B.V.), en/of

 doelbewust gebruik te maken van de valse naam " [alias] ", en/of

 (de opdracht te geven om) de GPS van de vrachtwagen, waarmee de mest werd vervoerd, uit te zetten, waardoor geen registratie van de (betreffende) mesttransport(en) kon plaatsvinden, en/of

 de indruk te wekken mestmonsters ter analyse naar het Agrarisch Laboratorium Noord Nederland te sturen, en/of

 zich aldus voor te doen als bonafide mesttransporteur en/of bonafide mestafnemer, en/of

 in die hoedanigheid zakelijke transacties overeen te komen met Maatschap [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;

feit 2:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 augustus 2015 tot en met 11 mei 2016 te Hattem en/of Staphorst en/of Haalderen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of doen en/of laten maken en/of afgeleverd heeft en/of doen en/of laten afleveren en/of voorhanden heeft gehad van (een) vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en), te weten:

(een) vervoersbewij(s)zen) dierlijke meststoffen met nummer(s) 1094719609, 1094719595, 1094719617, 1094719625, 1094719633, 1034719641, 1094719650, 1094719676, 1094719668, 1094719684, 1094719706, 1104617196, 1104616912, 1104616920, 1094744930, 1094744948 (TUR-004, va. p. 425).

(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat valselijk en/of in strijd met de waarheid

 op dat/die voornoemde vervoersbewij(s) (zen) dierlijke meststoffen vermeld stond als vervoerder en/of afnemer [bedrijf 6] B.V. en/of als relatienummer van de vervoerder en/of afnemer 204432883, en/of

 op dat/die voornoemde vervoersbewij(s) (zen) dierlijke meststoffen met nummer(s) 1094744930 en/of 1094744948 vermeld stond dat de transporten op 18 augustus 2015 hebben plaatsgevonden, en/of

 op dat/die voornoemde vervoersbewij(s) (zen) dierlijke meststoffen met nummer(s) 1094719609 vermeld stond dat de losplaats in een postcodegebied te Nijverdal was,

door dit/deze valse en/of vervalste geschrift(en) telkens in te dienen, aan te bieden, te verzenden of doen verzenden, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO);

feit 3:

primair:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 april 2017 tot en met 25 oktober 2017 in de gemeente(n) Emmeloord en/of Giethmen en/of Lingewaard, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door (telkens) het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[bedrijf 1] B.V ( [bedrijf 1] B.V.), althans de heer [slachtoffer 5] ,

heeft bewogen tot de afgifte van twee, althans één of meer, trailer (s)/oplegger(s) (kentekens [kenteken 2] en/of [kenteken 3] ), in elk geval tot de afgifte van enig goed door (telkens):

 doelbewust het valse factuuradres [adres 1] op te geven, en/of (vervolgens) met [bedrijf 1] B.V. en/of de heer [slachtoffer 5] een (huur)prijs af te spreken, en/of

 (vervolgens) de indruk te wekken tegenover voornoemde perso(o)n(en) en/of andere personen dat tot betaling van de overeengekomen (huur)prijs zou worden overgegaan, en/of

 (vervolgens) de indruk te wekken tegenover voornoemde perso(o)n(en) en/of andere personen dat de trailer(s)/oplegger(s) zou/zouden worden teruggebracht, en/of

 zich aldus voor te doen als bonafide huurder, en/of

 in die hoedanigheid zakelijke transacties overeen te komen met [bedrijf 1] B.V. en/of de heer [slachtoffer 5] ;

subsidiair:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 april 2017 tot en met 30 december 2018 in de gemeente(n) Emmeloord en/of Giethmen en/of Lingewaard, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk twee, althans één of meer, trailer(s)/oplegger(s) (kentekens [kenteken 2] en/of [kenteken 3] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 1] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte (in zijn hoedanigheid van bestuurder en/of enig aandeelhouder van het bedrijf [bedrijf 8] B.V.) en/of zijn mededader(s) (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had(den), te weten vanwege een huurovereenkomst, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

feit 4:

primair:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2017 tot en met 27 maart 2018 in Haalderen en/of Wadenoijen en/of Randwijk en/of Bemmel en/of Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[bedrijf 2] B.V. ( [bedrijf 2] ), heeft bewogen tot de afgifte van één trailer/ oplegger (kenteken [kenteken 4] ), in elk geval tot de afgifte van enig goed door (telkens):

 zich voor te doen als vertegenwoordiger en/of medewerker van het bedrijf [bedrijf 10] B.V. en/of

 doelbewust het valse factuuradres [adres 1] op te geven, en/of

 doen voorkomen dat van de verkeerde bankrekening geïncasseerd werd, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) voor de betreffende bankrekening ( [rekeningnummer] ) wel een incassomachtiging heeft/hebben getekend, en/of

 doen voorkomen dat hij, verdachte, eind december 2017 met betrekking tot de te betalen leasebedragen geen btw kon terugvorderen en dit met zijn boekhouder zou bespreken, terwijl zijn boekhouder al vanaf het derde kwartaal 2017 geen werkzaamheden meer voor hem verrichtte, en/of

 ( (vervolgens) de indruk te wekken dat tot betaling van de overeengekomen (huurkoop)prijs zou worden overgegaan, en/of

 ( (vervolgens) de indruk te wekken dat de trailer/oplegger zou worden teruggebracht, en/of

 ( zich aldus voor te doen als bonafide leaser, en/of

 ( in die hoedanigheid zakelijke transacties overeen te komen met [bedrijf 2] ;

subsidiair:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2017 tot en met 27 maart 2018, in Haalderen en/of Wadenoijen en/of Randwijk en/of Bemmel en/of Eindhoven en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk één trailer/oplegger (kenteken [kenteken 4] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 2] B.V. ( [bedrijf 2] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en welk goed verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had(den), te weten vanwege een lease(koop)overeenkomst, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

feit 5:

primair:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 juli 2017 tot en met 30 januari 2018 in Zwolle en/of Grou en/of Houten en/of Haalderen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen,

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 3] B.V. heeft bewogen tot de afgifte van één vrachtwagen (kenteken [kenteken 1] ), in elk geval tot de afgifte van enig goed door (telkens):

 de indruk te wekken dat tot betaling van de overeengekomen (huur)prijs zou worden overgegaan, en/of

 de indruk te wekken dat de vrachtwagen zou worden teruggebracht en/of ingeleverd, en/of

 zich aldus voorgedaan als bonafide huurder, en/of

 in die hoedanigheid zakelijke transacties overeen te komen met [bedrijf 3] B.V.;

subsidiair:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 juli 2017 tot en met 30 januari 2018, in Zwolle en/of Grou en/of Houten en/of Haalderen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk één vrachtauto (kenteken [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 3] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk goed verdachte (in zijn hoedanigheid van bestuurder en/of enig aandeelhouder van het bedrijf [bedrijf 11] B.V.) en/of zijn mededader(s) (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had(den), te weten op grond van een huurovereenkomst, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

feit 6:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 november 2016 tot en met 29 januari 2018, te Elst en/of Lingewaard en/of Haalderen, in ieder geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door (telkens) het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 4] V.O.F. heeft bewogen tot het verlenen van een of meerdere dienst(en), bestaande uit het ter beschikking stellen van een tractor en/of kipper en/of chauffeur, in elk geval tot de afgifte van enig goed en/of het verlenen van een dienst door (telkens):

 zich voor te doen als vertegenwoordiger en/of medewerker van het bedrijf [bedrijf 6] B.V. ( [bedrijf 6] B.V.), en/of

 doelbewust het/de valse factuuradres(sen): [adres 2] en/of [adres 1] op te geven, en/of

 doelbewust de indruk te wekken dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) de facturen niet heeft/hebben ontvangen, terwijl de betreffende facturen tijdens een doorzoeking in het door verdachte gehuurde bedrijfspand te Bemmel zijn aangetroffen, en/of

 de indruk te wekken dat tot betaling van de facturen zou worden overgegaan, en/of

 zich aldus voor te doen als bonafide opdrachtgever, en/of

 in die hoedanigheid zakelijke transacties overeen te komen met [bedrijf 4] V.O.F.;

feit 7:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met 28 mei 2018, in de hierna te noemen plaatsen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikking over die goederen te verzekeren, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s), telkens met voormeld oogmerk, de navolgende goederen

- op tijd en plaats daarbij vermeld - gekocht, te weten:

 ( (zaaksdossier 05 [bedrijf 12] , v.a. p. ZD-77)

diverse vrachtwagenonderdelen (stuurleidingen, koelslangkit, doseerventiel, klepdekselpakking, filters, klemblok en/of een compressorleiding) bij [bedrijf 12] B.V., in of omstreeks de periode van 18 november 2017 tot en met 3 april 2018 te Harderwijk en/of Haalderen, in elk geval in Nederland, en/of

 ( (zaaksdossier 06 [bedrijf 4] , v.a. p. ZD-84)

vijf vrachten zand bij [bedrijf 4] V.O.F., in of omstreeks de periode van 2 november 2016 tot en met 29 januari 2018 te Elst en/of Huissen en/of Haalderen, in elk geval in Nederland, en/of

 ( (zaaksdossier 07 [bedrijf 13] , v.a. p. ZD-97)

een trailer/oplegger (merk Kraker voorzien van het kenteken [kenteken 5] ) bij [bedrijf 13] B.V. in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met 19 april 2018 te Vuren en/of Bemmel en/of Haalderen, in elk geval in Nederland, en/of

 ( (zaaksdossier 08 [bedrijf 14] B.V., v.a. p. ZD-112)

diverse vrachtwagenonderdelen (gloeistift standverwarming, zeefgloeispiraal, stand-kachel, lampen, insteekkoppelingsmof en - stekker, spanner met spanrollen, waterpomp, pakking waterpomphuis, onderlegring, remschijf, naaf, remklauw en/of WS-stootverbinder) bij [bedrijf 14] B.V., in of omstreeks de periode van 1 november 2017 tot en met 19 april 2018 te Elst en/of Haalderen, in elk geval in Nederland, en/of

 ( (zaaksdossier 09 [bedrijf 15] , v.a. p. ZD-122)

twee tankpassen en/of diesel en/of brandstof bij [bedrijf 15] B.V., in of omstreeks de periode van 24 maart 2017 tot en met 11 april 2018 te Horst en/of Bemmel en/of Haalderen, in elk geval in Nederland, en/of

 ( (zaaksdossier 11 [bedrijf 16] , v.a. p. ZD-144)

handschoenen, veiligheidsbrillen, oordopjes, veiligheidsvesten, veiligheidshelmen, duettape en kniebeschermers bij [bedrijf 16] , in of omstreeks de periode van 16 oktober 2017 tot en met 23 april 2018 te Leusden en/of Haalderen, in elk geval in Nederland, en/of

 ( (zaaksdossier 13 [bedrijf 17] , v.a. p. ZD-167)

diverse voertuigonderdelen (wielen en/of banden en/of ventielen) bij [bedrijf 17] en/of [bedrijf 18] B.V., in of omstreeks de periode van 22 september 2017 tot en met 15 mei 2018 te Arnhem en/of Huissen en/of Haalderen, in elk geval in Nederland, en/of

 ( (zaaksdossier 15 [bedrijf 22] , v.a. p. ZD-187)

een voertuig (merk Volkswagen, type Amarok DC Lang, voorzien van het kenteken [kenteken 6] ) bij [bedrijf 19] GmbH (-handelend onder de namen [bedrijf 20] en [bedrijf 21] ) en/of [bedrijf 22] ,

in of omstreeks de periode van 15 maart 2018 tot en met 28 mei 2018 te Rijssen en/of Zwolle en/of Amersfoort en/of Haalderen, in elk geval in Nederland;

feit 8:

primair:

hij op of omstreeks 1 augustus 2014 te 's-Heerenberg (gemeente Montferland), in ieder geval in Nederland, door bedreiging met geweld en/of enige andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft verdachte door bedreiging met een luchtdrukwapen, in ieder geval een nabootsing van een vuurwapen, dat zodanig geleek op een vuurwapen dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, in ieder geval een wapen, waarbij door verdachte de woorden werden uitgesproken: "Als je niet tekent, dan zit zij straks niet meer op de achterbank", althans woorden met een dergelijke dreigende strekking,

die [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondertekenen van (een) akte(n) waardoor [bedrijf 6] B.V. en/of [bedrijf 7] B.V. werden opgericht en/of op haar naam werden gezet en/of zij bestuurder werd van voornoemde bedrijven;

subsidiair:

hij op of omstreeks 1 augustus 2014 te 's-Heerenberg (gemeente Montferland), in ieder geval in Nederland, mevrouw [slachtoffer 3] en/of haar minderjarige dochter [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een luchtdrukwapen, in ieder geval een nabootsing van een vuurwapen, dat zodanig geleek op een vuurwapen dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, in ieder geval een wapen, tegen het hoofd van eerdergenoemd(e) slachtoffer(s) te zetten en daarbij de woorden uit te spreken: "Als je niet tekent, dan zit zij straks niet meer op de achterbank", althans woorden met een dergelijke dreigende strekking;

feit 9:

hij in of omstreeks de periode 1 augustus 2014 tot en met 30 mei 2018 te Bemmel en/of 's-Heerenberg en/of Haalderen, in elk geval in Nederland, (een) wapen(s) van categorie I onder 7° van de Wet Wapens en Munitie (te weten een luchtdrukwapen van het merk Colt kaliber 45), gelijkend op een vuurwapen (van het merk en type Colt 1911), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en/of afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad;

feit 10:

primair;

A.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 mei 2011 tot en met 22 april 2013 en/of de periode van 23 april 2013 tot en met 30 juni 2016, te Haalderen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

als (feitelijk) bestuurder van een rechtspersoon, te weten: [bedrijf 5] B.V., welke bij vonnis van de rechtbank te Gelderland, zittingsplaats Zutphen, op 23 april 2013 in staat van faillissement is verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s) opzettelijk

een of meermalen niet heeft/hebben voldaan aan de op hem/hen rustende verplichting{en) ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en/of het bewaren en/of tevoorschijn brengen van de boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat/die artikel(en) bedoeld, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),

niet de (gehele) administratie bewaard en/of (desgevraagd) uitgeleverd aan de curator in het faillissement van de genoemde rechtspersoon;

en

B

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 10 juli 2018, te Haalderen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

als (feitelijk) bestuurder van een rechtspersoon, te weten: [bedrijf 5] B.V., welke bij vonnis van de rechtbank te Gelderland, zittingsplaats Zutphen, op 23 april 2013 in staat van faillissement is verklaard, tijdens het faillissement van de rechtspersoon desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen (zoals omschreven in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i eerste lid boek 3 van het Burgerlijk Wetboek) gevoerde en/of bewaarde administratie en/of de daartoe behorende boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in ongeschonden vorm aan de curator (heeft) verstrekt

en/of

tijdens het faillissement van de rechtspersoon en/of voor dat faillissement, opzettelijk niet heeft voldaan aan of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen (zoals omschreven in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i eerste lid boek 3 van het Burgerlijk Wetboek) tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de daartoe behorende boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt;

subsidiair:

A

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 mei 2011 tot en met 22 april 2013 en/of de periode van 23 april 2013 tot en met 30 juni 2016 te Haalderen, althans in Nederland,

aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), als (feitelijk) bestuurder van een rechtspersoon, te weten: [bedrijf 5] B.V., welke bij vonnis van de rechtbank te Gelderland, zittingsplaats Zutphen, op 23 april 2013 in staat van faillissement is verklaard, te wijten is dat (telkens) niet is voldaan aan de verplichting(en) omschreven in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en/of de volgens die artikelen gevoerde administratie en/of de boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers, die ingevolge die artikelen zijn bewaard, niet in ongeschonden staat te voorschijn zijn gebracht;

en

B.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 10 juli 2018, te Haalderen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s),

als (feitelijk) bestuurder van een rechtspersoon, te weten: [bedrijf 5] B.V., welke bij vonnis van de rechtbank te Gelderland, zittingsplaats Zutphen, op 23 april 2013 in staat van faillissement is verklaard, te wijten is dat tijdens en/of voor het faillissement van de rechtspersoon, niet is voldaan aan de wettelijke verplichtingen (zoals omschreven in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i eerste lid boek 3 van het Burgerlijk Wetboek) tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de daartoe behorende boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt;

Parketnummer 08-993500-19:

feit 1:

de besloten vennootschap [bedrijf 6] B.V., op één of meer momenten in of omstreeks de periode van 19 oktober 2015 tot en met 18 november 2016, althans in of omstreeks het jaar 2015 en/of het jaar 2016, in de gemeende Lingewaard, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

opzettelijk een accijnsgoed voorhanden heeft gehad dat niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns, in de heffing is betrokken, immers hebben [bedrijf 6] B.V. en/of haar mededader(s), 68563 liter (2015) en/of 9184 liter (2016), althans een grote hoeveelheid, gasolie extra, zijnde rode diesel, vanuit rode diesel, vanuit België voorhanden gehad (blz. 295-258 pv),

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al dan niet tezamen met één of meer andere(n), (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte, al dan niet tezamen met één of meer anderen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

feit 2:

de besloten vennootschap [bedrijf 7] B.V., op één of meer momenten in of omstreeks de periode van 19 oktober 2015 tot en met 30 oktober 2015 althans in of omstreeks het jaar 2015, in de gemeente Lingewaard, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk een accijnsgoed voorhanden heeft gehad dat niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op Accijns, in de heffing betrokken, immers hebbende [bedrijf 7] B.V., en/of haar mededader(s) 26836 liter (2015), althans een grote hoeveelheid, gasolie extra, zijnde rode diesel, vanuit België voorhanden gehad (blz. 255-258 pv),

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al dan niet tezamen met één of meer andere(n), (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke boven-omschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan niet tezamen met één of meer anderen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

feit 3:

de besloten vennootschap [bedrijf 8] B.V., op één of meer momenten in of omstreeks de periode van 05 april 2017 tot en met 10 april 2018, althans in of omstreeks het jaar 2017 en/of het jaar 2018, in de gemeente Lingewaard, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk een accijnsgoed voorhanden heeft gehad dat niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op Accijns, in de heffing betrokken, immers hebbende [bedrijf 8] B.V, en/of haar mededader(s) 237.932 liter (2017) en/of 79.441 liter althans een grote hoeveelheid, gasolie extra, zijnde rode diesel, vanuit België voorhanden gehad (blz. 255-258 pv),

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al dan niet tezamen met één of meer andere(n), (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke boven-omschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan niet tezamen met één of meer anderen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

feit 4:

hij op één op meer momenten in of omstreeks de periode van 05 januari 2018 tot en met 29 maart 2018, in de gemeente Lingewaard, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk,

een minerale olie die was voorzien van bij ministeriële regeling voorgeschreven herkenningsmiddelen dan wel bestanddelen daarvan bevatten, te weten gasolie (rode diesel)

buiten een accijnsschorsingsregeling en/of een douaneschorsingsregeling, anders dan in een situatie als voorzien in artikel 91, tweede lid, onderdeel a tot en met d van de Wet op de accijns, voorhanden heeft gehad;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaken, dat de officieren van justitie ontvankelijk zijn in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1.1.

Inleiding met betrekking tot de feiten 08-994562-18 (onderzoek ‘Tureluur’):

Naar aanleiding van signalen van verschillende overheidsdiensten over vermoedelijk strafbare gedragingen van verdachte, kreeg het team Milieu van de Politie Eenheid Oost in

september 2017 de opdracht tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek.

In het kader van dit onderzoek (‘ONRBA17008/Tureluur’) zijn vele aangiften opgenomen, aangevers en getuigen (nader) gehoord en zijn allerlei ambtshandelingen verricht waarbij bijzondere opsporingsmethodieken zijn toegepast. Daarbij is onder meer een door verdachte gebruikt telefoonnummer (+31-6- [telefoonnummer] ) getapt. De uitgeluisterde relevante gesprekken zijn verwerkt in processen-verbaal.

Verschillende locaties zijn onderzocht of doorzocht en goederen zijn in beslag genomen. Tijdens het onderzoek hebben meerdere aanhoudingen plaatsgevonden en zijn meerdere personen verhoord.1

Uit het onderzoek kwam naar voren dat verdachte zich bezighield met, en bemiddelde bij, de afvoer van overtollige mest en het transport in de agrarische sector en/of de sector recycling. Verdachte huurde regelmatig transportmaterieel, schafte allerlei goederen aan en maakte voor zijn bedrijfsactiviteiten ook gebruik van diensten van anderen. Verdachte deed daarbij ook zaken op naam van rechtspersonen, al dan niet met anderen als bestuurder.

Naar aanleiding van de bevindingen rees het vermoeden dat verdachte betrokken was bij strafbaar handelen in de sfeer van oplichting en/of verduistering en/of flessentrekkerij, valsheid in geschrifte, faillissementsfraude en mogelijk ook dwang en/of bedreiging.2

Vastgesteld werd dat verdachte gebruik maakte van, onder meer, de volgende vennootschappen: [bedrijf 5] BV (hierna: [bedrijf 5] ), [bedrijf 9] BV (hierna: [bedrijf 9] ), [bedrijf 6] BV (hierna: [bedrijf 6] ), [bedrijf 7] BV (hierna: [bedrijf 7] ), Landbouwonderneming [bedrijf 10] BV (hierna: [bedrijf 10] ), [bedrijf 8] BV (hierna: [bedrijf 8] ) en [bedrijf 11] BV (hierna: [bedrijf 11] ).3

Op 21 januari 2016 heeft [slachtoffer 3] , de echtgenote van een collega/chauffeur van verdachte, aangifte gedaan tegen verdachte ter zake van afpersing en bedreiging, en op 2 maart 2016 deed ook haar dochter [slachtoffer 4] aangifte ter zake van bedreiging.

