Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3213

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
C/08/268875 / KG ZA 21-182
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering opheffing executoriaal loonbeslag i.v.m. achterstand kinderalimentatie. Onrechtmatig beslag: geen achterstand o.g.v. beschikking waarop beslag gebaseerd. Ten overvloede: geen achterstand meer door ingehouden loon, dus ook grond voor opheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/268875 / KG ZA 21-182

Vonnis in kort geding van 12 augustus 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. T.R. Oude Veldhuis te Hengelo Ov,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A. Stoel te Dronten.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 6 producties

- de producties 7 en 8 van de man

- de producties A tot en met D van de vrouw

- de mondelinge behandeling en de daarbij door de vrouw overgelegde stukken (e-mailwisseling van 4/5 augustus 2021 tussen de advocaat van de vrouw en De Ruijter & Willemsen Gerechtsdeurwaarders en Incasso te Heerhugowaard (hierna: de deurwaarder).

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De man en de vrouw zijn [2008] met elkaar gehuwd.

2.2.

Bij beschikking van deze rechtbank van 16 maart 2016 met zaaknummer C/08/182759 / ES RK 16-633 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken. De beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 21 maart 2016.

2.3.

In genoemde beschikking is de inhoud van een daaraan gehecht echtscheidingsconvenant van partijen opgenomen, onder meer ertoe strekkende dat de man aan de vrouw kinderalimentatie voor hun vier kinderen betaalt, zijnde € 120,00 per kind per maand, ofwel € 480,00 in totaal per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

2.4.

Bij beschikking van 31 mei 2018 met zaaknummer C/08/215403 / FA RK 18-653 heeft deze rechtbank het echtscheidingsconvenant wat betreft de hoogte van de kinderalimentatie, conform de door partijen hieromtrent bereikte overeenstemming, gewijzigd met ingang van 15 maart 2018, in die zin dat de man als kinderalimentatie aan de vrouw per kind per maand een bedrag van € 107,50, ofwel in totaal dus € 430,00, moet betalen, telkens bij vooruitbetaling.

2.5.

Bij exploot van 18 mei 2021 heeft de deurwaarder op verzoek van de vrouw executoriaal derdenbeslag gelegd onder de besloten vennootschap Jumbo Supermarkten B.V. (hierna te noemen: Jumbo), gevestigd en kantoorhoudende te Veghel, zijnde de werkgever van de man. Het beslag is gelegd ter executie van (uitsluitend) de beschikking van 31 mei 2018 op alle, kort gezegd, vorderingen die de man op Jumbo heeft of verkrijgt.

2.6.

Het beslag is gelegd voor een bedrag van € 2.555,64, tot verhaal van een vordering van de vrouw op de man met als hoofdsom een bedrag van € 2.202,40 wegens achterstand tot en met november 2020 in de betaling van de kinderalimentatie.

2.7.

Blijkens een e-mailbericht van 4 juni 2021 van de deurwaarder is de vordering van € 2.202,40 opgebouwd uit een bedrag van € 1.720,00 wegens een achterstand over de periode maart 2016 tot en met december 2016, een bedrag van € 70,00 wegens achterstand over 2017 en een bedrag van € 412,40 wegens een achterstand over 2018.

2.8.

Bij exploot van 27 mei 2021 is aan de man een afschrift van het beslagexploot betekend.

2.9.

Jumbo heeft op het salaris van de man over de perioden Week 21-24 2021 en Week 25-28 2021 respectievelijk een bedrag van € 870,01 en een bedrag van € 1.358,30 ingehouden. Deze bedragen zijn overgemaakt naar een bankrekening van de deurwaarder.

3 Het geschil

3.1.

De man vordert samengevat – primair de opheffing van het onder Jumbo gelegde derdenbeslag i.c. loonbeslag en subsidiair om de vrouw te veroordelen tot het (laten) opheffen van dat beslag op straffe van een dwangsom, alsmede in beide gevallen veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van de door de derde ingehouden en daadwerkelijk afgedragen bedragen en kosten.

De man vordert voorts om de vrouw te veroordelen in de proceskosten, primair in de werkelijke kosten van de procedure en subsidiair in de (forfaitaire) proceskosten.

3.2.

De vrouw voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

spoedeisend belang

4.1.

Gelet op de aard van de gevorderde voorziening acht de voorzieningenrechter spoedeisendheid gegeven.

beoordeling van het verzoek tot opheffing van het gelegde loonbeslag

4.2.

Het gelegde beslag kan om verschillende redenen geen stand houden.

4.3.

Ten eerste moet naar aanleiding van de mondelinge behandeling worden vastgesteld dat de man zijn betalingsverplichtingen die voortvloeien uit de uitspraak op basis waarvan het beslag werd gelegd (de beschikking van 31 mei 2018) niet heeft geschonden. Uit hoofde van die uitspraak moest de man van 15 maart 2018 tot en met november 2020 een bedrag van € 13.975,00 (oftewel 32,5 maanden maal € 430,00) voldoen. Beide partijen leggen betalingsoverzichten over waaruit blijkt dat hij over die periode € 14.046,60 heeft voldaan. Ook blijkens een e-mailbericht van de deurwaarder van 4 augustus 2021 worden de lopende termijnen correct betaald. De vrouw heeft een en ander desgevraagd ter zitting ook bevestigd. De slotsom is dan dat er op het moment van beslaglegging geen betalingsachterstand bestond terzake van de uitspraak waarop het beslag gebaseerd was.

