Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3192

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
08/116268-21 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 18-jarige jongen tot een jeugddetentie van 15 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De jongen deed zich voor als medewerker van de bank en ontfutselde zo de bankpas en pincode van meerdere bejaarde slachtoffers. Met de bankpassen werden grote bedragen opgenomen en er werden aankopen in winkels en online gedaan. Naast de jeugddetentie moet de man bijna 25.000 euro schadevergoeding aan zijn slachtoffers betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/116268-21 (P)

Datum vonnis: 12 augustus 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] ,

nu verblijvende bij Intermetzo, Justitiële Jeugdinrichting (JJI) in Lelystad.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek met gesloten deuren van 29 juli 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.Y. Huang en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. D.N.A. Brouns, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan:

- onder 1, 4 en 6: oplichting, meermalen gepleegd;

- onder 3: poging tot oplichting;

- onder 2, 5 en 7: diefstal door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte – na wijziging op de zitting van 29 juli 2021 – dat:

1.


hij in of omstreeks de periode van 15 maart 2021 tot en met 22 maart 2021, te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels:
- [aangever 1] ,
- [aangever 2] ,
- [aangever 3] en/of
- [aangever 4] ,
heeft/hebben bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van (een) bankpas(sen) en/of (bijbehorende) pincode(s) en/of een mobiele telefoon met daarop de bankieren-App en/of de inlogcode en/of een laptop en/of een muis, door (telkens) die [aangever 1] en/of die [aangever 2] en/of die [aangever 3] en/of die [aangever 4] :
- telefonisch te benaderen en zich voor te doen als zijnde medewerker van/bij een bank (te weten “ [alias] ”),
- mee te delen dat er onjuiste betalingen en/of opnames waren gedaan met
zijn/haar/hun bankpas(sen) en/of dat zijn/haar/hun bankpas(sen) was/waren verlopen,
- mee te delen dat zijn/haar/hun bankpas(sen) zou(den) worden geblokkeerd,
- mee te delen dat er iemand/een medewerker (van de betreffende bank) langs zou komen om het weer in orde te maken en/of de bankpas(sen) en/of de pincode(s) op te halen (waarbij (vervolgens) door die (langs gekomen) “medewerker” ten overstaan van die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4] de betreffende (of een andere) bankpas werd doorgeknipt) en/of
- mee te delen dat hij/zij een nieuwe bankpas en/of pincode zou(den)ontvangen;

2.


hij in of omstreeks de periode van 15 maart 2021 tot en met 22 maart 2021, te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) (een of meer) geld(bedrag)(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan:
- [aangever 1] ,
- [aangever 2] ,
- [aangever 3] en/of
- [aangever 4] ,
in elk geval (telkens) aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen (telkens) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel,
door (telkens) met (een) (even daarvoor ontvreemde) bankpas(sen) te pinnen bij (verschillende) banken (Rabobank/ABN-AMRO) en/of (daarbij) de (even daarvoor ontvreemde) pincode(s) te gebruiken en/of door (voor ongeveer 1350 Euro aan) waardebonnen te kopen (pinnen) bij de [winkel] ;
3.


hij op of omstreeks 29 april 2021, te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[aangever 5] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een bankpas en/of (daarbij behorende) pincode,

- die [aangever 5] telefonisch heeft/hebben benaderd,
- zich voor te doen als zijnde medewerker van/bij de ABN-AMRO bank,
- die [aangever 5] heeft/hebben meegedeeld dat er in Rotterdam was geprobeerd te pinnen met haar bankpas,
- die [aangever 5] heeft/hebben meegedeeld dat haar bankpas was/werd geblokkeerd en/of
- die [aangever 5] heeft/hebben meegedeeld dat “meneer [alias] van de Oranjestraat” wel even langs zou komen met een (nieuwe) pas,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4.


hij in of omstreeks de periode van 16 maart 2021 tot en met 28 april 2021, in de gemeente Almelo en/of de gemeente Enschede, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels:
- [aangever 6] ,
- [aangever 7] ,
- [aangever 8] ,
- [aangever 9] en/of
- [aangever 10] ,
heeft/hebben bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van (een) bankpas(sen) en/of (bijbehorende) pincode(s) en/of een mobiele telefoon met daarop de/een bankieren-App en/of de inlogcode en/of horloges en/of (diverse) sieraden,
door (telkens) die [aangever 6] en/of die [aangever 7] en/of die [aangever 8] en/of die [aangever 9] en/of die [aangever 10] :
- telefonisch te benaderen en zich voor te doen als zijnde medewerker (van de fraude afdeling) van/bij een bank (te weten “ [alias] ” en/of “ [alias] ” en/of “ [alias] ”),
- mee te delen dat er ((een) poging(en) tot) onjuiste betalingen en/of opnames werd(en)/was/waren gedaan met zijn/haar/hun bankpas(sen) en/of dat
zijn/haar/hun bankpas(sen) was/waren verlopen en/of was/waren “geskimd” en/of dat er fraude werd gepleegd met zijn/haar/hun bankrekening(en),
- mee te delen dat zijn/haar/hun bankpas(sen) zou(den) worden geblokkeerd,
- mee te delen dat er een collega/een medewerker (van de betreffende bank) langs zou komen om een en ander weer in orde te maken en/of de bankpas(sen) en/of de pincode(s) op te halen (waarbij (vervolgens) door die (langs gekomen) “medewerker” ten overstaan van die [aangever 6] en/of die [aangever 7] en/of die [aangever 8] en/of die [aangever 9] en/of die [aangever 10] werd verklaard dat de betreffende bankrekening(en) (direct) zou(den) worden geblokkeerd en/of door die betreffende “medewerker” foto’s van de betreffende bankpas(sen) werd(en) gemaakt en/of de betreffende (of (een) andere) bankpas(sen) werd(en) doorgeknipt) en/of (waarbij (vervolgens) door die betreffende “medewerker” ten overstaan van die [aangever 8] werd verklaard dat haar horloges en/of (diverse) sieraden niet meer verzekerd zouden zijn en dat er eerst een taxatie gedaan moest worden en/of datverdachte ze (daarom) moest meenemen) en/of
- mee te delen dat hij/zij een nieuwe bankpas en/of pincode zou(den)ontvangen;

5.


hij in of omstreeks de periode van 16 maart 2021 tot en met 28 april 2021, in de gemeente Almelo en/of de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) (een of meer) geld(bedrag)(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan:
- [aangever 6] ,
- [aangever 7] ,
- [aangever 8] ,
- [aangever 9] en/of
- [aangever 10] ,
in elk geval (telkens) aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door (telkens) met (een) (even daarvoor ontvreemde) bankpas(sen) te pinnen bij (verschillende) banken (Rabobank/ABN-AMRO) en/of (daarbij) de (even daarvoor ontvreemde) pincode(s) te gebruiken en/of door (telkens) met (een) (even daarvoor ontvreemde) inlogcode(s) online bestellingen te plaatsen (bij de Mediamarkt en/of de Bijenkorf);


6.


hij op of omstreeks 27 november 2020 en/of op of omstreeks 30 november 2020, in de gemeente ‘s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels:
- [aangever 11] en/of
- [aangever 12] ,
heeft/hebben bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van (een) bankpas(sen) en/of (bijbehorende) pincode(s), door die [aangever 11] en/of die [aangever 12] :
- telefonisch te benaderen en zich voor te doen als zijnde medewerker (van de fraude afdeling) van/bij de (ING) bank,
- mee te delen dat er ((een) poging(en) tot) onjuiste betalingen en/of opnames werd(en)/was/waren gedaan met haar/hun bankpas(sen) en/of dat haar/hun bankpas(sen) was/waren verlopen en/of was/waren “geskimd” en/of dat er fraude werd gepleegd met haar/hun bankrekening(en),
- mee te delen dat haar/hun bankpas(sen) zou(den) worden geblokkeerd,
- mee te delen dat er een collega/een medewerker (van de betreffende bank) langs zou komen om een en ander weer in orde te maken, waarbij de (betreffende) bankpas(sen) doorgeknipt diende(n) te worden om misbruik hiervan te voorkomen en/of mee te delen dat die [aangever 12] haar pincode moest doorgeven (waarbij (vervolgens) door die (langs gekomen) “medewerker” ten overstaan van die [aangever 11] en/of die [aangever 12] werd verklaard dat de (betreffende) bankpas moest worden doorgeknipt (hetgeen die [aangever 11] en/of die [aangever 12] vervolgens ook heeft/hebben gedaan) en/of dat die [aangever 12] haar pincode moest doorgeven) en/of

- mee te delen dat zij (binnenkort) een nieuwe bankpas en/of pincode zou(den) ontvangen;
7.


hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 27 november 2020 en/of op of omstreeks 30 november 2020, in de gemeente ’s-Gravenhage,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) (een of meer) geld(bedrag)(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan:
- [aangever 11] en/of
- [aangever 12] ,
in elk geval (telkens) aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen (telkens) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door (telkens) met (een) (even daarvoor ontvreemde) bankpas(sen) te pinnen bij (verschillende) banken (ABN-AMRO/ING-bank) en/of (daarbij) de (even daarvoor ontvreemde) pincode(s) te gebruiken.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsmotivering

4.1

Inleiding

Tussen 15 maart 2021 en 22 maart 2021 zijn van een aantal inwoners van de gemeente Rijssen aangiftes van “spoofing” binnengekomen bij de politie Twente West. Uit deze aangiftes kwam telkens de toepassing van eenzelfde, dan wel een sterk gelijkende, modus operandi naar voren. Die modus operandi is op grond van de aangiftes en de verklaring van verdachte, kort gezegd, als volgt te omschrijven.