[slachtoffer 3] en haar dochter hebben verklaard dat verdachte hen op 1 augustus 2014 had bedreigd om [slachtoffer 3] zo te dwingen om bij de notaris te tekenen voor de oprichting van twee vennootschappen.

Tijdens een doorzoeking van een door verdachte gehuurd bedrijfspand, gelegen aan de [adres 3] te Bemmel, op 30 mei 2018, werd een imitatie-pistool aangetroffen.

Op 24 mei 2018 heeft curator mr. R.C. Faase, aangifte tegen verdachte gedaan ter zake van eenvoudige bankbreuk, welk feit zou zijn begaan rondom het faillissement van de onderneming [bedrijf 5] .

Verdachte werd voor de eerste maal aangehouden op 29 december 2017 omstreeks 2.35 uur, terwijl hij een DAF-truck bestuurde.4 De truck werd inbeslaggenomen en verdachte werd aansluitend overgebracht naar het politiebureau, voorgeleid en in verzekering gesteld. Verdachte is toen meermalen verhoord in het kader van het onderzoek. Op 30 december 2017 is verdachte in vrijheid gesteld. Het onderzoek werd hierna voortgezet.

4.1.2

Inleiding met betrekking tot de feiten 08-993500-19 (onderzoek ‘Red Oil’):

Feit 1 tot en met 4:

Op 21 november 2016 kwam bij de douane een tip binnen, inhoudende dat verdachte gebruik maakte van vrachtwagens die op rode diesel (minerale olie voorzien van herkennings-middelen)5 zouden rijden. Verdachte zou die rode diesel kopen in België.6

Op 17 november 2017 heeft verbalisant [verbalisant] van de opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een proces-verbaal opgemaakt en verzonden aan de Belastingdienst/Douane. Uit dit proces-verbaal7 bleek dat de NVWA in november 2016 was gebeld door [slachtoffer 3] , bestuurder van het bedrijf [bedrijf 6] , tegen welk bedrijf een opsporingsonderzoek was ingesteld in het kader van de Meststoffenwet. Tijdens een verhoor op 18 mei 2016 had [slachtoffer 3] verklaard dat zij weliswaar, bij de Kamer van Koophandel, als bestuurder van de bedrijven [bedrijf 6] en [bedrijf 7] stond geregistreerd, maar dat de feitelijke bedrijfsvoering van die bedrijven in handen was van verdachte. [slachtoffer 3] had allerlei post ontvangen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) over boetes, inzake controles van de NVWA en van deurwaarders.

[slachtoffer 3] verklaarde tegenover [verbalisant] dat zij in de mailbox van [bedrijf 6] verschillende facturen had ontvangen in verband met leveringen in 2015 van gasolie, afkomstig van bedrijven in België. [verbalisant] ontving van [slachtoffer 3] een aantal afbeeldingen van facturen en zag dat deze betrekking hadden op 19 leveringen van zogenoemde ‘gasolie extra’ door drie Belgische bedrijven. In totaal ging het om 95.499 liter “gasolie extra”.

In november 2016 ontving [verbalisant] nog een e-mailbericht van [slachtoffer 3] , met een factuur gericht aan [bedrijf 6] betreffende de levering van 9.184 liter ‘gasolie extra’ door [bedrijf 23] NV in België.

Op 19 oktober 2017 heeft de Belastingdienst/Douane Nijmegen bij de NVWA afschriften van genoemde facturen gevorderd, in verband met een door de douane in te stellen onderzoek waarop [verbalisant] aan de Belastingdienst/Douane de gevraagde gegevens heeft verstrekt.

4.2

Het standpunt van de officieren van justitie

Parketnummer 08-994562-18 (onderzoek Tureluur):

De officieren van justitie hebben ten aanzien van de feiten onder 1 en 3 tot en met 6 als hun standpunt naar voren gebracht - samengevat weergegeven - dat telkens op basis van de aangiften en de bevindingen van het onderzoek - waaronder de inhoud van e-mail-correspondentie en/of uitgeluisterde tapgesprekken – dan wel op basis van getuige-verklaringen oplichting kan worden bewezen verklaard. Uit de relevante feiten in de afzonderlijke zaken volgt dat verdachte een valse naam heeft gebruikt in het handelsverkeer en/of zich voordeed als een bonafide huurder/lessee of koper, terwijl hij allerlei smoezen vertelde, dat hij opzettelijk onjuiste gegevens verstrekte en/of ten onrechte de indruk wekte dat zou worden betaald en/of het gehuurde of geleasede goed zou worden terug gebracht.

In het geval dat de rechtbank niet komt tot een bewezenverklaring van oplichting is subsidiair bij de feiten onder 3, 4 en 5 verduistering te bewijzen, aldus de officieren van justitie.

Ten aanzien van feit 2 hebben de officieren van justitie betoogd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, door aan aangever [slachtoffer 1] een (tweede) set valselijk opgemaakte VDM’s (vervoersbewijzen dierlijke meststoffen) te verstrekken.

Ten aanzien van het ‘verzamelfeit’ onder 7 in het onderzoek ‘Tureluur’ hebben de officieren van justitie betoogd dat uit de handelwijze van verdachte, mede bezien tegen de achtergrond van de ten laste gelegde oplichtingsfeiten, blijkt dat hij een gewoonte had gemaakt van het kopen van goederen zonder die (volledig) te betalen.

Ten aanzien van de feiten onder 8 en 9 in het onderzoek ‘Tureluur’ hebben de officieren van justitie betoogd dat op grond van de aangiften en de verklaringen bij de rechter-commissaris van de [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , de processen-verbaal met betrekking tot een aangetroffen wapen en getapte telefoongesprekken, wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard dat verdachte [slachtoffer 3] door bedreiging met geweld heeft gedwongen om notariële aktes te ondertekenen, dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare bedreiging van die [slachtoffer 3] en haar dochter, [slachtoffer 4] . Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte werd bovendien een imitatievuurwapen aangetroffen.

Ten aanzien van feit 10 in het onderzoek ‘Tureluur’ hebben de officieren van justitie betoogd dat uit het dossier blijkt dat verdachte in de periodes van 23 mei 2011 tot en met 22 april 2013 en van 23 april 2013 tot en met 10 juli 2018 rondom het faillissement van zijn bedrijf [bedrijf 5] opzettelijk niet aan de administratieplicht heeft voldaan en opzettelijk de administratie niet aan de curator heeft verstrekt.

Parketnummer 08-993500-19 (onderzoek Red Oil):

Ten aanzien van de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten hebben de officieren van justitie betoogd dat uit de relevante delen van het dossier blijkt dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de bedrijven [bedrijf 6] , [bedrijf 7] en [bedrijf 8] voorhanden hebben van rode diesel in de tenlastegelegde periode. Weliswaar was [slachtoffer 3] formeel de bestuurder van [bedrijf 6] en [bedrijf 7] , maar verdachte was degene die feitelijk aan de touwtjes trok. Verdachte was van [bedrijf 8] niet alleen feitelijk maar ook formeel de bestuurder. De ingevoerde rode diesel was bovendien voor verdachte of één van zijn BV’s bestemd.

De ten laste gelegde hoeveelheden blijken onder meer uit de - in het bedrijfspand aan de [adres 3] te Bemmel - inbeslaggenomen facturen. Het totale fiscale nadeel is op basis van berekeningen € 208.334,-- gebleken.

Ten aanzien van feit 4 geldt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op de ten laste gelegde data rode diesel voorhanden heeft gehad. Verdachte noch één van zijn bedrijven beschikte over een vergunning daarvoor, aldus de officieren van justitie.

4.3

Het standpunt van de verdediging

Parketnummer 08-994562-18 (onderzoek Tureluur):

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1, 2, 3 primair en subsidiair, 4 primair en subsidiair, 5 primair en subsidiair, 6, 7, 8 9, en 10 ten laste gelegde feiten, wegens een gebrek aan bewijs. Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

De feiten 1 tot en met 6:

Ten aanzien van feit 1 geldt dat niet kan worden geoordeeld dat aangever, [slachtoffer 1] , door verdachte werd bewogen tot de afgifte van de ten laste gelegde hoeveelheden mest en/of het ten laste gelegde geldbedrag, door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of een samenweefsel van verdichtsels.

Ten aanzien van de onder 3 tot en met 5 primair en 6 ten laste gelegde oplichting betwist de verdediging dat uit de feiten blijkt dat verdachte bij het maken van afspraken dan wel het aangaan van een overeenkomst het oogmerk heeft gehad om zichzelf (of een ander) wederrechtelijk te bevoordelen. Ten aanzien van de onder 3 tot en met 5 subsidiair ten laste gelegde verduistering heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is geweest van het zich wederrechtelijk toe-eigenen, omdat uit het dossier niet blijkt dat aangevers de desbetreffende overeenkomst(en) met de verdachte rechtsgeldig hadden opgezegd.

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde valsheid in geschrift heeft de raadsman aangevoerd dat op grond van het dossier niet vaststaat welke persoon de gegevens op de serie VDM’s heeft ingevuld en evenmin wie die VDM’s naar aangever heeft gestuurd.

Feit 7:

Ten aanzien van de onder 7 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman aangevoerd - verkort weergegeven – dat het dossier geen bewijs bevat om te oordelen dat verdachte de goederen telkens heeft gekocht met een - op het moment van koop reeds bestaand - oogmerk om daarover te kunnen beschikken zonder (volledige) betaling.

Verdachte wist bij het aangaan van koopovereenkomsten immers niet, dat hij niet over voldoende financiële middelen zou beschikken om die goederen te kunnen betalen. De raadsman heeft erop gewezen dat verdachte in een aantal gevallen (een deel van) de verschuldigde bedragen wel heeft betaald (o.a. in de zaaksdossiers 6, 7, 11, 13 en 15 t.a.v. [bedrijf 4] , [bedrijf 13] BV, [bedrijf 16] , [bedrijf 17] en [bedrijf 19] GmbH en/of [bedrijf 22] ).

De feiten onder 8 en 9:

De raadsman heeft ten aanzien van de onder 8 ten laste gelegde dwang en bedreiging van [slachtoffer 3] en haar dochter [slachtoffer 4] aangevoerd dat sprake is van een gebrek aan overtuigend bewijs. Uit het dossier blijkt, onder meer, niet dat de notaris, bij wie [slachtoffer 3] in bijzijn van verdachte akten heeft ondertekend, bijzonderheden heeft waargenomen met betrekking tot de gemoedstoestand van [slachtoffer 3] . Daarnaast is opmerkelijk dat [slachtoffer 3] en haar dochter niet eerder dan (meer dan) anderhalf jaar later aangifte hebben gedaan.

Ten aanzien van feit 9 is aangevoerd dat verdachte het ten laste gelegde wapen legaal voorhanden heeft gehad. Op grond van de zogenoemde Speelgoedrichtlijn mogen namaakwapens waarop een CE-keurmerk is aangebracht binnen de lidstaten van de Europese Unie worden verkocht.

Feit 10:

De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van onvoldoende bewijs om te oordelen dat verdachte ‘in het zicht van een faillissement de wil heeft gehad om de rechten van de schuldeisers te verkorten’. Bij verdachte was noch sprake van ‘zicht op een faillissement’, noch van het oogmerk op het verkorten van de rechten van schuldeisers. De raadsman heeft daarbij gewezen op arresten van de Hoge Raad met de nummers ECLI: NL:HR:2011:BP6878 en ECLI:NL:HR:2020:128.

In laatstgenoemd arrest stelt de Hoge Raad naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude met ingang van 1 juli 2016 en de wijziging van de artikelen 341 (oud) Sr en 343 (oud) Sr over het gewijzigde inzicht met betrekking tot de ‘benadeling van schuldeisers’ dat uit de wetgeschiedenis volgt dat de wetgever de delictsomschrijvingen in die zin heeft gewijzigd dat het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten’ van de schuldeisers als bedoeld in de artikelen 341 (oud) en 343 (oud) Sr is vervangen door het bestanddeel ‘wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld’. Voor strafbaarheid op grond van die bepalingen is daarmee vereist dat eerst komt vast te staan dat verdachte heeft gehandeld met het (voorwaardelijk) opzet om een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden te benadelen, en voorts - anders dan voorheen - dat de schuldeisers als gevolg van dat handelen ook daadwerkelijk in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld.

Parketnummer 08-993500-19 (onderzoek Red Oil):

De raadsman heeft ten aanzien van de ten laste gelegde feiten in het onderzoek ‘Red Oil’ geen bewijsverweren gevoerd.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen8 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder parketnummer 08-994562-18 onder feit 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair, 7 eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende gedachtestreepje, 9 en 10 primair onder B en subsidiair onder A, en de onder parketnummer 08-993500-19 onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Wat aan verdachte onder parketnummer 08-994562-18 onder feit 1, feit 2, feit 3 primair, feit 4 primair, feit 5 primair, feit 6, feit 7 tweede, derde en achtste gedachtestreepje, feit 8, feit 10 primair onder A is ten laste gelegd, acht de rechtbank niet bewezen, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken, zoals hierna weergegeven.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

4.4.1

Parketnummer 08-994562-18 (onderzoek Tureluur):

Algemeen , t.a.v. de feiten 1 tot en met 10: de rechtspersonen in relatie tot verdachte en de ten laste gelegde feiten.

Tijdens een overleg tussen de teamleiding in het onderzoek ‘Tureluur’ met leden van het Functioneel Parket te Amsterdam op 7 november 2017 is besproken welke rechtspersonen vermoedelijk betrokken zijn bij het handelen van verdachte.

Op basis van bevindingen uit het onderzoek en gegevens van de Kamer van Koophandel is gebleken dat verdachte gebruik maakte of had gemaakt van de volgende ondernemingen:9

[bedrijf 8] ( [bedrijf 8] BV)10

Datum inschrijving: 26 oktober 2012.

Vestigingslocatie: [adres 4] , Frankrijk; postadres: [adres 1] te Bemmel.

Bedrijfsactiviteiten: teelt van voedergewassen, het - voor eigen rekening en risico - exploiteren van een landbouwbedrijf, waarin de primaire productie van mais-, graan- en grasgewassen plaatsvindt.

Alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder en enig aandeelhouder: [verdachte] .

[bedrijf 10] (Landbouwonderneming [bedrijf 10] BV)11

Datum inschrijving: 12 december 1974.

Vestigingslocatie: [adres 5] te Randwijk.

Bedrijfsactiviteiten: overige, vleesveehouderij en zoogkoeienbedrijven, vleesvarkensbedrijven, opfokken en/of houden van leghennen en landbouwbedrijf.

Alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder en enig aandeelhouder: [verdachte] .

[bedrijf 11] ( [bedrijf 11] BV) 12

Datum inschrijving: 10 februari 2017.

Vestigingslocatie: [adres 6] Haalderen.

Bedrijfsactiviteiten: dienstverlening voor vervoer over land, handel in agrarische producten, alsmede producten bestemd voor en/of afkomstig uit de agrarische sector, inhuren en verhuren van machines en transportmaterieel, transportwerkzaamheden, inkoop, verkoop en handel in bouwstoffen.

Alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder: [verdachte] .

Uit de onderzoeksbevindingen bleek dat verdachte daarnaast ook gebruik maakte van bij de Kamer van Koophandel ingeschreven ondernemingen waarvan hij geen aandeelhouder of bestuurder was/is.

Zo stond verdachte bij de Kamer van Koophandel niet als zodanig ingeschreven bij de ondernemingen [bedrijf 7] , [bedrijf 6] en [bedrijf 9] . Uit de bevindingen bleek dat verdachte tijdens zijn activiteiten van deze bedrijven wel gebruik had gemaakt.

[bedrijf 6] ( [bedrijf 6] BV) 13

Datum inschrijving: 4 augustus 2014.

Handelsnamen: [bedrijf 24] , [bedrijf 25] en [bedrijf 26] . Vestigingslocatie: [adres 4] , te Frankrijk.

Postadres: [adres 1] , te Bemmel.

Bedrijfsactiviteiten: opslag in distributiecentra en overige opslag, bemiddeling bij inkoop, verkoop, opslag, transport en distributie, bewerking en verwerking van dierlijke en organische afvalstoffen, de exploitatie en het beheer van en bemiddeling bij een afvalverwerking- , compostering- en recyclingorganisatie, bemiddeling bij transport en logistiek van vrachten en het vermarkten.

Geregistreerd alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder van 4 augustus 2014 tot 30 december 2016: [naam 1] ; vanaf 30 december 2016: [naam 2] .

Geregistreerd enig aandeelhouder sinds 4 augustus 2014: [naam 1] .

[bedrijf 7] ( [bedrijf 7] BV) 14

Datum inschrijving: 4 augustus 2014.

Handelsnamen: [bedrijf 26] en [bedrijf 27] .

Vestigingslocatie: [adres 4] te Frankrijk.

Bedrijfsactiviteiten: opslag in distributiecentra en overige opslag, de bemiddeling bij inkoop, verkoop, opslag, transport en distributie en bewerking en verwerking van dierlijke en organische afvalstoffen, de exploitatie van -, het beheer van -, en bemiddeling bij een afvalverwerkings-, composterings-, en recyclingslocatie, bemiddeling bij transport en logistiek van vrachten en vermarkten.

Geregistreerd alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van 4 augustus 2014 tot 30 december 2016: [naam 1] ; vanaf 30 december 2016: [naam 2] . Geregistreerd enig aandeelhouder sinds 4 augustus 2014: [naam 1] .

[bedrijf 9] ( [bedrijf 9] BV) 15

Datum inschrijving: 17 augustus 2010.

Vestigingslocatie: [adres 4] , te Frankrijk.

Postadres: [adres 1] te Bemmel.

Bedrijfsactiviteiten: groothandel in bestrijdingsmiddelen en kunst- en meststoffen; opslag in distributiecentra, overige opslag.

Geregistreerd alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder sinds 25 september 2014: [naam 2] . Het bedrijf werd per 13 mei 2016 ontbonden en uitgeschreven uit het handelsregister.

Uit een door het ministerie van V&J/Dienst JUSTIS opgemaakt ‘relatieschema’ van 15 maart 2017 blijkt voorts dat de onderneming [bedrijf 28] BV op 15 september 2015 failliet werd verklaard. Onder deze holding zaten de volgende BV’s:

 [bedrijf 29] B.V.

 [bedrijf 5]

 [bedrijf 30] B.V.

[bedrijf 28] BV 16

Datum inschrijving: 21 januari 2008.

Datum ontbinding: 9 juli 2015.

Vestigingsadres: Haalderen, gemeente Lingewaard.

Bezoekadres: [adres 4] , te Frankrijk.

Vereffenaar: [naam 2] , sinds 13 juli 2015, alleen/zelfstandig bevoegd.

Bedrijfsactiviteiten, vastgelegd op 1 oktober 1993: de in- en verkoop en opslag en distributie van dierlijke mest en het houden van aandelen in – en het voeren van management over andere vennootschappen.

Enig aandeelhouder van 18 januari 2008 – 23 mei 2011: [verdachte] .

Bestuurders zijn:

 [naam 3] , van 18 januari 2008 – 23 mei 2011; alleen/zelfstandig bevoegd;

 [verdachte] , van 23 mei 2011 – 5 september 2013; alleen/zelfstandig bevoegd;

 [naam 2] van 5 september 2013 – 9 juli 2015; alleen/zelfstandig bevoegd.

[bedrijf 5] ( [bedrijf 5] BV) 17

Datum oprichting: 23 november 1993.

Vestigingsadres: Haalderen, gemeente Lingewaard.

Enig aandeelhouder en bestuurder sinds 11 december 2009: [bedrijf 28] BV, alleen en zelfstandig bevoegd.

Op 23 april 2013 is de onderneming in staat van faillissement verklaard.

Verdachte is op dat moment - als bestuurder van [bedrijf 28] BV - indirect bestuurder van [bedrijf 5] .

Feit 1 en feit 2: vrijspraak.

Op 11 mei 2016 deed [slachtoffer 1] namens de Maatschap [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , een varkenshouderij, gevestigd te Hattem, aangifte van poging tot oplichting met betrekking tot mestbonnen.

Uit de aangifte en een aanvullend verhoor van aangever blijkt als volgt.

In augustus 2015 heeft [slachtoffer 1] dierlijke meststoffen laten afvoeren vanaf een bedrijf in Staphorst. [slachtoffer 1] had daarvoor afspraken gemaakt met iemand die zich had voorgesteld als ‘ [alias] ’. Er werd ruim 514 ton mest afgevoerd. Hierna ontving aangever veertien VDM’s, en een factuur ter hoogte van € 12.298,-- exclusief 21% btw. Volgens de VDM’s was het bedrijf [bedrijf 9] de vervoerder geweest. Hierna belde “ [alias] ” met een verzoek om de rekening te betalen. Aangever liet weten dat hij pas zou betalen als de analyses van de mestmonsters waren uitgevoerd; deze had hij ook nodig voor de boekhouding. De persoon die zich had voorgesteld als ‘ [alias] ’ vertelde hem dat de mestmonsters waren blijven liggen, dat het druk was bij het laboratorium en dat hij krap zat. Aangever heeft toen de helft van de rekening betaald. Hierna bleef ontvangst van de analysegegevens uit.

Aangever vernam kort hierna van het Agrarisch Lab Noord-Nederland dat bij hen geen mestmonsters waren aangeboden door [bedrijf 9] . Aangever spande daarop een civiele rechtszaak aan tegen [bedrijf 9] . Pas toen werd voor aangever duidelijk dat de bestuurder van [bedrijf 9] [naam 2] was.

[naam 2] heeft aangever voorafgaand aan het kort geding gebeld en deed toen een schikkingsvoorstel. Kort voordat het kort geding plaatsvond ontving aangever per post nóg een serie VDM’s, nu zestien stuks. Het ging om méér VDM’s (twee) dan dat er daadwerkelijk transporten hadden plaatsgevonden. Op die VDM’s stond dat de vervoerder [bedrijf 6] was geweest. Omdat de mestboekhouding van aangever niet compleet was, kreeg maatschap [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een navordering van de RVO van

€ 12.760,--.