Dat de deurwaarder, zoals de vrouw heeft aangevoerd, mogelijk in strijd met de door haar gegeven opdracht uitsluitend de beschikking van 2018, en niet ook die van 2016, heeft geëxecuteerd, is een omstandigheid die in de relatie belaglegger-beslagene voor haar rekening moet blijven.

4.4.

Maar ook als het beslag mede ten aanzien van de eerdere beschikking zou zijn gelegd zou het thans geen stand houden.

In de eerste plaats omdat de man heeft onderbouwd dat hij in totaliteit € 25.214,96 heeft voldaan, bij een vordering van de vrouw van € 24.328,36 zoals vermeld in haar productie C.

Dat is zelfs met aftrek van de € 619,00 die volgens de vrouw geen alimentatie, maar een belastingteruggaaf betreft, meer dan in totaal volgens de vrouw was verschuldigd.

De vrouw heeft nog aangevoerd dat niet alle aan haar betaalde bedragen als kinderalimentatie hebben te gelden omdat er ook betalingen voor roerende zaken voor de huishouding en privézaken in waren begrepen, maar zij heeft dat niet voldoende aannemelijk gemaakt. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen de geldstromen ondoorzichtig hebben gemaakt door alimentatiebetalingen te vermengen/verrekenen met betalingen van andersoortige aard zonder daarbij op duidelijke omschrijvingen toe te zien en door ook nog eens verschillende bankrekeningen te gebruiken. Dat zij dit mogelijk in overleg hebben gedaan, heeft de onduidelijkheid waar het aankomt op een juridische vordering dan wel de vaststelling in rechte daarvan slechts vergroot.

De slotsom is dat het er in dit kort geding voor moet worden gehouden dat de man ook aan zijn verplichtingen voortvloeiend uit de eerdere beschikking heeft voldaan.

4.5.

Maar ook als er terzake van die eerdere beschikking wèl sprake zou zijn geweest van een betalingsachterstand, zoals de vrouw stelt, kan het beslag niet in stand blijven, aangezien het in dat geval zijn doel inmiddels heeft bereikt. Gelet op de door de vrouw gestelde achterstand van € 2.202,40 en het blijkens de overgelegde loonspecificaties intussen ingehouden bedrag van € 2.228,31 is het beslag ook in dat opzicht niet langer gerechtvaardigd. De vrouw kon ter zitting desgevraagd ook niet verklaren dat er na aftrek van de ingehouden bedragen nog achterstand van betaling was.

4.6.

De slotsom is dat de vordering tot opheffing van het beslag moet worden toegewezen.

beoordeling van het verzoek tot terugbetaling van hetgeen is ingehouden

4.7.

Aangezien het beslag uitsluitend ten titel van de beschikking van 31 mei 2018 werd gelegd en, zoals hiervoor bij 4.3 werd overwogen, er op dat punt op het moment van beslaglegging geen betalingsachterstand bestond, zal de vordering van de man om de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen Jumbo blijkens de loonspecificaties op zijn salaris heeft ingehouden eveneens worden toegewezen.

Dat de vrouw deze bedragen zelf nog niet uit handen van de deurwaarder heeft ontvangen doet daar niet aan af.

proceskosten

4.8.

De man heeft veroordeling bepleit van de vrouw in de werkelijke proceskosten ten titel van misbruik van procesrecht door de beslaglegging, gelet op de evidente onrechtmatigheid daarvan. De voorzieningenrechter gaat daar niet in mee. Alhoewel met het voorgaande vaststaat dat het door de vrouw gelegde beslag onrechtmatig was, vormt dat op zichzelf onvoldoende grond om tot misbruik van procesrecht te concluderen. De voorzieningenrechter kent daarbij betekenis toe aan de (hiervoor bij 4.4. gememoreerde) mede door de man zelf gecreëerde ondoorzichtige betalingssituatie, als gevolg waarvan tot op zekere hoogte te begrijpen valt dat eventuele achterstanden en inlossingen van alimentatie niet in één oogopslag zichtbaar waren.

Anderzijds ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om, zoals de vrouw heeft bepleit, de proceskosten tussen partijen wegens hun status van ex-echtgenoten te compenseren. De voorzieningenrechter weegt daarbij mee dat de vrouw zelfs nadat de hiervoor bij 4.5. vermelde opheffingsgrond ter zitting was vastgesteld, niet tot onmiddellijke opheffing van het beslag genegen bleek.

4.9.

De vrouw zal dus als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de man worden begroot op:

- dagvaarding € 123,56

- griffierecht - 952,00

- salaris advocaat - 1.016,00 (tarief gemiddeld)

Totaal € 2.091,56

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op het op 18 mei 2021 ten laste van de man onder Jumbo gelegde executoriale derdenbeslag;

5.2.

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van de door de Jumbo op grond van het voormelde beslag ingehouden en afgedragen bedragen;

5.3.

veroordeelt de vrouw in de proceskosten, aan de zijde van de man tot op heden begroot op € 2.091,56;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2021.