Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3012

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
27-07-2021
Zaaknummer
C/08/252964 / HA ZA 20-349
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Schending precontractuele mededelingsplicht. Redelijk handelend verzekeraar. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/252964 / HA ZA 20-349

Vonnis van 23 juni 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. E.J.C. de Jong te Utrecht,

tegen

de naamloze vennootschap ABN AMRO LEVENSVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. A.K. Sjouw te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en ABN AMRO genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 25 november 2020 en de daarin genoemde processtukken

  • -

    de aanvullende productie 11 van de zijde van ABN AMRO

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 maart 2021.

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] , een voormalig huisarts, heeft met ingang van 27 augustus 2010 een ABN AMRO Risicoverzekering afgesloten met [polisnummer] (hierna te noemen: de verzekering). De premie voor deze verzekering bedraagt € 599,91 per maand.

2.2.

In de verzekeringspolis was een premievrijstellingsclausule voor het geval van arbeidsongeschiktheid opgenomen.

2.3.

In verband met de aanvraag van de verzekering heeft ABN AMRO [eiser] (onder meer) op 13 juli 2010 verzocht een gezondheidsverklaring in te vullen. ABN AMRO heeft geen ingevulde gezondheidsverklaring van [eiser] ontvangen.

2.4.

Op 24 juli 2010 heeft [eiser] ten behoeve van de verzekeringsaanvraag een keuringsformulier ingevuld. Op dat formulier heeft hij onder meer de volgende vragen ontkennend beantwoord:

“2. Heeft u momenteel last van, of heeft u ooit last gehad van

(…)

n. Aandoeningen aan bovenste ledematen?

(…)

p. Aandoeningen van nek of rug

(…)

9. Ondervindt u beperking bij het verrichten van uw werkzaamheden of bij inspanning?

(…)

20. Gebruikt u momenteel medicijnen?”

2.5.

Op 9 augustus 2010 heeft [eiser] ten behoeve van de verzekeringsaanvraag een uitgebreide medische keuring ondergaan. De keuringsarts heeft bij die keuring geen afwijkingen ten aanzien van de wervelkolom vastgesteld en heeft de vraag of zij de indruk had dat [eiser] de vragen over zijn voorgeschiedenis volledig en juist had ingevuld, bevestigend beantwoord.

2.6.

In oktober 2010 ontstonden bij [eiser] na een zeiltocht nek- en schouderklachten.

2.7.

In verband met deze klachten zijn op 8 december 2010 een MRI van de cervicale wervelkolom (nek) en de lumbale wervelkolom (lage rug) gemaakt. Daarbij is zowel op cervicaal als op lumbaal niveau discopathie op meerdere niveaus vastgesteld, alsmede een blokwervel van twee cervicale wervels.

2.8.

[eiser] is vervolgens onderzocht door neuroloog [A] (hierna te noemen: [A] ). In een brief van [A] van 5 juli 2011 staat hierover onder meer het volgende vermeld:

“ [eiser] , huisarts in [plaats] , heb ik gezien op 230611 jl. in verband met diverse klachten. Hij heeft al langer nekklachten met uitstraling in alle vingers, rechts meer uitgesproken dan links. De linkerpink doet daar niet aan mee, in het verleden hielp wapperen met de handen nog wel eens om de klachten wat af te laten zakken. (…)

Verder klaagt hij over de onderrug sedert vele jaren, zonder duidelijke uitstraling in de benen. Als hij ’s ochtends een Diclofenac neemt kan hij daar de dag redelijk mee door komen. (…)”

2.9.

[eiser] heeft zich in de zomer van 2011 (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt gemeld bij zijn arbeidsongeschiktheidsverzekeraar Movir en ontvangt sindsdien een verzekeringsuitkering van Movir.

2.10.

Op 1 augustus 2011 is [eiser] geopereerd aan zijn cervicale wervelkolom.

2.11.