[slachtoffer 1] heeft op de vraag of aangever de mest aan [bedrijf 9] zou hebben afgegeven, als hij had geweten dat ‘ [alias] ’ in werkelijkheid [verdachte] was, verklaard dat hij dat dan niet zou hebben gedaan.

Tijdens het onderzoek zijn - onder meer - als getuigen gehoord: [getuige 1] , als chauffeur werkzaam geweest voor [bedrijf 6] , en zijn dochter [slachtoffer 4] . [getuige 1] heeft tijdens een verhoor ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde bij de rechter-commissaris verklaard, dat hij in opdracht van verdachte rond augustus 2015 mest heeft afgevoerd vanaf een bedrijf van [slachtoffer 1] , te Staphorst, en dat het daarbij ging om veertien vrachten.

Verdachte gebruikte in die tijd wel eens de naam [alias] , in plaats van [verdachte] , aldus [slachtoffer 4] , omdat [verdachte] een slechte naam had gekregen in de mestwereld en hij wilde voorkomen dat mensen geen zaken met hem wilden doen.

[slachtoffer 4] heeft als getuige verklaard dat zij het handschrift op de tweede serie VDM’s herkende als zijnde het handschrift van verdachte. [slachtoffer 4] heeft daarbij details genoemd op basis waarvan zij het handschrift meende te herkennen als het handschrift van verdachte.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte één of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.

Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang.18

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende aannemelijk is geworden dat mede onder invloed van door de verdachte gebruikte oplichtingsmiddelen - bestaande uit het doen van een leugenachtige mededeling en/of het verrichten van misleidende feitelijke handelingen - bij Maatschap [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een onjuiste voorstelling in het leven is geroepen, waardoor de maatschap werd bewogen tot de afgifte van mest en/of de afgifte van € 6.000,-- en/of het aangaan van een schuld van € 12.460,58 dan wel het ter beschikking stellen van een relatienummer van de RVO.

De rechtbank neemt hierbij (mede) in aanmerking de omstandigheden waarin de gedragingen zijn verricht, en de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid die voor de Maatschap [slachtoffer 1] dan wel [slachtoffer 2] aanleiding had moeten geven om een mogelijke - deels - onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen.

De rechtbank merkt hierbij nog op dat het ook niet bewezen acht dat aangever werd bewogen tot de afgifte van mest en/of de afgifte van € 6.000,-- en/of het aangaan van een schuld van

€ 12.460,58 dan wel het ter beschikking stellen van een relatienummer van de RVO (louter) doordat verdachte zich zou hebben bediend van een valse naam en/of een valse hoedanigheid.

Uit de bewijsmiddelen blijkt niet van het bestaan van enig concreet steunbewijs, naast de aangifte, dat verdachte zich zou hebben bediend van de naam ‘ [alias] ’. De enkele omstandigheid dat verdachte wel eens de naam ‘ [alias] ’ gebruikte geeft in dit in dit verband onvoldoende steun om van doorslaggevende betekenis te zijn. Bovendien blijkt niet dat het gebruik van de naam ‘ [alias] ’, voor de aangever aanleiding was om met verdachte te contracteren. Daarnaast levert het wekken van de indruk dat de mestmonsters naar een laboratorium zouden worden gestuurd, geen samenweefsel van verdichtsels op, naar aanleiding waarvan de aangever een bedrag van € 6.000,- heeft betaald. De rechtbank stelt vast dat de overige in de tenlastelegging vermelde feitelijkheden - ook in onderlinge samenhang bezien - geen oplichtingsmiddelen in de zin van de wet opleveren en acht gelet op het voorgaande niet bewezen dat de verdachte de aangever door het gebruik van een of meer oplichtingsmiddelen heeft bewogen tot afgifte van geld of goederen.

De verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

De rechtbank spreekt de verdachte tevens vrij van de onder 2 ten laste gelegde valsheid in geschrift.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat de in de tenlastelegging genoemde (zestien genummerde) VDM’s aan de RVO ter beschikking zijn gesteld en/of dat verdachte deze ter beschikking heeft doen stellen aan de RVO, zodat niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van of heeft doen en/of laten maken van een of meer valse of vervalste geschrift(en), en/of deze heeft afgeleverd en/of doen of laten afleveren en/of deze voorhanden heeft gehad door die VDM’s in te dienen, aan te bieden, te verzenden of doen verzenden, althans ter beschikking te stellen of doen stellen aan de RVO.

Feit 3:

Op 25 oktober 2017 heeft [slachtoffer 5] namens het bedrijf [bedrijf 1] BV, gevestigd te Emmeloord, aangifte gedaan van verduistering van twee trailers/opleggers, één van het merk Pacton ( [kenteken 3] ) en één van het merk Renders (kenteken [kenteken 2] .)19

Aangever heeft verklaard dat hij op 20 april 2017 twee trailers/opleggers had verhuurd aan [verdachte] ; één van de twee trailers was teruggekomen maar de andere, met kenteken [kenteken 2] , niet. Op 25 april 2017 had aangever nog een derde trailer ( [kenteken 3] ) verhuurd aan verdachte. Verdachte had als telefoonnummer opgegeven: 06- [telefoonnummer] , als adres voor de facturen: [bedrijf 8] BV, [adres 1] te Bemmel en als e-mailadres: [e-mailadres 1] .

De eerste twee trailers zouden aanvankelijk voor drie weken worden gehuurd. De derde oplegger/trailer (kenteken [kenteken 3] ) kon worden gehuurd tot ‘het begin van de worteloogst’.20 Aangever heeft verklaard dat hij op 20 juni 2017 via WhatsApp contact opnam met verdachte omdat er twee maanden waren verstreken en de facturen niet werden betaald. Verdachte reageerde niet op dat bericht.

Ook op 8 augustus 2017, 11 september 2017, 20 september 2017, 25 september 2017, 28 september en 2 oktober 2017 heeft aangever berichten verstuurd naar verdachte en gezegd dat een en ander moest worden opgelost. Verdachte zou het allemaal regelen, maar tot op de dag van de aangifte waren twee trailers niet teruggebracht en de facturen niet betaald. Aangever heeft na het doen van aangifte twee documenten aan het onderzoeksteam doen toekomen. Het ene betrof een e-mailbericht van 19 april 2017 afkomstig van [verdachte] (06- [telefoonnummer] ) en gericht aan [bedrijf 1] BV met daarin de gegevens van het bedrijf [bedrijf 8] , een postbusnummer ( [adres 1] te Bemmel) en het eerder vermelde mailadres. In de e-mail stond dat de borg direct betaald zou worden. Het andere document was een overzicht van facturen van [bedrijf 1] BV, ter attentie van [verdachte] en/of [bedrijf 8] BV, over de periode 29 april 2017 tot en met 15 november 2017, waaruit bleek dat een bedrag van € 13.748,63 openstond; daarvan was niet één factuur betaald.21

Tijdens het onderzoek is [getuige 2] , financieel administratief medewerkster bij [bedrijf 1] , als getuige gehoord.22 [getuige 2] heeft verklaard dat zij de facturatie deed. Ze had facturen verstuurd naar het opgegeven postadres maar de post kwam retour. De facturen voor [verdachte] waren ook naar het opgegeven e-mailadres verzonden. Niet één factuur werd betaald, met uitzondering van de borgsom à € 605,--. [getuige 2] had meermaals telefonisch contact met verdachte over achterstallige facturen, maar ze werd door hem telkens afgescheept.23

Op grond van bij PostNL gevorderde gegevens is gebleken dat het opgegeven postadres, [adres 1] te Bemmel, van 1 maart 2013 tot en met 24 maart 2014 in gebruik is geweest bij [bedrijf 5] en sinds 17 juli 2017 in gebruik was bij [bedrijf 31] BV te Bemmel.24 Getuige [getuige 3] van het bedrijf [bedrijf 31] BV heeft verklaard dat zij in haar postbus zeer regelmatig post aantrof die niet voor haar was bestemd. Daar zat post bij, gericht aan ene [verdachte] en “iets agrarisch”.25

Uit door verdachte en aangever verzonden WhatsApp-berichten, opgenomen in het dossier, blijkt – onder meer – als volgt.26

Op 21 oktober 2017 heeft aangever een WhatsApp-bericht aan verdachte verzonden, dat hij nog geen geld had ontvangen. Op 2 november 2017 heeft aangever laten weten “weer niets te hebben gehoord”. Op 10 november 2017 vroeg aangever naar één van zijn trailers, omdat hij die aan een derde had toegezegd. Op 11 november 2017 berichtte verdachte dat de trailer ‘de aankomende nacht wordt opgehaald’. Op 22 november 2017 heeft verdachte een bericht gestuurd inhoudende dat hij gisteren meermaals mensen heeft gebeld en dat hij ‘er straks maar heen rijdt’.

Op 19 december 2017 ontving het onderzoeksteam van aangever een e-mailbericht met als bijlagen nog een aantal WhatsApp-berichten, over de periode 26 november 2017 tot en met 23 december 2017. Daaruit bleek opnieuw dat aangever verdachte telkens vroeg dan wel opdroeg de opleggers terug te brengen en verdachte aansprak op zijn betalingsachterstand.

Op 27 november 2017 heeft aangever naar verdachte geappt: “Vanaf 28 november ben ik er niet tot 7 december...ga er vanuit dat dan beide trailers terug zijn!! Denk dat ik je nu voldoende ruimte geef om dat te regelen.. Succes! Op dit nummer is mijn werkplaats chef te bereiken in die tijd.” en op 7 december 2017: “Ben op de zaak, geen trailers !!?? Hoe moet dit nu verder.. ?”

Verdachte appte op 7 december 2017 als reactie: “Stuur maar van beide een factuur van verkoop.” Aangever heeft dit laatste geweigerd. Hij gaf aan eerst geld (€ 9.680,--) te willen zien, in verband met de huur en btw. Op 12 en 13 december 2017 verzond aangever weer een bericht inhoudende dat er nog altijd geen geld was overgemaakt en aangever vroeg wanneer dat ging gebeuren.27

Op 28 december 2017 werd op de Zuiderzeestraatweg Oost te Elburg een trekker met de oplegger met kenteken [kenteken 3] gezien die vreemd stond geparkeerd. Er was opdracht gegeven tot inbeslagname van het voertuig.28 Op 29 december 2017 omstreeks 01.55 uur, kwam de melding dat de oplegger - een dag eerder voorzien van een baken - in beweging was gebracht. De oplegger werd te Oldebroek in beslag genomen.29

Kort na die inbeslagname is verdachte, op 29 december 2017 omstreeks 02.35 uur, aangehouden op de A50, rijdend in een vrachtwagen. Verdachte is hierna meermalen verhoord.

Tijdens het tweede, zaakgerichte, verhoor heeft verdachte verklaard30, samengevat weergegeven, dat hij de huur van de opleggers in samenspraak met [naam 2] had geregeld. Verdachte heeft erkend dat hij ten tijde van het ten laste gelegde de bestuurder was van [bedrijf 8] BV, dat hij juridisch verantwoordelijk was voor de opleggers en dat hij de huur nog nooit had betaald. De oplegger met kenteken [kenteken 2] was vanaf dag één aan [naam 2] ter beschikking gesteld; deze oplegger hield hij nog steeds onder zich. Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat aangever hem dikwijls had gevraagd om te betalen en hem vaker dan tien keer had gevraagd om de opleggers terug te brengen. Verdachte heeft voorts nog verklaard dat het klopt dat hij sinds ongeveer oktober 2017 zijn postbus niet meer kon openen. Tijdens een derde verhoor heeft verdachte over de oplegger met kenteken [kenteken 2] verklaard dat deze in Voorthuizen stond, op een oud “MOB- complex”.31 Na het verhoor is die oplegger op het door verdachte aangegeven adres aangetroffen en in beslag genomen.32

De rechtbank overweegt als volgt.

Feit 3 primair: vrijspraak

Oplichting als bedoeld in art. 326 lid 1 Sr is het door aanwending van (een of meer) (oplichtings-)middel(en) een ander bewegen tot bepaalde gedragingen, te weten de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld. Degene die zich aan oplichting schuldig maakt, handelt met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen en bedient zich daartoe ten minste van één van de oplichtingsmiddelen als genoemd in art. 326 lid 1 Sr dan wel een combinatie daarvan.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde feit niet is gebleken dat verdachte tegenover [bedrijf 1] BV één of meer oplichtingsmiddelen als genoemd in art. 326 lid 1 Sr dan wel een combinatie daarvan voorafgaand aan de afgifte van de betreffende trailers, heeft aangewend. Van enig oplichtingsmiddel dat aangever tot die afgifte heeft bewogen is niet gebleken.

De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van de ten laste gelegde oplichting.

Feit 3 subsidiair:

De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt, dat verdachte, in de periode van 7 december 2017 tot en met 30 december 2017, opzettelijk de twee trailers/opleggers met de kentekens [kenteken 2] en [kenteken 3] , die toebehoorden aan [bedrijf 1] BV - en die hij gedurende lange tijd op basis van een huurovereenkomst rechtmatig onder zich heeft gehad - zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. In de context van het App-verkeer, zoals hiervoor weergegeven, blijkt dat het voor verdachte op 27 november 2017 duidelijk moet zijn geweest dat hij de trailers/opleggers uiterlijk op 7 december 2017 bij aangever terug moest (laten) brengen. Dit heeft verdachte niet gedaan.

Daarbij volgt uit de gedragingen van verdachte dat hij opzettelijk heeft gehandeld; immers heeft aangever aan verdachte veelvuldig gevraagd om hetzij de afgesproken huurbedragen te betalen, hetzij de opleggers naar [bedrijf 1] terug te brengen. Verdachte heeft aan geen van beide opties voldaan. Verdachte bleef als heer en meester beschikken over de opleggers. Hij had de opleggers kennelijk aan derden in gebruik gegeven en ondernam, ondanks de herhaalde termijnstelling door de aangever, geen stappen om de opleggers naar aangever terug te brengen. In het bijzonder gelet op de inhoud van het hiervoor genoemde, door aangever verzonden, bericht van 27 november 2017 met de gegeven uiterlijke termijnstelling acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich, vanaf 7 december 2017, aan verduistering schuldig heeft gemaakt.

Feit 4:

Op 19 februari 2018 heeft [naam 4] , directeur van [bedrijf 32] BV , namens [bedrijf 2] BV ( [bedrijf 2] ), aangifte gedaan tegen verdachte ter zake van verduistering van een trailer/oplegger, met kenteken [kenteken 4] .33

Aangever heeft – samengevat weergegeven – verklaard dat [bedrijf 10] , gevestigd aan [adres 5] te Randwijk, en haar bestuurder, [verdachte] , verdachte, op 22 november 2017 en 30 november 2017 twee financiële leaseovereenkomsten hebben gesloten met [bedrijf 2] in verband met de lease van twee opleggers.34 Eén oplegger, van het merk Titan en met kenteken [kenteken 4] , kon gelijk geleverd worden. De andere kon nog niet geleverd worden. Aangever heeft verklaard dat al spoedig een betalingsachterstand was ontstaan van € 39.808,98, waarop [bedrijf 2] op 22 januari 2018 de leaseovereenkomsten heeft opgezegd.35

Op 16 februari 2018 heeft aangever een bezoek gebracht aan het opgegeven adres van [bedrijf 10] . Aangever trof een ingestort woonhuis aan. Uit - in een open brievenbus aangetroffen - poststukken bleek dat daar meerdere bedrijven waren gevestigd. Een week voor de aangifte heeft aangever telefonisch contact opgenomen met verdachte. Verdachte belde terug en liet weten dat hij een paar dagen ondergedoken had gezeten of had vastgezeten. Ten tijde van de aangifte had verdachte, ondanks het feit dat de leaseovereenkomst door aangever was opgezegd, de oplegger ( [kenteken 4] ) nog niet teruggebracht.

[naam 5] , werknemer bij [bedrijf 2] , heeft verklaard dat de betalingsverplichtingen, voortvloeiende uit het leasecontract, niet werden nagekomen.36 Verdachte reageerde steeds met smoezen en uitvluchten als hij daarop werd aangesproken. Hij zei bijvoorbeeld dat was geïncasseerd van een verkeerde rekening maar hij had voor het gebruik van die bankrekening zelf een machtiging getekend37 en dat hij het terugvorderen van btw met betrekking tot de leasebedragen wilde bespreken met ‘zijn boekhouder’, maar niet gebleken is dat na 2017 enige boekhouder nog werkzaamheden voor verdachte verrichtte. Getuige [getuige 4] , de boekhouder, heeft verklaard dat hij tot en met het derde kwartaal van 2017 als boekhouder voor verdachte heeft gewerkt.38

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij verdachte telefonisch heeft bericht (en vervolgens per e-mail aan [verdachte] @outlook.com heeft bevestigd) dat [bedrijf 2] de oplegger terugwenste vóór 2 februari 2018.39

De bankafschriften van de rekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 11] - vermeld op het door verdachte getekende incassoformulier - zijn opgevraagd en geanalyseerd. Bij analyse van de afschrijvingen bleek dat de bedragen in eerste instantie door [bedrijf 2] werden geïncasseerd maar vervolgens door de rekeninghouder zelf werden gestorneerd (teruggeboekt). 40

Het dossier bevat voorts uitgewerkte tapgesprekken, van telefoongesprekken door verdachte gevoerd met verschillende personen, waaruit blijkt dat verdachte, ook nádat [bedrijf 2] de leaseovereenkomsten had opgezegd, geenszins van plan was, ondanks de door hem veroorzaakte betalingsachterstand, om de oplegger te retourneren.

Uit een uitgeluisterd tapgesprek van 1 maart 2018 blijkt dat verdachte (tegen [naam 6] ) heeft gezegd dat hij “er niet heet of koud van wordt, om met een gestolen oplegger rond te rijden” omdat hij “officieel nog niets van dat volk” heeft gehoord.41

Uit een uitgeluisterd tapgesprek van 2 maart 2018 blijkt dat verdachte, ondanks het feit dat op 19 februari 2018 aangifte tegen hem gedaan is, hij daar weet van heeft, hij weet dat de financieringsovereenkomsten zijn opgezegd, en weet dat er niets meer valt te regelen met [bedrijf 2] , aan ene [naam 35] vertelt dat hij met [bedrijf 2] een “deal wil maken” omdat hij anders de trailer kwijt is, terwijl hij een deel heeft betaald. Hieruit kan worden afgeleid dat verdachte bewust de oplegger onder zich bleef houden, terwijl hij daartoe niet (meer) gerechtigd was.42

Op 27 maart 2018 is de oplegger ( [kenteken 4] ) aangetroffen aan de Karel Doormanweg in Tollebeek. Op basis van tapgesprekken bleek dat de oplegger daar stond. De eigenaar van genoemd perceel, [naam 7] , gaf te kennen dat de trailer daar op 22 maart 2018 was neergezet door [getuige 1] .43

De rechtbank overweegt als volgt.

Feit 4 primair: vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een situatie waarbij verdachte tegenover [bedrijf 2] één of meer oplichtingsmiddelen als genoemd in art. 326 lid 1 Sr dan wel een combinatie daarvan, heeft aangewend.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat verdachte tegenover [bedrijf 2] gebruik heeft gemaakt van een valse naam of een valse hoedanigheid, dan wel dat hij ten onrechte heeft voorgedaan dat hij bevoegd was, namens [bedrijf 10] , op te treden. De rechtbank neemt daarnaast bij haar oordeel in aanmerking dat, volgens vaste jurisprudentie, het uiten van ‘een enkele leugen’, zo daar in onderhavige zaak überhaupt sprake van is (het opgeven van een onjuist factuuradres), onvoldoende is om te oordelen dat sprake is geweest van een ‘samenweefsel van verdichtsels’. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van de primair ten laste gelegde oplichting.

Feit 4 subsidiair:

De rechtbank acht op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 2 februari 2018 tot en met 27 maart 2018 - de oplegger met kenteken [kenteken 4] , die hij op grond van een leaseovereenkomst onder zich had - zich opzettelijk en wederrechtelijk heeft toegeëigend. Verdachte heeft die oplegger in gebruik genomen dan wel (laten) nemen en ook in gebruik gehouden nadat de daarop betrekking hebbende overeenkomst was opgezegd, hij daarvan op de hoogte was en hem bekend was dat hij de oplegger vóór 2 februari 2018 moest terugbrengen.

Hij beschikte als heer en meester over de oplegger, door deze als onderhandelaarsobject onder zich te houden (zelfs) terwijl hij ervan op de hoogte was dat tegen hem aangifte was gedaan wegens verduistering van die oplegger. In het bijzonder gelet op het telefoongesprek tussen [getuige 5] en verdachte, later bevestigd via e-mail, waaruit volgt dat een uiterste termijn is gesteld, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich, vanaf 2 februari 2018, aan verduistering schuldig heeft gemaakt.

Feit 5:

Op 28 maart 2018 heeft [naam 8] , key-accountmanager bij [bedrijf 3] , aangifte gedaan tegen verdachte ter zake diefstal of verduistering, namens [bedrijf 3] Zwolle.44

Op 26 juli 2017 heeft [bedrijf 3] op basis van verhuur een vrachtauto afgeleverd te Houten aan [getuige 1] . Het betrof een Mercedes Benz type Actros, kenteken [kenteken 7] . Dezelfde dag ging het huurcontact in. Verdachte heeft het huurcontract op 16 november 2017 getekend; deze werd per e-mail naar verdachte/ [bedrijf 11] verzonden, via [e-mailadres 2] @outlook.com. 45 Verdachte ging akkoord met de betaling van drie bedragen.