De aangevers werden gebeld door een persoon die zich voorstelde als medewerker van de bank (Rabobank, ABN-AMRO bank of ING bank) met de vraag of zij een betaling hadden gedaan in Rotterdam dan wel met de mededeling dat er wat aan de hand was met hun bankpas. Daarvoor zou een medewerker van de bank langskomen. De aangevers moesten hun bankpas afgeven aan deze persoon. Tijdens het telefoongesprek met de bankmedewerker werd van de aangevers de pincode van de bankpas dan wel de inlogcode voor de internet bankieren-App ontfutseld. Via de telefoon of de laptop werd geld overgeboekt naar de betaalrekening van de aangever en de daglimiet voor pintransacties werd verhoogd tot het per dag maximaal te pinnen geldbedrag.

Vervolgens meldde zich een persoon aan de deur bij de aangevers die ook zei medewerker van de bank te zijn. Deze persoon vroeg om de bankpas en knipte die pas terplekke over de lengte doormidden.

Nadat de vermeende bankmedewerker de woning had verlaten met medeneming van de bankpas en/of mobiele telefoon van de aangevers, werd zeer kort daarna met de weggenomen bankpas (meermalen) geld gepind van de bankrekening van de aangevers of daarmee betalingen gedaan. In één geval zijn met een bankpas waardebonnen gekocht (bij [winkel] ) en is er een online bestelling (bij Mediamarkt) gedaan die werd betaald via de bankrekening van de aangever.

De aangevers zijn bijna allemaal 75 tot 90 jaar oud. Voor de rol van bankmedewerker die bij de aangevers in huis kwam zijn verschillende personen ingezet. Sommige aangevers konden een signalement van de persoon geven die bij hen in de woning was geweest en die hun bankpas in ontvangst had genomen. Opvallend was in de meeste gevallen dat deze persoon een tatoeage op zijn hand had in de vorm van een roos. Op de camerabeelden van de pinautomaten is te zien dat de man die geld pinde een tatoeage heeft op zijn rechterhand in de vorm van de roos. Verdachte heeft een tatoeage van een roos op zijn rechterhand waaronder de tekst “Don't Judge me” is getatoeëerd.

Verdachte is op 29 april 2021 in Rijssen aangehouden, terwijl hij bij de woning aan de Markeloseweg 16 stond te praten met twee oudere mannen.

Voorbijrijdende politieagenten die verdachte zagen staan en de situatie niet vertrouwden, zijn met hem in gesprek gegaan en hebben hem vervolgens aan de genoemde tatoeage herkend.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4 (met uitzondering van aangeefster [aangever 8] ), 5, 6 en 7 ten laste gelegde. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 met betrekking tot aangeefster [aangever 8] ten laste gelegde, aldus de officier van justitie.

4.3

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4 (met betrekking tot aangevers [aangever 7] , [aangever 9] en [aangever 10] ), 5 en 7 (met betrekking tot aangeefster [aangever 12] ) geen verweer gevoerd, gezien de bekennende verklaring van verdachte.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 4 (met betrekking tot de aangevers [aangever 6] en [aangever 8] ), 6 (met betrekking tot beide aangevers [aangever 11] en [aangever 12] ) en 7 (met betrekking tot aangever [aangever 11] ) ten laste gelegde, wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, in aanvulling op hetgeen hiervoor onder 4.1 is weergegeven, het volgende.

Algemeen

De in de tenlastelegging onder 1 tot en met 7 genoemde zaken betreffen telkens dezelfde modus operandi. De betreffende aangevers zijn telkens bewogen tot de afgifte van hun bankpas (met bijbehorende pincode) en/of hun mobiele telefoon (met daarop een bankieren app).

In het geval van aangeefster [aangever 5] (feit 3) is het bij een poging gebleven, omdat verdachte op tijd werd aangehouden.

Uiteindelijk is met de bankpassen van de aangevers (meerdere keren) bij een geldautomaat geld opgenomen van hun bankrekening. Er werd telkens in een bepaalde samenstelling samengewerkt: iemand legde telefonisch contact met de aangevers, een ander kwam bij de aangevers aan/in huis en door deze persoon (of door de aangever zelf) werd de bankpas doormidden geknipt en ten minste één persoon ging direct daarna met die bankpas geld pinnen.

Met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3

Aangever [aangever 1] (destijds 86 jaar oud) heeft op 15 maart 2021, nadat hij gebeld was door een iemand die zei van de Rabobank te zijn, zijn bankpas en mobiele telefoon (met de Rabobankieren app) en inlogcode aan verdachte meegegeven. Verdachte heeft in totaal een bedrag van € 4.900,-- van de rekening van [aangever 1] gepind (twee keer € 2.000,-- en één keer € 900,--).

Verdachte heeft met betrekking tot aangever Slot een bekennende verklaring afgelegd.

Aangever [aangever 2] (destijds 89 jaar oud) is op 16 maart 2021 gebeld door iemand die zei van de ABN-AMRO bank te zijn en die hem vertelde dat zijn pinpas was gefotografeerd en dat daardoor die pas en zijn laptop in gevaar waren. Er zou een meneer [alias] onderweg zijn met een nieuwe betaalpas.

Verdachte heeft bekend dat hij de bankpas en de laptop met (computer)muis van [aangever 2] heeft meegenomen en dat hij € 1.000,-- van de rekening van [aangever 2] heeft gepind.

Namens [aangever 3] (destijds 82 jaar oud) is aangifte gedaan van het feit dat zij op 18 maart 2021 gebeld is door iemand van de bank die zei dat er in Rotterdam geld van haar rekening gehaald was. Daarop kwamen twee mannen op bezoek en mevrouw [aangever 3] moest van hen via de laptop geld van haar spaarrekening naar haar lopende rekening overmaken.

Verdachte heeft bekend dat hij in totaal een bedrag van € 4.900,-- van de rekening van mevrouw [aangever 3] heeft gepind (twee keer € 2.000,-- en één keer € 900,--) en dat het hier hetzelfde is gegaan als de vorige keren.

Aangever [aangever 4] (destijds 86 jaar oud) is op 22 maart 2021 gebeld door iemand die zei [alias] van de Rabobank te zijn en vertelde dat er wat met zijn bankpas aan de hand was. Vervolgens ging de bel en stond verdachte voor de deur, die zei meneer [aangever 10] van de bank te zijn en dat hij was gekomen om hem te helpen. [aangever 4] heeft zijn bankpas aan verdachte gegeven en de pincode telefonisch doorgegeven aan de man die zei [alias] te zijn.

Verdachte heeft bekend dat hij met die bankpas bij [winkel] in Holten voor € 1.350,-- aan waardebonnen van Mediamarkt heeft gekocht. Met die pas heeft hij ook in totaal € 4.900,-- (twee keer € 2000,-- en één keer € 900,--) gepind.

Aangeefster [aangever 5] (destijds 87 jaar oud) heeft verklaard dat zij op 29 april 2021 telefonisch is benaderd door iemand van de ABN AMRO Bank die zei dat zij haar pinpas in moest leveren. Mevrouw [aangever 5] woont aan de [adres 2] . Verdachte heeft verklaard dat hij de instructie had gekregen om een betaalpas op te halen op de [adres 2] . Hij stond echter voor het verkeerde huis, waarna hij werd aangehouden door voorbijrijdende politieagenten. De bankpas van mevrouw [aangever 5] moest hij in de lengte doorknippen met de rode schaar die hij bij zich had.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de in de bijlage bij dit vonnis genoemde bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en nadien door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Met betrekking tot feit 4, aangever [aangever 6]

Aangever [aangever 6] (destijds 66 jaar oud) heeft verklaard dat zijn vrouw op 16 maart 2021 is gebeld door een medewerker van de fraudeafdeling van de Rabobank, die vertelde dat er geld van hun rekening was overgemaakt naar Roemenië. Die medewerker zou een collega langs sturen. Vervolgens stond er tien minuten later iemand voor de deur die meteen doorliep naar de woonkamer. Deze man heeft de bankpassen van aangever en zijn echtgenote doorgeknipt en deze passen, nadat ze hem de bijbehorende pincodes hadden gegeven, meegenomen. De man had een Oost-Europees uiterlijk en aan zijn rechterhand droeg hij een doorzichtige plastic handschoen. De echtgenote van [aangever 6] heeft verklaard dat deze man haar in de hal van de woning in de hoek heeft geduwd.

Verdachte heeft ontkend dat hij in de woning van [aangever 6] is geweest.

De rechtbank overweegt dat het door aangever gegeven signalement niet overeenkomt met het signalement van verdachte. Verder heeft aangever niets verklaard over de tatoeage op de rechterhand van verdachte, die zichtbaar moet zijn geweest door de doorzichtige handschoen. Verdachte heeft met nadruk ontkend ooit een persoon bij wie hij in de woning is geweest te hebben aangeraakt. Naar het oordeel van de rechtbank past het duwen van deze bewoonster ook niet in het beeld van verdachte, zoals dat uit de andere aangiftes in het dossier naar voren komt.

De rechtbank zal verdachte dan ook bij gebrek aan overtuigend bewijs vrijspreken van het onder 4 met betrekking tot aangever [aangever 6] ten laste gelegde.

Met betrekking tot feit 4, aangeefster [aangever 8]

Aangeefster [aangever 8] (destijds 75 jaar oud) is op 29 maart 20219 gebeld door een man die zei van de ABN-AMRO bank te zijn en die vroeg of ze net geprobeerd had om een bedrag van € 2.200,-- over te maken. Nadat ze dat ontkende zei de man dat het geld in quarantaine was gezet, dat er mogelijk ook sprake was van een virus in haar computer en dat er een collega zou langskomen om haar te helpen. Korte tijd later belde er een jongeman aan. Deze jongeman is uiteindelijk vertrokken met haar telefoon, waar een virus in zou zitten, en haar bankpassen. Ook heeft hij sieraden meegenomen, omdat deze getaxeerd zouden moeten worden.