Per mei 2013 heeft [eiser] vanwege volledige arbeidsongeschiktheid zijn huisartspraktijk moeten staken.

2.12.

Op 8 mei 2014 heeft [eiser] bij ABN AMRO een beroep gedaan op de premievrijstellingsclausule.

2.13.

Op 30 mei 2014 heeft [eiser] op verzoek van ABN AMRO een aanmeldingsformulier arbeidsongeschiktheid ingevuld. Daarbij heeft hij de vraag of hij al eerder klachten had, bevestigend beantwoord en aangegeven dat dit vanaf begin 2010 het geval was.

2.14.

Op 8 juli 2014 is [eiser] op verzoek van ABN AMRO gekeurd. Op het keuringsformulier dat de keuringsarts naar aanleiding daarvan heeft ingevuld staat onder meer vermeld:

“4. Heeft betrokkene ooit eerder dergelijke klachten gehad? Zo ja, hoelang en wanneer?

Betrokkene heeft een aandoening nek, die aangeboren is en hem al jaren klachten bezorgt. Rugklachten van latere datum.”

2.15.

Op 3 augustus 2014 heeft [eiser] op verzoek van ABN AMRO een vragenlijst met betrekking tot nek- en schouderklachten ingevuld. Die ingevulde vragenlijst luidt, voor zover van belang, als volgt:

“2. Wanneer kreeg u deze klachten voor het eerst? (Graag data opgeven)

Najaar 2010 MRI 08 12 2010

3. Heeft u vaker perioden met klachten gehad?

Neen

(…)

4. Is de aangeboren afwijking de oorzaak of vervolg van de huidige klachten?

Onduidelijk. Tot 2011 wist ik niet dat ik een blokwervel had. Geen aanleiding voor beeldvormend onderzoek.

5. Waarom hebt u deze aandoening niet gemeld bij de keuring bij aanvang van de verzekeringen?

Afwijking was op dat moment niet bekend.”

2.16.

Bij brief van 20 augustus 2014 heeft ABN AMRO [eiser] onder meer het volgende bericht:

“(…) Onze medisch adviseur heeft vandaag informatie opgevraagd bij dr. [A] en dr. [B] .

(…)

Onze medisch adviseur, de heer [C] , heeft uw gegevens na ontvangst van het aanmeldingsformulier en het keuringsrapport beoordeeld. Daarbij heeft hij geconstateerd dat de aangeboren afwijking niet bij acceptatie is vermeld. Wij moeten dit binnen twee maanden na ontvangst van deze gegevens aan u meedelen. Zoals eerder vermeld kan dat consequenties hebben voor de beoordeling en eventuele toekenning van de claim. (…)”

2.17.

Per brief van 6 november 2014 heeft ABN AMRO [eiser] gemeld dat hij geen recht heeft op premievrijstelling voor de verzekering, aangezien gebleken is dat hij haar bij aanvang van de polis niet de noodzakelijke medische gegevens heeft verstrekt. In deze brief staat, voor zover relevant, vermeld:

“Uit de informatie van Neuroloog [A] , dd 5 juli 2011, blijkt dat er al langer nekklachten waren. Een exacte begindatum wordt niet genoemd. De neuroloog geeft ook aan dat er sedert vele jaren al sprake is van rugklachten. In het aanmeldingsformulier van 13 mei 2014 benoemd u zelf begin 2010 als aanvangsdatum van de rug- en nekklachten. Dat is voor de ingangsdatum van de bij ons lopende verzekering. Deze informatie was van groot belang voor de beoordeling van de voorwaarden waaronder de verzekering tot stand kan komen.”

2.18.

