Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3168

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-08-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
ak_20 _ 2097
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AVG; toestemming gegeven geluidsopname te verwijderen; geluidsopname van hoorgesprek kan verder niet worden aangemerkt als een gedingstuk; bevoegdheid hoorcommissie; eiser niet aannemelijk gemaakt dat meer persoonsgegevens zijn verstrekt; bezwaar tegen verwerking e-mailadres voor klantonderzoek; afwijzing verzoek om schadevergoeding; beroep ongegrond,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2021/100
Belastingblad 2021/444 met annotatie van M.M. Franse
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/2097

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het dagelijks bestuur van het gemeenschappelijke belastingkantoor Lococensus-Tricijn (GBLT), verweerder,

gemachtigde: [naam 1] .

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser inzage verleend in de verstrekking van hem betreffende persoonsgegevens door GBLT aan derden. Daarnaast heeft verweerder eiser meegedeeld dat zijn e-mailadres voor het uitvoeren van klantonderzoek is verwijderd. Verder heeft verweerder bij het primaire besluit vastgesteld dat hij eiser geen dwangsom is verschuldigd wegens niet tijdig beslissen op het verzoek.

Bij besluit van 16 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarnaast heeft verweerder bij het bestreden besluit vastgesteld dat hij eiser geen dwangsom is verschuldigd wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2021. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante feiten en omstandigheden

1. Op 25 juni 2019 heeft verweerder een aan eiser gerichte brief verzonden naar eisers oude woonadres. Bij e-mailbericht van 10 juli 2019 heeft eiser GBLT erop gewezen dat het persoonlijke informatie naar een onjuist adres heeft gestuurd, waardoor zijn persoons- en zaakgegevens bij derden terecht zijn gekomen. Hij heeft GBLT verzocht dit te herstellen en ervoor te zorgen dat deze gegevens aantoonbaar worden vernietigd.

Naar aanleiding van dit e-mailbericht heeft een mailwisseling plaatsgevonden tussen eiser en [naam 1] , een privacy officer van GBLT ( [naam 1] ). [naam 1] erkent in deze mailwisseling dat de brief van 25 juni 2019 verkeerd is geadresseerd en per abuis naar eisers voormalige woonadres is gestuurd. Hij biedt hiervoor excuses aan namens GBLT. Ook geeft hij aan dat het naar zijn mening een passende maatregel zou zijn om de bewoners van het adres te vragen wat zij met de brief hebben gedaan en hen, voor zover dit nog niet is gebeurd, te vragen de brief te verwijderen en dit te bevestigen (hierna: het voorstel). Eiser geeft in de mailwisseling aan dat hij pas op het voorstel kan reageren als bepaalde onduidelijkheden en onzekerheden voor hem voldoende zijn weggenomen.

Per e-mailbericht van 7 augustus 2019 heeft eiser onder meer aan [naam 1] gevraagd waar uit blijkt dat hij toestemming heeft gegeven voor het verstrekken van zijn e-mailadres aan derden, waar uit blijkt dat KCM Survey BV (KCM) zijn gegevens mag gebruiken en in welke andere gevallen zijn gegevens aan derden zijn verstrekt. Daarnaast geeft hij aan dat GBLT de benadering op een geheel andere wijze had moeten inrichten en dat door de handelwijze van GBLT zijn e-mailadres en contactgegevens bij een derde liggen.

Per e-mailbericht van 5 september 2019 heeft [naam 1] eiser meegedeeld dat GBLT het doen van klantonderzoek ziet als noodzakelijk onderdeel van zijn wettelijke taken, meer in het bijzonder het evalueren en verhogen van de kwaliteit van de uitvoering van de belastingwet. Voor dit onderzoek zijn aan de partij die het klantonderzoek uitvoert niet meer gegevens verstrekt dan noodzakelijk, te weten uitsluitend eisers e-mailadres. Omdat uit eisers reactie blijkt dat eiser hier geen prijs op stelt, is zijn e-mailadres voor dit doel verwijderd.

Per e-mailbericht van 4 oktober 2019 heeft [naam 1] eiser meegedeeld dat eiser niet is gevraagd om toestemming voor het verwerken van zijn persoonsgegevens in het kader van het klantonderzoek, omdat de uitnodiging om deel te nemen aan dit klantonderzoek berust op een wettelijke grondslag.

Per e-mailbericht van 16 februari 2020 heeft eiser verweerder verzocht aan te geven of het datalek betrekking heeft op één of meerdere documenten. Eiser heeft aangegeven dat hij pas kan reageren op het voorstel als hij antwoord heeft op deze vraag. Daarnaast heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en verzocht binnen twee weken te reageren op het verzoek tot informatieverstrekking. Dit verzoek dateert volgens eiser van 30 juli 2019.