Verdachte heeft ontkend in de woning te zijn geweest. Aangeefster heeft ter terechtzitting op 29 juli 2021 als benadeelde partij, tijdens haar toelichting op de door haar ingediende vordering tot schadevergoeding, opgemerkt dat verdachte níet degene is die in haar woning is geweest. Hoewel zij die verklaring niet als getuige heeft afgelegd, is de rechtbank van oordeel dat hier, met het oog op de waarheidsvinding, niet aan voorbij kan worden gegaan.

Gelet hierop zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 4 met betrekking tot aangeefster [aangever 8] ten laste gelegde.

Met betrekking tot feit 4, de aangevers [aangever 7] , [aangever 9] en [aangever 10]

Aangeefster [aangever 7] (destijds 76 jaar oud) heeft verklaard dat zij op 25 maart 2021 gebeld is door iemand van de ABN-AMRO bank die vertelde dat haar bankpas was gescand en dat er een collega van hem zou langs komen om alles te regelen. Even later ging de bel en stond verdachte voor de deur die zei van de ABN-AMRO bank te zijn. Aangeefster heeft op verzoek van verdachte met haar mobiele telefoon ingelogd bij de bank. Verdachte heeft ook het bankpasje van aangeefster doormidden geknipt. Nadat aangeefster haar telefoon op tafel had gelegd heeft verdachte deze gepakt en snel de woning verlaten.

Verdachte heeft met betrekking tot aangeefster [aangever 7] een bekennende verklaring afgelegd.

Aangever [aangever 9] (destijds 79 jaar oud) is op 25 maart 2021 gebeld door iemand die zich voorstelde als [alias] en zei dat hij medewerker van de Rabobank was. De man vertelde dat de bankpas van aangever gescand was en dat een collega daarvoor zou langskomen. Daarop werd er gebeld en stond verdachte voor de deur die zei van de Rabobank te zijn. Aangever heeft hem binnengelaten. Verdachte heeft de bankpas van aangever doorgeknipt. Ook heeft hij een foto gemaakt van de bankpas en van het paspoort van aangever. Verdachte is weggegaan met medeneming van de bankpas van aangever. Hij heeft met die pas geld gepind. Hij is een ongeveer een half uur later wederom in de woning van aangever geweest. Verdachte heeft toen online bij Mediamarkt goederen besteld en betaald via de bankrekening van aangever.

Verdachte heeft met betrekking tot aangever [aangever 9] een bekennende verklaring afgelegd.

Aangeefster [aangever 10] (destijds 82 jaar oud) is op 28 april 2021 gebeld door iemand die zich voorstelde als [alias] van de Rabobank en die haar vertelde dat er geld van haar rekening was gehaald. Er zou daarom een medewerker van de bank langs komen. Tien minuten later belde verdachte aan en stelde zich voor als [aangever 10] van de Rabobank. Aangeefster heeft verdachte binnengelaten en verdachte heeft vervolgens op de computer van aangeefster ingelogd op haar bankaccount om de daglimiet te verhogen en om geld over te boeken van spaarrekening naar de lopende rekeningen. Hij heeft ook haar bankpas doorgeknipt en meegenomen.

Verdachte heeft met betrekking tot aangeefster [aangever 10] een bekennende verklaring afgelegd.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 4 met betrekking tot de aangevers [aangever 7] , [aangever 9] en [aangever 10] ten laste gelegde op grond van de in de bijlage bij dit vonnis genoemde bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en nadien door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Met betrekking tot feit 5

Met de bankpassen van de aangevers [aangever 6] , [aangever 7] , [aangever 8] , [aangever 9] en [aangever 10] is (meerdere keren) bij een geldautomaat geld opgenomen van hun bankrekening.

Verdachte heeft bekend dat hij van de bankrekeningen van aangever [aangever 6] en zijn echtgenote bedragen van € 3.700,-- en € 2.070,-- heeft gepind.

Uit de afschrijvingen van de bankrekening van aangeefster [aangever 7] blijkt dat op twee locaties in totaal elf keer is gepind tot een totaalbedrag van € 9.900,--. Verdachte heeft bekend dat hij bij twee locaties meerdere malen geld van de rekening van [aangever 7] gepind heeft.

Van de rekeningen van [aangever 8] is een bedrag van € 13.900,-- gepind. Verdachte heeft bekend € 9.900,-- te hebben gepind bij een automaat aan de Maanstraat 159 in Enschede en € 4.000,-- bij een geldautomaat aan de Raiffeisenstraat in Enschede.

Van de rekening van aangever [aangever 9] is een bedrag van € 4.900,-- gepind. Verdachte heeft bekend twee keer € 2.000,-- gepind te hebben en één keer € 900,--.

Aangeefster [aangever 10] zag dat er uiteindelijk € 4.900,-- was opgenomen van haar bankrekening. Verdachte heeft bekend dat hij met de bankpas van aangeefster geld heeft opgenomen bij een geldautomaat aan de Oldenzaalsestraat te Enschede.

Met betrekking tot feit 6 en feit 7, de aangevers [aangever 11] en [aangever 12]

Aangeefster [aangever 11] (destijds 79 jaar oud), wonende te Den Haag, heeft verklaard dat zij op 27 november 2020 omstreeks 11.00 uur gebeld werd op haar vaste telefoon door een onbekend 06-nummer. Er belde een man die zich voorstelde als een medewerker van de ING bank. De man noemde haar bankrekeningnummer, haar woonadres en haar pincode. Hij vertelde haar dat er binnenkort € 2.200,-- van haar bankrekening zou worden afgeschreven naar een Afrikaans rekeningnummer. Om die reden zou er een andere bankmedewerker bij haar aan de deur komen om haar pinpas door te knippen, zodat het geld niet zou kunnen worden overgemaakt. Aangeefster moest aan deze bankmedewerker een code vragen. Even later stond er een man bij haar aan de deur die zich voorstelde als medewerker van de ING bank. De man noemde haar de code. Op verzoek van de bankmedewerker heeft zij haar bankpas doorgeknipt. De man is weggegaan met de doorgeknipte bankpas. De man aan de telefoon zei tegen haar dat zij nog even moest wachten voordat zij het telefoongesprek zou beëindigen.

Aangeefster heeft de politie heeft gebeld, omdat ze het toch niet vertrouwde. De politie heeft voor haar met de bank gebeld. Er was toen al een bedrag van € 7.129,94 van haar spaarrekening naar haar basisrekening overgemaakt.

Bij de ING bank op de Fahrenheitstraat 434A te Den Haag is een bedrag van € 10.000,-- opgenomen. Er is ook bij geldautomaten in filialen van Albert Heijn geld van haar bankrekening opgenomen. In totaal was dit een bedrag van € 4.930,50.

Aangeefster heeft verklaard dat de man die bij haar aan de deur was geweest een jas droeg van het merk “North Face”.

Aangeefster [aangever 12] (destijds 79 jaar oud), wonende te Den Haag, heeft verklaard dat zij op 30 november 2020 omstreeks 11.00 uur op haar vaste telefoon werd gebeld door een man die zei dat hij een medewerker van de ING bank was. De man vertelde haar dat een bedrijf uit Rotterdam geprobeerd had om € 2.000,-- van haar bankrekening over te schrijven naar Afrika. De man vertelde verder dat een bankmedewerker aan de deur zou komen en dat ze dan haar bankpas door moest knippen. Iets later die dag kwam er een jongeman bij haar aan de deur. Zij heeft haar pas doorgeknipt en op verzoek van de man aan de telefoon heeft zij hem de pincode gegeven. De man aan de deur heeft haar pasje meegenomen en is daarmee weggegaan.

Aangeefster heeft de ING bank gebeld en haar werd verteld dat er op 30 november 2020 om 13.14 uur een geldbedrag van € 430,-- van haar bankrekening was gepind.

De verklaringen van verdachte

Verdachte heeft, zowel tegenover de politie op 18 mei 2021 als ter terechtzitting op 29 juli 2021, verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij in woningen in Den Haag is geweest. Verder herkent hij zichzelf niet op de foto’s van de camerabeelden die zijn gemaakt van het pinnen van geld van de bankrekening van aangeefster [aangever 11] .

Verdachte heeft op 18 mei 2021 tegenover de politie verklaard dat hij zichzelf wel herkent op één van de foto's, namelijk foto 4.1 Dit is een foto die is gemaakt van een pintransactie van de bankrekening van aangeefster [aangever 12] . Verdachte herkent zichzelf aan de tatoeage die te zien is op de hand van de pinner. Hij weet niet precies of hij het bankpasje heeft doorgeknipt. Hij denkt dat hij het pasje meegenomen heeft. Hij weet niet waarom er € 430,-- is gepind. Waarschijnlijk kon hij niet meer pinnen op dat moment.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op de camerabeelden die zijn gemaakt van het pinnen van de bankrekening van aangeefster [aangever 12] is de rechterhand van de pinner te zien met een tatoeage. Verdachte heeft zichzelf herkend op screenshots van die camerabeelden. Daarnaast heeft een verbalisant van de politie-eenheid Amsterdam verdachte herkend van een screenshot van die camerabeelden.

Er zijn ook camerabeelden gemaakt van de pintransacties met de bankpas van aangeefster [aangever 11] . Naar aanleiding van deze camerabeelden heeft een politiefunctionaris van de politie Den Haag een proces-verbaal opgemaakt, waarin hij relateert dat hij in de persoon die geld pint van de bankrekening van aangeefster [aangever 12] , dezelfde persoon herkent als degene die geld pint van de rekening van aangeefster [aangever 11] .

De rechtbank heeft ter terechtzitting vastgesteld dat de persoon op de screenshots van het pinnen van de rekening van aangeefster [aangever 12] qua postuur, kleding, schoenen en voorkomen zeer grote gelijkenis vertoont met de persoon op de screenshots van het pinnen van de rekening van aangeefster [aangever 11] .