Verdachte werd vervolgens aangesproken op het uitblijven van betalingen en maakte hierna op 24 november 2017 een bedrag over van € 1.453,60, en op 30 november 2017 en 19 december 2017 bedragen van € 500,-- . Eind januari 2018 moest verdachte aan [bedrijf 3] over de periode 26 juli 2017 tot eind januari 2018 € 23.000,-- betalen, in verband met achterstallige huur en schade aan de vrachtauto.46 [bedrijf 3] stuurde verdachte per post (zes) facturen, naar het door hem opgegeven adres ( [adres 6] te Haalderen).47 Via WhatsApp werd gecommuniceerd over de betalingsachterstand. Verdachte voldeed niet aan zijn betalingsverplichting.48

[naam 9] , een medewerker van [bedrijf 3] , en verdachte kwamen overeen dat de vrachtauto uiterlijk 30 januari 2018 omstreeks 16.00 uur zou worden ingeleverd bij de vestiging te Zwolle.49 Verdachte gaf op die dag aan dat dit niet ging lukken. Omdat verdachte de afspraak niet nakwam, heeft personeel van [bedrijf 3] de Mercedes Actros op 30 januari 2018 zelf opgehaald.50 Volgens aangever was verdachte, achteraf gezien, kennelijk niet van plan om te betalen.51

[getuige 1] heeft als getuige verklaard dat hij de vrachtauto kreeg om, in opdracht van [verdachte] , afval mee te vervoeren. [slachtoffer 4] heeft verder verklaard dat de vrachtauto bij Hoekstra te Grouw was neergezet, omdat deze dan gebruik kon maken van de vrachtauto.52

[naam 8] , namens [bedrijf 3] , heeft verklaard dat hij [bedrijf 11] / [verdachte] op verschillende manieren had benaderd met verzoeken om de betalingen te voldoen. [naam 8] had verdachte daarover WhatsApp- en e-mailberichten gestuurd.

Op 8 maart 2018 heeft aangever WhatsApp-berichten aan het onderzoeksteam ter beschikking gesteld. Daaruit bleek onder meer dat aangever op 25 december 2017 een appje naar verdachte heeft gestuurd in verband met de openstaande facturen. Verdachte reageerde daarop door te zeggen dat hij zijn best ging doen, maar dat volledige betaling niet zou gaan lukken.53

Op 26 januari 2018 heeft [naam 8] een e-mail gestuurd naar het e-mailadres [e-mailadres 2] @outlook.com inhoudende dat vanwege de niet-betaling van facturen en het niet nakomen van de afspraken, [bedrijf 3] zich genoodzaakt zag om de vordering uit handen te geven. In het e-mailbericht verzocht aangever om het voertuig in te leveren bij een van de vestigingen.54

Tijdens het onderzoek zijn afgeluisterde telefoongesprekken uitgewerkt.

In een uitgewerkt gesprek van 1 maart 2018 is te lezen dat verdachte tegen [getuige 1] zegt (om 16:15:40 uur ): “Maar Mercedes ook.. Factuur van € 20.000,-- over die vrachtwagen.., en die wil ik niet betalen. ..nu niet.. dan niet.. nooit niet.. Huur, onkosten, verkoop niet doorgegaan, annuleringskosten, ophaalkosten, die lui schrijven maar raak.”55

Verdachte is op 18 april 2019 gehoord waarbij hem, onder meer, de e-mail van [naam 8] van 26 januari 2018 is voorgehouden waarin deze namens [bedrijf 3] heeft aangegeven dat verdachte de truck diende in te leveren. Verdachte heeft in reactie daarop verklaard, dat hij wel wist dat hij de truck moest terugbrengen maar dat hij zelf wilde bepalen wanneer hij dat zou doen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Feit 5 primair: vrijspraak.

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de onder primair ten laste gelegde oplichting, omdat niet is gebleken dat verdachte tegenover van [bedrijf 3] één of meer van oplichtingsmiddelen als genoemd in art. 326 lid 1 Sr dan wel een combinatie daarvan, heeft aangewend.

Feit 5 subsidiair:

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 26 januari 2018 tot en met 30 januari 2018 een vrachtauto met kenteken [kenteken 1] van [bedrijf 3] BV, die hij op grond van een huurovereenkomst onder zich had, zich opzettelijk en wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Verdachte heeft die vrachtauto immers in gebruik genomen of (laten) nemen en gehouden, en is de vrachtauto - ondanks het feit dat [bedrijf 3] hem op 26 januari 2018 op zijn e-mailadres had laten weten dat hij wegens het uitblijven van betalingen het voertuig diende in te leveren en verdachte daarvan, blijkens zijn telefonische reactie op 1 maart 2018, op de hoogte was - onder zich blijven houden, en hij heeft deze niet op de aangegeven datum en wijze teruggebracht. Verdachte is aldus als heer en meester over die vrachtauto gaan beschikken, terwijl hij daartoe niet langer gerechtigd was.

Feit 6:

Op 29 januari 2018 heeft [naam 10] namens de onderneming [bedrijf 4] VOF, aangifte gedaan tegen verdachte ter zake van oplichting en/of flessentrekkerij.56

[naam 11] , van het bedrijf [bedrijf 4] , was op 1 november 2016 gebeld door verdachte. De [bedrijf 4] zouden op 2 en 3 november 2016 een tractor met een kipper, een chauffeur en vijf vrachten zand aan verdachte leveren op een werklocatie te Huissen. Op 2 november 2016 herkende de chauffeur van de trekker, [naam 10] , verdachte als ‘de [verdachte] ’; een man met praatjes en betrokken bij mestzwendel. Omdat er vanaf dat moment geen vertrouwen meer was in de persoon [verdachte] , hebben de [bedrijf 4] de gemaakte afspraak voor de volgende werkdag geannuleerd.57

Op 26 november 2016 heeft [naam 10] namens [bedrijf 4] verdachte gebeld en gevraagd waar de factuur naartoe moest. Verdachte vertelde dat de factuur op naam van het bedrijf [bedrijf 6] kon worden gezet en dat de envelop kon worden gericht aan: [verdachte] , [adres 1] , te Bemmel. Het betrof een factuur van € 665,50, voor “3 Vz uur, tractor met chauffeur en kipper en 5 vrachten zand”. Op 24 januari 2017 en 14 februari 2017 heeft [naam 10] (namens [bedrijf 4] ) verdachte over de dan nog openstaande factuur gebeld. Verdachte vertelde op dat moment geen tijd te hebben. Hierna heeft het bedrijf [bedrijf 4] een betalingsherinnering gestuurd naar een door verdachte opgegeven adres [adres 2] , te Gemert. Deze brief kwam retour.

In maart 2017 was sprake van e-mailcontact tussen aangeefster en [naam 12] via het e-mailadres: [e-mailadres 3] @outlook.com. [bedrijf 6] deelde mede:

 dat de heer [naam 2] het bestuur van [bedrijf 6] had overgenomen, per 1 januari 2017;

 dat met ingang van die datum, verdachte en [naam 13] niet meer werkzaam waren voor [bedrijf 6] ;

 dat de factuur per e-mail of post kon worden verzonden naar: [bedrijf 6] , [adres 4] , (Frankrijk) en

 dat de factuur dan per direct zou worden voldaan.

Aangeefster heeft hierna meer e-mails gestuurd naar het adres [e-mailadres 3] @outlook.com, maar een reactie bleef uit. Ondanks herhaaldelijke contacten met verdachte, aanschrijvingen, een betalingsherinnering en e-mailcontact met verzoeken tot betaling had verdachte - al dan niet handelend namens [bedrijf 6] - tot op de dag van de aangifte het openstaande bedrag niet voldaan.58

Vrijspraak.

Oplichting als bedoeld in art. 326 lid 1 Sr is het door aanwending van (één of meer) (oplichtings-)middel(en) een ander bewegen tot bepaalde gedragingen.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde feit niet is gebleken dat verdachte tegenover [bedrijf 4] één of meer van de oplichtingsmiddelen als genoemd in art. 326 lid 1 Sr dan wel een combinatie daarvan, voorafgaand aan de afgifte van de goederen heeft aangewend.

De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van de onder 6 ten laste gelegde oplichting.

Feit 7, eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende gedachtestreepje

Algemeen

Onder 7 is een verzamelfeit ten laste gelegd, te weten ‘een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren’, kortgezegd ‘flessentrekkerij’, een delict strafbaar gesteld in artikel 326a Sr. Het verzamelfeit is in de vorm van gedachtestreepjes onderverdeeld in een achttal feiten. Bij flessentrekkerij hoeft niet ten aanzien van elk afzonderlijk feit te worden vastgesteld dat het oogmerk van niet of niet volledige betaling op het moment van de koop reeds bestond.

Ten aanzien van het oogmerk op niet (volledige) betaling van de onder 7 ten laste gelegde goederen is de rechtbank op grond van de verklaring van verdachte - onder meer afgelegd ter terechtzitting van 21 juli 202159 - van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan strafbaar handelen in de ten laste gelegde perioden vanaf 1 maart 2017.

Verdachte heeft verklaard dat hij sinds maart 2017 wist dat hij ernstige financiële problemen had en dat hij wist dat hij goederen die hij vanaf dat moment aanschafte niet kon betalen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij koste wat het kost zijn handel wilde voortzetten en daarom doorging met de aanschaf van goederen en het laten verrichten van reparaties terwijl hij wist dat de facturen niet voldaan konden worden.

Ten aanzien van dit verzamelfeit komt de rechtbank in dit licht op grond van het hierna volgende tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder het eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende gedachtestreepje:

Zaaksdossier 05; [bedrijf 12] ,eerste gedachtestreepje:

Op 3 april 2018 heeft [naam 31] namens [bedrijf 12] BV, aangifte gedaan van oplichting/flessentrekkerij door verdachte.60 In de aangifte wordt melding gedaan van het feit dat verdachte op 18 november 2017 en op 4 december 2017 op naam van zijn onderneming [bedrijf 11] bij een vestiging van [bedrijf 12] te Harderwijk vrachtwagenonderdelen heeft gekocht (stuurleidingen, koelslangkit, een doseerventiel, klepdekselpakking, filters, een klemblok en een compressorleiding)61, terwijl hij die goederen/onderdelen ondanks aanmaningen nooit heeft betaald.

Omdat de facturen ondanks aanmaningen niet werden betaald had [bedrijf 12] een incassobureau ingeschakeld. [naam 14] , werknemer van [bedrijf 12] , heeft als getuige verklaard dat hij telefonisch contact had gehad met ‘ [verdachte] ’ van bedrijf [bedrijf 11] , die vroeg of hij een klantnummer kon krijgen om op rekening te betalen.

Op 17 november 2017 ontving [bedrijf 12] daartoe een e-mail afkomstig van [e-mailadres 2] @outlook.com met als bijlage een factuur met daarop de bedrijfsgegevens van [bedrijf 11] . De mail was ondertekend door [verdachte] , [bedrijf 11] BV (06- [telefoonnummer] ). [bedrijf 12] heeft een klantnummer voor [bedrijf 11] aangemaakt. Een ex-werknemer van [bedrijf 12] , genaamd [naam 15] , kwam de goederen ophalen;62 een persoon van wie verdachte wist dat hij bij [bedrijf 12] had gewerkt en die daardoor het vertrouwen had van die onderneming.63 Dat bij verdachte niet de intentie aanwezig was om de rekeningen te betalen is ook gebleken uit een afgeluisterd tapgesprek, waarin verdachte zegt dat ‘ze maar een faillissement moeten aanvragen’.64

Door toedoen van verdachte is voor [bedrijf 12] BV een schadepost van in totaal € 1.829,84 ontstaan.

Zaaksdossier 08; [bedrijf 14] BV, vierde gedachtestreepje:

Op 19 april 2018 heeft [naam 16] namens [bedrijf 14] BV (hierna: [bedrijf 14] ) gevestigd te Elst, aangifte gedaan van oplichting/flessentrekkerij door verdachte.65

Uit de aangifte blijkt dat verdachte in de periode december 2017 - januari 2018 verschillende keren (op 11 december 2017, 4 januari 2018 en 27 januari 2018), een vrachtauto ter reparatie heeft aangeboden bij [bedrijf 14] De verzochte reparaties werden verricht. Daarbij werden vrachtwagenonderdelen gekocht en geleverd.

Verdachte heeft nadien de gefactureerde werkzaamheden en onderdelen nooit betaald, ondanks een aanmaning daartoe van aangever. Verdachte heeft slechts een eerste, kleine, reparatie - uitgevoerd in november 2017 - betaald. Toen verdachte door [bedrijf 14] op openstaande rekeningen werd aangesproken, eind januari 2018, verklaarde hij dat hij bij de boekhouder stond en het meteen ging regelen. Dit bleek een loze en onware toezegging.

In het onderzoek werd vastgesteld dat [verdachte] een boekhouder, genaamd [getuige 4] , had gehad die tot en met het derde kwartaal van 2017 voor hem werkte.66 Van enige andere boekhouder daarna is niet gebleken.

Aldus is voor [bedrijf 14] een schadepost van in totaal € 8.296,79 ontstaan.

Zaaksdossier 09; [bedrijf 15] BV, vijfde gedachtestreepje:

Op 11 april 2018 heeft [naam 17] namens [bedrijf 15] BV aangifte gedaan van oplichting en/of flessentrekkerij door verdachte.67 Uit de aangifte blijkt dat verdachte in juni 2017 twee tankpassen van [bedrijf 15] BV had ontvangen op naam van [bedrijf 11] , bestemd voor twee bestelbussen, met de kentekens [kenteken 8] en [kenteken 9] .

De tankpassen werden verstrekt, nadat verdachte in een persoonlijk gesprek het vertrouwen had gewonnen van een medewerker van [bedrijf 15] BV, door te laten blijken dat hij goede contacten had met een grote klant van [bedrijf 15] BV - [naam 18] - en door (in strijd met de waarheid) te vertellen dat hij vijfendertig mensen in dienst had. Verdachte betaalde de borg op 7 juni 2017.

Nadat verdachte de twee tankpassen had ontvangen is door of namens de onderneming [bedrijf 11] in een korte tijd vele malen op rekening dieselolie getankt. Van het merendeel van deze aankopen werden de rekeningen niet betaald. In reactie op een aanmaning van een advocatenkantoor van 6 september 2017 heeft verdachte drie betalingen gedaan, op 25 september 2017, 2 oktober 2017 en 10 oktober 2017. Op 22 augustus 2017 heeft [bedrijf 15] BV de tankpassen geblokkeerd omdat toen nog geen rekening was betaald en verdachte zich niet aan de afspraken hield. Dat bij verdachte niet de intentie aanwezig was om alle facturen te betalen, blijkt uit een afgeluisterd telefoongesprek met zijn chauffeur, [getuige 1] .

Verdachte vertelt tijdens het gesprek tegen [getuige 1] dat hij nog een hele partij moet betalen, bij [bedrijf 15] BV, van afgelopen zomer. Verdachte zegt verder tegen [getuige 1] dat ‘ze’ (een advocaat) vrijdag opbelden en tegen hem vertelden dat ‘ze’ het faillissement van zijn onderneming zouden gaan aanvragen omdat hij de rest niet had betaald; verdachte had toen geantwoord dat ze dat dan maar moesten doen, want hij wilde toch “graag van zijn bedrijf af”.68

Aldus ontstond voor [bedrijf 15] BV een schadepost van - in totaal - € 8.790,80.69

Zaaksdossier 11; [bedrijf 16] , zesde gedachtestreepje:

Op 23 april 2018 heeft [naam 19] , verkoper binnendienst, namens de onderneming [bedrijf 16] aangifte gedaan tegen verdachte van oplichting en/of flessentrekkerij.70

Uit de aangifte blijkt dat verdachte in 2017 op naam van zijn onderneming [bedrijf 11] bij [bedrijf 16] twee keer goederen (beschermingsmiddelen) had besteld en afgenomen, te weten op 17 juli 2017 en op 29 november 2017. Het door verdachte opgegeven telefoonnummer was 06- [telefoonnummer] ; het e-mailadres voor verzending van de facturen [e-mailadres 2] @outlook.com. Verdachte betaalde enkel de eerste factuur. Dat deed hij op het moment dat hij een tweede bestelling plaatste. Daardoor werd het vertrouwen bij de ondernemer gewekt, en werd de tweede bestelling geleverd. Op 29 november 2017 verzond [bedrijf 16] een factuur (CS377267) naar [bedrijf 11] t.a.v. [verdachte] die betrekking had op een telefonische bestelling van 16 oktober 2017 (ordernummer OE232885) van handschoenen, veiligheidsbrillen, oordopjes, veiligheidsvesten, veiligheidshelmen, duct tape en kniebeschermers. Het totale factuurbedrag was € 537,28 incl. btw en moest uiterlijk 29 december 2017 zijn voldaan.

Op 9 januari 2018 en op 22 januari 2018 zijn herinneringen gestuurd naar [bedrijf 11] .71

Uit het onderzoek is gebleken dat verdachte de aanmaningen niet serieus nam en niet voornemens was om te betalen. Op 21 maart 2018 om 13.34 uur heeft [naam 20] , van het incassobureau [bedrijf 33] verdachte gebeld in verband met de betalingsachterstand. Verdachte reageerde met grapjes en zei dat [bedrijf 16] de rekening maar moest doorsturen; deze zou naar een verkeerd bedrijf zijn gestuurd en dat zou al de tweede keer zijn. Verdachte gaf als e-mailadres op: [e-mailadres 2] @outlook.com. [naam 20] zou hierna zorgen dat de factuur opnieuw zou worden verzonden.72

Op 27 maart 2018 rond 15:04 uur en 15:09 uur heeft over de betaling wederom telefonisch contact plaatsgevonden tussen [naam 20] en verdachte. Tijdens het gesprek zegt verdachte onder meer dat [naam 20] maar moet zien hoe hij het geld uit een lege BV kan halen.73

Op de dag van de aangifte was de factuur nog altijd niet betaald.74

Voor [bedrijf 16] ontstond aldus een schadepost van € 537,28.

Zaaksdossier 13; [bedrijf 17] , zevende gedachtestreepje:

Op 24 april 2018 heeft [naam 21] , namens [bedrijf 18] BV - handelsnaam [bedrijf 17] [bedrijf 18] Arnhem - aangifte gedaan van oplichting/flessentrekkerij door verdachte.75

Uit de aangifte blijkt dat verdachte op naam van zijn onderneming [bedrijf 11] diverse keren vrachtautobanden had laten monteren door [bedrijf 17] . Verdachte betaalde aanvankelijk een deel van de facturen en wekte daardoor het vertrouwen van de ondernemer. Daarom werden nieuwe reparaties uitgevoerd. Vervolgens heeft verdachte elf facturen niet betaald.76 De betalingstermijn was steeds dertig dagen.

Omdat niet werd betaald nam de accountmanager [naam 22] , meermalen contact op met verdachte. Verdachte kwam echter telkens met uitvluchten of smoezen. De facturen waren niet juist of hij beloofde ze direct te betalen, of hij zou bezig gaan met de boekhouding.77

[bedrijf 17] heeft hierna een incassobureau ingeschakeld.78

Ten tijde van de aangifte had verdachte de elf openstaande facturen, onder andere met betrekking tot de aankoop van voertuigonderdelen, nog altijd niet betaald. Voor [bedrijf 18] BV is daardoor een schadepost ontstaan van € 5.374,34.79

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt, dat bij verdachte rond de koop van de ten laste gelegde goederen steeds het oogmerk bestond op de niet - dan wel niet volledige - betaling van die goederen. Hij wist immers vanaf maart 2017 dat hij niet meer in staat was de aangegane betalingsverplichtingen na te komen. Daarmee is het oogmerk gegeven. Voorts herkent de rechtbank in de handelwijze die verdachte destijds ten toon heeft gespreid een patroon en is de rechtbank op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte van de niet (volledige) betaling van die goederen een gewoonte had gemaakt, nu sprake is geweest van een meervoud van – met elkaar in onderling verband staande – handelingen en een door de pluraliteit van die handelingen gevormde gewoonte (HR 6 januari 1998, NJ 1998/423).80

Feit 7, tweede, derde en achtste gedachtestreepje: Vrijspraak.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 7 ten laste gelegde ten aanzien van het tweede, derde en achtste gedachtestreepje en overweegt daartoe als volgt.

Zaaksdossier 06; [bedrijf 4] , tweede gedachtestreepje:

In zaaksdossier 6, betreffende de aangifte van het bedrijf [bedrijf 4] , blijkt uit de aangifte dat aangever zélf de met verdachte gemaakte afspraken heeft opgezegd en de levering van goederen voor de tweede werkdag heeft geannuleerd81 nadat een chauffeur van [bedrijf 4] verdachte op de eerste werkdag in november 2016 had herkend als zijnde ‘de [verdachte] ’, een man ‘met praatjes en betrokken bij mestzwendel’. Vanaf dat moment was bij [bedrijf 4] geen sprake meer van voldoende vertrouwen om zaken te doen met verdachte. Uit het dossier blijkt verder dat verdachte reeds een bedrag van € 8.000,-- vooruit had betaald, voor de aanschaf van de tanks, waarop de werkzaamheden van de [bedrijf 4] betrekking hadden. Verdachte voldeed niet aan de betaling van een rekening van € 655,-- voor de levering van vijf vrachten zand. Gelet op de omstandigheid dat verdachte in november 2016 nog niet in feitelijke betalingsonmacht verkeerde, kan niet worden bewezen verklaard dat verdachte ten tijde van het aangaan van de overeenkomst met de [bedrijf 4] het oogmerk heeft gehad om zonder volledige betaling zich de beschikking over die goederen te verzekeren.

De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van dit ten laste gelegde onderdeel van dit feit.

Zaaksdossier 07; [bedrijf 13] , derde gedachtestreepje:

Ten aanzien van zaaksdossier 07, en de aangifte van [naam 23] , namens [bedrijf 13] BV van 19 april 2018, overweegt de rechtbank als volgt.

Op 19 april 2018 heeft [naam 23] namens de onderneming [bedrijf 13] BV tegen verdachte aangifte gedaan van oplichting en/of flessentrekkerij.