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser inzage verleend in de verstrekking van hem betreffende persoonsgegevens door GBLT aan derden. Verweerder heeft aangegeven welke eiser betreffende persoonsgegevens zijn verstrekt aan welke ontvangers en met welke verwerkingsdoeleinden dit is gebeurd. Het gaat daarbij om persoonsgegevens die zijn verstrekt aan de Landelijke voorziening WOZ, de rechtbank Overijssel en KCM. Ook gaat het om de brief van 25 juni 2019 die per abuis is verstuurd naar het adres van een derde. Daarnaast heeft verweerder zich, onder verwijzing naar de voormelde e-mailberichten van 5 september 2019 en 4 oktober 2019, op het standpunt gesteld dat het klantonderzoek van KCM een noodzakelijk onderdeel is van de taken die GBLT uitvoert. Ook heeft verweerder eiser meegedeeld dat zijn e-mailadres op 23 augustus 2019 is verwijderd voor het uitvoeren van klantonderzoek, waardoor dit persoonsgegeven zich niet meer bij KCM bevindt. Ten slotte heeft verweerder in het primaire besluit vastgesteld dat hij eiser geen dwangsom is verschuldigd wegens niet tijdig beslissen.

Eiser heeft per brief van 2 april 2020 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Per brief van 17 april 2020 heeft verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en de beslissing op het bezwaar met zes weken verdaagd, omdat door de corona-maatregelen op korte termijn geen fysieke hoorzitting kan worden gehouden.

Per brief van 1 juli 2020, door verweerder ontvangen op 3 juli 2020, heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

Op 18 augustus 2020 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van deze hoorzitting is een geluidsopname gemaakt. Eiser heeft verweerder aan het einde van de hoorzitting en na afloop van de hoorzitting (per e-mailbericht van 18 augustus 2020) verzocht hem de geluidsopname van de hoorzitting te verstrekken. Per brief van 26 augustus 2020 heeft de voorzitter van de hoorcommissie eiser meegedeeld dat de geluidsopname, na het opstellen van een schriftelijk verslag van de hoorzitting, is vernietigd.

Bestreden besluit

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit in stand gelaten. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat GBLT niet méér eiser betreffende persoonsgegevens aan derden heeft verstrekt dan al in het primaire besluit is aangegeven. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verwerking van eisers persoonsgegevens in het kader van het klantonderzoek van KCM rechtmatig is en dat eisers toestemming daarvoor niet was vereist. Verweerder stelt dat hij eiser geen dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek tot inzage, omdat hij binnen twee weken na de ingebrekestelling op dit verzoek heeft beslist. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit vastgesteld dat hij eiser ook geen dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar, omdat de ingebrekestelling is ingediend voordat de verlengde beslistermijn was verstreken.

Beroep

3. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd, zal de rechtbank in het navolgende bespreken.

Bevoegdheid [naam 1]

4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat [naam 1] niet bevoegd is om verweerder in deze beroepsprocedure te vertegenwoordigen, omdat hem daartoe geen mandaat is verleend. [naam 1] is bevoegd namens verweerder op te treden, nu verweerder hem daartoe heeft gemachtigd. Het gaat hierbij niet om de bevoegdheid om in naam van het bestuursorgaan besluiten te nemen, zodat hiervoor geen mandaat is vereist. Dat [naam 1] het primaire besluit namens verweerder heeft genomen en deel uitmaakte van de commissie die eiser in de bezwaarprocedure heeft gehoord, staat er niet aan in de weg dat hij verweerder in de beroepsprocedure vertegenwoordigt. Het is gebruikelijk en past bij de rol van vertegenwoordiger dat degene die namens het bestuursorgaan de besluitvorming ter zitting uitlegt en toelicht iemand is die bekend is met de inhoud en achtergrond daarvan. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 26 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1097).

Volledigheid ingediende stukken

5.1

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zowel in de bezwaarprocedure als in deze beroepsprocedure niet alle stukken heeft ingediend. Eiser heeft daarbij met name gewezen op stukken betreffende intern beraad, archiefstukken en stukken die zich bevinden achter de tabbladen “aantekeningen” en “subjectrelatie” van verweerders computersysteem. Volgens eiser zijn dit tabbladen voor de verwerking van informatie en is deze informatie van belang voor zijn zaak. Eiser wil inzage in alle tabbladen, in nog niet gedeelde communicatie en in gearchiveerde informatie. Eiser stelt dat hij door het ontbreken van deze informatie niet zelfstandig kan controleren of alle feiten zijn meegenomen in de besluitvorming

