Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3127

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-08-2021
Datum publicatie
05-08-2021
Zaaknummer
84-315919-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een wegenbouwer uit Vorden is verantwoordelijk voor een ernstig ongeval dat gebeurde op 19 maart 2019 tijdens wegwerkzaamheden op de A1 bij Holten. Hierbij kwam een werknemer om het leven en raakte een andere werknemer zwaar gewond. De rechtbank oordeelt dat het bedrijf zijn zorgplicht heeft verzaakt en legt een boete op van 50.000 euro. De twee slachtoffers hadden nooit te voet in hetzelfde vak mogen werken waar ook de veeg-zuigwagen bezig was waardoor zij werden overreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84-315919-20 (P)

Datum vonnis: 5 augustus 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] B.V.,

gevestigd te [adres] ,

ter zitting vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger verdachte BV] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 juli 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. P. van der Vliet en van hetgeen door verdachte en haar raadsman mr. R. Oude Breuil, advocaat in Enschede naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte handelingen heeft verricht of nagelaten in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet), waardoor – naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden – levensgevaar of ernstige gezondheidsschade voor één of meer werknemers van de B.V. ontstond of was te verwachten.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

zij op of omstreeks 19 maart 2019 op de autosnelweg, de Rijksnelweg A1 te Holten in de gemeente Rijssen-Holten, in elk geval te Nederland,

als werkgever in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet,

al dan niet opzettelijk,

handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met voormelde wet en/of de daarop berustende bepalingen,

immers heeft zij, verdachte, toen daar

in een wegvak en/of werkvak voor asfalteringswerkzaamheden/ wegwerkzaamheden (een afgezet deel van de rijstroken van de autosnelweg, de Rijksnelweg A1, thv hectometerpaal 124.1 t/m 124.3 richting Hengelo), zijnde (een) bouwplaats, als bedoeld in artikel 1.1 lid 2 onder a van het Arbeidsomstandighedenbesluit en/of arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1 lid 3 onder g van de Arbeidsomstandighedenwet, en/of de Richtlijn tijdelijke en mobiele bouwplaatsen (Bijlage 1 Richtlijn nr. 92/57/EEG als bedoeld in artikel 2.28 van het Arbobesluit),

door één of meer van haar werknemers in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, te weten

[werknemer 1] en/of [werknemer 2] en/of [werknemer 3] en/of andere werknemer(s)

arbeid doen/laten verrichten, bestaande die arbeid uit (het in dat wegvak en/of werkvak) het te voet hanteren van een GPS meetstok met digitaal meetinstrument (beeldscherm) ter registratie van de metingen en/of reinigen van het freesvak met een straatveger en/of (wegdek)reiniger en/of andere wegwerkzaamheden,

terwijl niet was/werd voldaan aan

(a)

artikel 7.17c lid 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit,

immers werden door haar, verdachte,

in dat wegvak en/of dat werkvak geen doeltreffende organisatorische maatregelen genomen om te voorkomen dat die werknemers zich (te voet en) gelijktijdig bevonden in de werkzone van mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving (een vrachtauto DAF, ingericht als straatveger en/of wegdekreiniger),

en/of

(b)

artikel 5 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet,

immers heeft zij, verdachte,

bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet voldaan aan de verplichting schriftelijk in een risico inventarisatie en evaluatie (RI&E) vast te leggen welke risico's

– zakelijk weergegeven – het gelijktijdig uitvoeren van werkzaamheden (GPS-metingen) in de nabijheid van rijdende (werk)voertuigen (een vrachtauto DAF, ingericht als straatveger en/of wegdekreiniger) binnen het wegvak en/of werkvak van (genoemde) wegwerkzaamheden en/of (welke risico’s) die in verband met rijdende (werk)voertuigen en/of (welke risico’s) het aanrijdgevaar binnen het wegvak en/of werkvak waarin gewerkt wordt en/of het werken in omstandigheden met omgevingsgeluiden door weg- en werkverkeer en/of het werken in het donker of bij kunstlicht, met zich brengen en/of

(c)

artikel 8 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet,

immers heeft zij, verdachte,

nagelaten ervoor te zorgen dat die werknemers, althans een of meer van die werknemers doeltreffend werd(en) ingelicht over de te verrichten werkzaamheden, te weten