[bedrijf 13] had rond oktober 2016 een zogenaamde ‘moving floor-trailer’ van het merk Kraker (kenteken [kenteken 5] ) verhuurd aan de onderneming [bedrijf 8] . Na het voldoen van de aanbetaling en twee maanden huur werd de overeenkomst omgezet in een huurkoopovereenkomst.

Rond de jaarwisseling 2017/2018 is [bedrijf 13] BV overgenomen door [bedrijf 13] ; toen bleek dat bij verdachte/ [bedrijf 8] sprake was van een behoorlijke betalingsachterstand.

Uit het dossier blijkt voorts dat verdachte tot september 2017 facturen heeft betaald. Aangever heeft de (huurkoop-)overeenkomst op 23 maart 2018 laten ontbinden. Verdachte had toen tien maandelijkse termijnen betaald. Er was een betalingsachterstand van vijf maanden. [bedrijf 13] sprak verdachte daarop aan en verdachte liet aangever weten dat van zijn kant sprake was van betalingsonmacht.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte op het moment ven het aangaan van de huurkoop, ten aanzien van betalingsverplichtingen voortvloeiend uit de huurkoopovereenkomst, het oogmerk heeft gehad om zonder volledige betaling zich de beschikking over die trailer te verzekeren. Niet gebleken is dat verdachte op het moment van het aangaan van de huurkoop in feitelijke betalingsonmacht verkeerde. Verdachte heeft zelfs een aanbetaling gedaan en tien maandtermijnen betaald.

De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van dit ten laste gelegde onderdeel van dit feit.

Zaaksdossier 15; [bedrijf 22] , t.a.v. een voertuig, VW, type Amarok [kenteken 6] , achtste gedachtestreepje:

Op 28 mei 2018 heeft [naam 24] namens [bedrijf 19] GmbH - handelend onder de naam [bedrijf 21] en [bedrijf 20] - aangifte gedaan van verduistering en/of oplichting/flessentrekkerij door verdachte betreffende een voertuig (VW Amarok, bedrijfsauto ( [kenteken 6] )).

Uit de aangifte blijkt dat ten behoeve van de VW Amarok op 16 maart 2018 een leaseovereenkomst werd gesloten tussen [bedrijf 19] GmbH (handelend onder de naam van [bedrijf 20] ), [bedrijf 7] , en de leverancier: [bedrijf 22] te Zwolle. Namens [bedrijf 7] tekende [naam 2] , bestuurder van [bedrijf 7] , de overeenkomst. De aanschafprijs van de VW Amarok was € 68.734,81.

Uit de aangifte blijkt dat een aanbetaling werd gedaan van € 20.620,44. Het voertuig werd op 16 maart 2018 op naam van [bedrijf 7] BV gezet. Voor de financiering werd een financieringsovereenkomst gesloten voor in totaal € 54.247,24 (inclusief de kredietvergoeding à € 6.132,87.) [bedrijf 7] BV had een doorlopende machtiging getekend voor [bedrijf 20] . De betaling van de termijnbedragen moest via de rekening van [bedrijf 11] lopen. De eerste termijnbetaling à 753,42 moest uiterlijk 1 mei 2018 plaatsvinden. Deze betaling vond plaats maar kort daarop werd het bedrag gestorneerd met als reden ‘onvoldoende saldo’.

Op 15 mei 2018 heeft de politie [bedrijf 21] op de hoogte gesteld van het feit dat het voertuig in gebruik was bij verdachte en [naam 2] mogelijk een katvanger was. [bedrijf 19] GmbH besloot daarop de leaseovereenkomst te ontbinden. [bedrijf 19] GmbH heeft hierover op 17 mei 2018 een brief gestuurd [bedrijf 7] BV, ter attentie van de heer [naam 2] , Haalderen, waarin stond dat de eerste termijnbetaling uiterlijk op 24 mei 2018 moest zijn ontvangen bij [bedrijf 21] . Op 28 mei 2018 werd vastgesteld dat niet was betaald.

De Volkswagen Amarok is op 29 mei 2018 te Giethmen aangetroffen, inbeslaggenomen en teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar. Van de heer [naam 2] en/of [bedrijf 7] BV werd niets meer vernomen.

De rechtbank overweegt in de eerste plaats als volgt.

Ten aanzien van de vraag of het bij de aanschaf van de VW Amarok door verdachte ging om een voor bewezenverklaring van flessentrekkerij vereiste ‘koop’, overweegt de rechtbank dat - blijkens de aangifte - sprake is geweest van een overeenkomst met levering onder eigendomsvoorbehoud, waarbij het voorbehoud betrof: het nakomen van een financieringsovereenkomst. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop van ‘koop’ in de zin van artikel 326a Sr kan worden gesproken.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte/ [bedrijf 11] in het kader van de leaseovereenkomst een substantieel deel van het aanschafbedrag had aanbetaald, te weten een bedrag van ruim

€ 20.000,--. Voor het resterende bedrag heeft verdachte een financieringsovereenkomst afgesloten, waarbij de financieringsmaatschappij een pandrecht heeft verkregen op de gefinancierde auto.

De rechtbank is van oordeel, gelet op de hoogte van de aanbetaling, dat geen sprake is geweest van een toestand waarbij louter vanwege het feit dat de betalingsverplichting niet is nagekomen, het handelen van verdachte moet worden geacht onderdeel te zijn van ‘een patroon’, in de zin van ‘een meervoud van met elkaar in onderling verband staande handelingen en een door de pluraliteit van die handelingen gevormde gewoonte.’ De aanschaf van deze auto vormt in zoverre een doorbreking van het hiervoor vastgestelde patroon/de gewoonte waarbij zaken worden aangeschaft, terwijl vooraf al duidelijk is dat er geen of onvoldoende financiële middelen zijn om die zaken te betalen. Om die reden acht de rechtbank ten aanzien van deze aanschaf het vereiste oogmerk tot niet (volledige) betaling niet bewezen.

De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van dit onderdeel van het ten laste gelegde feit 7.

feit 8:

Op 21 januari 2016 heeft [slachtoffer 3] aangifte gedaan tegen verdachte ter zake van afpersing en bedreiging met de dood. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij verdachte in 2014 leerde kennen en dat hij zakelijke problemen had, omdat hij geen bedrijven meer op naam kon zetten. Op enig moment had verdachte haar man, [getuige 1] - vrachtwagenchauffeur van beroep -, een vrachtwagen van het merk Scania beloofd, als zij, aangeefster, voor verdachte twee vennootschappen op haar naam zou zetten: [bedrijf 6] en [bedrijf 7] . Haar man had aangeefster overtuigd om daar aan mee te werken. In de middag van 1 augustus 2014 haalde verdachte aangeefster op om naar een notariskantoor in ’s-Heerenberg te gaan. Haar dochter, [slachtoffer 4] , ging ook mee. De autorit verliep allesbehalve prettig - verdachte reed veel te hard en sprak tijdens de rit telefonisch met haar man over seks en het regelen van hoeren - en aangeefster zei, aangekomen bij het notariskantoor, dat zij geen aktes meer wilde tekenen. Verdachte pakte daarop een pistool, hield deze tegen het hoofd van [slachtoffer 4] , en zei: “Als je niet tekent, dan zit ze dadelijk niet meer op de achterbank". Verdachte pakte ook de mobiele telefoon van [slachtoffer 4] af.

Aangeefster is toen toch het notariskantoor binnengegaan en heeft in aanwezigheid van de notaris en verdachte de aktes getekend. [slachtoffer 4] bleef in de – door verdachte afgesloten – auto achter.

Na het bezoek aan de notaris zijn nog een autobedrijf en een bordeel bezocht omdat verdachte aan aangeefster wilde laten zien waar [getuige 1] , haar man, was geweest. Op de terugweg zei verdachte tegen aangeefster dat er nog enkele zakelijke bankrekeningen geopend moesten worden.

Aangeefster heeft op 17 mei 2018 een aanvullende verklaring afgelegd. Aangeefster heeft het wapen toen beschreven als ‘een zwart vierkant wapen, zoals de wapens die door de politie worden gebruikt’. Op de vraag of zij had gezien dat verdachte het wapen ook op haarzelf had gericht, heeft aangeefster verklaard dat zij dat niet meer weet; ze keek alleen naar haar dochter. Op de vraag waarom zij pas anderhalf jaar na het incident aangifte deed, heeft aangeefster verklaard dat haar man haar niet serieus nam en dat de NVWA een paar keer aan de deur was geweest, maar dat zij zich nergens mee mocht bemoeien van haar man en van verdachte. Na een jaar bang te zijn geweest besloot ze dat de maat vol was.

Op 2 maart 2016 deed ook [slachtoffer 4] aangifte tegen verdachte, ter zake bedreiging. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte op 1 augustus 2014, in ’s-Heerenberg bij een notariskantoor, een pistool op haar voorhoofd zette, om zo haar moeder te dwingen om bij de notaris te tekenen voor de oprichting van twee BV’s. Zij was toen vijftien jaar.

Haar moeder wilde, aangekomen bij de notaris, niet meer tekenen. Verdachte had toen een pistool gepakt, zich omgedraaid en het pistool op het voorhoofd van aangeefster gezet. Aangeefster hoorde verdachte tegen haar moeder zeggen dat zij wel degelijk zou gaan tekenen, omdat zij, [slachtoffer 4] , anders niet meer op de achterbank zou zitten. Verdachte had hierna het wapen nog op haar moeder gericht en de telefoon van aangeefster afgepakt. Verdachte en haar moeder kwamen vrij snel terug van het bezoek aan de notaris, zo verklaarde aangeefster, en haar moeder had toen rode ogen en was lijkwit.

Op 6 juni 2018 heeft [getuige 1] , de man van aangeefster [slachtoffer 3] , vader van [slachtoffer 4] , als getuige een verklaring afgelegd. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij pas een jaar na oprichting van de BV’s, tijdens een ruzie, van zijn vrouw hoorde dat bij de oprichting van de BV 's met een pistool was gedreigd. Hij had daar toen weinig aandacht geschonken omdat hij dacht dat zijn vrouw vooral uit emotie reageerde.

Van [slachtoffer 4] had hij pas over de bedreiging gehoord op de ochtend van het verhoor.

Vrijspraak.

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het onder feit 8 primair en subsidiair ten laste gelegde, wegens een gebrek aan objectief en overtuigend (steun-)bewijs.

Zo is niet gebleken dat de notaris, die aanwezig is geweest bij het tekenen van de aktes voor de oprichting van de vennootschappen, tijdens het bezoek van [slachtoffer 3] en verdachte bijzonderheden heeft waargenomen met betrekking tot de mentale toestand waarin aangeefster verkeerde, terwijl [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij er tijdens de afspraak met de notaris met een huilgezicht bij zat, constant zat te huilen en de tranen uit haar gezicht wreef, en ook [slachtoffer 4] heeft verklaard dat [slachtoffer 3] op het moment dat zij uit de auto stapte totaal overstuur en behoorlijk aan het huilen was en ook na de afspraak bij de notaris huilend en overstuur terugkwam bij de auto. Verder neemt de rechtbank bij haar oordeel - onder meer - in aanmerking dat de beide aangeefsters niet eerder dan ongeveer anderhalf jaar na het bezoek aan de notaris hun aangiften hebben ingediend.

Het bij de doorzoeking in 2018 aangetroffen imitatievuurwapen, kan niet als steunbewijs dienen nu uit niets blijkt dat verdachte ook op 1 augustus 2014 tijdens het bezoek aan de notaris in het bezit was van het wapen dat ruim drie jaar later bij de doorzoeking is aangetroffen, of een soortgelijk wapen.

feit 9:

Op 30 mei 2018 werd het door de verdachte gehuurde (bedrijfs)pand aan de [adres 3] te Bemmel doorzocht. Voor het binnentreden in het pand was een machtiging afgegeven.

De moeder van verdachte, mevrouw. [naam 25] , beschikte over een sleutel van het pand; zij liet verbalisanten binnen en ging hen voor. [naam 25] heeft verbalisanten aangewezen welk deel van de aldaar opgeslagen inboedel aan verdachte toebehoorde: een aantal verhuisdozen en tassen geplaatst bij een éénpersoonsbed. In één van de verhuisdozen werd een rood tasje aangetroffen met daarin, gewikkeld in een grijze vuilniszak, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Dit voorwerp werd inbeslaggenomen.82

Technisch onderzoek naar de aard van het imitatiewapen heeft uitgewezen dat het ging om een luchtdrukwapen dat door veerdruk kleine balletjes (metaal/plastic) van ca. 4.5 mm kan verschieten. Het voorwerp was een nabootsing van een pistool, dat wat betreft vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, te weten een pistool van het merk Colt, model 1911. Het betrof een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie I onder 7 van de Wet Wapens en Munitie (WWM), gelet op artikel 3 onder a van de Regeling Wapens en Munitie, waarvan het voorhanden hebben strafbaar is gesteld in artikel 13, lid 1 juncto artikel 55, lid 1 WWM.83

Verdachte heeft ter terechtzitting van 21 juli 2021 naar aanleiding van deze inbeslagname verklaard dat hij het balletjespistool in zijn bezit had.84

De raadsman heeft als verweer naar voren gebracht dat het imitatiewapen een speelgoedwapen is en om die reden niet valt binnen het bereik van de WWM.

Bij de beoordeling van het verweer zijn de hiernavolgende bepalingen van belang:

Artikel 13, eerste lid WWM:

Het is verboden een wapen van categorie I te vervaardigen, te transformeren, voor derden te herstellen, over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen, te vervoeren, te doen binnenkomen of te doen uitgaan.

Artikel 2, eerste lid aanhef en onder 7° bij categorie I, WWM:

Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

Categorie I:

(…)

7°. Andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.

Artikel 3, aanhef en onder a, van de Regeling wapens en munitie:

Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:

a. Voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen, met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG.’

Artikel 2, eerste lid van de Speelgoedrichtlijn 2009/48/EG van 18 juni 2009:

Deze richtlijn is van toepassing op producten die, al dan niet uitsluitend, ontworpen of bestemd zijn om door kinderen jonger dan 14 jaar bij het spelen te worden gebruikt (hierna "speelgoed" genoemd). De in bijlage I vermelde producten worden niet als speelgoed in de zin van deze richtlijn beschouwd.

Artikel 16 van de Speelgoedrichtlijn 2009/48/EG:

1. Speelgoed dat op de markt wordt aangeboden, is voorzien van de CE-markering.’

2. De CE-markering is onderworpen aan de algemene beginselen die zijn vastgesteld in artikel 30 van Verordening (EG) nr. 765/2008.

3. De lidstaten veronderstellen dat speelgoed dat van de CE-markering is voorzien, aan deze richtlijn voldoet.’

Bijlage I bij de Richtlijn, onder meer inhoudende:

Lijst van producten die, met name, niet als speelgoed in de zin van deze richtlijn worden beschouwd (als bedoeld in artikel 2, lid 1):

2. Producten voor verzamelaars, mits op het product of de verpakking ervan zichtbaar en leesbaar is aangegeven dat het bestemd is voor verzamelaars van 14 jaar en ouder. Voorbeelden van deze categorie zijn:

a. a) – d) (..)

e) imitaties van echte vuurwapens.

Volgens bijlage I onder e) worden imitaties van echte vuurwapens uitdrukkelijk niet beschouwd als speelgoed in de zin van de richtlijn, voor zover is voldaan aan de uitzondering zoals beschreven in lid 2.

In het onderhavige geval is op basis van deskundig onderzoek ten aanzien van het imitatiewapen vastgesteld dat het ging om een nabootsing van een pistool, dat wat betreft vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, te weten een pistool van het merk Colt, model 1911.85 De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van het proces-verbaal ‘Onderzoek wapen’ van verbalisant [verbalisant] . De rechtbank houdt bij haar oordeel rekening met een arrest van de Hoge Raad van 11 mei 2021, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat bij de vraag of sprake is van een sprekende gelijkenis tussen een luchtdrukwapen en een vuurwapen, de feitelijke vorm en de afmeting van het voorwerp beslissend zijn.86

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer.

feit 10:

Op 24 mei 2018 heeft curator R.C. Faase, aangifte gedaan tegen verdachte van eenvoudige bankbreuk, in het kader van de afwikkeling van het faillissement van [bedrijf 5] .87 Deze vennootschap is bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 23 april 2013 in staat van faillissement verklaard.88

Faase was per 1 januari 2017 aangesteld als (opvolgend) curator in dit faillissement.89

Verdachte was bestuurder van [bedrijf 28] BV, welke rechtspersoon op haar beurt bestuurder was van [bedrijf 5] .90

Ten aanzien van de relevante wetgeving stelt de rechtbank voorop, dat op 1 juli 2016 de strafrechtelijke bepalingen met betrekking tot faillissementsfraude in het Wetboek van Strafrecht zijn gewijzigd. De rechtbank constateert dat de tenlastelegging onder feit 10 in verschillende onderdelen (A en B) daarop is afgestemd.

Op 23 april 2013 heeft de curator [bedrijf 5] bezocht en verdachte, die voorafgaand en ten tijde van het faillissement als (middellijk) bestuurder van deze failliete vennootschap kon worden aangemerkt, verzocht om de volledige administratie en de bijbehorende gegevensdragers te verstrekken; deze bestaat over het algemeen uit ten minste een kolommenbalans (proef- en saldibalans), grootboekkaarten, in- en verkoopfacturen, overzichten van de openstaande debiteuren- en crediteurenvorderingen en bankafschriften. In reactie op het verzoek van de curator heeft verdachte geen administratie verstrekt.

Tijdens een gesprek op 2 mei 2013 heeft de curator verdachte opnieuw verzocht om de administratie over te leggen. Op 14 mei 2013 heeft een kantoorgenoot van de curator, [naam 26] , verdachte per e-mail verzocht om enkele administratieve bescheiden binnen een week aan te leveren.91

Op 27 juni 2013 heeft [naam 26] voornoemd, zowel per gewone als per aangetekende post, brieven gestuurd naar [bedrijf 28] B.V. en verdachte.92 In de brief werd de holding voor een laatste maal verzocht om de administratie aan te leveren. De curator heeft nadien tegen de holding en tegen verdachte een civiele procedure aangespannen, waarin vonnis werd gewezen op 13 augustus 2014.93 Uit het (onherroepelijk geworden) vonnis volgt (r.o. 2.7) dat verdachte niet aan de verplichting om de administratie van [bedrijf 5] aan de curator te verstrekken heeft voldaan. Verdachte is persoonlijk aansprakelijk gesteld voor het faillissementstekort. Het totaal aan schulden in het faillissement, behoudens het salaris van de curator, bedroeg € 803.897,30,--, waarvan een bedrag van € 44.119,-- aan boedelvorderingen, € 54.813,-- aan vorderingen van de Belastingdienst en een bedrag van

€ 703.218.30,-- aan concurrente schulden.

In het voorjaar van 2018 heeft curator Faase een debiteurenoverzicht ontvangen van [bedrijf 5] ; alle vorderingen waren toen verjaard.

Op [bedrijf 28] B.V. en verdachte rustte direct respectievelijk indirect de verplichting om de administratie van [bedrijf 5] te voeren en deze te overleggen aan de (voormalige) curator. Er is verzuimd om aan die verplichting te voldoen. Verdachte heeft tijdens een comparitie van partijen verklaard dat hij de administratie die hij onder zich had aan de curator zou overhandigen; verdachte had dus administratie onder zich. Doordat die administratie niet - laat staan terstond en in ongeschonden staat - is verstrekt zijn de curatoren niet in staat geweest om te controleren of sprake was van (meer) baten in dit faillissement en om de rechten en verplichtingen van [bedrijf 5] vast te stellen.94

Verdachte heeft ten aanzien van het onder 10 ten laste gelegde, tijdens een verhoor afgenomen op 22 mei 201995, verklaard dat hij zelf alles regelde voor de bedrijven [bedrijf 5] en [bedrijf 28] BV. Voor de boekhouding had hij wel ondersteuning; deze werd aanvankelijk door de GIBO-groep verzorgd en later door Flynth. Iemand van de GIBO-groep kwam maandelijks langs en voerde de administratie in. Eens in de drie maanden had verdachte een afspraak met de fiscalist of de boekhouder. Het faillissement werd op 23 april 2013 uitgesproken. [bedrijf 5] had toen een schuld van ongeveer een half miljoen euro.

Het eerste contact met de curator was in de eerste week na de uitspraak. Voor de verstrekking van de administratie verwees hij de curator door naar de GIBO, zo heeft hij verklaard. De curator ontving uiteindelijk, in februari 2018, de stukken van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD), nadat de FIOD de computers in beslag had genomen.96

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot een vrijspraak van de onder 10 onderdeel A primair ten last gelegde bedrieglijke bankbreuk, omdat het dossier geen bewijs bevat uit die periode omtrent het destijds geldende wettelijk bestanddeel “ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers”.

De onder de oude wet onder 10 onderdeel A subsidiair ten last gelegde eenvoudige bankbreuk (waarbij voormeld bestanddeel geen rol speelt) acht de rechtbank op grond van het vorenstaande over die periode wettig en overtuigend bewezen.

Daarnaast komt de rechtbank op grond van het vorenstaande tot een bewezenverklaring van het onder 10 onderdeel B primair ten laste gelegde, met het oog op de nieuwe wet, voor zover het betreft het niet voldoen aan de verplichting de administratie in ongeschonden vorm aan de curator te verstrekken.