Per brief van 13 november 2014 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. In die brief schrijft hij onder meer:

“Daarnaast maakt u melding van een verschrijving mijnerzijds, dat mijn klachten begonnen zouden zijn begin 2010. Duidelijke klachten van nek / cervicobrachialgie zijn pas ontstaan na zeilwedstrijd d.d. 04.10.10. Duur ca 1 hr. Voorheen af en toe last van nachtelijke tintelingen in handen ( re > li), welke na 2x ‘wapperen’ verdwenen. Klachten werden door mij geduid als mogelijk CTS. Hierdoor nooit beperkt geweest in functioneren! (…)

Bij aangaan verzekering (27.08.10) en keuring (09.09.10) waren mijn ‘klachten’ slechts sporadisch / niet beperkend in functioneren (van 55-60 hr (h.a.) + 20hr (bouwvakker) / wk)!”

2.19.

Bij brief van 5 december 2014 heeft ABN AMRO aan [eiser] kenbaar gemaakt dat zij geen aanleiding ziet haar standpunt te herzien. In deze brief staat onder meer vermeld dat [eiser] niet heeft gemeld dat hij als bouwvakker werkte.

2.20.

Per brief van 13 januari 2015 heeft ABN AMRO [eiser] een aangepast polisblad zonder premievrijstellingsclausule toegestuurd.

3 Het geschil

3.1.

Na intrekking van een deel van zijn vorderingen, vordert [eiser] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis voor recht te verklaren dat de oorspronkelijke verzekeringsovereenkomst met [polisnummer] tussen partijen onverkort geldt en ABN AMRO te veroordelen tot nakoming van die verzekeringsovereenkomst en tot terugbetaling van de ten onrechte door [eiser] betaalde premies, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede tot betaling van de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen.

3.2.

ABN AMRO voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Deze zaak gaat over de vraag of [eiser] de precontractuele mededelingsplicht van artikel 7:928 BW heeft geschonden en of ABN AMRO in verband daarmee gerechtigd was hem geen premievrijstelling in verband met arbeidsongeschiktheid te verlenen en de premievrijstellingsclausule van zijn polis te verwijderen.

Schending precontractuele mededelingsplicht?

4.2.

ABN AMRO stelt zich op het standpunt dat [eiser] ten tijde van de aanvraag van de verzekering al last had van tintelende handen, die hij zelf had geduid als CTS (carpaal tunnel syndroom), en dat al hij rugklachten had waarvoor hij Diclofenac gebruikte om de dag door te komen. Volgens ABN AMRO heeft [eiser] op het door hem op 24 juli 2010 ingevulde keuringsformulier (hierna te noemen: het keuringsformulier) ten onrechte geen melding gemaakt van deze klachten en dit medicijngebruik door de hiervoor onder r.o. 2.4 geciteerde vragen ontkennend te beantwoorden en heeft hij daarmee zijn precontractuele mededelingsplicht geschonden.

4.3.

[eiser] erkent dat hij ten tijde van het aangaan van de verzekeringsovereenkomst af en toe lichte (lage) rugklachten had en ’s nachts wel eens last had van tintelende handen, zodat hiervan kan worden uitgegaan. Wat betreft het gebruik van Diclofenac betwist [eiser] niet dat hij dat ten tijde van de verzekeringsaanvraag al gebruikte, maar stelt hij zich op het standpunt dat dat geen dagelijks gebruik was, maar één pilletje per week. Dit had volgens hem te maken met kluswerkzaamheden die hij aan de boerderij van zijn dochter verrichtte.

[eiser] is van mening dat hij de lichte rugklachten, die volgens hem het gevolg waren van voornoemde kluswerkzaamheden, niet hoefde te vermelden op het keuringsformulier. Hij wijst erop dat op dat formulier is gevraagd naar aandoeningen en niet naar klachten en betoogt dat ABN AMRO niet van hem kon verwachten dat hij de lichte rugklachten als aandoening zou betitelen. Wat betreft de tintelende handen stelt [eiser] zich op het standpunt dat dat dat geen beperking was en niets ernstig en dat hij daarom dacht dat hij dat niet hoefde te melden.