Gelet op voorgaande overwegingen, bezien in samenhang met de verklaring van verdachte over de omstandigheden waaronder hij de bankpas van [aangever 12] heeft meegenomen, en mede gelet op de identieke modus operandi bij de aangeefsters [aangever 11] en [aangever 12] , komt de rechtbank tot bewezenverklaring van het onder 6 en 7 tenlastegelegde.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij in de periode van 15 maart 2021 tot en met 22 maart 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels:
- [aangever 1] ,
- [aangever 2] ,
- [aangever 3] en
- [aangever 4] ,
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten de afgifte van (een) bankpas(sen) en/of bijbehorende pincode(s) en/of een mobiele telefoon met daarop de bankieren-App en/of de inlogcode en/of een laptop en/of een muis, door die [aangever 1] en die [aangever 2] en die [aangever 3] en die [aangever 4] :
- telefonisch te benaderen en zich voor te doen als zijnde medewerker van/bij een bank (te weten “ [alias] ”),
- mee te delen dat er onjuiste betalingen en/of opnames waren gedaan met
zijn/haar/hun bankpas(sen) en/of dat zijn/haar/hun bankpas(sen) was/waren verlopen,
- mee te delen dat zijn/haar/hun bankpas(sen) zou(den) worden geblokkeerd,
- mee te delen dat er iemand/een medewerker (van de betreffende bank) langs zou komen om het weer in orde te maken en/of de bankpas(sen) en/of de pincode(s) op te halen

(waarbij (vervolgens) door die (langs gekomen) “medewerker” ten overstaan van die [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] en [aangever 4] de betreffende (of een andere) bankpas werd doorgeknipt) en/of
- mee te delen dat hij/zij een nieuwe bankpas en/of pincode zou ontvangen;

2.


hij in de periode van 15 maart 2021 tot en met 22 maart 2021 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens geldbedragen, die geheel aan:
- [aangever 1] ,
- [aangever 2] ,
- [aangever 3] en
- [aangever 4] ,
toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen geldbedragen (telkens) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel,
door telkens met een bankpas te pinnen bij verschillende banken (Rabobank/ABN-AMRO) en daarbij de pincodes te gebruiken en/of door (voor ongeveer 1350 Euro aan) waardebonnen te kopen (pinnen) bij de [winkel] ;
3.


hij op 29 april 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 5] te bewegen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten een bankpas en (daarbij behorende) pincode,
- die [aangever 5] telefonisch heeft/ benaderd,
- zich voor te doen als zijnde medewerker van/bij de ABN-AMRO bank,
- die [aangever 5] heeft meegedeeld dat er in Rotterdam was geprobeerd te pinnen met haar bankpas,
- die [aangever 5] heeft meegedeeld dat haar bankpas was/werd geblokkeerd en
- die [aangever 5] heeft meegedeeld dat “meneer [aangever 10] van de Oranjestraat” wel even langs zou komen met een (nieuwe) pas,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.


hij in de periode van 25 maart 2021 tot en met 28 april 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels:
- [aangever 7] ,
- [aangever 9] en
- [aangever 10] ,
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten de afgifte van (een) bankpas(sen) en/of (bijbehorende) pincode(s) en/of een mobiele telefoon met daarop de/een bankieren-App en/of de inlogcode, door die [aangever 7] en die [aangever 9] en die [aangever 10] :
- telefonisch te benaderen en zich voor te doen als zijnde medewerker (van de fraude afdeling) van/bij een bank,
- mee te delen dat er ((een) poging(en) tot) onjuiste betalingen en/of opnames werd(en)/was/waren gedaan met zijn/haar bankpas en/of dat zijn/haar bankpas was verlopen en/of was “geskimd” en/of dat er fraude werd gepleegd met zijn/haar bankrekening,
- mee te delen dat zijn/haar bankpas zou worden geblokkeerd,
- mee te delen dat er een collega/een medewerker (van de betreffende bank) langs zou komen om een en ander weer in orde te maken en/of de bankpas en/of de pincode op te halen

(waarbij (vervolgens) door die (langs gekomen) “medewerker” ten overstaan van die [aangever 7] en/of die [aangever 9] en/of die [aangever 10] werd verklaard dat de betreffende bankrekening (direct) zou worden geblokkeerd en/of door die betreffende “medewerker” foto’s van de betreffende bankpas werd(en) gemaakt en/of de betreffende bankpas werd doorgeknipt en/of

- mee te delen dat hij/zij een nieuwe bankpas en/of pincode zou ontvangen;
5.


hij in de periode van 25 maart 2021 tot en met 28 april 2021, in de gemeente Enschede,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens geldbedragen die aan:
- [aangever 6]

- [aangever 7] ,

- [aangever 8] ,
- [aangever 9] en
- [aangever 10] ,
toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen geldbedragen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel,
door (telkens) met (een) bankpas(sen) te pinnen bij (verschillende) banken (Rabobank/ABN-AMRO) en/of (daarbij) de pincode(s) te gebruiken en/of door (telkens) met (een) inlogcode(s) online bestellingen te plaatsen (bij de Mediamarkt en/of de Bijenkorf);


6.


hij op 27 november 2020 en op 30 november 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels:
- [aangever 11] en
- [aangever 12] ,
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten de afgifte van (een) bankpas(sen) en/of (bijbehorende) pincode(s), door die [aangever 11] en die [aangever 12] :
- telefonisch te benaderen en zich voor te doen als zijnde medewerker (van de fraude afdeling) van/bij de (ING) bank,
- mee te delen dat er een (poging tot) onjuiste betaling was gedaan met hun bankpas en/of dat er fraude werd gepleegd met hun bankrekening,
- mee te delen dat er een collega/een medewerker (van de betreffende bank) langs zou komen om een en ander weer in orde te maken, waarbij de (betreffende) bankpas(sen) doorgeknipt diende(n) te worden om misbruik hiervan te voorkomen en/of mee te delen dat die [aangever 12] haar pincode moest doorgeven,

(waarbij vervolgens door die (langs gekomen) “medewerker” ten overstaan van die [aangever 11] en die [aangever 12] werd verklaard dat de betreffende bankpas moest worden doorgeknipt (hetgeen die [aangever 11] en die [aangever 12] vervolgens ook hebben gedaan) en dat die [aangever 12] haar pincode moest doorgeven) en/of
- mee te delen dat zij (binnenkort) een nieuwe bankpas zouden ontvangen;
7.


hij op 27 november 2020 en op 30 november 2020 in de gemeente ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens geldbedragen, die aan:
- [aangever 11] en
- [aangever 12] ,
toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen geldbedragen (telkens) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel,

door (telkens) met een bankpas te pinnen bij (verschillende) banken (ABN-AMRO/ING-bank) en (daarbij) de pincodes te gebruiken.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 47, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feiten 1, 4, en 6:

telkens het misdrijf: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

feiten 2, 5 en 7

telkens het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: medeplegen van poging tot oplichting.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten, ook ten aanzien van de feiten gepleegd tijdens de meerderjarigheid van verdachte (feiten 1 tot en met 5).

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van vijftien maanden waarvan zeven maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast dienen aan verdachte, bij het voorwaardelijk deel van de straf, de bijzondere voorwaarden te worden opgelegd zoals door de reclassering is geadviseerd in het rapport van 27 juli 2021.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de feiten 4 tot en met 7 de gevangenneming van verdachte gevorderd.

7.2

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast, gelet op de leeftijd van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.

De raadsvrouw heeft verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, dat hij daarnaast openheid van zaken heeft gegeven en een groot aantal feiten heeft bekend en ook met de omstandigheid dat zijn rol zeker niet die van initiatiefnemer is geweest.

De raadsvrouw vindt in dat kader dat oplegging van een straf gelijk aan het voorarrest met daarnaast een fors voorwaardelijk deel voldoende recht doet aan de ernst van de feiten. De feiten zijn in een relatief kort tijdsbestek gepleegd, onder invloed van omstandigheden waaraan verdachte zo snel mogelijk verder moet werken om herhaling van deze feiten te voorkomen.

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om bij de einduitspraak de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen om zo te trachten een crisisplaatsing af te dwingen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De aard en de ernst van de gepleegde feiten

Verdachte heeft samen met anderen, in de periode van 27 november 2020 tot en met 29 april 2021, op slinkse wijze (hoog)bejaarde slachtoffers van tussen de 75 en 90 jaar oud weten te bewegen tot de afgifte van hun bankpas(sen) en pincode(s). Verdachte en zijn mededaders hebben zich voorgedaan als medewerkers van de bank en misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zij bij de slachtoffers wisten te winnen. Met een geraffineerd en listig verhaal zijn de slachtoffers bewogen tot het afgeven van de pincode behorend bij hun bankpas of de inlogcode voor internetbankieren, waarna de bankpas werd doorgeknipt en door verdachte werd meegenomen. Een aantal keren is er ook een telefoon en een keer een laptop meegenomen. Deze werden gebruikt om te kunnen frauderen. Om het maximale geldbedrag van de bankrekening van de slachtoffers te kunnen opnemen, werd via internetbankieren de daglimiet voor geldopname verhoogd. Met de bankpas en de pincode werden direct daarna meerdere keren forse geldbedragen gepind van de rekening van de slachtoffers. In een tweetal zaken zijn er met de passen ook aankopen gedaan in een winkel en online, waarmee ook forse bedragen waren gemoeid. Verdachte vervulde een belangrijke en onmisbare schakel in het geheel, omdat hij degene was die zorgdroeg voor het verhogen van de daglimiet, het ophalen, doorknippen dan wel fotograferen van de bankpassen en het pinnen/betalen daarmee.