- zakelijk weergegeven –

het uitvoeren van GPS-metingen en/of uitzetten van maten en/of belijning binnen het wegvak en/of werkvak van wegwerkzaamheden gelijktijdig en in de nabijheid van (een) rijdend(e) voertuig(en) (een vrachtauto DAF, ingericht als straatveger en/of wegdekreiniger),

en/of de daaraan verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn (waren) deze risico's te voorkomen of te beperken en/of

(d)

artikel 8 lid 4 van de Arbeidsomstandighedenwet,

immers heeft zij, verdachte,

nagelaten toe te zien op de naleving van de instructies en/of voorschriften gericht op het voorkomen en/of beperken van de in het eerste lid genoemde risico’s en/of (alsmede) op het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen;

terwijl daardoor, naar zij, verdachte, wist(en) of redelijkerwijs moest(en) weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemer(s), te weten [werknemer 1] en/of [werknemer 2] ontstond of te verwachten was.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsmotivering

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft eveneens gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.1

Op 19 maart 2019 werden er onderhouds- en/of herstelwerkzaamheden uitgevoerd aan het wegdek van de Rijksweg A1. Vooraf was bepaald dat het deel van het wegvak tussen hm

124.1 en 124.3 zou worden uitgefreesd (freesvak), gereinigd, ingemeten en vervolgens voorzien van een kleeflaag en een nieuwe laag asfalt. Het wegverkeer was hiervoor tijdelijk omgelegd naar de andere rijbaan. De werkzaamheden waren begonnen met het uitfrezen van het genoemde freesvak, waarna het wegdek geveegd en gereinigd diende te worden. Tijdens deze werkzaamheden bestuurde [werknemer 3] een vrachtauto die was ingericht als gecombineerde wegdekreiniger (hierna: veeg-zuigwagen) waarmee hij de veeg- en reinigingswerkzaamheden verrichtte. Dit gebeurde door systematisch in lengtebanen in het freesvak achtereenvolgens voor- en achteruit te rijden. Gelijktijdig met het uitvoeren van de werkzaamheden door [werknemer 3] , werden door [werknemer 1] (hierna: [werknemer 1] ) en [werknemer 2] (hierna: [werknemer 2] ), in dat zelfde werkvak – te voet – GPS-metingen verricht. Dit gebeurde door systematisch meetpunten verdeeld over het freesvak aan te prikken, zowel in de lengte als in de breedte van het wegprofiel, waarna de resultaten werden ingevoerd in een tablet. Toen [werknemer 3] op enig moment met de veeg-zuigwagen met een snelheid van 11 km/uur achteruit reed, is hij in aanrijding gekomen met [werknemer 1] en [werknemer 2] en zij werden hierbij door de veeg-zuigwagen overreden.2 Ten gevolge van deze aanrijding is [werknemer 1] om het leven gekomen.3 [werknemer 2] heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij, als werkgeefster, de voorschriften gesteld bij en/of krachtens de Arbowet heeft overtreden, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers is ontstaan of te verwachten was.

De Arbowet geeft in artikel 1 onder a een definitie van werkgever die als volgt luidt:

1°.

degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;

2°.

degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°.

Verdachte kan ten aanzien van de werkzaamheden aan de Rijksweg A1 op 19 maart 2019 aangemerkt worden als werkgever in de zin van artikel 1 onder a sub 1° van de Arbowet met betrekking tot de aldaar voor haar werkzame personen [werknemer 1] en [werknemer 2] en in de zin van artikel 1 onder a sub 2° van de Arbowet met betrekking tot de aldaar voor haar werkzame persoon [werknemer 3] .4

( a) artikel 7.17c lid 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit

Uit onderzoek is gebleken dat er geen maatregelen – laat staan doeltreffende – waren getroffen om te voorkomen dat [werknemer 1] en [werknemer 2] , die te voet werkzaamheden verrichtten, zich gelijktijdig zouden bevinden in het werkvak alwaar de veeg-zuigwagen bezig was. [werknemer 1] en [werknemer 2] waren juist geïnstrueerd om de GPS metingen te verrichten terwijl de veeg-zuigwagen het wegdek aan het reinigen was.5 Uit verklaringen van werknemers en van [vertegenwoordiger verdachte BV] volgt dat het de gebruikelijke werkwijze was om het meten uit te voeren terwijl de veeg-zuigwagen nog bezig was en dat dit voor een goede uitvoering van de werkzaamheden niet noodzakelijk was, maar gebeurde omdat het tijdefficiënt was.6