5.2

Verweerder stelt dat hij in de bezwaar- en beroepsprocedure alle stukken heeft ingediend die betrekking hebben op het inzageverzoek, de bezwaarprocedure en de ingebrekestellingen. Voor zover naar aanleiding van eisers verzoek tot inzage intern beraad heeft plaatsgevonden, is dit volgens verweerder niet vastgelegd in een stuk. Verweerder geeft aan dat de tabbladen waar eiser naar verwijst tabbladen zijn van een portaal voor medewerkers van GBLT. Dit portaal bevat een overzicht van alle vastgestelde belastingaanslagen, belastingplichten, betalingen, inkomende documenten en uitgaande documenten. Volgens verweerder bevatten het portaal en het archief meer stukken dan uitsluitend stukken die op deze zaak betrekking hebben. Verweerder heeft schermafdrukken overgelegd van de door eiser genoemde tabbladen “aantekeningen” en “subjectrelatie” om te laten zien dat deze tabbladen geen op de zaak betrekking hebbende stukken bevatten.

5.3

De rechtbank overweegt naar aanleiding van deze beroepsgrond het volgende.

5.3.1

Op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) legt het bestuursorgaan het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage. Op grond van het vierde lid kunnen belanghebbenden van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen.

Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb zendt het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan.

5.3.2

Het gaat hierbij om alle stukken die relevant kunnen zijn voor de bestuursrechter om tot een uitspraak te komen en die een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming van het bestuursorgaan. De rechtbank zal deze stukken hierna aanduiden als de gedingstukken.

5.3.3

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan verweerders standpunt dat hij in de bezwaar- en beroepsprocedure alle gedingstukken aan eiser respectievelijk aan de rechtbank heeft verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er gedingstukken ontbreken. Verweerder heeft toegelicht dat zich in de genoemde tabbladen van het computersysteem en het archief meer stukken bevinden die betrekking hebben op eiser, maar dat deze stukken geen betrekking hebben op deze zaak. De rechtbank acht deze toelichting aannemelijk. De verplichting tot het indienen van stukken gaat niet zo ver dat verweerder alle op eiser betrekking hebbende stukken uit het computersysteem en het archief moet indienen, zodat eiser zelf kan controleren of daar stukken bij zijn die mogelijk relevant zijn voor deze zaak. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich in het computersysteem of het archief nog andere gedingstukken bevinden. Hieruit volgt dat deze beroepsgrond niet slaagt.

Geluidsopname hoorzitting

6.1

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door zonder aankondiging en zonder overleg een geluidsopname te maken van de hoorzitting. Eiser is tijdens de hoorzitting volledig overvallen door het maken van de opname. Hij is van mening dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de eisen van voorspelbaarheid en transparantie die de Nationale Ombudsman stelt aan het maken van geluidsopnamen. Verder voert hij aan dat de toonzetting van de hoorzitting dwingend van aard was en dat het verslag van de hoorzitting geen weergave is van de werkelijkheid. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de geluidsopname na de hoorzitting te vernietigen, terwijl hij heeft gevraagd om een kopie daarvan. Volgens eiser is de geluidsopname een op de zaak betrekking hebbend stuk. Eiser betwist dat de geluidsopname alleen wordt gebruikt voor het verslag van de hoorzitting. Eiser twijfelt aan verweerders stelling dat het niet mogelijk is de gewiste geluidsopname terug te halen. Hij verzoekt de rechtbank een deskundige aan te wijzen die een analyse kan maken over de herleidbaarheid van de geluidsopname.

6.2

Verweerder betwist dat onzorgvuldig is gehandeld ten aanzien van het maken en vernietigen van de geluidsopname. Volgens verweerder is voorafgaand aan de hoorzitting duidelijk aangegeven dat de geluidsopname uitsluitend bestemd was voor het maken van een schriftelijk verslag van de hoorzitting en dat deze zou worden vernietigd na verslaglegging. Verweerder stelt dat eiser - net als de andere aanwezigen - vrijelijk, ondubbelzinnig en goed geïnformeerd toestemming heeft gegeven voor het maken van een geluidsopname onder deze voorwaarden. Volgens verweerder is de geluidsopname geen op de zaak betrekking hebbend stuk. Het was slechts een hulpmiddel voor het maken van het verslag van de hoorzitting en is ook niet voor een ander doel gebruikt. De geluidsopname is conform de afspraak na het opstellen van het verslag verwijderd. Volgens verweerder bevat het verslag een zeer gedetailleerd en getrouw verslag van wat er tijdens de hoorzitting is besproken. Daarom is eiser door het verwijderen van deze opname ook niet in zijn procespositie geschaad.