Bij het plegen van deze feiten zijn doelbewust ouderen als slachtoffer uitgekozen. Deze kwetsbare personen zijn doorgaans – en zeker ten tijde van het coronacrisis – in toenemende mate van de zorg van anderen afhankelijk en zijn dus genoodzaakt op anderen te vertrouwen. Verdachte en zijn mededaders hebben op lafhartige wijze deze mensen als een gemakkelijke prooi gezien, die zij zonder veel risico en met eenvoudige middelen geld afhandig konden maken. Verdachte heeft zich niet bekommerd om de gevolgen voor de slachtoffers, maar heeft slechts zijn eigen geldelijk gewin voorop gesteld. Verdachte en zijn mededaders hebben bovendien, door zo te handelen, bij de slachtoffers het vertrouwen in de medemens ernstig geschaad. Van een aantal slachtoffers is hun oude dag plotseling getekend door angst en wantrouwen jegens de medemens. De rechtbank rekent het verdachte voorts zwaar aan dat de oplichting door verdachte thuis bij de slachtoffers heeft plaatsgevonden. Het gevoel van veiligheid dat eenieder in en rond het eigen huis zou moeten hebben, is daardoor eveneens ernstig geschaad.

De persoon van verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op een uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 27 juli 2021. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de bevindingen en het strafadvies van Reclassering Nederland van 27 juli 2021. Uit de inhoud van dit rapport volgt dat verdachte een (net) achttienjarige jongeman is met een blanco strafblad. Het reclasseringsdossier en referenteninformatie laten zien dat er veel zorg en begeleiding is getracht te organiseren.

Verdachte heeft hierin niet een ontvankelijke houding laten zien, maar dossierinformatie laat ook zien dat mogelijk geen sprake is van onwil, maar eerder van onmacht, vanwege de psychosociale problematiek waarmee verdachte kampt. Hij wordt gezien als een zeer kwetsbare jongeman.

Vastgesteld is dat het psychosociaal functioneren in combinatie met de instabiele huisvesting en het sociaal netwerk risicofactoren zijn voor recidive. De kans op recidive wordt ingeschat als hoog. Tevens zijn er zorgen ten aanzien van het ontbreken van een zinvolle dagbesteding, structuur en de financiële situatie. Dit zijn risico verhogende factoren. Op basis van dit onderzoek zijn geen beschermende factoren vastgesteld. Verdachte kan niet terugkeren naar het ouderlijk huis.

De reclassering acht een traject met bijzondere voorwaarden bij de jeugdreclassering geïndiceerd. Reclasseringsbegeleiding zal zich richten op controle en het vinden van een dagbesteding (met name structuur). Gezien de psychosociale problematiek (ADHD, PTSS, functioneren op beneden gemiddeld intelligentie niveau, en een vermoedelijk niet aangeboren hersenletsel) wordt het noodzakelijk geacht dat verdachte meewerkt aan behandeling die zich richt op zowel verdachte als op zijn omgeving, waarbij er gekeken wordt naar welke problemen bestaan op verschillende levensgebieden. Tenslotte is het van essentieel belang dat er een beschermd wonen plek voor verdachte wordt gevonden.

Geadviseerd wordt het jeugdstrafrecht toe te passen en het toezicht uit te laten voeren door de jeugdreclassering. De reden hiervoor is dat er niet eerder een traject heeft gelopen bij de jeugdreclassering en de jeugdzorgwerker het passender acht het toezicht bij hen te laten lopen. Op basis van referenteninformatie wordt geconcludeerd dat verdachte nog ontvankelijk is voor sociale, emotionele en praktische beïnvloeding door volwassenen. Het reclasseringsdossier laat zien dat verdachte onvoldoende in staat is zijn eigen gedrag te organiseren en hij beschikt over onvoldoende handelingsvaardigheden om zijn leven op orde te krijgen en te houden.

De reclassering adviseert om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: begeleiding door de jeugdreclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, locatiegebod en andere voorwaarden het gedrag betreffende. De reclassering adviseert verder om aan de gecertificeerde instelling De William Schrikker Stichting (jeugdreclassering) opdracht te geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte daarbij te begeleiden.

Op de zitting van 29 juli 2021 is als deskundige gehoord [medewerker jeugdzorg] , jeugdzorgwerker bij William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. Zij heeft kort samengevat verklaard dat de gemeente een indicatie LVG beschermd wonen en behandeling heeft afgegeven voor de periode van drie jaar. In 2019 verbleef verdachte bij Parlan. Naar aanleiding daarvan is er een diagnostisch onderzoek gedaan door Parlan. De uitkomst van dit onderzoek was onder meer dat bij verdachte sprake is van een IQ van 75, ADHD en PTSS. Er zijn op nagenoeg alle gebieden meerdere risicofactoren hetgeen zeer zorgelijk is.

Mevrouw Jongerling adviseert eveneens om het jeugdstrafrecht toe te passen. De nodige hulpverlening is nauwelijks of niet gestart, aangezien er lange wachtlijsten zijn, maar ook omdat verdachte zich onttrok aan de hulpverlening. Verdachte is bij een aantal organisaties voor beschermd wonen aangemeld, maar het is moeilijk om een geschikte plek voor hem te vinden die aansluit bij zijn problematiek en ook in verband met lange de wachtlijsten. Aangezien verdachte functioneert op een laag intelligentieniveau is plaatsing in een justitiële jeugdinrichting (JJI) passender dan een plaatsing in een volwasseninrichting. In een JJI krijgt verdachte de juiste begeleiding en structuur.

Het jeugdstrafrecht

De bewezenverklaarde feiten speelde zich grotendeels af in een periode waarin verdachte meerderjarig was, maar ook deels in een periode waarin hij minderjarig was.

De rechtbank zal met het oog hierop en gelet op de voorgaande adviezen en de bij verdachte aanwezige problematiek, mede gelet op de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw, het jeugdstrafrecht toepassen.

De op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten een

forse straf rechtvaardigen. Deze feiten zorgen niet alleen bij de slachtoffers, maar ook in de samenleving voor verontwaardiging en afkeer.

Aan de andere kant moet rekening worden gehouden met de persoon van de verdachte en het belang dat de maatschappij heeft bij een afdoening die voorkomt dat de nog jeugdige verdachte opnieuw de fout in gaat.

Alles overwegend en mede gelet op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van vijftien maanden waarvan negen maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren passend en geboden. De rechtbank zal daarbij tevens de bijzondere voorwaarden opleggen zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. De rechtbank ziet echter geen meerwaarde in de oplegging van een locatiegebod en elektronisch toezicht en zal die bijzondere voorwaarden dan ook niet opleggen. De rechtbank zal wel bepalen dat verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen die hem zullen worden gegeven door medewerkers van de jeugdreclassering/William Schrikker Groep, die mede kunnen inhouden dat verdachte een zinvolle dagbesteding moet hebben, een opleiding moet volgen en moet verblijven in een door de jeugdreclassering/William Schrikker Groep aangewezen instelling voor begeleid wonen/maatschappelijke opvang.

Vordering tot gevangenneming

De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie tot gevangenneming voor wat betreft de feiten 4 tot en met 7 afwijzen, omdat zij daar onvoldoende termen toe aanwezig acht.

Verzoek opheffing voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het verzoek van de raadsvrouw tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen gelet op de inhoud van dit veroordelend vonnis. De ernstige bezwaren en de gronden voor de voorlopige hechtenis zijn nog onverminderd aanwezig en de situatie als bedoeld in artikel 67a lid drie van het Wetboek van Strafvordering doet zich niet voor.

8 De schade van benadeelden

8.1.

De vorderingen van de benadeelde partijen

[aangever 2] (feiten 1 en 2) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.700,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 16 maart 2021. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- onrechtmatige opname van geld € 1.000,--;

- diefstal laptop € 700,--.

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 1.000,-- gevorderd.

[aangever 5] (feit 3) heeft door middel van een voegingsformulier te kennen gegeven zich als benadeelde partij in het strafproces te voegen. Er is echter geen geldbedrag gevorderd.

De benadeelde partij heeft op het formulier omschreven welke impact het onder 3 bewezen-verklaarde op haar heeft gehad.

[aangever 8] (feiten 4 en 5) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 17.975,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 29 maart 2021. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- IPhone 7 € 175,--;

- gepind geld € 13.400,--;

- sieraden € 3.650,--;

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 750,-- gevorderd.

[aangever 7] (feiten 4 en 5) heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend. Het schadebedrag is niet ingevuld. Wel is het voegingsformulier door haar ondertekend en zijn daarbij bankafschriften gevoegd. Hieruit blijkt dat er op 25 maart 2021 een totaalbedrag van € 9.900,-- van haar bankrekening is gepind.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] kan worden toegewezen.

De benadeelde partij [aangever 5] moet niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat er geen bedrag is ingevuld op het voegingsformulier.

Gelet op de door haar gevorderde vrijspraak ten aanzien van feit 4 (oplichting) dient de benadeelde partij [aangever 8] voor het deel van de vordering dat ziet op schadevergoeding van de sieraden en de IPhone niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering. De vordering kan voor het overige worden toegewezen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [aangever 7] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat op het voegingsformulier geen bedrag is ingevuld.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot schadevergoeding van [aangever 2] wat betreft de onrechtmatige opname van geld kan worden toegewezen. De vordering is ten aanzien van de laptop (en de muis) onvoldoende onderbouwd, zodat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van die post dient te worden afgewezen dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in dat deel van de vordering.