( b) artikel 5 lid 1 van de Arbowet

Veilig werken begint met een risicoanalyse van de werksituatie. Dit is de verantwoordelijkheid van de werkgever. Deze dient voor aanvang van de werkzaamheden een inschatting te maken van bijvoorbeeld de omgeving en bereikbaarheid, de ondergrond en de aard van de toe te passen werkmaterialen. Met een dergelijke risicoanalyse kan de werkgever de juiste maatregelen treffen, zodat iedereen veilig kan werken.

Hoewel er wel risico- inventarisaties en evaluaties zijn uitgevoerd kan worden vastgesteld dat de risico’s met betrekking tot de gelijktijdig uitgevoerde werkzaamheden op de locatie van het ongeval niet zijn geïnventariseerd en/of dat geen risicobeperkende maatregelen waren voorgeschreven.7

( c) artikel 8 lid 1 van de Arbowet & (d) artikel 8 lid 4 van de Arbowet

Ten tijde van de werkzaamheden op de A1 werd het toezicht op de werkzaamheden uitgevoerd door de projectleider [projectleider] en bij diens afwezigheid door uitvoerders [uitvoerder 1] (uitvoerder grondwerk) en [uitvoerder 2] (uitvoerder asfalt). Voorafgaand aan de werkzaamheden heeft er een kort start-werk gesprek plaatsgevonden, waarvan de inhoud niet eenduidig vaststaat of schriftelijk is vastgelegd. Projectleider [projectleider] heeft deze start-werk bijeenkomst geleid en hij verklaarde daarover: “Dat is een last minute risicoanalyse. Dat is standaard wat ik altijd vertel: jongens kijk uit voor de wegdekreinigers, vrachtverkeer, kijk voor je achter je, waarschuw elkaar”.8 Op de dag van het ongeval waren [werknemer 1] en [werknemer 2] niet bij de start-werk bijeenkomst.9

Op basis van de zich in het dossier bevindende stukken kan niet worden vastgesteld dat op een andere wijze onderricht was verstrekt, of een eenduidige instructie was gegeven om de gevaren tegen te gaan, die de meetwerkzaamheden met GPS-apparatuur meebrengen, wanneer zij worden verricht in het werkgebied van mobiele voertuigen, zoals een veeg-zuigwagen. 10

De rechtbank stelt derhalve vast dat niet is gebleken dat er doeltreffend inlichtingen aan de werknemers zijn verstrekt over de te verrichten werkzaamheden, de daaraan verbonden risico’s en de noodzakelijk te treffen maatregelen ter voorkoming van die risico’s.

[uitvoerder 1] en [uitvoerder 2] , de toezichthouders ter plaatse, hebben [werknemer 1] en [werknemer 2] geholpen met het opstarten van de meetwerkzaamheden. Op enig moment hebben zij [werknemer 1] en [werknemer 2] alleen gelaten om de GPS-metingen te verrichten. Door de toezichthouders werd, bij het ontbreken van een duidelijke instructie voorafgaand aan de werkzaamheden door verdachte, niet corrigerend opgetreden ter voorkoming van de gevaren die de werkzaamheden van werknemers binnen het werkvak van de veeg-zuigwagen met zich meebrachten.11

Concluderend

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat verdachte handelingen heeft verricht en nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet. Meer bepaald heeft verdachte in strijd met artikel 7.17c lid 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit) ontoereikende beveiligingsmaatregelen genomen om te voorkomen dat [werknemer 1] en [werknemer 2] zich gelijktijdig in de werkzone van vermelde veeg-zuigwagen bevonden, nagelaten om in de schriftelijke RI&E de juiste risico’s te onderkennen en tevens nagelaten [werknemer 1] en [werknemer 2] doeltreffend over de te verrichten werkzaamheden in te lichten en onvoldoende toezicht gehouden op de werkzaamheden.