6.3.1

De rechtbank overweegt naar aanleiding van deze beroepsgrond het volgende.

6.3.2

In het verslag van de hoorzitting staat dat voorafgaand aan het hoorgesprek alle deelnemers ermee hebben ingestemd dat het gesprek wordt opgenomen ten behoeve van het opstellen van het hoorverslag en dat de opname na het opstellen van dit verslag wordt verwijderd. Uit het verslag blijkt niet dat eiser of één van de andere deelnemers aan het hoorgesprek later op deze toestemming is teruggekomen. Eiser heeft niet betwist dat hij deze toestemming heeft gegeven en hij heeft niet gesteld dat hij deze later heeft ingetrokken.

6.3.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door een geluidsopname te maken van het hoorgesprek en deze geluidsopname na het opstellen van het schriftelijke verslag van de hoorzitting te vernietigen. Eiser heeft voorafgaand aan het maken van de geluidsopname ingestemd met deze werkwijze. Dat hij aan het einde van de hoorzitting en na afloop daarvan heeft gevraagd om een kopie van de opname doet hier niet aan af. Daarbij is van belang dat ook de andere deelnemers aan het gesprek enkel hebben toegestemd in het maken van een geluidsopname voor het maken van het hoorverslag, onder de voorwaarde dat de opname na het maken van dit verslag zou worden verwijderd.

6.3.4

Naar het oordeel van de rechtbank kan de geluidsopname van het hoorgesprek niet worden aangemerkt als een gedingstuk. Van het horen wordt op grond van artikel 7:7 van de Awb een verslag gemaakt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 1988/99, 21 221, nr. 3, p. 151) blijkt dat met verslag een schriftelijk verslag wordt bedoeld. De Awb kent geen verplichting om een geluidsopname van het horen te maken en deze te bewaren. De geluidsopname diende, mede gelet op de gemaakte afspraken, enkel als hulpmiddel voor het opstellen van het schriftelijke verslag.

6.3.5

Gelet op het voorgaande was verweerder naar het oordeel van de rechtbank bevoegd een geluidsopname te maken en deze na het voltooien van het schriftelijke verslag van de hoorzitting te vernietigen. Daarom vindt de rechtbank het niet van belang om te weten of de verwijderde geluidsopname nog kan worden teruggehaald. Zij ziet dan ook geen aanleiding om een forensisch deskundige te benoemen en wijst eisers verzoek daartoe af. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat deze beroepsgrond niet slaagt.

6.3.6

De rechtbank overweegt ten overvloede dat niet is gebleken dat eiser door het vernietigen van de geluidsopname in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft weliswaar gesteld dat het verslag geen juiste weergave is van de werkelijkheid, maar hij heeft dit - ook nadat hem daar ter zitting om is gevraagd - niet geconcretiseerd. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van het verslag.

Bevoegdheid hoorcommissie

7.1

Eiser stelt zich op het standpunt dat het hoorgesprek is gevoerd door daartoe onbevoegde personen en dat het besluit hem geen kopie van de geluidsopname te verstrekken onbevoegd is genomen. Daartoe voert hij aan dat verweerder geen mandaat heeft verleend aan de leden van de hoorcommissie. Dit is volgens eiser in het bijzonder van belang voor [naam 2] , omdat hij een onderneming exploiteert, niet blijkt dat hij in dienst is van of in rechtsbetrekking staat tot GBLT en hij het besluit over de geluidsopname heeft genomen. Verder voert eiser aan dat [naam 1] ook betrokken is geweest bij het primaire besluit.

7.2

Volgens verweerder heeft het horen plaatsgevonden in overeenstemming met artikel 7:5, eerste lid, van de Awb. Verweerder wijst erop dat [naam 2] en de andere leden van de hoorcommissie zijn gemachtigd om namens hem alle handelingen te verrichten die tot het geding behoren, zoals horen, voorbereiden van besluiten, indienen van stukken en vertegenwoordigen bij de mondelinge behandeling van het bezwaar. Daarom waren zij bevoegd eiser te horen. Volgens verweerder is de (arbeids)relatie tussen [naam 2] en GBLT niet van invloed op de rechtmatigheid van de genomen besluiten.

7.3

De rechtbank overweegt naar aanleiding van deze beroepsgrond het volgende.

7.3.1

In artikel 7:5, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, tenzij het horen geschiedt door of mede door het bestuursorgaan zelf dan wel de voorzitter of een lid ervan, het horen geschiedt door: a. een persoon die niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest, of b. meer dan een persoon van wie de meerderheid, onder wie degene die het horen leidt, niet bij de voorbereiding van het besluit betrokken is geweest.