De benadeelde partij moet wat betreft het deel van de vordering dat ziet op vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard. Subsidiair, indien de rechtbank aanleiding ziet tot toewijzing van deze schade, dient het gevorderde bedrag te worden gematigd.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [aangever 5] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat er geen schadebedrag is ingevuld op het voegingsformulier.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de door haar bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 4 (oplichting), de benadeelde partij [aangever 8] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het verzoek tot schadevergoeding van de mobiele telefoon en van de sieraden. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in dit deel van de vordering, nu de behandeling daarvan een onevenredige belasting voor het strafgeding vormt. De vordering kan wat betreft feit 5, vergoeding van gepinde geldbedragen, worden toegewezen.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [aangever 7] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering nu het schadebedrag niet is ingevuld op het voegingsformulier. Uit de vordering noch uit de daarbij als bijlage gevoegde bankafschriften blijkt eenduidig welke bedragen de benadeelde partij vergoed wenst te krijgen. Er is niet voldaan aan de civielrechtelijke stelplicht die van toepassing is op de vordering van de benadeelde partij.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot de door de benadeelde partij [aangever 2] gevorderde materiële schadevergoeding

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezen verklaarde feiten onder 1 en 2 rechtstreeks materiële schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [aangever 2] . De rechtbank zal de opgevoerde schade in verband met de onrechtmatige opname van geld, te weten € 1.000,-- toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het feit is gepleegd, te weten 16 maart 2021.

De opgevoerde schadeposten voor vergoeding van een laptop (en muis) zijn betwist. [aangever 2] heeft bij de politie verklaard dat de weggenomen laptop ongeveer acht jaar oud was. [aangever 2] heeft, ter vervanging van deze laptop, een nieuwe laptop ter waarde van € 700,-- aangeschaft. Daarmee is vast komen te staan dat de benadeelde partij schade heeft geleden. De rechtbank zal wat betreft vergoeding van de laptop (en de muis) gebruik maken van haar bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten. De rechtbank houdt daarbij rekening met de gangbare gemiddelde afschrijving per jaar van een laptop (en een muis) van 20%. De restwaarde van dergelijke goederen hangt onder andere af van de ouderdom hiervan. De rechtbank schat de omvang van de schade op € 100,--. De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk.

Met betrekking tot de benadeelde partij [aangever 5]

Uit de inhoud van het dossier blijkt dat [aangever 5] geen materiële schade heeft geleden. Op het voegingsformulier zijn geen bedragen ingevuld. Er is derhalve geen sprake van een vordering waar de rechtbank op moet beslissen.

Met betrekking tot door de benadeelde partij [aangever 8] gevorderde materiële schadevergoeding

Verdachte wordt van feit 4 (oplichting) vrijgesproken. De rechtbank zal de benadeelde partij [aangever 8] voor het deel van de vordering dat ziet op vergoeding van een mobiele telefoon en sieraden niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 5 (medeplegen van diefstal door middel van een valse sleutel) bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is niet betwist en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 13.400,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 29 maart 2021.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk.

Met betrekking tot de benadeelde partij [aangever 7]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feiten onder 4 en 5 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [aangever 7] . De rechtbank heeft geconstateerd dat op het voegingsformulier geen bedrag is ingevuld. Het voegingsformulier is door de benadeelde partij ondertekend en ingediend. Daaruit kan worden afgeleid dat de benadeelde partij een vordering heeft willen indienen. Gelet op de bankafschriften die bij dit formulier zijn gevoegd is het naar het oordeel van de rechtbank evident dat de benadeelde partij vergoeding vordert van het bedrag van € 9.900,-- dat van haar bankrekening is gepind. Dit is immers de schade die rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit aan haar is toegebracht. Daarnaast heeft de benadeelde partij een groot deel van de terechtzitting op 29 juli 2021 bijgewoond, waarbij zij op het zittingsformulier heeft aangekruist dat zij reeds een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend. Op het moment dat de behandeling van de vordering aan de orde werd gesteld, had de benadeelde partij echter de zittingszaal al verlaten.

Mede gelet hierop zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van € 9.900,-- te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 25 maart 2021.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk.

Met betrekking tot de door de benadeelde partijen [aangever 2] en [aangever 8] gevorderde immateriële schadevergoeding

Voor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals opgenomen in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het eerste lid van dat artikel luidt, voor zover hier van belang:

“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

(...)

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.”

Nu er geen sprake is van lichamelijk letsel of van schade in eer en goede naam, rijst de vraag of de benadeelde partij 'op andere wijze' in de persoon is aangetast in de zin van genoemd artikel. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor het aannemen van een persoonsaantasting is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen.

Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon 'op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (vgl. HR 15 maart 2019. ECLI:NL:HR:2019:376, HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 en HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1642).

Gelet op dit juridisch kader is hetgeen de benadeelde partijen hebben gesteld ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ in even bedoelde zin. Zo hebben zij geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid en doet zich hier niet een situatie voor waarin uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan volgt dat van een aantasting 'op andere wijze’ sprake is. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partijen om hun vordering nader te motiveren en aan te vullen leidt tot een onevenredige belasting van de strafzaak, reden waarom de rechtbank hen die gelegenheid niet zal geven. De benadeelde partijen zullen om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering. De benadeelde partijen kunnen de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door de feiten zijn toegebracht.

De rechtbank bepaalt op grond van artikel 36f lid 5 Sr dat de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:4:20 Sv kan worden opgelegd op 0 dagen wordt gesteld.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 77a, 77g, 77i 77x,77y,77z 77aa, 77gg Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 4 met betrekking tot de aangevers [aangever 6] en [aangever 8] ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1, 4, en 6:

telkens het misdrijf: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

feit 2, 5 en 7

telkens het misdrijf: diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: medeplegen van poging tot oplichting;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

- bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte van 9 (negen) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- meewerkt aan het toezicht door de jeugdreclassering/William Schrikker Stichting (WSS) en meldt zich op afspraken met de jeugdreclassering/WSS zo vaak de jeugdreclassering/WSS dat nodig vindt;

- zich laat behandelen door Brijder of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering/WSS, zodat dit aansluit bij het probleemgedrag. De behandeling start bij aanvang van de proeftijd. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering/WSS nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

- verblijft in een nader te bepalen woonvoorziening of andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de jeugdreclassering/WSS. Het verblijf start bij aanvang van de proeftijd. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering/WSS nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering voor hem heeft opgesteld;

- verplicht is om mee te werken aan het in kaart brengen van zijn financiële situatie;

- meewerkt aan begeleiding gericht op vrijetijdsbesteding en dagbesteding. Hierbij werkt hij samen met een jobcoach (van het WPI) en de jeugdreclassering. De reclassering kan hierbij besluiten om outreachende zorg in te zetten middels bijvoorbeeld een IFA traject;

- zich gedurende de proeftijd voor het overige zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de jeugdreclassering/WSS, ook als dit inhoudt dat hij een opleiding dient te volgen en dat hij op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig dient te zijn op het verblijfadres, zolang de jeugdreclassering/WSS dat nodig vindt;

- draagt de William Schrikker Stichting (jeugdreclassering) op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] toe tot een bedrag van € 1.100,-- (elfhonderd euro), bestaande uit materiële schade;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] : van een bedrag van € 1.100,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2021, met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- wijst de vordering af voor het meer of anders gevorderde voor wat betreft vergoeding van materiële schade;

- bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering wat betreft vergoeding van immateriële schade, en dat de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.100,-- (zegge: elfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2021 ten behoeve van de benadeelde [aangever 2] , en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

schadevergoeding

- wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 8] toe tot een bedrag van € 13.400,-- (dertien duizend vierhonderd euro), bestaande uit materiële schade;

- wijst de vordering van de benadeelde partij af voor het meer of anders gevorderde voor zover dat ziet op materiële schadevergoeding;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 8] een bedrag van € 13.400,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2021, met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor zover dat ziet op vergoeding van immateriële schade, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 13.400,--, (zegge: dertienduizend vierhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2021 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

schadevergoeding

- wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 7] toe tot een bedrag van

€ 9.900,-- (negenduizend negenhonderd euro), bestaande uit materiële schade;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 7] van een bedrag van € 9.900,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2021, met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde feit en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 9.900,-- (zegge: negenduizend negenhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2021 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

vordering gevangenneming ter terechtzitting

- wijst af de vordering tot gevangenneming met betrekking tot de feiten 4, 5, 6 en 7;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. C. Verdoold, kinderrechter en mr. P.A.M. Miltenburg, rechter, in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2021.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2021162236, gesloten op 22 juni 2021. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 1 en feit 2

[aangever 1]

1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , pagina 43 tot en met 48.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 49.

3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 juli 2021, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

[aangever 2]

4. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , pagina 56 tot en met 58.

5. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 59.

6. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 juli 2021, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

[aangever 3] ( [naam] )

7. Het proces-verbaal van aangifte van [naam] namens [aangever 3] , pagina’s 65 tot en met 66.

8. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 59.

9. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 juli 2021, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

[aangever 4]

10. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , pagina’s 72 en 73.

11. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 77.

12. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 juli 2021, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

Feit 3

13. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] , pagina’s 26 tot en met 32.

14. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 32.

15. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 juli 2021, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

Feit 4 en feit 5

[aangever 7]

16. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 7] , pagina’s 141 tot en met 145.

17. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 146.

18. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 juli 2021, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

[aangever 9]

19. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 9] , pagina’s 181 tot en met 190.

20. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 191.

21. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 juli 2021, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

[aangever 10]

23. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 10] , pagina’s 201 en 202.

24. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 203.

25. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 juli 2021, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

Feit 5

[aangever 8]

26. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 8] , pagina’s 162 tot en met 173.

27. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 146.

28. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 juli 2021, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

29. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 174.

Feit 6 en feit 7

[aangever 11]

30.