Gelet op het feit dat er die bewuste avond (en ook bij andere gelegenheden waarbij inmeters gelijktijdig met een wegdekreiniger in het werkvak actief waren) wel degelijk (zij het slechts mondeling in de zin van ‘goed opletten’) werd gewaarschuwd voor de gevaren van het gelijktijdig bevinden in de werkzone van werknemers en mobiele arbeidsmiddelen, het algemeen bekend is dat dit tot gevaarlijke situaties kan leiden12 en is geopteerd voor die werkwijze uit efficiency overwegingen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte door de hierboven bewezen verklaarde werkwijze minst genomen de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid heeft aanvaard dat levensgevaar voor [werknemer 1] en [werknemer 2] te verwachten is.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 19 maart 2019 op de autosnelweg, de Rijksnelweg A1 te Holten in de gemeente Rijssen-Holten, als werkgever in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet,

opzettelijk, handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met voormelde wet en de daarop berustende bepalingen, immers heeft zij, verdachte, toen daar in een werkvak voor asfalteringswerkzaamheden/ wegwerkzaamheden (een afgezet deel van de rijstroken van de autosnelweg, de Rijksnelweg A1, thv hectometerpaal 124.1 t/m 124.3 richting Hengelo), zijnde een bouwplaats, als bedoeld in artikel 1.1 lid 2 onder a van het Arbeidsomstandighedenbesluit en arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1 lid 3 onder g van de Arbeidsomstandighedenwet, door één of meer van haar werknemers in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, te weten

[werknemer 1] en [werknemer 2] en [werknemer 3] arbeid laten verrichten, bestaande die arbeid uit (het in dat werkvak) het te voet hanteren van een GPS meetstok met digitaal meetinstrument (beeldscherm) ter registratie van de metingen en reinigen van het freesvak met een straatveger en/of (wegdek)reiniger en/of andere wegwerkzaamheden, terwijl niet werd voldaan aan

(a)

artikel 7.17c lid 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit,

immers werden door haar, verdachte, in dat werkvak geen doeltreffende organisatorische maatregelen genomen om te voorkomen dat die werknemers zich (te voet en) gelijktijdig bevonden in de werkzone van mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving (een vrachtauto DAF, ingericht als straatveger en/of wegdekreiniger), en

(b)

artikel 5 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet,

immers heeft zij, verdachte, bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet voldaan aan de verplichting schriftelijk in een risico inventarisatie en evaluatie (RI&E) vast te leggen welke risico's – zakelijk weergegeven – het gelijktijdig uitvoeren van werkzaamheden (GPS-metingen) in de nabijheid van rijdende (werk)voertuigen (een vrachtauto DAF, ingericht als straatveger en/of wegdekreiniger) binnen het werkvak van genoemde wegwerkzaamheden en welke risico’s die in verband met rijdende (werk)voertuigen en/of (welke risico’s) het aanrijdgevaar binnen het werkvak waarin gewerkt wordt en/of het werken in omstandigheden met omgevingsgeluiden door weg- en werkverkeer en/of het werken in het donker of bij kunstlicht, met zich brengen en

(c)

artikel 8 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet,

immers heeft zij, verdachte, nagelaten ervoor te zorgen dat die werknemers doeltreffend werden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden, te weten – zakelijk weergegeven – het uitvoeren van GPS-metingen en/of uitzetten van maten en/of belijning binnen het werkvak van wegwerkzaamheden gelijktijdig en in de nabijheid van een rijdend voertuig (een vrachtauto DAF, ingericht als straatveger en/of wegdekreiniger), en de daaraan verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht waren deze risico's te voorkomen of te beperken en

(d)

artikel 8 lid 4 van de Arbeidsomstandighedenwet,

immers heeft zij, verdachte, nagelaten toe te zien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen en/of beperken van de in het eerste lid genoemde risico’s en op het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen;