7.3.2

Eiser is gehoord door drie personen, te weten [naam 2] , als voorzitter, [naam 3] en [naam 1] . Nu geen van deze personen deel uitmaakt van het dagelijks bestuur van GBLT, is het horen niet mede door (de voorzitter of een lid van) het bestuursorgaan geschied. Van de genoemde personen is alleen [naam 1] bij de voorbereiding van het primaire besluit betrokken geweest. Artikel 7:5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb eist niet dat de personen die deel uitmaken van de hoorcommissie in dienst zijn van of in rechtsbetrekking staan tot de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort. Hieruit volgt dat het horen is geschied in overeenstemming met deze bepaling. Verweerder heeft de leden van de hoorcommissie gemachtigd om eiser te horen. Het horen omvat geen bevoegdheid om in naam van het bestuursorgaan besluiten te nemen, zodat daarvoor geen mandaat is vereist. Het bestreden besluit is door verweerder zelf genomen.

Verder geldt dat de Awb zich er niet tegen verzet dat een primair besluit en een besluit op bezwaar worden voorbereid door dezelfde ambtenaar. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de ABRvS van 4 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3362).

7.3.3

De rechtbank is van oordeel dat de beslissing om de geluidsopname van het hoorgesprek niet aan eiser te verstrekken niet kan worden aangemerkt als een besluit, zodat ook daarvoor geen mandaat is vereist. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Daarvan is geen sprake bij de beslissing om de opname, overeenkomstig de gemaakte afspraken, te vernietigen en dus niet aan eiser te verstrekken.

Geen concept hoorverslag en vooraankondiging besluit op bezwaar

8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hem ten onrechte geen concept van het hoorverslag en geen vooraankondiging van het besluit op bezwaar zijn toegestuurd. Er is voor een bestuursorgaan geen wettelijke verplichting om, alvorens een besluit te nemen, een conceptverslag van de hoorzitting ter goedkeuring aan de betrokkenen toe te zenden en dit verslag vervolgens vast te stellen. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de ABRvS van 6 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:698). Een bestuursorgaan is ook niet verplicht om de betrokkenen een vooraankondiging van het besluit op bezwaar toe te sturen. Dat eiser hierom heeft verzocht, maakt dit niet anders. Dat verweerder niet aan deze verzoeken heeft voldaan, leidt er - anders dan eiser meent - niet toe dat geen hoor en wederhoor is toegepast, noch dat verweerder onvoldoende heeft gedaan om te proberen een beroep te voorkomen. Eiser heeft in de bezwaarfase voldoende gelegenheid gekregen om zijn standpunt naar voren te brengen, zowel schriftelijk als tijdens de hoorzitting.

Inzage in verwerkte persoonsgegevens

9.1

Eiser voert aan dat verweerder hem bij het primaire besluit geen volledige inzage heeft gegeven in de hem betreffende persoonsgegevens die aan derden zijn verstrekt. Eiser stelt dat het hem op basis van de door verweerder verstrekte informatie niet duidelijk is welke hem betreffende informatie terecht is gekomen bij welke derden en ook niet hoe vaak en op welke wijze dit is gebeurd.

9.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij alle informatie heeft verstrekt die hij op grond van artikel 15 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (AVG) moest verstrekken. Volgens verweerder zijn alle eiser betreffende persoonsgegevens die aan derden zijn verstrekt in het primaire besluit vermeld.

9.3.1

De rechtbank overweegt naar aanleiding van deze beroepsgrond het volgende.

9.3.2

Op grond van artikel 15, eerste lid, van de AVG heeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van (onder meer) de verwerkingsdoeleinden en de ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn verstrekt.

9.3.3

De rechtbank is van oordeel dat de mededeling van verweerder dat GBLT niet méér eiser betreffende persoonsgegevens aan derden heeft verstrekt dan hij al in het primaire besluit heeft aangegeven niet ongeloofwaardig is. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat er meer persoonsgegevens zijn verstrekt. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de ABRvS van 31 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:675). De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd. Het enkele vermoeden dat mogelijk vaker (of meer) persoonsgegevens aan derden zijn verstrekt, is in dit kader onvoldoende. Eiser heeft verwezen naar een brief van 6 mei 2019 die - net als de brief van 25 juni 2019 - is geadresseerd aan zijn oude woonadres. Verweerder heeft toegelicht dat dit gaat om een hoorverslag, dat dit verslag inderdaad eisers oude adres bevat, maar dat dit verslag enkel per e-mailbericht aan eiser is verstuurd en niet per post. Dit blijkt volgens verweerder ook uit het overzicht van verzonden schriftelijke documenten. Eiser heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt en de rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding om te twijfelen aan deze mededelingen van verweerder. Hieruit volgt dat aannemelijk is dat de brief van 6 mei 2019 niet aan derden is toegestuurd en daarom terecht niet is vermeld in het primaire besluit. De beroepsgrond faalt.