Parketnummer 08-993500-19 (feiten in het onderzoek ‘Red Oil’):

De feiten 1, 2, 3 en 4:

Op 23 november 2017 hebben verbalisanten van politie eenheid Oost-Nederland een onderzoek verricht bij het bedrijfspand van verdachte, gelegen aan de [adres 3] te Bemmel. Achter het pand stonden een aantal witte opslagtanks alsook een aanhangwagen met een witte opslagtank, met een tankslang en een op een pomp gelijkend apparaat en een dun slangetje. Er was een diesellucht te ruiken.97

Op 5 januari 2018 hebben verbalisanten van de Belastingdienst/Douane te Apeldoorn een brandstofcontrole verricht bij een vrachtwagen met kenteken [kenteken 10] , die op dat moment werd bestuurd door verdachte. Onderzoek naar een monster van de op dat moment gebruikte brandstof heeft uitgewezen dat het minerale olie (of: gasolie) betrof, voorzien van - niet-toegestane - herkenningsmiddelen (Solvent Yellow 124).98

Naar aanleiding van die bevindingen hebben verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] van de Belastingdienst/Douane op 8 februari 2018 opnieuw een controle verricht bij het bedrijfspand aan de [adres 3] te Bemmel.99

Op 8 februari 2018 werden achter het pand 19 blauwe zogenoemde ibc’s (Intermediare Bulk Containers) en 21 witte ibc’s aangetroffen. Bij het openen van één van de blauwe ibc’s bleek het vat een naar diesel ruikende, rode, vloeistof te bevatten. Aan de voorkant van het terrein stond de - op 5 januari 2018 gecontroleerde - vrachtwagen met het kenteken [kenteken 10] . De heer [naam 36] , directeur van een bedrijf aan de overkant, verklaarde dat die vrachtwagen in gebruik was bij [verdachte] . Verbalisanten hebben een monster genomen van de naar diesel ruikende vloeistof in de brandstoftank van de vrachtwagen. Van de inhoud van een aantal ibc-vaten op het terrein achter het pand zijn monsters genomen. Verbalisanten hebben de blauwe ibc’s opengemaakt. Bij elk vat was de bekende geur van diesel te ruiken. In alle vaten werd een restant van visueel rode diesel aangetroffen.

Verbalisanten hebben van de ibc-vaten met de nummers 012, 024, 026, 034, 117 en 121 monsters genomen van de naar diesel ruikende, rode, vloeistof. Ibc-vaten genummerd 025, 071 en 119 bleken volledig te zijn gevuld met, vermoedelijk, rode diesel. Ook daarvan zijn monsters genomen. Hierna werd na overleg met de fraudecoördinator - met assistentie van een sleutelsmid - het pand betreden waarna zoekend is rondgekeken. In het pand bevonden zich een zestal blauwe ibc's en één witte ibc. Opnieuw werd de geur van diesel geroken. Verbalisanten hebben monsters genomen van de inhoud van de blauwe ibc’s met nummers 015, 113, een wit ibc-vat en een ibc-vat met de tekst ‘Ad Blue’.100

Na overleg met de FIOD werd het pand doorzocht op basis van een machtiging.101

Tijdens de doorzoeking op die avond hebben opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/Douane bij de administratie onder meer een vaststellingsovereenkomst aangetroffen waaruit bleek dat de loods aan de [adres 3] werd gehuurd door het bedrijf [bedrijf 8] , vertegenwoordigd door verdachte.102 Tijdens de doorzoeking werd voorts een leasecontract aangetroffen betreffende de vrachtwagen met het kenteken [kenteken 10] waaruit bleek dat deze geleased was door het bedrijf [bedrijf 11] , vertegenwoordigd door verdachte, met ingang van 1 juli 2017. 103 Verdachte was enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 11] .104

Uit de testresultaten van het Douane Laboratorium van de monsterafnames van de ibc’s met de nummers 012, 015, 024, 025, 026, 034, 071, 113, 117, 119, 121, alsmede ‘ibc wit’, en ‘ [kenteken 10] ’ bleek dat al deze monsters hoeveelheden van het niet-toegestane herkenningsmiddel Solvent Yellow 124 bevatten.105

Op 29 maart 2018, omstreeks 19:20 uur is in Oss een controle uitgevoerd bij een vrachtwagencombinatie op een industrieterrein. Het ging om een vrachtwagen met een witte cabine met rode bies, met kenteken [kenteken 9] , waarvan de motorklep open stond. Rechts stond een aanhanger. In de aanhanger stond een grote blauwkleurige PD-3 (tank) met een, vermoedelijke, pompinstallatie. Bij de dieseltank stond een man, met in zijn handen een slang, die uit de pompinstallatie kwam. Aan de zijkant van de aanhanger zat een andere man. Verbalisanten roken een penetrante brandstofgeur. Bij vaststelling van de identiteit van de mannen bleek het te gaan om:

 [getuige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1971 te [geboorteplaats 2] en

 (de man aan de zijkant van de aanhangwagen) [verdachte] , verdachte.106

Beide mannen zijn aangehouden.

Eerder die dag, rond 16:07 uur, hadden opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/Douane een controle verricht op een parkeerterrein te Zevenaar, naar aanleiding van een incident rond dezelfde trekker-oplegger ( [kenteken 9] ) met een personenvoertuig (kenteken [kenteken 11] ), naar mogelijke betrokkenheid bij overdracht van minerale oliën.107 Verbalisanten zagen achter het linker-achterwiel vier groene jerrycans.

De chauffeur van de trekker-oplegger werd op grond van de Wet op de Accijns gecontroleerd. Hij verklaarde toen niet te weten van wie de groene jerrycans waren. Van de roodkleurige, naar diesel ruikende, inhoud van de brandstoftank van de trekker-oplegger is toen een monster afgenomen. Uit een analyserapport van het laboratorium van het Ministerie van Financiën (5575 M 18) bleek dat de brandstof 7,7 gram Solvent Yellow 124 per 1000 liter bevatte en dat het rode gasolie was.

Op 29 maart 2018 ’s avonds begaven ook verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] zich naar Oss ter controle van de genoemde witte vrachtwagen met kenteken [kenteken 9] en de aanhanger met de blauwkleurige PD-3 (tank).108 In de aanhanger stond een ibc waar een zwarte slang uit kwam met een vulpistool, dat in de brandstoftank van de trekker zat. In de aanhanger stond een aggregaat.

Verbalisanten namen een monster van de brandstof uit de ibc-tank, rood van kleur. De brandstoftank van de trekker zat vol met roodgekleurde brandstof; van de inhoud van de tank is ook een monster genomen. Het monster uit de ibc-tank in de aanhanger werd ten behoeve van de vaststelling van het Solvent Yellow 124-gehalte en/of rode kleurstof naar het laboratorium gestuurd. Analyse van het monster wees uit (5583 M 18) dat de rode brandstof was voorzien van 8,2 gram Solvent Yellow 124 per 1000 liter. De chauffeur, naar later bleek: [getuige 1] , is op 29 maart 2018 staande gehouden en nog dezelfde middag om 17:10 uur als verdachte verhoord. [slachtoffer 4] heeft tijdens dat verhoor verklaard dat hij werkte voor [bedrijf 6] . De trailer was gehuurd bij Titan, de trekker was eigendom van [bedrijf 6] , aldus [slachtoffer 4] .109

Op 27 oktober 2018 werd [slachtoffer 4] aanvullend verhoord. [slachtoffer 4] heeft bij die gelegenheid verklaard dat de vrachtwagencombinatie waar hij op 29 maart 2018 in reed ( [kenteken 9] ) van [verdachte] was, zijn werkgever. [slachtoffer 4] ging er vanuit dat er rode diesel in de tank zat. [verdachte] (verdachte) zorgde er altijd voor dat er diesel in zat. Die rode diesel kwam uit België. [verdachte] ging die zelf halen, of hij regelde iemand daarvoor. Hij gebruikte dan de ibc-vaten, zoals die in de aanhanger werden aangetroffen. [slachtoffer 4] zag eens dat [verdachte] een hoeveelheid van 26.000 liter cash betaalde. [slachtoffer 4] ging ervan uit dat er geen accijns werd betaald. [verdachte] regelde de brandstof, of anders regelde hij dat er cash geld was of een pasje. Volgens [slachtoffer 4] tankte [verdachte] zo’n twee of drie keer per week rode gasolie. Toen de bedrijven, [bedrijf 11] , [bedrijf 6] en [bedrijf 7] waren opgericht was [slachtoffer 4] wel zo’n tien keer met verdachte naar België gegaan, voor zo’n 26.000 liter per keer. [verdachte] was de directeur van [bedrijf 6] , alleen niet op papier.110

Ook uit getapte telefoongesprekken, gevoerd tussen verdachte en [getuige 1] en/of anderen blijkt dat verdachte met anderen praat over het regelen en ophalen van rode diesel in België. Zo vraagt verdachte aan [slachtoffer 4] wat de gasolie kost (26 maart 2018) en is te horen: “..echt leeg dat tankstation daar.”111

[slachtoffer 3] , echtgenote van [getuige 1] , heeft tijdens een verhoor over haar rol bij de bedrijven [bedrijf 6] en [bedrijf 7] verklaard dat zij slechts op papier de bestuurder was; de bedrijven waren feitelijk van en voor verdachte. Verdachte was ook feitelijk de oprichter en directeur en hij deed ook alle handel.112

De Belastingdienst/Douane heeft via de douane te Rotterdam aan de Belgische douaneautoriteiten op basis van een wederzijds bijstandsverzoek (‘Napels II’) vragen gesteld over de leveringen vanuit België aan bedrijven van verdachte, in het bijzonder betreffende de bedrijven [bedrijf 8] , [bedrijf 7] en [bedrijf 6] . In een brief van het Douane Informatiecentrum (DIC) van 23 juli 2018 gericht aan de Belastingdienst/Douane, met bijlagen, worden de - op grond van controles in België - verkregen gegevens verschaft met betrekking tot de leveringen van ‘red oil’ door Belgische bedrijven aan de bedrijven [bedrijf 7] , [bedrijf 6] en [bedrijf 8] .

De bijlagen bestaan uit overzichten van de leveringen van de rode gasolie aan genoemde BV’s over de periode 19 oktober 2015 tot en met 10 april 2018.113

Uit deze gegevens blijkt dat vanuit België aan [bedrijf 6] over de periode 19 oktober 2015 tot en met 31 december 2015 een hoeveelheid van in totaal 68.563 liter rode diesel werd geleverd en over de periode 1 januari 2016 tot en met 18 november 2016 een hoeveelheid van in totaal 9.184 liter.

Verder bleek aan [bedrijf 7] over de periode 19 oktober 2015 tot en met 30 oktober 2015 een hoeveelheid van in totaal 26.836 liter rode diesel te zijn geleverd, vanuit België.

Aan het bedrijf [bedrijf 8] bleek over de periode van 5 april 2017 tot en met 31 december 2017 een hoeveelheid van in totaal 237.932 liter en over de periode 1 januari 2018 tot en met 10 april 2018 een hoeveelheid van in totaal 79.441 liter rode diesel te zijn geleverd.

Tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand aan de [adres 3] te Bemmel zijn facturen aangetroffen en inbeslaggenomen die betrekking hadden op deze leveringen.114

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder parketnummer 08-994562-18 onder 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair, 7 eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende gedachtestreepje, 9 en 10 onderdeel B primair en onderdeel A subsidiair, en de onder parketnummer 08-993500-19 onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Parketnummer 08-994562-18:

Feit 3 subsidiair:

hij in de periode van 7 december 2017 tot en met 30 december 2018 in Nederland,

opzettelijk twee trailers/opleggers (kentekens [kenteken 2] en [kenteken 3] ), die toebehoorden aan [bedrijf 1] B.V., en welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten vanwege een huurovereenkomst, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Feit 4 subsidiair:

hij in de periode van 2 februari 2018 tot en met 27 maart 2018, in Nederland, opzettelijk één trailer/oplegger (kenteken [kenteken 4] ), die toebehoorde aan [bedrijf 2] B.V. ( [bedrijf 2] ), en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten vanwege een lease(koop)overeenkomst, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Feit 5 subsidiair:

hij in de periode van 26 januari 2018 tot en met 30 januari 2018, in Nederland, opzettelijk één vrachtauto (kenteken [kenteken 1] ), die toebehoorde aan [bedrijf 3] B.V., en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten op grond van een huurovereenkomst, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Feit 7 :

hij op tijdstippen in de periode van 1 maart 2017 tot en met 28 mei 2018, in Nederland, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich de beschikking over die goederen te verzekeren, hebbende verdachte telkens met voormeld oogmerk, de navolgende goederen - op tijd en plaats daarbij vermeld - gekocht, te weten:

 diverse vrachtwagenonderdelen (stuurleidingen, koelslangkit, doseerventiel, klepdekselpakking, filters, klemblok en/of een compressorleiding) bij [bedrijf 12] B.V., in de periode van 18 november 2017 tot en met 3 april 2018 in Nederland, en

 diverse vrachtwagenonderdelen (gloeistift standverwarming, zeefgloeispiraal, stand-kachel, lampen, insteekkoppelingsmof en -stekker, spanner met spanrollen, waterpomp, pakking waterpomphuis, onderlegring, remschijf, naaf, remklauw en/of WS-stootverbinder) bij [bedrijf 14] B.V., in de periode van 1 november 2017 tot en met 19 april 2018 in Nederland, en

 twee tankpassen en diesel bij [bedrijf 15] B.V., in de periode van 24 maart 2017 tot en met 11 april 2018 in Nederland, en

 handschoenen, veiligheidsbrillen, oordopjes, veiligheidsvesten, veiligheidshelmen, duettape en kniebeschermers bij [bedrijf 16] , in de periode van 16 oktober 2017 tot en met 23 april 2018 in Nederland, en

 diverse voertuigonderdelen (wielen en/of banden en/of ventielen) bij [bedrijf 17] en/of [bedrijf 18] B.V., in de periode van 22 september 2017 tot en met 15 mei 2018 in Nederland;

Feit 9:

hij op 30 mei 2018 te Bemmel een wapen van categorie I onder 7° van de Wet Wapens en Munitie (te weten een luchtdrukwapen van het merk Colt kaliber 45), gelijkend op een vuurwapen (van het merk en type Colt 1911), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad;

Feit 10:

onderdeel B primair (betreffende de periode onder de nieuwe wet):

hij in de periode van 1 juli 2016 tot en met 10 juli 2018 in Nederland,

als bestuurder van een rechtspersoon, te weten: [bedrijf 5] B.V., welke bij vonnis van de rechtbank te Gelderland, zittingsplaats Zutphen, op 23 april 2013 in staat van faillissement is verklaard, tijdens het faillissement van de rechtspersoon desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen (zoals omschreven in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i eerste lid boek 3 van het Burgerlijk Wetboek) gevoerde en/of bewaarde administratie en/of de daartoe behorende boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in ongeschonden vorm aan de curator heeft verstrekt,

onderdeel A subsidiair (betreffende de periode onder de oude wet):

in de periode van 23 mei 2011 tot en met 22 april 2013 en in de periode van 23 april 2013 tot en met 30 juni 2016 in Nederland,

aan hem, verdachte als bestuurder van een rechtspersoon, te weten: [bedrijf 5] B.V., welke bij vonnis van de rechtbank te Gelderland, zittingsplaats Zutphen, op 23 april 2013 in staat van faillissement is verklaard, te wijten is dat niet is voldaan aan de verplichtingen, omschreven in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en de volgens die artikelen gevoerde administratie en/of de boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers, die ingevolge die artikelen zijn bewaard, niet in ongeschonden staat te voorschijn zijn gebracht.

Parketnummer 08-993500-19:

Feit 1 :

de besloten vennootschap [bedrijf 6] B.V., in de periode van 19 oktober 2015 tot en met 18 november 2016, in Nederland, opzettelijk een accijnsgoed voorhanden heeft gehad dat niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns, in de heffing was betrokken,

immers heeft [bedrijf 6] B.V. 68563 liter (2015) en 9184 liter (2016) gasolie extra, zijnde rode diesel, vanuit België voorhanden gehad , aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;

Feit 2 :

de besloten vennootschap [bedrijf 7] B.V., in de periode van 19 oktober 2015 tot en met 30 oktober 2015 in Nederland, opzettelijk een accijnsgoed voorhanden heeft gehad dat niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op Accijns, in de heffing was betrokken,

immers heeft [bedrijf 7] B.V. 26836 liter (2015) gasolie extra, zijnde rode diesel, vanuit België voorhanden gehad, aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;

Feit 3 :

de besloten vennootschap [bedrijf 8] B.V., in de periode van 5 april 2017 tot en met 10 april 2018, in Nederland, opzettelijk een accijnsgoed voorhanden heeft gehad dat niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op Accijns, in de heffing was betrokken,

immers heeft [bedrijf 8] B.V, 237.932 liter (2017) en 79.441 liter (2018) gasolie extra, zijnde rode diesel, vanuit België voorhanden gehad , aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;

Feit 4 :

hij in de periode van 5 januari 2018 tot en met 29 maart 2018, in Nederland, opzettelijk

een minerale olie die was voorzien van bij ministeriële regeling voorgeschreven herkenningsmiddelen dan wel bestanddelen daarvan, te weten gasolie (rode diesel)

buiten een accijnsschorsingsregeling en/of een douaneschorsingsregeling, anders dan in een situatie als voorzien in artikel 91, tweede lid, onderdeel a tot en met d van de Wet op de accijns, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Parketnummer 08-994562-18:

Het onder 3 subsidiair, 4 subsidiair en 5 subsidiair bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 321 Sr.

Het onder 7 bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 326a Sr.

Het onder 9 bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 13 lid 1 juncto artikel 55 lid 1 WWM.

Het onder 10 onderdeel B primair bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 344a lid 2 onder 1 Sr.

Het onder 10 onderdeel A subsidiair bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 342 aanhef en onder 3 (oud) Sr.

Parketnummer 08-993500-19:

Het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 5 lid 1 onder b van de Wet op de Accijns.

Het onder 4 bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 91 lid 2 aanhef en onder a tot en met d van de Wet op de Accijns.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

Parketnummer 08-994562-18 :

feit 3 subsidiair:

het misdrijf:

verduistering, meermalen gepleegd;

feit 4 subsidiair en 5 subsidiair:

telkens het misdrijf:

verduistering;

feit 7

eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende gedachtestreepje:

het misdrijf:

een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren;

feit 9:

het misdrijf:

handelen in strijd met artikel 13 lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

feit 10 onderdeel B primair:

het misdrijf:

als bestuurder van een rechtspersoon, tijdens het faillissement van de rechtspersoon, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake , een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken aan de curator verstrekken;

en

feit 10 onderdeel A subsidiair:

het misdrijf:

het als bestuurder van een rechtspersoon, welke in staat van faillissement is verklaard, aan hem te wijten zijn dat de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, waarmee volgens artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), en/of artikel 15i, eerste lid van Boek 3 BW (in samenhang met artikel 10, eerste lid van Boek 2 BW), administratie is gevoerd, en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers die ingevolge die artikelen zijn bewaard, niet in ongeschonden staat tevoorschijn zijn gebracht.

Parketnummer 08-993500-19 :

feit 1, 2, en 3:

telkens het misdrijf:

feitelijke leiding geven aan het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 lid 1 sub b van de Wet op de Accijns opgenomen verbod;

feit 4:

het misdrijf:

opzettelijk overtreden van een in artikel 91 lid 2 onder a tot en met d van de Wet op de Accijns opgenomen verbod.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de onder parketnummer 08-994562-18 onder feit 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair, 7 eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende gedachtestreepje, 9 en 10 onderdeel B primair en onderdeel A subsidiair, en de onder parketnummer 08-993500-19 onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf zal worden opgelegd voor de duur van 44 maanden, waarvan 20 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering van het Leger des Heils.

Daarnaast hebben de officieren van justitie als bijkomende straffen gevorderd dat verdachte wordt ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de periode van vijf jaren en dat een beroepsverbod zal worden opgelegd voor het handelen in mest voor een periode van vijf jaar (zowel middellijk als onmiddellijk), in die zin dat verdachte zich op geen enkele wijze zal inlaten met meststoffen, noch door daarin te handelen noch door daarin als vervoerder op te treden, of anderszins.

De officieren van justitie hebben daarnaast openbaarmaking van het vonnis gevorderd, middels publicatie van het (niet geanonimiseerde) vonnis op rechtspraak.nl en publicatie in een regionaal dagblad (bijvoorbeeld de Stentor) en een agrarisch vakblad zoals ‘de Boerderij’.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om in geval van een veroordeling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder zijn kwetsbare psychische gezondheid, de hoge schuldenlast en, daartegenover, de positieve toon van het recente reclasseringsadvies. De raadsman heeft verder verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het tijdsverloop in de zaken en het feit dat verdachte in de afgelopen jaren niet opnieuw in aanraking is gekomen met politie of justitie. De raadsman heeft verzocht om, indien de rechtbank komt tot oplegging van gevangenisstraf, die straf voorwaardelijk op te leggen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft zich in een periode van enkele jaren meerdere keren schuldig gemaakt aan verduistering en flessentrekkerij.

In het kader van zijn handel en werkzaamheden in de agrarische (transport)sector - waarbij verdachte heeft gehandeld onder eigen naam dan wel namens één van zijn bedrijven dan wel bedrijven op naam van anderen of van rechtspersonen waarvan hij feitelijk gebruik heeft gemaakt, is verdachte huur-, lease- en koopovereenkomsten aangegaan, om zodoende te kunnen beschikken over materieel, goederen en diensten, zonder (volledig) aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. Wanneer hij door een verhuurder, verkoper of leasemaatschappij op zijn betalingsverplichtingen werd aangesproken verzon verdachte uitvluchten en trachtte hij onder die betalingsverplichtingen uit te komen of de betaling op de (zeer) lange baan te schuiven. Daarbij heeft verdachte met regelmaat, onterecht, anderen de schuld gegeven van zijn betalingsonmacht.