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:928 lid 1 BW is de verzekeringnemer verplicht vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen. Ingevolge het bepaalde in lid 4 van artikel 7:928 BW kan een verzekeraar, indien een verzekering is gesloten op basis van een door haar opgestelde vragenlijst, zich er in beginsel niet op beroepen dat feiten waarnaar niet is gevraagd, niet zijn medegedeeld of dat een in algemene termen vervatte vraag onvolledig is beantwoord. In lid 4 van artikel 7:928 BW staat tevens vermeld dat de mededelingsplicht niet feiten betreft die niet tot een voor de verzekeringnemer ongunstiger beslissing zouden hebben geleid.

4.5.

ABN AMRO heeft op de vragenlijst die deel uitmaakt van het keuringsformulier gevraagd of [eiser] last had of heeft gehad van aandoeningen aan (onder meer) de bovenste ledematen of van aandoeningen van nek of rug. ABN AMRO meent dat [eiser] bij deze vragen zijn rugklachten en zijn tintelende handen had moeten vermelden, maar de rechtbank gaat niet in dat standpunt mee. Er is immers niet gevraagd naar klachten maar naar last van aandoeningen en de rugklachten en tintelende handen kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet als een aandoening worden aangemerkt. Volgens ABN AMRO is met de betreffende vraagstelling bedoeld te vragen naar klachten aan of het last hebben van bepaalde lichaamsdelen, maar de rechtbank is van oordeel dat [eiser] dit gelet op de formulering van de vragen niet zo hoefde te begrijpen. Het beroep dat ABN AMRO in dit kader nog doet op de toelichting op de hiervoor in r.o. 2.3 genoemde gezondheidsverklaring waarin vermeld zou staan dat ook onbelangrijke klachten gemeld dienen te worden, kan haar evenmin baten, aangezien [eiser] die verklaring niet heeft ingevuld en ABN AMRO de betreffende verklaring en toelichting niet in het geding heeft gebracht.

4.6.

Het voorgaande betekent echter niet dat [eiser] in het geheel geen melding hoefde te maken van zijn (lichte) rugklachten. ABN AMRO heeft namelijk in vraag 9 op het keuringsformulier ook gevraagd naar eventuele beperkingen die [eiser] bij inspanning ondervond en nu [eiser] rugklachten ervoer tijdens de kluswerkzaamheden bij zijn dochter had van hem verwacht mogen worden dat hij deze bij die vraag had vermeld. Uit hetgeen hij tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard volgt immers dat de betreffende kluswerkzaamheden op zeer regelmatige basis plaatsvonden en dat [eiser] daarbij steeds last had van zijn rug en daarvoor wekelijks Diclofenac nam. Aangezien het gebruik van Diclofenac structureel was en dit een zware pijnstiller betreft, had [eiser] naar het oordeel van de rechtbank bovendien vraag 20 op het keuringsformulier – waarin expliciet naar medicijngebruik is gevraagd – bevestigend moeten beantwoorden en moeten toelichten.

4.7.

[eiser] betoogt nog dat sprake is van feiten die niet tot een voor hem ongunstiger beslissing zouden hebben geleid, maar de rechtbank gaat niet in dat betoog mee. ABN AMRO heeft met de door haar als productie 10 overgelegde acceptatierichtlijnen en de als productie 11 overgelegde verklaring van haar medisch adviseur naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat de aanwezigheid van (lichte) rugklachten van belang was voor haar beslissing om de verzekering al dan niet af te sluiten, althans voor de voorwaarden waaronder zij bereid was verzekeringsdekking te bieden, zoals de toepassing van een premievrijstellingsclausule. [eiser] heeft weliswaar aangevoerd dat de betreffende richtlijnen niet van toepassing zijn omdat een huisarts geen zittend beroep heeft, maar dit standpunt wordt gepasseerd. In de betreffende richtlijnen staat namelijk onder meer vermeld:

De onderstaande tariferingen zijn alleen bedoeld voor zittende beroepen. Beroepen waarbij hand- of (zwaar) lichamelijke arbeid verricht wordt, dienen per geval beoordeeld te worden.