Bezwaar tegen verwerking e-mailadres voor klantonderzoek

10.1

Eiser voert aan dat de verwerking van zijn e-mailadres door KCM voor klantonderzoek onrechtmatig is, omdat hij daarvoor geen toestemming heeft gegeven en verweerder daarom niet bevoegd was het e-mailadres voor dit doeleinde te gebruiken.

10.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze verwerking rechtmatig is. Volgens verweerder was deze verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan GBLT is opgedragen. Daarom was daarvoor geen toestemming vereist.

10.3.1

De rechtbank overweegt naar aanleiding van deze beroepsgrond het volgende.

10.3.2

Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de AVG heeft de betrokkene het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en is de verwerkings-verantwoordelijke verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer de betrokkene overeenkomstig artikel 21, eerste lid, bezwaar maakt tegen de verwerking en er geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden zijn voor de verwerking of de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt.

Op grond van artikel 21, eerste lid, van de AVG heeft de betrokkene te allen tijde het recht om vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6, eerste lid, onder e of f. De verwerkingsverantwoordelijke staakt de verwerking van de persoonsgegevens tenzij hij dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene of die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering.

10.3.3

Verweerder heeft de verwerking van eisers e-mailadres voor het klantonderzoek door KCM gebaseerd op de grondslag van artikel 6, eerste lid, onder e, van de AVG. Daarom stond daartegen bezwaar open. De rechtbank leidt uit de stukken af dat eiser naar aanleiding van de uitnodiging voor het klantonderzoek bezwaar heeft gemaakt tegen de verwerking van zijn e-mailadres voor dit doel. Verweerder spreekt in zijn correspondentie met eiser en in zijn besluiten niet expliciet over een bezwaar tegen deze verwerking. Desalniettemin heeft verweerder naar aanleiding van dit bezwaar het door KCM gebruikte e-mailadres gewist voor wat betreft het verwerkingsdoel klantonderzoek en de verwerking van het e-mailadres voor dit doel gestaakt. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten op grond van artikel 17, eerste lid, en 21, eerste lid, van de AVG. Dat verweerder zich op het standpunt stelt dat deze verwerking niet onrechtmatig is, doet er - wat er ook van dit standpunt zij - niet aan af dat verweerder voor dit doel het e-mailadres heeft gewist en de verwerking daarvan heeft gestaakt. Hieruit volgt dat deze beroepsgrond niet slaagt.

10.3.4

De rechtbank overweegt voor de volledigheid het volgende. Uit de door eiser in beroep overgelegde brief van GBLT van 12 november 2020 blijkt dat hij in oktober 2020 (en dus ná het bestreden besluit) nogmaals door of namens GBLT is uitgenodigd voor een klantonderzoek en dat daarbij opnieuw een e-mailadres van eiser is verwerkt. Uit deze brief blijkt dat het daarbij gaat om een ander e-mailadres dan die welke naar aanleiding van eisers bezwaar voor dit doel is gewist en waarvan de verwerking voor dit doel is gestaakt. Uit de brief van 12 november 2020 blijkt dat dit geen gevolg is van een bewuste keuze van verweerder, maar dat dit is veroorzaakt door de manier waarop het klantonderzoeksproces is ingericht. Nadat eiser verweerder had gewezen op de verwerking van dit tweede e-mailadres heeft verweerder maatregelen genomen en gezorgd dat ook dit e-mailadres in de toekomst niet meer wordt gebruikt voor klantonderzoek. De rechtbank begrijpt hieruit dat nu ook het tweede e-mailadres voor dit doel is gewist en de verwerking daarvan voor dit doel is gestaakt. Deze gang van zaken – die zoals gezegd heeft plaatsgevonden ná het bestreden besluit – is niet van invloed op de rechtmatigheid van het in deze procedure bestreden besluit.

Dwangsom wegens niet tijdig beslissen op het verzoek

11.1

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder hem een dwangsom is verschuldigd, omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op zijn verzoek tot inzage. Eiser voert aan dat verweerder het primaire besluit niet binnen twee weken na de ingebrekestelling conform de wettelijke voorschriften bekend heeft gemaakt, nu verweerder het besluit niet per post aan hem heeft verzonden.

11.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij eiser geen dwangsom is verschuldigd, omdat hij binnen veertien dagen na ontvangst van eisers e-mailbericht van 16 februari 2020 heeft beslist op het verzoek en dit besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt. Volgens verweerder mocht het besluit elektronisch worden verzonden, omdat eiser kenbaar heeft gemaakt dat hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar was.