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 11] , pagina 82 tot en met 90, voor zover inhoudend als verklaring van aangever:

Op 27 november 2020, omstreeks 11.00 uur bevond ik mij in mijn woning aan de [adres 3] . Ik hoorde dat mijn vaste telefoon overging. Ik zag dat ik gebeld werd door een voor mij onbekend 06-nummer. Ik heb de telefoon opgenomen en ik hoorde dat er aan de andere kant van de lijn een man sprak. Ik hoorde dat deze man zich door de telefoon

aan mij voorstelde als een medewerker van de ING bank. Ik vroeg aan de man of hij mijn gegevens kon opgeven ter controle dat hij echt van de ING bank was. Ik hoorde dat de man mijn bankrekeningnummer noemde en dat hij tevens mijn woonadres en zelfs mijn pincode hardop noemde. Aan dit rekeningnummer heb ik een gekoppelde bonus renterekening.

Ik hoorde dat de medewerker van de ING bank via de telefoon zei dat er binnenkort 2.200 Euro van mijn bankrekeningnummer zou worden afgeschreven. Ik hoorde de medewerker zeggen dat dit geldbedrag naar een Afrikaans rekeningnummer zou worden overgemaakt. Ik hoorde de medewerker zeggen dat er een andere medewerker van de ING bank bij mij aan de deur zou komen om mijn pinpas door te knippen. Ik hoorde de medewerker zeggen dat wanneer de pinpas zou worden doorgeknipt, dat er geen 2.200 Euro naar een Afrikaans rekeningnummer zou worden overgemaakt. Ik hoorde de medewerker zeggen dat wanneer de andere medewerker van de ING bank aan de deur zou komen, ik een code moest weten welke die man aan de deur zou opnoemen.

Wanneer die man aan de deur een foutief antwoord gaf, mocht ik hem niet binnenlaten.

Ik hoorde dat de medewerker mij de code gaf, ik kan mij deze code op dit moment niet

herinneren. Omstreeks 12.00 uur hoorde ik mijn deurbel gaan. Ik was op dat moment nog

steeds met de medewerker van de ING bank aan de telefoon. Ik deed de deur open en ik

zag dat daar een voor mij onbekende man stond. De man stelde zich voor als een

medewerker van de ING bank. Ik hoorde dat de man een code tegen mij zei, ik hoorde

dat dit dezelfde code was als welke ik door de telefoon had gehoord.

Ik liet de man binnen. Ik vroeg aan de man of hij zijn naam op een papier wilde

schrijven. Ik zag dat de man de naam [alias] had opgeschreven. Ik overhandig u

hierbij het papier. Ik ben een kort gesprek met de man aangegaan waarna ik mijn

bankpas heb gepakt. Ik heb zelf een schaar gepakt en ik heb mijn bankpas doorgeknipt.

Nadat ik mijn bankpas had doorgeknipt, heb ik deze aan de man overhandigd. Ik hoorde

de medewerker aan de telefoon zeggen dat hij de man in mijn huis wilde spreken. Ik

heb mijn telefoon overhandigd aan de man en ik hoorde dat de man bevestigde dat mijn

bankpas was doorgeknipt. Hierna heeft de man mijn woning verlaten.

U vraagt mij of ik kan herinneren hoe de man aan de deur er uit zag. Ik kan u het volgende signalement van de man geven:

- Blanke man

- Lengte ongeveer 1 meter 90

- Mager postuur

- Leeftijd rond de 30 jaar oud

- Bruine ogen

- Grijze spijkerbroek met gaten

- Jack van een manifestatie met boten er op. Donker van kleur

- Witte schoenen met een oranje bies

- De man droeg een pet, donker van kleur

- De man droeg een mondkapje voor zijn gezicht

- De man sprak duidelijk Nederlands.

Ik hoorde dat de politie de ING bank voor mij ging bellen. Ik hoorde dat ik doorverbonden werd met een medewerker van de ING bank. Ik hoorde van de medewerker dat al mijn geld van mijn bankrekeningnummer was opgenomen. Ik hoorde dat mijn beide rekeningen leeg waren. Ik hoorde dat er in totaal een bedrag van ongeveer 13.000 Euro van mijn rekeningen was opgenomen. Ik hoorde dat de medewerker tegen mij zei dat er minstens 20 keer was gepind en dat er ook bij de Albert Heijn geld was opgenomen.

31.

Het proces-verbaal van verhoor van [aangever 11] , pagina 91, voor zover inhoudend als verklaring van [aangever 11] :

Nadat ik van de ING bank de bankafschriften had ontvangen zag ik op het bankafschrift dat er op 27 November 2020 vier keer een bedrag van mijn spaarrekening online is overgeschreven naar mijn basisrekening, met een totaal van 7.129,94.

Hierna zag ik dat er in totaal 10.000 (zegge: tienduizend Euro) van mijn bankrekening is weggenomen. Op het bankafschrift is te zien dat er op 27 november 2020 te 12.33 uur bij de ING bank geldautomaat op de Fahrenheitstraat 434A te Den Haag een bedrag van 10.000 is opgenomen met pasvolgnummer [pasnummer] . Dit was het pasnummer van mijn doorgeknipte ING bankpas.

Ook wil ik u nog zeggen dat het embleem, welke op de jas van de man welke aan mijn

deur stond, van het merk "North Face" is.

32.

Het proces-verbaal van verhoor van [aangever 11] , pagina 93, voor zover inhoudend als verklaring van [aangever 11] :

Op zaterdag 5 december 2020, heb ik van de ING bank nog een bankafschrift ontvangen

van mijn bankrekeningnummer van pasnummer [pasnummer] .

Ik zag tot mijn grote schrik dat op dit afschrift van de bank er op 27 november 2020

wel 35 keer geld is opgenomen bij geldautomaten in twee Albert Heijn filialen.

Ik zag op het ING bankafschrift van de periode 18 november 2020 tot en met 1 december

2020 dat er bij Albert Heijn filiaal [filiaal] op 27 november 2020, tussen 13.30 uur en

13.59

uur wel 23 keer 150 euro is opgenomen, een keer 130 Euro en een keer twintig

Eurocent bij de geldautomaat met terminal nummer J457G5.

Ik zag op het bankafschrift dat er op 27 november 2020, tussen 12.56 uur en 13.36 uur

bij de Albert Heijn filiaal [filiaal] terminal nummer 528RMV negen keer 150 Euro is

opgenomen en een keer dertig eurocent.

In totaal is er bij de geldautomaten in de beide Albert Heijn filialen een bedrag van

4.930,50 Euro door onbekende persoon van mijn bankrekening opgenomen.

Ik heb begrepen van de ING bank dat ik geen geld terug krijg van de bank omdat mijn

geld door onbekende van mijn rekening is opgenomen nadat ik mijn bankpas door moest

knippen omdat de zogenaamde ING medewerker dat door de telefoon aan mij had gevraagd,

voordat mijn doorgeknipte bankpas werd opgehaald door een andere zogenaamde ING

medewerker. Ik heb de filiaal nummers opgezocht op het internet en ik zag dat het filiaal [filiaal] aan de [adres] is en dat het Albert Heijn filiaal [filiaal] aan de

[adres] is.

33.

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 95, voor zover inhoudend als de bevindingen van de verbalisant:

Ik, verbalisant, [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Den Haag, verklaar het volgende:

Op 2 mei 2021 omstreeks 19:35 uur keek ik, verbalisant [verbalisant] , de geleverde camerabeelden uit van de ING locatie Fahrenheitstraat 434A in Den Haag.

Ik zag op de beelden dat de verdachte er als volgt uitzag: blank, slungelig lang postuur, grote oren, zwarte pet, zwarte jas, blauwe mondkapje, spijkerbroek, opvallende geel/blauw/wit/zwarte sportschoenen. Ik, verbalisant [verbalisant] , herken de verdachte voor 100% als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2003 te Groningen. Ik herken de verdachte als [verdachte] omdat ik in registratie 2020366013 onderzoek naar hem deed. Ik herken de verdachte aan:

- blanke huidskleur;

- ogen;

- opvallende oren;

- lang slungelig postuur;

- loopje met rechterhand in zijn jaszak;

- opvallende geel/blauw/wit/zwarte sportschoenen.

Ik keek naar de beelden voorzien van datum,- en tijdsaanduiding: 27/11/2020 12:30 uur

tot 12:40 uur, kenmerk: KVJ1274 Bankhal. Ik zag het volgende:

Om 12:32 uur liep de verdachte de bank hal binnen. De verdachte liep door de bank hal naar de meest linker pinautomaat. Verdachte voerde handelingen uit bij de pinautomaat en liep om 12:33:30 uur weer richting de uitgang van de bank.

Ik keek naar de beelden voorzien van de datum,- en tijdsaanduiding: 27/11/2020 12:31 uur tot 12:34 uur, kenmerk: KVJ 1274 ID. Ik zag het volgende:

Om 12:32 uur liep de verdachte de ING bank binnen. Verdachte liep met zijn

rechterhand in zijn rechter jaszak. Verdachte pakte uit zijn rechterjaszak een oranje pinpas.

Om 12:33:40 uur verliet de verdachte de ING bank.

De ING bank leverde ook camerabeelden voorzien van kenmerk: KVJ1274 Gevel. Op deze

beelden zag ik niets ter zake dienende.

Verdachte : [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2003 te Groningen.

34.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 254, voor zover inhoudend als verklaring van verdachte:

PL1500-2020359759 [adres 3] .

V: Op vrijdag 27 november 2020 is er een oplichting geweest in Den Haag, aan de [adres 3] . We laten je nu de beelden zien. Wie staat er hier op de foto?

A: Op de foto's van de eerste zaak (foto's 1 en 2) herken ik mijzelf niet. U laat mij ook foto's zien van een andere zaak uit Den Haag. Foto's 3 en 4. Ik herken mijzelf wel op foto 4. Dat ben ik inderdaad.

[aangever 12]

35.