De rechtbank leidt hieruit af dat ABN AMRO, zoals namens haar ter zitting ook is betoogd, in haar acceptatiebeleid onderscheid maakt tussen zittende beroepen enerzijds en beroepen waarbij hand- of (zwaar) lichamelijke arbeid wordt verricht anderzijds. Het beroep van huisarts valt naar het oordeel van de rechtbank niet onder de tweede categorie, zodat aangenomen moet worden dat huisarts volgens het acceptatiebeleid van ABN AMRO een zittend beroep betreft en ABN AMRO de juiste acceptatierichtlijnen heeft overgelegd.

4.8.

De conclusie uit het voorgaande is dat [eiser] zijn precontractuele mededelingsplicht heeft geschonden.

Is de schending tijdig gemeld?

4.9.

De vraag is vervolgens of ABN AMRO zich jegens [eiser] kan beroepen op de gevolgen van de schending van de precontractuele mededelingsplicht. Op grond van artikel 7:929 lid 1 BW kan de verzekeraar die ontdekt dat aan die mededelingsplicht niet is voldaan, de gevolgen daarvan slechts inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen. [eiser] betoogt dat ABN AMRO deze termijn heeft overschreden, door hem pas bij brief van 20 augustus 2014 over een mogelijke schending van de mededelingsplicht te berichten, terwijl hij al op 30 mei 2014 het aanmeldingsformulier arbeidsongeschiktheid heeft ingevuld, waar ABN AMRO zich in het kader van de schending van de mededelingsplicht onder meer op heeft beroepen. Volgens [eiser] heeft ABN AMRO in de brief van 20 augustus 2014 ten onrechte ook niet direct alle gronden voor het schenden van de mededelingsplicht naar voren gebracht, aangezien zij daarin enkel een beroep heeft gedaan op het niet vermelden van de aangeboren afwijking, terwijl zij later ook met andere argumenten kwam, zoals de stelling dat [eiser] ook had moeten melden dat hij als bouwvakker werkzaam was. Tot slot voert [eiser] aan dat ABN AMRO in de brief van 20 augustus 2014 de mogelijke gevolgen van de schending van de mededelingsplicht niet zorgvuldig en compleet heeft beschreven en dat ook daarom niet aan het bepaalde in artikel 7:929 lid 1 BW is voldaan.

4.10.

De rechtbank volgt [eiser] niet in dit betoog en overweegt daartoe het volgende. De in artikel 7:929 lid 1 BW genoemde termijn van twee maanden begint te lopen op het moment dat de verzekeraar ontdekt dat niet is voldaan aan de precontractuele mededelingsplicht. Een vermoeden van schending van die mededelingsplicht is daartoe niet voldoende, maar vereist is dat de verzekeraar daarover een voldoende mate van zekerheid heeft. Niet alleen is in dat kader nodig dat de verzekeraar bekend raakt met de werkelijke stand van zaken, maar ook dat deze vaststelt dat die situatie niet overeenkomt met de opgave van de verzekeringnemer in de precontractuele fase van de verzekeringsovereenkomst. De enkele ontvangst door ABN AMRO van het door [eiser] op 30 mei 2014 ingevulde aanmeldingsformulier arbeidsongeschiktheid maakt dan ook niet dat op dat moment de in artikel 7:929 lid 1 BW genoemde termijn van twee maanden is gaan lopen.

4.11.