11.3

De rechtbank overweegt naar aanleiding van deze beroepsgrond het volgende.

11.3.1

Op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Op grond van het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

11.3.2

Eiser heeft verweerder in gebreke gesteld per e-mailbericht van 16 februari 2020. Verweerder heeft het primaire besluit genomen op 28 februari 2020. Dit is binnen twee weken na de ingebrekestelling. Verweerder heeft het besluit niet per post aan eiser toegestuurd, maar alleen per e-mailbericht. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder het besluit op de juiste wijze bekend heeft gemaakt.

11.3.3

Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Op grond van artikel 2:14, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.

11.3.4

De rechtbank is van oordeel dat eiser impliciet aan verweerder kenbaar heeft gemaakt dat hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar was. Tussen eiser en verweerder bestond een bestendige e-mailpraktijk. Eiser heeft zijn verzoek en de ingebrekestelling uitsluitend per e-mailbericht aan verweerder verzonden en hij heeft in deze kwestie ook overigens vooral via e-mailberichten met verweerder gecommuniceerd. Gelet hierop mocht verweerder ervan uitgaan dat met eiser, ongeacht het soort bericht, langs elektronische weg kon worden gecommuniceerd. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de ABRvS van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3392). Hieruit volgt dat verweerder het primaire besluit conform de artikelen 3:41, eerste lid, en 2:14, eerste lid, van de Awb bekend heeft gemaakt door het aan eiser toe te sturen per e-mailbericht.

11.3.5

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder eiser geen dwangsom is verschuldigd, omdat het primaire besluit binnen twee weken na de ingebrekestelling is genomen en bekend is gemaakt. Dit betekent dat deze beroepsgrond faalt.

Dwangsom wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar

12.1

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder hem een dwangsom is verschuldigd, omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op het bezwaar. Eiser betwist dat sprake is van een terechte en juiste verdaging van de beslistermijn. Daarom is de ingebrekestelling volgens eiser niet prematuur ingediend. Voor zover dit wel het geval mocht zijn, is volgens eiser alsnog van rechtswege sprake van een geldige ingebrekestelling vanaf het moment dat de beslistermijn wel is verstreken.

12.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij eiser geen dwangsom is verschuldigd, nu de ingebrekestelling is ingediend vóór het einde van de beslistermijn. Volgens verweerder volgt uit de Awb niet dat hij eiser de gelegenheid moest geven dit verzuim te herstellen.

12.3

De rechtbank overweegt naar aanleiding van deze beroepsgrond het volgende.

12.3.1

Zoals de rechtbank hiervoor onder 11.3.1 heeft overwogen, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is. De eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan binnen zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Op grond van het derde lid kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.

12.3.2

Eiser heeft per brief van 2 april 2020 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. De bezwaartermijn liep tot en met 10 april 2020. Hieruit volgt dat de beslistermijn van zes weken liep tot en met 22 mei 2020. Bij brief van 17 april 2020 is aan eiser meegedeeld dat de beslissing op het bezwaarschrift met zes weken werd verdaagd. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verdaging van de beslistermijn rechtmatig. Een verdaging op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb hoeft niet te worden gemotiveerd. Daarnaast is het niet in strijd met deze bepaling dat al kort na het begin van de beslistermijn tot verdaging wordt besloten. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1459).

12.3.3

Uit het voorgaande volgt dat verweerder uiterlijk op 3 juli 2020 op het bezwaar moest beslissen. Eiser heeft verweerder in gebreke gesteld per brief van 1 juli 2020. Deze brief is door verweerder ontvangen op 3 juli 2020 en dus vóór het einde van de (verlengde) beslistermijn. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd, op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de ingebrekestelling desondanks geldig is.

12.3.4

Nu geen sprake is van een geldige ingebrekestelling, heeft deze ingebrekestelling geen betekenis meer voor het vervolg van de procedure. Eisers subsidiaire standpunt dat van rechtswege sprake is van een geldige ingebrekestelling vanaf het moment dat de beslistermijn wel is verstreken, is dan ook niet juist. Nu eiser verweerder niet opnieuw in gebreke heeft gesteld na het verstrijken van de beslistermijn, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen dwangsom is verschuldigd. De rechtbank verwijst opnieuw naar de voormelde uitspraak van de CRvB van 15 april 2014. Hieruit volgt dat ook deze beroepsgrond niet slaagt.