Verdachte heeft zich daarbij niet alleen voorzien van groot materieel (een vrachtwagen, opleggers/trailers) en dat materieel verduisterd maar zich ook schuldig gemaakt aan flessentrekkerij door bij winkels/bedrijven veelvuldig goederen aan te schaffen zonder rekeningen te betalen waarbij verdachte vooraf wist dat hij niet in staat zou zijn die rekeningen (volledig)te voldoen. Door aldus te handelen heeft verdachte op misbruik gemaakt van het vertrouwen zoals dat gebruikelijk is in het economisch verkeer, en in het bijzonder het financieel en maatschappelijk verkeer in de agrarische sector. Verdachte heeft dat vertrouwen veelvuldig geschaad. Verdachte handelde ogenschijnlijk gewetenloos, louter vanuit eigenbelang. Hij heeft zich onvoldoende bekommerd om de belangen van de slachtoffers van zijn handelwijze. Zij werden gedupeerd door het onnadenkende, egocentrische handelen van verdachte en hebben financiële schade geleden; schade die sommige slachtoffers mogelijk zelf moeilijk kunnen opvangen. Tot op heden heeft verdachte de vele schadebedragen van de slachtoffers niet betaald.

Behalve voornoemde feiten heeft verdachte zich in de aanloop naar en bij de afwikkeling van het faillissement van één van zijn bedrijven schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Daarnaast heeft verdachte illegaal een imitatiewapen (balletjespistool) voorhanden gehad.

Tenslotte heeft verdachte over een periode van enkele jaren grote hoeveelheden on-veraccijnsde diesel voorhanden gehad en aldus de Nederlandse Staat voor aanzienlijke bedragen benadeeld.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de LOVS-oriëntatiepunten ter zake fraude. Deze oriëntatiepunten zien op fraude in algemene zin; daaronder zijn begrepen delicten als verduistering, bedrog en faillissementsfraude.

Afhankelijk van de hoogte van het totale benadelingsbedrag komen de oriëntatiepunten tot oplegging van (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen al dan niet in combinatie met een taakstraf.

De rechtbank houdt verder rekening met hetgeen op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting - verdachte is verschenen bij de behandeling van de zaken tijdens de tweede zittingsdag van de rechtbank - is gebleken ten aanzien van de persoon van verdachte.

Gebleken is van een patroon van frauduleus handelen, niet slechts zichtbaar door de bewezen verklaarde feiten in onderhavige zaak maar ook door de voorgeschiedenis van verdachte en eerdere strafrechtelijke veroordelingen.

Blijkens een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd 25 juni 2021 is verdachte in het verleden voor soortgelijke strafbare feiten veroordeeld. Zo is verdachte op 18 januari 2018 veroordeeld door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter zake van flessentrekkerij tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, ter zake van feiten gepleegd met betrekking tot veertien personen en/of bedrijven in de periode van 10 september 2011 tot en met 17 oktober 2011. De daaraan voorafgaande vervolging heeft verdachte er niet van kunnen weerhouden zich schuldig te maken aan de onderhavige feiten.

Ten aanzien van de persoon van verdachte bevat het dossier onder meer een Pro Justitia rapportage van drs. J.P.M. van der Leeuw, psycholoog, van 22 juli 2019, en een rapportage van 7 november 2019 van drs. G.J.W. Pol, forensisch neuropsycholoog, alsmede reclasseringsadviezen.

Uit de psychologische rapportage van drs. G.W.J. Pol blijkt als volgt.

In het leven van verdachte hebben het op jonge leeftijd ervaren verlies van zijn vader en een mogelijk te weinig grenzen-stellende opvoeding door moeder een zekere rol gespeeld. Vanaf 16-jarige leeftijd kwam verdachte met regelmaat in aanraking met justitie (naar aanleiding van fraude- en oplichting gerelateerde delicten). Verdachte heeft een egocentrisch en enigszins wantrouwend gekleurd perspectief. In zijn kinderjaren was echter geen sprake van grensoverschrijdend gedrag (in de zin van agressie, vernieling, diefstal of spijbelgedrag) en ook thans is geen sprake van impulsiviteit, prikkelbaarheid of gewelddadigheid. Van een antisociale persoonlijkheidsstoornis kan niet worden gesproken. Verdachte ontkent de aan hem ten laste gelegde feiten grotendeels en hij legt de verantwoordelijkheid voor een en ander voor een groot deel bij anderen. Bij verdachte is in classificerend-diagnostisch opzicht sprake van een ongespecificeerde (beperkte) neurocognitieve stoornis ofwel van lichte stoornissen of beperkingen in de aandacht, de cognitieve verwerkingssnelheid, het werkgeheugen en het ruimtelijk inzicht. Hoewel sprake is van antisociale persoonlijkheidskenmerken en kenmerken van ASS en ADHD, zijn die kenmerken niet in die mate aanwezig dat van (een) stoornis(sen) gesproken kan worden. Mogelijk is begin 2018 wel sprake geweest van een depressieve stemmingsstoornis. Er is verder sprake van lichte cognitieve functiestoornissen, in de zin van een beperkte aandacht en een beperkte verwerkingssnelheid. Een verband tussen de cognitieve beperkingen en de ten laste gelegde feiten wordt niet gezien.

Aan verdachte kunnen de ten laste gelegde feiten - indien bewezen verklaard - volledig worden toegerekend. Op basis van het psychologisch onderzoek worden ook geen gronden gezien voor een behandeladvies in een strafrechtelijk kader. Naar de mening van de rapporteur zou het vanuit zorgoogpunt goed zijn als verdachte behandeling en begeleiding zou krijgen, gericht op psycho-educatie, ego-versterking en het sociaal-maatschappelijk op orde krijgen van zijn leven, wat betreft wonen, werk, dagbesteding en financiën.

De reclassering maakt in een reclasseringsadvies van 29 juni 2021, opgemaakt door I. van Harreveld, reclasseringswerker, melding van het volgende.

Verdachte zegt zijn lesje te hebben geleerd en geen delicten meer te willen plegen. Op dit moment heeft hij geen zelfstandig inkomen en is hij afhankelijk van familie (broers/moeder). Momenteel houdt hij zich met name bezig met het ontrafelen van de opgeheven BV's. Verdachte is samen met een boekhouder bezig om de financiële kant van de BV's op orde te maken en om achterstallige betalingen af te wikkelen. In een lopend toezicht (in de zaak met parketnummer 21-002345-14) stelt verdachte zich begeleidbaar op en toont hij inzet. De reclassering heeft de indruk dat de laatste twee jaar sprake is van gedragsverandering. De reclassering schat het recidiverisico in als laag en dat geldt ook voor het risico op het zich onttrekken aan voorwaarden; verdachte lijkt een intentie te hebben zich te houden aan de gestelde regels en wetten.

De reclassering heeft geadviseerd om in geval van een veroordeling aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, met een meldplicht bij reclassering. De reclassering acht de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet (meer) passend, nu het in onderhavige zaak gaat om feiten, begaan nog voordat het lopende toezicht was gestart. Verdachte wordt in staat geacht een taakstraf te verrichten.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande, in het bijzonder de ernst en de omvang van de feiten en de recidive de oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Anderzijds ziet de rechtbank in de persoon van verdachte en het belang van begeleiding voor verdachte aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

De rechtbank houdt tevens rekening met het bepaalde in artikel 63 Sr en het tijdsverloop. De rechtbank komt tot een gevangenisstraf van een kortere duur dan gevorderd door de officieren van justitie, nu verdachte van een aantal zwaarwegende feiten op de tenlastelegging wordt vrijgesproken.

De rechtbank acht het daarnaast noodzakelijk om, ter bescherming van de maatschappij tegen het gevaar van herhaling, bijkomende straffen op te leggen, te weten:

 een ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de periode van vijf jaren en

 een beroepsverbod voor het handelen in mest voor de periode van vijf jaar (zowel middellijk als onmiddellijk), in die zin, dat verdachte zich op geen enkele wijze meer zal inlaten met meststoffen, noch door handel daarin, noch door vervoer of anderszins.

De rechtbank ziet anders dan de officieren van justitie geen reden voor openbaarmaking van het vonnis in één of meer dagbladen en/of niet geanonimiseerde publicatie van het vonnis.

De tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De officieren van justitie hebben gevorderd dat het inbeslaggenomen wapen (een balletjespistool) en de inbeslaggenomen VDM-bonnen aan het verkeer zullen worden onttrokken.

De raadsman heeft ten aanzien van het beslag geen verweren gevoerd.

De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de feiten zijn begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

8 De schade van benadeelden

8.1

[bedrijf 1] BV

8.1.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 5] heeft zich namens [bedrijf 1] BV als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij heeft bij het voegingsformulier gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een bedrag van € 21.976,63 (éénentwintigduizend negenhonderdzesenzeventig euro en drieënzestig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

 vijftien - niet betaalde - facturen over de periode van 29 april 2017 tot en met 8 maart 2018.

De benadeelde partij heeft ter terechtzitting de vordering verminderd in verband met de verkoop van de twee opleggers en een bedrag van € 13.748,63 gevorderd als schade.

8.1.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de vordering tot schadevergoeding zal worden toegewezen voor zover die ziet op facturen die betrekking hebben op niet betaalde huur voor de opleggers en de transportkosten voor het terughalen van de trailers, e.e.a. exclusief btw. De officieren van justitie hebben dat bedrag op basis van de facturen (opgenomen in het dossier op pagina B 1093 e.v., met een overzicht op pagina B 1095) berekend op € 13.612,50. Voor zover het gevorderde bedrag betrekking heeft op de waarde van de trailers en/of borgkosten dient de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard, aldus de officieren van justitie. Het bedrag dat aan borg is betaald moet niet van het gevorderde bedrag worden afgetrokken, omdat de benadeelde partij de opleggers heeft moeten ophalen én één van de opleggers schade had, aldus de officieren van justitie.

8.1.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vordering tot schadevergoeding betwist en daarbij primair verzocht om de vordering af te wijzen. Daartoe heeft de raadsman betoogd dat de door de benadeelde partij opgevoerde kosten onvoldoende duidelijk dan wel onvoldoende onderbouwd zijn, dan wel dat de kosten niet zien op rechtstreeks door het strafbare feit veroorzaakte schade.

Daarbij heeft de raadsman aangevoerd dat de waarde van de trailers ten onrechte werd opgevoerd als ‘schade’, nu blijkens de verklaring van de benadeelde partij de beide trailers werden opgehaald en uiteindelijk verkocht voor een bedrag van in totaal € 6.000,--. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 7.000,-- het totaal van de facturen in verband met niet betaalde huur exclusief btw - of anders het door de benadeelde partij ter terechtzitting gevorderde bedrag van € 13.748,63 (inclusief btw) waarbij de betaalde borg (tweemaal € 500,--) en de btw nog van dat bedrag moeten worden afgetrokken. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om de vordering toe te wijzen overeenkomstig de vordering van de officieren van justitie. Daarbij heeft de raadsman opgemerkt dat de kosten voor het transport van de opleggers en de totale borg van het bedrag moeten worden afgetrokken. Wat dan resteert is een bedrag van ongeveer € 11.000,--.

8.1.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 3 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De opgevoerde schade als hierna vermeld is onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk.

De rechtbank berekent die schade als volgt (op basis van het verhandelde ter terechtzitting en (het overzicht van) de facturen op pagina B 1093 e.v. van het dossier), waarbij de rechtbank overweegt dat het bedrag aan niet-betaalde huurfacturen niet als rechtstreekse schade ten gevolgde van de bewezen verklaarde verduistering kan worden aangemerkt:

  • -

    totaal openstaand saldo € 21.976,63

  • -

    totaal facturen niet betaalde huur € 13.748,63 minus

  • -

    opbrengst verkoop trailers € 6.000,-- minus

  • -

    totale schade € 2.228,--

De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 2.228,-- te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 7 december 2017 zijnde de eerste datum van de pleegperiode van de verduistering.

De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

8.1.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officieren van justitie hebben gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit onder 3 is toegebracht.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 32 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.2

[bedrijf 3] BV

8.2.1

De vordering van de benadeelde partij

[naam 9] heeft zich namens [bedrijf 3] BV als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces ter zake van feit 5. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 26.455,-- (zesentwintigduizend vierhonderdvijfenvijftig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

 kosten niet betaalde huur truck: € 25.455,-- ;

 kosten terughalen truck: € 1.000,-- .

8.2.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering, omdat uit het ingediende voegingsformulier en de bijlagen niet blijkt dat [naam 9] – al dan niet via een machtiging – bevoegd is om [bedrijf 3] BV rechtsgeldig te vertegenwoordigen. Daarnaast achten de officieren van justitie de vordering tot schadevergoeding onvoldoende onderbouwd.

8.2.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is met de officieren van justitie van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.

8.2..4 Het oordeel van de rechtbank

De vordering heeft betrekking op het onder feit 5 ten laste gelegde. Uit het ingediende voegingsformulier en de bijlagen blijkt niet dat [naam 9] – al dan niet via een machtiging – bevoegd is om [bedrijf 3] BV rechtsgeldig te vertegenwoordigen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding.

8.3

[bedrijf 12] Harderwijk

8.3.1

De vordering van de benadeelde partij

[naam 27] heeft zich namens [bedrijf 12] Harderwijk (een handelsnaam van [bedrijf 12] Nijkerk B.V.) als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.829,84 (eenduizend achthonderdnegenentwintig euro en vierentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de twee niet betaalde facturen met bedragen ter hoogte van € 1.155,71 en € 674,13 (incl. btw).

8.3.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben als hun standpunt naar voren gebracht dat de vordering kan worden toegewezen voor de gevorderde bedragen exclusief de btw, dat wil zeggen tot een totaalbedrag van € 1.512,26, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

8.3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding van [bedrijf 12] kan worden toegewezen.

8.3.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 7 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk.

De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen (exclusief btw) tot een bedrag van

€ 1.512,26, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 18 november 2017, de datum waarop verdachte geacht moet worden met de betaling in verzuim te zijn geraakt.

8.3.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officieren van justitie hebben gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit onder 7 is toegebracht. Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 25 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.4

[bedrijf 13] BV

8.4.1

De vordering van de benadeelde partij

[naam 23] heeft zich namens [bedrijf 13] BV als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 30.000,-- (dertigduizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit achterstallige betalingen.

8.4.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben als hun standpunt naar voren gebracht dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

8.4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft als zijn standpunt naar voren gebracht dat de vordering tot schade vergoeding onvoldoende is onderbouwd omdat het schadebedrag onbegrijpelijk is.

8.4.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering heeft betrekking op het onder feit 7 ten laste gelegde. Uit het ingediende voegingsformulier en de bijlagen blijkt niet dat [naam 23] – al dan niet via een machtiging – bevoegd is om [bedrijf 13] BV rechtsgeldig te vertegenwoordigen. De rechtbank zal [bedrijf 13] BV daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding.

8.5

[bedrijf 14] BV

8.5.1

De vordering van de benadeelde partij

[naam 16] heeft zich namens [bedrijf 14] BV als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 8.296,79 (achtduizend tweehonderdzesennegentig euro en negenenzeventig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De gevorderde materiële schade bestaat uit vier facturen betreffende reparaties aan een Daf en/of oplegger, met bedragen ter hoogte van: € 1.397,09, € 1.082,05, € 1.269,64 en

€ 4.548,01 (inclusief btw).

8.5.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben als hun standpunt naar voren gebracht dat de vordering [bedrijf 14] BV minus btw kan worden toegewezen.

8.5.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding, exclusief btw, kan worden toegewezen.

8.5.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 7 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen exclusief de btw- tot een bedrag van € 6.856,84 , te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 1 november 2017, de datum waarop verdachte geacht moet worden met de betaling in verzuim te zijn geraakt.

8.5.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officieren van justitie hebben gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit onder 7 is toegebracht. Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 69 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.6

[bedrijf 34] BV / [bedrijf 15] BV

8.6.1

De vordering van de benadeelde partij

[naam 28] heeft zich (ogenschijnlijk) namens [bedrijf 34] BV ten aanzien van feit 7 als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 6.481,-- (exclusief btw) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de openstaande facturen, exclusief btw.

Daarnaast wordt een bedrag van € 1.477,-- gevorderd aan proceskosten/de buiten-gerechtelijke incassokosten, die zijn gemaakt voor het inschakelen van Van der Putt Advocaten ter incassering van voornoemde facturen.

8.6.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben als hun standpunt naar voren gebracht dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 6.481,-- en dat daarnaast een bedrag van € 1.220,65 aan advocaatkosten toewijsbaar is. De officieren van justitie zijn van mening dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering.

8.6.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair naar voren gebracht dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk is, omdat de vordering tot schadevergoeding formeel werd ingediend door [bedrijf 34] BV in plaats van door [bedrijf 15] BV.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de vordering kan worden toegewezen maar dan exclusief de btw. De gevorderde schade voor advocaatkosten moet worden afgewezen.

8.6.4

Het oordeel van de rechtbank

Het schadeformulier is ondertekend door de heer [naam 28] . Als benadeelde partij heeft hij genoteerd “ [bedrijf 34] BV”. Een vennootschap met die naam komt in het strafdossier in het geheel niet voor. Alle bij het schadeformulier gevoegde bijlagen (facturen) hebben betrekking op [bedrijf 15] BV. Deze vennootschap, rechtsgeldig vertegenwoordigd door [naam 28] , heeft ook aangifte gedaan tegen verdachte. Op basis daarvan merkt de rechtbank de aanduiding “ [bedrijf 34] BV” aan als een kennelijke verschrijving van [naam 28] . De rechtbank zal in plaats daarvan lezen: “ [bedrijf 15] BV”.

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 7 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [bedrijf 15] BV. De opgevoerde schadeposten zijn voor wat betreft de brandstoffacturen niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom volledig toewijzen, tot het bedrag van € 6.481,-- te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 24 maart 2017, de datum waarop verdachte geacht moet worden met de betaling in verzuim te zijn geraakt.

Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zal de rechtbank de kosten toewijzen tot een bedrag van € 699,05, volgens de zogenoemde staffel BIK voor de rechtspraak (tot een hoofdsom van € 10.000,-- : € 625,-- + 5% over hoofdsom minus

€ 5.000,-- = € 74,05). De wettelijke rente over dit schadebedrag is niet toewijsbaar, omdat de wettelijke handelsrente uitsluitend betrekking heeft op verplichtingen tot betaling uit handelsovereenkomsten. In totaal acht de rechtbank derhalve toewijsbaar een bedrag van

€ 7.180,05 (zegge: zevenduizend honderdtachtig euro en 5 eurocent)

8.6.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit 7 is toegebracht.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 70 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.7

[bedrijf 16] BV

8.7.1

De vordering van de benadeelde partij

[naam 29] heeft zich namens [bedrijf 16] B.V. als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 537,28 (vijfhonderdzevenendertig euro en achtentwintig eurocent) (inclusief btw) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de niet betaalde rekening betreffende aanschaf persoonlijke beschermingsmiddelen.

De benadeelde partij heeft voorts proceskosten gevorderd te weten een bedrag van € 25,-- aan incassokosten i.v.m. de inschakeling van een incassobureau ( [bedrijf 33] Incasso).

8.7.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag betreffende de materiële schade kan worden toegewezen exclusief de btw (resteert: € 444,03) en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering. De incassokosten zijn onvoldoende onderbouwd, aldus de officieren van justitie.

8.7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft hetzelfde standpunt ingenomen als de officieren van justitie, waarbij hij nog opmerkt dat de benadeelde partij in geval van vrijspraak niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.

8.7.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 7 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De opgevoerde schadepost betreffende de materiële schade in verband met niet betaalde aanschaf van persoonlijke beschermingsmiddelen is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde exclusief btw toewijzen tot een bedrag van € 444,03 te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop verdachte geacht moet worden met de betaling in verzuim te zijn geraakt, te weten 16 oktober 2017.

De onder de post ‘proceskosten’ opgevoerde schade, kennelijk bestaande uit buitengerechtelijke incassokosten, is onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade niet is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid daarom niet bieden.

De rechtbank zal de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

8.7.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officieren van justitie hebben gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 8 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.8

[bedrijf 17] [bedrijf 18] Arnhem

8.8.1

De vordering van de benadeelde partij

[bedrijf 18] , althans [naam 30] , heeft zich namens [bedrijf 17] [bedrijf 18] Arnhem gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 4.169,18 (vierduizend honderdnegenenzestig euro en achttien eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De gevorderde materiële schade bestaat uit elf - niet betaalde - facturen betreffende de aanschaf van voertuigonderdelen, zoals banden en wielen.

8.8.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag betreffende de materiële schade kan worden toegewezen exclusief btw (resteert: € 3.445,60) en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.

8.8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering indien verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde.

8.8.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering heeft betrekking op het onder 7 ten laste gelegde. Het voegingsformulier is ondertekend door [naam 30] . Uit het ingediende voegingsformulier en de bijlagen blijkt niet dat [naam 30] – al dan niet via een machtiging – bevoegd is om [bedrijf 17] [bedrijf 18] Arnhem te vertegenwoordigen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding.

8.9

[slachtoffer 3]

8.9.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.500,-- (tweeduizend vijfhonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (1 augustus 2014).

De gevorderde schade betreft immateriële schade.

8.9.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag aan immateriële schade kan worden toegewezen; de officieren van justitie achten de vordering voldoende onderbouwd.

8.9.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag moet worden afgewezen, omdat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit en van dit feit moet worden vrijgesproken.

8.9.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering heeft betrekking op het onder 8 ten laste gelegde. Omdat verdachte van dit feit wordt vrijgesproken zal de rechtbank de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

8.10

[slachtoffer 4]

8.10.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 4.000,-- (vierduizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde schade betreft immateriële schade.

8.10.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag aan immateriële schade kan worden toegewezen indien verdachte ter zake van het onder 8 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld; de officieren van justitie achten de vordering voldoende onderbouwd.

8.10.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag moet worden afgewezen, omdat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde en van dit feit moet worden vrijgesproken.

8.10.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering heeft betrekking op het onder 8 subsidiair ten laste gelegde. Omdat verdachte van dit feit wordt vrijgesproken zal de rechtbank de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.

Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 28 lid 1, 31, 36b, 36c, 36f, 51, 57, 63 en 339 Sr, artikel 55 WWM en de artikelen 97 en 100 van de Wet op de Accijns.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6, 7 tweede, derde en achtste gedachtestreepje, 8 en 10 onderdeel A primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte de onder parketnummer 08-994562-18 onder feit 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair, 7 eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende gedachtestreepje, 9 en 10 onderdeel B primair en onderdeel A subsidiair en de onder parketnummer 08-993500-19 onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 08-994562-18:

feit 3 subsidiair:

het misdrijf:

verduistering, meermalen gepleegd;

feit 4 subsidiair en 5 subsidiair:

telkens het misdrijf:

verduistering;

feit 7

eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende gedachtestreepje:

het misdrijf:

een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren;

feit 9:

het misdrijf:

handelen in strijd met artikel 13 lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie;

feit 10 onderdeel B primair:

het misdrijf:

als bestuurder van een rechtspersoon, tijdens het faillissement van de rechtspersoon, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken aan de curator verstrekken

en

feit 10 onderdeel A subsidiair

het misdrijf:

het als bestuurder van een rechtspersoon, welke in staat van faillissement is verklaard, aan hem te wijten zijn dat de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, waarmee volgens artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), en/of artikel 15i, eerste lid van Boek 3 BW (in samenhang met artikel 10, eerste lid van Boek 2 BW), administratie is gevoerd, en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers die ingevolge die artikelen zijn bewaard, niet in ongeschonden staat tevoorschijn zijn gebracht.

Parketnummer 08-993500-19:

feit 1, 2, en 3:

telkens het misdrijf:

feitelijke leiding geven aan het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 lid 1 sub b van de Wet op de Accijns opgenomen verbod.

feit 4:

het misdrijf:

opzettelijk overtreden van een in artikel 91 lid 2 onder a tot en met d van de Wet op de Accijns opgenomen verbod.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor de onder parketnummer 08-994562-18 onder feit 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair, 7 eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende gedachtestreepje, 9 en 10 onderdeel B primair en onderdeel A subsidiair, en de onder parketnummer 08-993500-19 onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde feiten;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 8 (acht) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte:

 zich binnen drie dagen na het ingaan van en gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Leger des Heils, Jeugdbescherming & Reclassering, LdH Oost-Brabant, Dr. Cuijperslaan 80 te Eindhoven, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;


daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

- legt als bijkomende straffen aan verdachte op:

ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de periode van vijf jaren;

ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van handelaar in meststoffen (zowel middellijk als onmiddellijk) voor de periode van vijf jaar, in die zin, dat verdachte zich op geen enkele wijze meer zal inlaten met meststoffen, noch door handel daarin, noch door vervoer of anderszins;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Schadevergoeding

(parketnummer 08-994562-18):

De vordering van [bedrijf 1] BV, t.a.v. feit 3:

- wijst de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] BV toe tot een bedrag van € 2.228,-- (zegge: tweeduizend tweehonderdachtentwintig euro) (bestaande uit materiële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij ter zake van feit 3 van een bedrag van € 2.228,-- , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 december 2017;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.228,-- , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 december 2017 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 32 dagen kan worden toegepast.

Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

De vordering van [bedrijf 3] BV, t.a.v. feit 5:

- bepaalt dat [bedrijf 3] BV (feit 5): in het geheel niet-ontvankelijk is in haar vordering;

De vordering van [bedrijf 12] Harderwijk/Nijkerk, t.a.v. feit 7:

- wijst de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 12] Nijkerk B.V. toe tot een bedrag van € 1.512,26 (eenduizend vijfhonderdtwaalf euro en zesentwintig eurocent) (bestaande uit materiële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij ter zake van feit 7: van een bedrag van € 1.512,26, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2017;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het onder 7 bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.512,26, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2017 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast;

Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

De vordering van [bedrijf 13] BV, t.a.v. feit 7:

- bepaalt dat [bedrijf 13] BV (feit 7): in het geheel niet-ontvankelijk is in haar vordering:

De vordering van [bedrijf 14] BV, t.a.v. feit 7:

- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 6.856,84 (zegge: zesduizend achthonderdzesenvijftig euro en vierentachtig eurocent) (bestaande uit materiële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 14] BV t.a.v. feit 7 van een bedrag van € 6.856,84, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2017;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het onder 7 bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 6.856,84, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2017 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 69 dagen kan worden toegepast;

Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

De vordering van [bedrijf 34] / Olie BV, t.a.v. feit 7:

- wijst de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 15] BV toe tot een bedrag van € 7.180,05 (zegge: zevenduizend honderdtachtig euro en 5 eurocent) (bestaande uit materiële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij ter zake van feit 7 van een bedrag van € 7.180,05, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 6.481,05 vanaf 24 maart 2017;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het onder 7 bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 7.180,05,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 6.481,05 vanaf 24 maart 2017 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 70 dagen kan worden toegepast.

Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

De vordering van [bedrijf 16] , t.a.v. feit 7:

- wijst de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 16] toe tot het bedrag € 444,03 (zegge: vierhonderdvierenveertig euro en drie eurocent) (bestaande uit materiële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij ter zake van feit 7 van een bedrag van € 444.03, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2017;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van onder 7 bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 444,03, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2017 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 8 dagen kan worden toegepast;

Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering (btw en buitengerechtelijke incassokosten), en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

De vordering van [bedrijf 17] [bedrijf 18] Arnhem, t.a.v. feit 7:

- bepaalt dat [bedrijf 17] [bedrijf 18] Arnhem (t.a.v. feit 7) in het geheel niet-ontvankelijk is in haar vordering;

De vordering van [slachtoffer 3] , t.a.v. feit 8:

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 3] (feit 8) in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

De vordering van [slachtoffer 4] , t.a.v. feit 8:

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 4] (feit 8, subsidiair) in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

de in beslag genomen voorwerpen

- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten: de op de beslaglijst genoemde voorwerpen onder de nummers 1, 2, en 3 te weten:

 14 14 stuks bescheiden (mestbonnen);

 14 16 stuks bescheiden (mestbonnen);

 14 Een speelgoedwapen, dat op een echt vuurwapen lijkt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Berlo, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. J. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Westerlaak, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op: 17 augustus 2021.

Buiten staat

Mr. M. Melaard en mr. J. Wentink zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van algemeen relaas, pag. 6.

2 Proces-verbaal van algemeen relaas, pag. 6 en pag. 18 bovenaan.

3 Proces-verbaal van algemeen relaas, pag. 7.

4 Algemeen relaas proces-verbaal, pag. 15 onderaan, pag. 16 bovenaan en proces-verbaal van aanhouding van verdachte, pag. PD-316.

5 Minerale olie die voorzien is van herkenningsmiddelen wordt wel rode diesel genoemd vanwege de rode kleurstof die er aan toegevoegd is. Naast deze kleurstof moet er tussen de 6 en 9 gram Solvent Yellow 124 per 1000 liter aan toegevoegd zijn, welke toevoeging dient als marker. Het voorhanden hebben van minerale olie voorzien van herkenningsmiddelen buiten een accijnsschorsingsregeling (bijvoorbeeld een accijnsgoederenplaats) of douaneschorsingsregeling (bijvoorbeeld een douane - entrepot) is in beginsel verboden. Dit verbod geldt niet voor - onder andere - tanks van waaruit de schepen worden getankt voor commerciële doeleinden en voor lading-tanks van schepen, vrachtauto's of treinwagons. In Nederland mag minerale olie voorzien van herkennings-middelen alleen afgeleverd worden aan schepen die varen voor commerciële doeleinden. Bij deze bestemmingen kan vrijstelling van de accijns worden verleend.

6 Overzichtsproces-verbaal in het onderzoek Red Oil, pag. 4, eerste alinea.

7 Proces-verbaal van de NVWA, opgemaakt door van [verbalisant] op 17 november 2017 (pag. 31 – 32).

8 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer ONRBA17008 ‘Tureluur’ en/of de pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland, in het onderzoek ‘Red Oil’, opsporingsnummer 62800) . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt processen-verbaal.

9 Zie o.a. het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot registraties bij de Kamer van Koophandel, in relatie tot verdachte, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , TUR-006, pag. B170-B172.

10 Uittreksel Kamer van Koophandel [bedrijf 8] BV van 14 nov. 2017, politie pv, map 1, TUR-003-4, pag. B28 – B30.

11 Uittreksel Kamer van Koophandel Landbouwonderneming [bedrijf 10] BV van 2 mei 2018, TUR-003-47, pag. B154 – B157.

12 Uittreksel Kamer van Koophandel [bedrijf 11] BV, 31 oktober 2017, TUR 003-2, pag. B24-B25.

13 Uittreksel Kamer van Koophandel [bedrijf 6] BV van 19 maart 2018, TUR-003-29, pag. B101-B103.

14 Uittreksel Kamer van Koophandel [bedrijf 7] BV, van 21 maart 2018, TUR-003-30, pag. B104 – B106.

15 Uittreksel Kamer van Koophandel [bedrijf 9] BV, van 1 nov. 2017, politie pv map 1, TUR-003-9, pag. B40 – B43.

16 Uittreksel Kamer van Koophandel [bedrijf 28] BV d.d. 17 nov. 2017, politie pv, map 1 Bijlagen, TUR 003-13, pag. B56 – B62.

17 Uittreksel Kamer van Koophandel 12 december 2017 [bedrijf 5] BV, politie PV, map 1 Bijlagen, TUR-003-45, pag. B151-B152.

18 HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889 en HR 20 december 2016, ECLI: NL:HR:2016:2892.

19 Proces-verbaal van aangifte, TUR-016, politie pv map 1, pag. 60 – 62, met 4 bijlagen (pag. 63 – 77).

20 Aanvullend verhoor [slachtoffer 5] , TUR-013, pag. 450.

21 TUR-023, pag. B279.

22 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , TUR-026, pag. G-8 e.v.

23 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , pTUR-026 pag. G-9 bovenaan)

24 Pv van ontvangst gegevens uit vordering 126 NC, m.b.t. [adres 1] Bemmel, TUR-037, pag. B295, TUR-022, pag. BOB-12 en TUR-022a, pag. BOB-13.

25 TUR-041 bijlage 1 en 2. pag. B308 en TUR-023 bijlage 1, pag. B279.

26 TUR-013, pag. 450; TUR-016, pag. 60; TUR-071, pag. B403.

27 Proces-verbaal van bevindingen ontvangen documenten, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , en gesloten op 21 december 2017, politie pv map 1, pag. B403, TUR-071, met als bijlagen: prints van WhatsApp gesprekken.

28 TUR-098 pag. B515.

29 TUR-080 pag. B425 en TUR-176, pag. BE-14, KVI TUR-313, pag. BE-16.

30 TUR-077 pag. PD-343.

31 TUR-077 pag. PD-343.

32 KVI; TUR-110 pag. BE-117 en bevindingen TUR-127 pag. B587.

33 TUR-203 – Procesverbaal van aangifte [bedrijf 2] , pag 78.

34 TUR-228 bijlage 5, blz B-887; leasecontract, zie ook bijlagen bij TUR-203 (aangifte), pag. 90 – 99.

35 Zie bijlage 1 bij aangifte, aangepast verzoekschrift m.b.t. conservatoir beslag, van Wyn Stael Advocaten, dossier pag. 83 onder 2.2.

36 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] , TUR-211, pag. 2, B-127.

37 TUR-228, bijlage W, pag B887.

38 TUR-288, Zaaksdossier [bedrijf 1] , blz. ZDI8; Proces-verbaal van verhoor, TUR-077, pag. PD-343.

39 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 5] , Politie PV, map Getuigen, TUR-211, pag. G-127 e.v., i.h.b. pag. G-129, tweede alinea.

40 ZD, pag. 40.

41 Zakendossier 4, pag. ZD-53, en bij ‘16’ in tapgesprek sessie 11052.

42 Zakendossier 4, pag. ZD-57, tapgesprek 11334, bij ‘18’.

43 TUR-241, pag. B988 en TUR-243, pag. B99.

44 Het proces-verbaal van aangifte, TUR-239, pag. 116 – 120.

45 TUR-228 bijlage 12, pag. B-887; overeenkomstdatum hier 27 juli 2017;

46 TUR-228 bijlage 21, B-887

47 TUR-228 bijlage 21, pag. B-882.

48 TUR-228 bijlage 24-1 en 24-2, pag. B-887.

49 TUR-228, bijlage 19, pag. B-887.

50 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 8] , TUR-226, pag. G-141.

51 Het proces-verbaal van aangifte, TUR-239, pag. 119; ZD-70.

52 ZD-71-6 .

53 TUR-228, bijlage 24-2, pag. B-887.

54 E-mail 26 januari 2018, TUR-228 bijlage 20, pag. B-887.

55 Tapgesprek, sessienummer 11040, TUR-249, ZD-74.

56 Proces-verbaal van aangifte, TUR-144, pag. 130 – 132, met bijlagen, pag. 137 – 154.

57 Proces-verbaal van aangifte, TUR-144, pag. 131, zesde alinea.

58 Proces-verbaal van aangifte, TUR-144, met bijlagen pag. 137, 138, 139 en 140 – 148.

59 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 en 21 juli en 17 augustus 2021, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

60 Proces-verbaal van aangifte van [naam 31] namens [bedrijf 12] , opgemaakt en gesloten op 3 april 2018 door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , TUR-242, pag. 121 – 123, met bijlagen (facturen, aanmaning, mailcorrespondentie van incassobureau).

61 Zie pag. 124 factuur 23 november 2017 [bedrijf 12] , gericht aan [bedrijf 11] BV en pag. 126: factuur 8 december 2017, [bedrijf 12] , gericht aan [bedrijf 11] BV.

62 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 14] , TUR-246, pag. G-201.

63 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] , TUR-264, G-250, pag. 3164.

64 TUR-258, proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] , verklaring getuigen TUR-282, tapgesprek 21836 d.d. 16 maart 2018, p. 3734, TUR-297, tapgesprek 26860 d.d. 26 maart 2018, p. 3735.

65 Het proces-verbaal van aangifte van [naam 32] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , opgemaakt en gesloten op 19 april 2018, TUR-251, pag. 187 - 189.

66 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , TUR-257, pag. G-235.

67 Proces-verbaal van aangifte van [naam 33] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , TUR-245, pag. 199 – 202, met bijlagen o.a. 002a en 002b (pag. 208, 209): gegevens tankpassen, data geblokkeerd: 22 augustus 2017.

68 Zakendossier, pag. ZD-129: Tapgesprek sessie 24427, d.d. 21 maart 2018.

69 Proces-verbaal van aangifte, TUR-245, pag. 201.

70 Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , opgemaakt en gesloten op 23 april 2018, met 9 bijlagen (facturen, herinneringen, ingebrekestelling, overzicht debiteurenmutaties), TUR-248, pag. 252- 256.

71 TUR-248 - bijlage 3 – Herinnering.

72 Tapgesprek sessienummer 23963, zakendossier pag. ZD-153.

73 Tapgesprekken met de sessienummers: 27869 en 27904, zakendossier, ZD-158 en ZD-159.

74 TUR-248, bijlage 2, factuur CS377267 van 29-11-2017, pag. 267 en TUR-248 - bijlage 1A, orderbevestiging [bedrijf 16] d.d. 16 oktober 2017, pag. 264.

75 Het proces-verbaal van aangifte van [naam 21] namens [bedrijf 17] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en gesloten op 15 mei 2018, TUR-267 pag. 323 – 327, met bijlagen, pag. 328 – 354, facturen.

76 TUR-267, proces-verbaal van aangifte, pag. 323 e.v. Bijlagen 9 tot en met 18: facturen die onder meer betrekking hebben op wielen en/of banden en/of ventielen, pag. 336 – 346.

77 TUR-267, proces-verbaal van aangifte, pag. 326, halverwege.

78 TUR-267 bijlage 20, pag. 349 – 350 correspondentie met incassobureau.

79 Proces-verbaal Algemeen relaas van onderzoek, pag. 24, halverwege.

80 Tekst & Commentaar bij artikel 326a Sr, Wetboek van Strafrecht, dertiende druk.

81 Proces-verbaal van aangifte, TUR-144, pag. 131, zesde alinea.

82 Proces-verbaal van doorzoeking Wet wapens en munitie, TUR 362, pag. B1222-B1223.

83 Proces-verbaal Onderzoek wapen van 1 juni 2018, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , TUR-373, pag. B1252 – B1253.

84 Proces-verbaal van de terechtzitting van 21 juli 2021.

85 Proces-verbaal Onderzoek wapen van 1 juni 2018, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , TUR-373, pag. B1252 – B1253.

86 Zie NJ 2021 nr. 193; HR 11 mei 2021.

87 Aangifte faillissementsfraude R.C. Faase, politie pv, map 1, TUR-378, pag. 391.

88 Bijlage 1 bij de aangifte: het vonnis van de rechtbank Gelderland van 23 april 2013, faillissement [bedrijf 5] BV. , politie pv, map 1, pag. 396 – 397.

89 Bijlage 2 bij de aangifte: beschikking rechtbank Gelderland van 16 december 2016.

90 Uittreksel Kamer van Koophandel [bedrijf 28] BV d.d. 17 nov. 2017, politie pv, map 1 Bijlagen, TUR 003-13, pag. B56 – B62.

91 Bijlage 3 bij de aangifte van 24 mei 2018,: e-mailbericht [naam 26] d.d. 14 mei 2013, politie pv, map 1, pag. 401.

92 Bijlagen 4a en 4b bij de aangifte van 24 mei 2018; brieven van [naam 26] aan verdachte en [bedrijf 28] BV., politie pv, map 1, pag. 403 – 406.

93 Bijlage 6 bij de aangifte van 24 mei 2018, vonnis rechtbank Gelderland, 13 augustus 2014, pag. 413 – 418.

94 Aangifte faillissementsfraude R.C. Faase, TUR-378, pag. 393 onderaan.

95 Proces-verbaal van verhoor verdachte 22 mei 2019, TUR-436, pag. 2 – 4.

96 Proces-verbaal van verhoor verdachte 22 mei 2019, TUR-436, pag. 3 onderaan.

97 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , opgemaakt op 27 nov. 2017, pag. 68 halverwege.

98 Overzichtsproces-verbaal, pag. 6, tweede alinea en proces-verbaal Belastingdienst/douane Arnhem, pag. 57 – 58 met als bijlage een uitslag van het Douane Laboratorium van 29 januari 2018.

99 Proces-verbaal van bevindingen van de Belastingdienst/douane, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] , van de Belastingdienst/douane, opgemaakt en gesloten op 20 aug. 2018, pag. 62 – 66.

100 Pag. 64, derde alinea.

101 Proces-verbaal van doorzoeking, loods [adres 3] te Bemmel, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] van de Belastingdienst/FIOD, en gesloten op 22 feb. 2018 (pag. 110 – 112), met als bijlage een lijst van inbeslaggenomen goederen, waaronder diverse telefoons, pc’s, ordners, boekjes met wachtwoorden en losse bescheiden.

102 Vaststellingsovereenkomst [naam 34] – [verdachte] , ondertekend op 28 juni 2017 (pag. 125 - 126).

103 Overeenkomst betreffende Financial Lease [bedrijf 11] B.V. – [bedrijf 35] BV, met betrekking tot een trekker met kenteken [kenteken 10] , ondertekend op 7 juli 2017, pag. 154.

104 Uittreksel Kamer van Koophandel, [bedrijf 11] BV, pag. 158 – 159; enig aandeelhouder en bestuurder sinds 9 feb 2017: [verdachte] .

105 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] van de Belastingdienst/ Douane, en gesloten op 5 april 20018, betreffende de uitslagen van de testen verricht door het Douane Laboratorium van aan de [adres 3] te Bemmel afgenomen monsters van de inhoud van ibc-vaten, met als bijlagen testuitslagen (pag. 127 en de bijlagen pag. 128 – 153).

106 Het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , en gesloten op 29 maart 2018, opgenomen in het dossier van het onderzoek ‘Tureluur’, PD-364/ PD-365.

107 Het proces-verbaal van de Belastingdienst betreffende [getuige 1] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] , gesloten op [geboortedatum 2] 2019 (dossier onderzoek ‘Red Oil’, pag. 165 - 175).

108 Het proces-verbaal van de Belastingdienst betreffende [getuige 1] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] , gesloten op [geboortedatum 2] 2019 (dossier onderzoek ‘Red Oil’, pag. 173 - 174).

109 Het proces-verbaal van de Belastingdienst betreffende [getuige 1] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] , gesloten op [geboortedatum 2] 2019 (dossier onderzoek ‘Red oil’, pag. 168 - 173 bov.).

110 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] van 27 oktober 2018, Dossier onderzoek ‘Red Oil’, pag. 166 - 175 en proces-verbaal van verhoor [getuige 1] van 6 juni 2018 (pag. 189 – 193).

111 Uitgewerkte Tapgesprekken over de periode 2 t/m 30 maart 2018. Pv onderzoek ‘Red Oil’, pag. 273 – 288.

112 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 3] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , opgemaakt en gesloten op 30 oktober 2018, pag. 211 – 217.

113 Brief van het Douane Informatiecentrum (DIC) d.d. 23 juli 2018 (pag. 255 – 256) met als bijlagen: overzichten m.b.t. leveringen rode gasolie over de periode 19 oktober 2015 tot en met 10 april 2018 aan [bedrijf 7] BV, [bedrijf 6] BV en [bedrijf 8] BV. (pag. 257 – 258); zie tevens het overzichtsproces-verbaal, pag. 12 en 13, met een schema waarin opgenomen data van de facturatie van geleverde gasolie, aan [bedrijf 6] , [bedrijf 7] en [bedrijf 8] .

114 Pag. 43 t/m 45 en pag. 229 t/m 242.