ABN AMRO heeft bij haar brief van 20 augustus 2014 naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan een vermoeden geuit dat [eiser] zijn precontractuele mededelingsplicht had geschonden, welk vermoeden was ontstaan naar aanleiding van de beoordeling van het keuringsformulier van 8 juli 2014 en het aanmeldingsformulier arbeidsongeschiktheid van 30 mei 2014. ABN AMRO heeft in verband hiermee medische informatie opgevraagd bij onder meer [A] , waarvan zij onweersproken heeft gesteld dat zij die pas op 22 september 2014 heeft ontvangen. Bij de beoordeling van de betreffende informatie heeft ABN AMRO onder meer vastgesteld dat [eiser] al vóór de ingangsdatum van de verzekering rugklachten had en dat hij deze niet bij haar heeft gemeld. Volgens ABN AMRO was dit haar eind september 2014 voldoende duidelijk. Gelet op het voorgaande wordt hiervan uitgegaan. ABN AMRO heeft [eiser] vervolgens bij brief van 6 november 2014, dus binnen twee maanden na de ontdekking van de schending van de mededelingsplicht, daarvan in kennis gesteld en die schending toegelicht door onder meer te vermelden dat hij zijn rugklachten had moeten melden. In die brief staat duidelijk vermeld dat het gevolg is dat [eiser] geen recht heeft op premievrijstelling. Dat ABN AMRO in haar latere brief van 5 december 2014 nog heeft aangevoerd dat [eiser] ook had moeten melden dat hij werkzaam was als bouwvakker doet niet ter zake, nu ABN AMRO dat standpunt ter zitting heeft laten varen.

4.12.

De conclusie uit het voorgaande is dat ABN AMRO [eiser] tijdig heeft gewezen op de schending van zijn precontractuele mededelingsplicht en de mogelijke gevolgen daarvan en dat zij die gevolgen dus jegens hem kan inroepen.

Gevolgen schending precontractuele mededelingsplicht

4.13.

ABN AMRO heeft [eiser] vanwege de schending van de precontractuele mededelingsplicht geen premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid verleend en heeft de premievrijstellingsclausule uit de verzekeringspolis verwijderd. Volgens ABN AMRO was zij hiertoe gerechtigd, aangezien een redelijk handelend verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering niet zou zijn aangegaan, althans onder andere voorwaarden. ABN AMRO doet in dit kader een beroep op artikel 7:929 (lid 2) BW.

4.14.

[eiser] betwist dat een redelijk handelend verzekeraar de verzekering bij kennis van de ware stand van zaken niet (onder dezelfde voorwaarden) was aangegaan en verwijst daarbij naar artikel 7:930 lid 3 BW. Hij beroept zich bovendien op lid 2 van artikel 7:930 BW, waarin is bepaald dat de bedongen uitkering onverkort geschiedt, indien de niet of onjuist meegedeelde feiten van geen belang zijn voor de beoordeling van het risico, zoals dit zich heeft verwezenlijkt.

4.15.

De rechtbank overweegt als volgt. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1841, kan een beroep door de verzekeraar op de artikelen 7:929 lid 2 en 7:930 lid 3 of 4 BW in beginsel alleen slagen als de verzekeraar aantoont dat een redelijk handelend verzekeraar bij bekendheid met de ware stand van zaken de verzekering niet zou hebben gesloten, althans onder andere voorwaarden. Hierbij kan de verzekeraar in beginsel niet volstaan met een beroep op haar eigen acceptatiebeleid. De Hoge Raad heeft in dit kader onder meer overwogen:

dat bij het beantwoorden van de vraag wat een redelijk handelend verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken zou hebben gedaan, groot gewicht kan toekomen aan het acceptatiebeleid van andere verzekeraars. Niet uitgesloten is evenwel dat het beleid van een of meer andere verzekeraars op inhoudelijke gronden de toets aan de maatstaf van een redelijk handelend verzekeraar niet kan doorstaan, zodat daarop geen beroep kan worden gedaan. Evenmin is uitgesloten dat het acceptatiebeleid van de betrokken verzekeraar op inhoudelijke gronden blijkt te voldoen aan de maatstaf van de redelijk handelend verzekeraar, ook al voeren andere verzekeraars een ander (of geen) beleid ten aanzien van de betrokken feiten en omstandigheden. Het beredeneerde betoog van een verzekeraar dat een redelijk handelend verzekeraar, bij kennis van de ware stand van zaken, de verzekering niet zou hebben gesloten, kan – afhankelijk van de door de verzekeraar daartoe aangevoerde argumenten en de omstandigheden van het geval – tot het oordeel leiden dat een redelijk handelend verzekeraar de verzekering in dat geval niet zou zijn aangegaan. Voor dat oordeel is niet steeds noodzakelijk dat het acceptatiebeleid van andere verzekeraars wordt onderzocht. Het zal van het verweer van de verzekeringnemer afhangen of het acceptatiebeleid van andere verzekeraars in de beoordeling moet worden betrokken.