terwijl daardoor, naar zij, verdachte, wist levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers, te weten [werknemer 1] en/of [werknemer 2] ontstond of te verwachten was.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 32 Arbowet en 1, 2 en 6 van de WED. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 32, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geldboete ten bedrage van € 100.000,--.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met het feit dat verdachte heeft geleerd van het tragische ongeval, allerlei verbeteringen heeft doorgevoerd binnen haar bedrijf en haar verantwoordelijkheid heeft genomen. Daarnaast heeft zij, ondanks de vele jaren dat zij actief is in de wegenbouw, nog nooit eerder met de ISZW van doen gehad en is zij ook in strafrechtelijke zin ‘first-offender’.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en het maatschappelijk functioneren van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft de Arbowet overtreden en heeft zich niet gehouden aan de in het Arbobesluit opgenomen bepalingen omtrent de veiligheid van de werknemers. Verdachte dient ervoor te zorgen dat de door haar ingezette personen veilig zouden kunnen werken. Verdachte heeft in haar zorgplicht verzaakt door geen maatregelen te treffen die hadden moeten voorkomen dat [werknemer 1] en [werknemer 2] te voet werkzaamheden aan het verrichten waren in hetzelfde werkvak als waar [werknemer 3] op dat moment met een veeg-zuigwagen reed. Onder deze omstandigheid kon het namelijk gebeuren dat [werknemer 1] en [werknemer 2] werden overreden door die veeg-zuigwagen, hetgeen [werknemer 1] fataal is geworden en waardoor [werknemer 2] zwaar gewond is geraakt.

De Arbowet en bijbehorende regelgeving beogen dit soort ongevallen op de werkvloer te voorkomen. Daartoe worden werkgevers verplicht een adequaat veiligheidsbeleid te voeren en concrete maatregelen te nemen. Het veiligheidsbeleid van verdachte is tekortgeschoten en het gevaar voor zijn werknemers is niet voldoende door verdachte onderkend. Dat rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. De rechtbank overweegt nog dat verdachte ten tijde van het ongeval in de zin van de Arbowet ook werkgever was van de chauffeur van de veeg-zuigwagen, de heer [werknemer 3] , en verdachte de verantwoordelijkheid die zij had voor het creëren van een veilige werkplaats niet kan afschuiven op mogelijke nalatigheid of onoplettendheid van zijn kant, wat daar verder ook van zij.

Zoals blijkt uit de ter terechtzitting door de officier van justitie namens de nabestaanden van [werknemer 1] voorgelezen slachtofferverklaring heeft dit tragische ongeval bij hen een niet op te vullen emotionele leegte achtergelaten. De rechtbank beseft dat een strafoplegging, in welke vorm of omvang dan ook, dit leed niet ongedaan zal kunnen maken.

De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat verdachte, blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 maart 2021, niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest. Ook is op grond van het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk dat verdachte na dit ongeval een groot aantal verbeteringen heeft doorgevoerd en inmiddels de vereiste aandacht besteedt ook aan onderhavige aspecten van veiligheid op de werkplek. Gelet op deze omstandigheid en omdat er door verdachte mogelijk nog schade vergoed moet worden aan de nabestaanden alsmede gelet op opgelegde straffen in gelijksoortige strafzaken, zal de rechtbank een lagere geldboete opleggen dan door de officier van justitie geëist.

Al het voorgaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van € 50.000,-- een passende straf is.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 23 en 51 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 32, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 50.000 (zegge: vijftigduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. H.M. Braam, voorzitter, mr. M.B. Werkhoven en

mr. R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Seuters, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2021.

Buiten staat

Mr. Braam is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van Inspectie SZW met proces-verbaalnummer 1904028. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 DOC-001-02, pagina’s 5004 tot en met 5020.

3 DOC-001-01, pagina 5001.

4 DOC-002-01, pagina’s 5041 en 5042; DOC-003-10, pagina’s 5143 tot en met 5145; DOC-003-11, pagina’s 5146 tot en met 5149; Het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 juli 2021, voor zover inhoudende de verklaring van [vertegenwoordiger verdachte BV] .

5 V-001-01, pagina 1004.

6 V-001-01, pagina 1006; V-004-01, pagina 1034; Het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 juli 2021, voor zover inhoudende de verklaring van [vertegenwoordiger verdachte BV] .

7 AMB-003-03, pagina’s 3049 tot en met 3053; Het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 juli 2021, voor zover inhoudende de verklaring van [vertegenwoordiger verdachte BV] .

8 V-004-01, pagina 1035.

9 V-001-01, pagina 1007.

10 AMB-003-04, pagina’s 3054 en 3055.

11 AMB-003-04, pagina’s 3063 en 3064.

12 Dit volgt reeds uit de strekking van art. 7.17c lid 5 Arbeidsomstandighedenbesluit.