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 12] , pagina 98 tot en met 101, voor zover inhoudend als verklaring van aangever:

Ik doe aangifte van misbruik met mijn giropas met nummer.

Op maandag 30 november 2020 werd ik thuis op de vaste telefoonlijn gebeld door een man die zei dat hij van de ING bank was. De man zei dat een firma uit Rotterdam probeerde om 2000,- euro van mijn girorekening over te schrijven naar Afrika. De man zei dat er een collega van hem naar mijn huis zou komen. Hij vroeg mij of ik in het bijzijn van die man mijn giropas wilde doorknippen om misbruik hiervan te voorkomen.

Op maandag 30 november 2020 kwam er inderdaad een jongeman bij mij aan de deur. Hij zei dat hij van de ING bank was. Hij vroeg mij of ik mijn pas wilde doorknippen en dat heb ik gedaan. Op datzelfde moment werd de jongeman door een collega van de ING bank op zijn mobiel gebeld. De telefoon werd aan mij doorgegeven. De man aan de telefoon vroeg mij om

mijn pincode. Ik heb deze doorgegeven. De jongeman heeft het doorgeknipte pasje gepakt en is hiermee weggegaan.

Ik heb mijn dochter gebeld en heb verteld wat er was gebeurd. Zij vertrouwde het ook

niet en zei dat ik gelijk de ING bank moest bellen. Ik kreeg te horen dat er op 30 november 2020, om 13:14 uur een bedrag van 430,- euro was gepind bij een ABN AMRO automaat in Den Haag. Transactie: 56D5H1, Terminal S1M476. De valuta datum hiervan is 1 december 2020.

Ik heb niemand toestemming gegeven om mijn bankgegevens te gebruiken.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit."

36.

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 102, voor zover inhoudend als bevindingen van de verbalisant:

Ik, verbalisant, [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Den Haag, verklaar het volgende:

Op 18 januari 2021 omstreeks 20:45 uur was ik, verbalisant [verbalisant] , werkzaam bij de opsporing WC Zuiderpark. Ik keek de geleverde beelden uit waarop de verdachte geld pint van de rekening van aangeefster. De verdachte transactie werd gedaan op 30 november 2020 om 13:14 uur bij de ABN AMRO Den Haag, terminal S1M476

Op de beelden voorzien van kenmerk M476, 012 met datum en tijdsaanduiding 30-11-2020

13:13:30 tot 13:15:00 zag ik het volgende:

De camera hing boven de pinautomaat gericht naar de binnenruimte van de bank.

Verdachte liep om 13:14 uur naar de pinautomaat.

Ik zag dat de verdachte er als volgt uitzag: man, lichte huidskleur, zwarte pet, blauwe mondkapje, zwarte North Face jas, witte oordopjes in.

Verdachte heeft een item in zijn rechterhand vast. Verdachte voert handelingen uit. Verdachte hield zijn rechterhand bij zijn gezicht. Op zijn rechterhand zag ik dat de verdachte een tatoeage had.

Op de beelden voorzien van het kenmerk [pasnummer] met datum en tijdsaanduiding 30-11-2020

13:13:30 tot 13:14:53 zag ik het volgende:

De camera gericht op de in en uitgang van de bank.

Verdachte liep om 13:13 uur de bank binnen.

Ik zag dat de verdachte er als volgt uitzag: Man, zwarte pet, zwarte North Face jas,

blauwe mondkapje, blauwe spijkerbroek, sportschoenen, witte oordopjes.

Er waren geen beelden dat de verdachte de bank weer verliet.

Bij dit proces-verbaal gevoegd twee screenshots van de verdachte.

37.

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 104, voor zover inhoudend als bevindingen van de verbalisant:

Ik, verbalisant, [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Den Haag, verklaar het volgende:

Op 1 februari 2021 omstreeks 15:00 uur was ik, verbalisant [verbalisant] , werkzaam bij

de opsporing WC Zuiderpark.

In het onderzoek naar de onbekende verdachte pinner in de registratie: 2020366013

plaatste ik ter herkenning screenshots van de verdachte op de interne briefing Blue

Focus van de politie regio Den Haag.

Ik zag op de interne briefing Blue Focus dat er in de registratie: 2020359759

herkenning werd gevraagd naar een onbekende verdachte pinner.

Ik zag dat de door mij ter herkenning gevraagde onbekende pinner dezelfde onbekende

verdachte pinner was in de registratie: 2020359759.

Ik herkende de onbekende verdachte pinner aan het volgende signalement: man, blanke

huidskleur, zwarte North Face jas, zwarte pet, kleuren van de sportschoenen (zwart,

wit, grijs, blauw en geel), witte oordopjes, blauw mondkapje en opvallende loopje met

rechterhand in de jaszak.

38.

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 106, voor zover inhoudend als bevindingen van de verbalisant:

Ik, verbalisant, [verbalisant] , werkzaam als brigadier, bij de Eenheid Amsterdam, verklaar het volgende:

Op maandag 22 februari 2021 kreeg ik via e-mail een aandachtvestiging van [verbalisant] ,

eenheid Den Haag, basisteam Zuiderpark. Daarin werd op basis van de volgende informatie en beeldmateriaal de herkenning van een persoon gevraagd.

Verstrekte informatie

Hoi Niels,

Als ik het goed heb opgezocht ben jij wijkagent in het gebied van de Tafelbergweg 8.

Daar bevind zich De Koppeling. Hoop dat jij daar goede connecties hebt. Zou jij voor

mij daar willen uitlopen of [verdachte] een tatoeage op zijn rechterhand heeft.

Zie bovenstaande link voor meer info, registratienummer: PL1500-2020366013.

Bijgevoegd nog twee foto s van de verdachte die ik zoek.

Verstrekt beeldmateriaal

De aandachtvestiging bevatte 2 foto's.

- foto 1 : [bestandsnaam]

- foto 2 : [bestandsnaam]

Herkenning

De persoon en op foto 2 herken ik als:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats]

De foto wordt als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.

Grondslag herkenning

Ik ken hem vanuit mijn werkzaamheden als ik werk als wijkagent in het gebied waar verdachte verblijft.

Ik heb verdachte een keer eerder gesproken en vandaag heb ik, verbalisant, met verdachte gesproken. Ik heb vandaag ongeveer 5 minuten alleen met verdachte in een ruimte gezeten om even rustig te kunnen praten. Ik herkende hem aan het totaalbeeld van zijn kenmerken.

Aan de tatoeage en de ogen en oren van verdachte. Aan zijn herkenning droegen de volgende specifieke kenmerken bij:

Tatoeage van een bloem met een tekst daaronder op zijn rechterhand.

Ik herkende hem nadat ik op zijn (bij)naam was geattendeerd door ik kreeg het verzoek van collega [verbalisant] om de foto te bekijken en naar de Koppeling te gaan om uit te zoeken of [verdachte] zo'n gelijkende tatoeage op zijn hand heeft. Ik droeg geen voorkennis van de zaak waarin herkenning van de persoon werd gevraagd.

39.

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 109, voor zover inhoudend als de bevindingen van de verbalisant:

Ik, verbalisant, [verbalisant] , hoofdagent bij de Eenheid Den Haag, verklaar het volgende:

Op 16 februari 2021 werd tijdens een uitzending van Team West de verdachte pinner getoond. Naar aanleiding van deze uitzending kreeg ik een tipformulier met referentienummer: 210219-PS306825463.

Bericht in het tipformulier:

Er verblijft een jongen met die hand tattoo en uiterlijke kenmerken op dit moment in

[locatie] zijn naam is [verdachte]

Naar aanleiding van de tip deed ik onderzoek in het bedrijfsprocessensysteem naar de

naam [verdachte] . In de registratie PL1300-2021021358 vond ik als betrokkene toegevoegd: [verdachte] (man), geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , nationaliteit Nederlandse, [locatie]

Vergelijking politiefoto met foto verdachte:

Opvallende oren, vorm ogen.

In Bluespot monitor signalement:

Datum 12-02-2020

Geslacht: Man

Handigheid: R

Lengte: (m)1.98

Schoenmaat: 45

Haar: (Donker)Blond Blond, Kort

Ogen: Blauw, Grijs/Groen

Oren: Afstaand. Opvallend Groot

Gelaat: Ingevallen/Mager

Postuur: Mager/Tenger, Slungelachtig

Uiterlijk: Blank

Het signalement van [verdachte] komt overeen met de verdachte pinner. Ik deed

het verzoek aan de wijkagent van de Koppeling om een bezoek te doen aan [verdachte] .

40.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 255, voor zover inhoudend als verklaring van verdachte:

PL1500-2020366013 [adres 4]

V: We tonen je 2 foto's. Foto 3 en 4. Herken je de persoon op de foto's.

A: Op foto 4 herken ik mijzelf aan de Tattoo op mijn rechterhand.

V: Op maandag 30 november 2020 is er een oplichting geweest in Den Haag aan de

[adres 4] . Aangeefster werd gebeld door iemand van de ING. Deze zei dat er geprobeerd werd 2000 euro van haar rekening over te schrijven naar een Afrikaans rekeningnummer. Vervolgens is er een man aan de deur gekomen en heeft zij haar bankpasje doorgeknipt in het bijzijn van deze man.

Wat weet je hiervan?

A: Ik weet niet precies of ik of die vrouw de bankpas heeft doorgeknipt. Dat kan ik

mij niet herinneren.

V: Wat is er met het pasje gebeurd?

A: Ik denk dat ik dat pasje heb meegenomen.

V: Vervolgens is er met dit pasje 430 euro gepind.

Waarom precies dat bedrag?

A: Dat weet ik niet precies, waarschijnlijk kon ik dan niet meer pinnen op dat moment.

V: Als een pasje is doorgeknipt, hoe kun je die dan nog gebruiken?

A: Gewoon, met plakband.

1 Pagina 255 van het procesdossier.