4.16.

ABN AMRO betoogt dat een redelijk handelend verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering zou hebben uitgesteld om de gezondheidssituatie van [eiser] ten aanzien van zijn klachten af te wachten, althans nader onderzoek zou hebben gedaan naar die klachten met als uitkomst dat [eiser] niet als verzekerde zou zijn geaccepteerd, dan wel dat geen premievrijstellingsclausule in de polis zou zijn opgenomen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij de hiervoor eerder genoemde acceptatierichtlijnen en verklaring van haar medisch adviseur overgelegd. De rechtbank constateert dat deze stukken echter slechts iets zeggen over wat ABN AMRO zelf bij bekendheid met de ware stand van zaken zou hebben gedaan, maar niet wat een redelijk handelend verzekeraar zou hebben gedaan. ABN AMRO heeft ook onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat haar acceptatiebeleid op inhoudelijke gronden voldoet aan de maatstaf van een redelijk handelend verzekeraar. Vooralsnog staat dus niet vast dat een redelijk handelend verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering niet zou hebben gesloten, althans onder andere voorwaarden. Aangezien ABN AMRO echter op dit punt wel aan haar stelplicht heeft voldaan en een bewijsaanbod heeft gedaan, zal de rechtbank haar in de gelegenheid stellen bewijs te leveren op dit punt.

4.17.

Afhankelijk van de uitkomst van de bewijslevering, wordt toegekomen aan het beroep dat [eiser] doet op artikel 7:930 lid 2 BW. [eiser] dient voor dat geval in zijn akte na enquête/bewijslevering alvast duidelijk te maken of hij het beroep op artikel 7:930 lid 2 BW handhaaft. In de dagvaarding heeft hij het ontbreken van het in dat artikel bedoelde causaal verband namelijk toegelicht door te stellen dat de lichte rugklachten degeneratief waren en geen verband hielden met zijn arbeidsongeschiktheid als gevolg van de aangeboren blokwervel, terwijl hij zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat hij niet vanwege die blokwervel maar vanwege zijn rugklachten arbeidsongeschikt is verklaard. Voor het geval [eiser] het causaal verband blijft betwisten, merkt de rechtbank alvast op dat op hem de bewijslast rust ten aanzien van dit punt. Bewezen zal daarbij niet alleen moeten worden dat de niet opgegeven feiten geen enkele rol hebben gespeeld bij de verwezenlijking van het risico, maar ook dat zij de kans dat het risico zich op deze wijze zou verwezenlijken, niet hebben vergroot.

4.18.

In afwachting van het eerst door ABN AMRO te leveren bewijs, zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt ABN AMRO op te bewijzen dat een redelijk handelend verzekeraar bij bekendheid met de ware stand van zaken de verzekering niet zou hebben gesloten, althans geen premievrijstellingsclausule in de polis zou hebben opgenomen;

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 juli 2021 voor uitlating door ABN AMRO of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;

5.3.

bepaalt dat ABN AMRO, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen;

5.4.

bepaalt dat ABN AMRO, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden augustus tot en met oktober 2021 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.N. Bartels in het gerechtsgebouw te Zwolle aan de Schuurmanstraat 2;

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk tien dagen voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;

5.7.

bepaalt dat [eiser] zich in zijn akte na bewijslevering dient uit te laten over hetgeen in r.o. 4.17 is overwogen;

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2021.