Verzoek om schadevergoeding wegens verstrekking persoonsgegevens

13.1

Eiser heeft de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige verstrekking van zijn persoonsgegevens aan derden. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat het daarbij gaat om de brieven van 6 mei 2019 en 25 juni 2019, die zijn geadresseerd aan zijn oude woonadres, en om het verstrekken van zijn e-mailadres aan derden voor klantonderzoek.

13.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat alleen ten aanzien van de brief van 25 juni 2019 sprake is van een onrechtmatige verwerking. Volgens verweerder heeft eiser niet onderbouwd dat hij daardoor schade heeft geleden en is dit ook niet gebleken.

13.3

De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verzoek het volgende.

13.3.1

Op grond van artikel 82, eerste lid, van de AVG heeft eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op deze verordening, het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker daarvoor schadevergoeding te ontvangen. Op grond van het tweede lid is elke verwerkingsverantwoordelijke die bij verwerking is betrokken, aansprakelijk voor de schade die wordt veroorzaakt door verwerking die inbreuk maakt op deze verordening.

13.3.2

Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS (bijvoorbeeld de uitspraak van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:899, r.o. 19) is de bestuursrechter op grond van artikel 8:88 van de Awb bevoegd te oordelen over een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 82 van de AVG in de gevallen waarin de gestelde schade verband houdt met een schriftelijke beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 van de AVG, voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan. Eisers verzoek om schadevergoeding houdt verband met verweerders beslissingen op eisers verzoek tot inzage en zijn bezwaar tegen de verwerking van zijn e-mailadres ten behoeve van klantonderzoek. Hieruit volgt dat de rechtbank bevoegd is eisers verzoek om schadevergoeding te beoordelen.

13.3.3

Uit overweging 9.3.3 volgt dat de rechtbank ervan uitgaat dat het onjuist geadresseerde hoorverslag van 6 mei 2019 niet per post is verzonden en dat in dit kader dus geen persoonsgegevens van eiser zijn verstrekt aan derden. Daarom zal de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afwijzen voor zover het verband houdt met deze brief.

13.3.4

Uit 10.3.4 volgt dat verweerder omstreeks oktober 2020 (voor de tweede maal) een e-mailadres van eiser heeft verstrekt aan een derde voor het verrichten van klantonderzoek. Deze verwerking van eisers persoonsgegevens heeft plaatsgevonden ná het bestreden besluit. Reeds daarom zal de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afwijzen voor zover het verband houdt met deze verwerking van eisers e-mailadres.

13.3.5

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij materiële of immateriële schade heeft geleden door de verstrekking van zijn persoonsgegevens aan derden door de brief van 25 juni 2019 of het verstrekken van zijn
e-mailadres (voor de eerste maal) aan KCM. Eiser heeft zijn stelling dat dit het geval is niet onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich hier niet een situatie voor waarbij de nadelige gevolgen van de (gestelde) normschending voor de hand liggen. Het gaat niet om ernstig verwijtbaar gedrag met zo ernstige gevolgen, dat dit als een inbreuk op een fundamenteel recht moet worden gekwalificeerd. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet zo dat een inbreuk op de AVG zonder meer aantasting van de integriteit van een persoon impliceert en daarmee tot vergoedbare schade leidt. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom het verstrekken van hem betreffende persoonsgegevens in de per abuis verkeerd geadresseerde brief of het verstrekken van zijn e-mailadres voor klantonderzoek als aantasting van zijn persoon kan worden gekwalificeerd. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt welke nadelige gevolgen het verstrekken van deze gegevens voor hem heeft gehad. Er zijn geen aanwijzingen dat de gegevens zijn misbruikt. Daarom zal de rechtbank het verzoek om schadevergoeding ook afwijzen voor zover het verband houdt met de brief van 25 juni 2019 en het verstrekken van eisers e-mailadres aan KCM. Hieruit volgt dat in het midden kan blijven of de verstrekking van het e-mailadres voor klantonderzoek al dan niet rechtmatig was.

Verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn

14. Eiser heeft de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot een immateriële schadevergoeding wegens (dreigende) schending van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Het is vaste rechtspraak van de ABRvS (bijvoorbeeld de uitspraak van 8 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:27) dat de redelijke termijn is overschreden, indien de duur van de totale procedure te lang is. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Voor de berechting van een zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechter in eerste aanleg niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van een eventuele bezwaarschriftprocedure inbegrepen. In dit geval heeft verweerder het bezwaarschrift ontvangen op 6 april 2020. Sinds die datum zijn op het moment dat deze uitspraak wordt gedaan nog geen twee jaren verstreken, zodat geen sprake is van een schending van de redelijke termijn.

Afsluitende overwegingen

15. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, als griffier, op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

de griffier is verhinderd rechter

de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.