Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:2950

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
22-07-2021
Zaaknummer
8635461 \ CV EXPL 20-2876
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil over de erfgrens en een coniferenhaag. Artikel 5:49 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 8635461 \ CV EXPL 20-2876

Vonnis van 25 mei 2021

in de zaak van

[A] , te dezen handelend als notarieel gevolmachtigde van haar vader, [B],
wonende te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen [A],

gemachtigde: mr. T.M. Sanders,

tegen

1 [X] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [Y],
wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna gezamenlijk te noemen [X] c.s.,

zonder gemachtigde procederend.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 september 2020;

- het proces-verbaal van de op 12 januari 2021 te [plaats] gehouden descente en de aansluitend te Zwolle gehouden mondelinge behandeling.

1.2.

Hierna is vonnis bepaald. De zaak is daarna van rechtswege geschorst in verband met de behandeling van een op 9 maart 2021 door [X] c.s. ingediend verzoek tot wraking van de kantonrechter in deze zaak. Nadat de wrakingskamer dat verzoek op 14 april 2021 heeft afgewezen, is de zaak hervat en is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De heer [B] , vader van [A] , is eigenaar van het perceel aan de [adres 1] te [plaats] en [X] c.s. zijn eigenaar van het perceel aan de [adres 2] te [plaats] . Zodoende zijn dhr. [B] en [X] c.s. buren van elkaar en delen zij een erfgrens.

2.2.

De heer [B] lijdt aan een beginnend dementieel syndroom type M. Alzheimer. In verband daarmee heeft hij in maart 2018 een levenstestament c.q. notariële volmacht afgegeven, waarin (voor zover hier van belang) een van zijn dochters, [A] , tot zijn gevolmachtigde werd benoemd, ook om hem in rechte te vertegenwoordigen. Op basis van deze volmacht treedt [A] in deze procedure ten behoeve van de heer [B] als formele procespartij op. Waar hierna zonder nadere aanduiding over [A] zal worden gesproken, wordt op de heer [B] gedoeld en ook, waar relevant, op [A] in haar hoedanigheid van notarieel gevolmachtigde.

2.3.

Op en/of nabij de erfgrens heeft lange tijd een coniferenhaag (hierna: de coniferenhaag) gestaan. Over de coniferenhaag, als ook de locatie van de erfgrens, zijn partijen geruime tijd in gesprek geweest.

2.4.

Op 1 mei 2018 schrijft [A] aan [X] c.s. het volgende:

“(…) Op 29 april jl. hebben wij bij u een briefje in de bus gedaan met het verzoek om ons te bellen (…). Echter tot op heden hebben wij nog geen reactie van u mogen ontvangen (…). Het gaat om de Coniferen haag tussen u en de familie [B] , de familie [B] wenst graag meer overleg en geven op dit moment geen toestemming om genoemde haag te verwijderen.” (…)

[X] c.s. schrijven per e-mail van 18 september 2018 aan [A] :

“Bij deze bericht ik u dat in overleg met uw ouders, buurman [Z] en ons is besloten om de coniferen heg te verwijderen en een nieuwe coniferen heg te plaatsen zonder tussenkomst van het Kadaster.” (…)

Diezelfde avond reageert [A] per e-mail:

“Met verbazing heb ik kennis genomen van de inhoud van uw email waarin u de suggestie wekt dat u, na overleg met mijn ouders, samen tot overeenstemming bent gekomen en samen een beslissing hebt genomen over de coniferenhaag op de erfafscheiding.

(…) Vandaag heb ik nog navraag gedaan bij mijn ouders en zij hebben aangegeven dat zij hierover met u geen overleg hebben gehad en dat geen gezamenlijke beslissing is genomen.”

(…)

[A] schrijft op 4 november 2018 aan [X] c.s.:

(…) “Aangezien ik geen reactie heb ontvangen op mijn laatste mail (20 oktober 2018 jl.) ga ik er vanuit dat de huidige situatie betreffende de erfafscheiding met de haag blijft zoals deze nu is. Vanzelfsprekend blijf ik bereid met u in gesprek te gaan over de erfafscheiding met de haag.” (…)

2.5.

Vervolgens hebben partijen enige tijd geen contact met elkaar. Op 2 januari 2020 laten [X] c.s. eenzijdig de coniferenhaag weghalen. Nadien heeft er tussen partijen (en hun gemachtigden) eveneens correspondentie plaatsgevonden. [X] c.s. hebben nadien op eigen grond een nieuwe coniferenhaag geplaatst.

2.6.

De ligging van de erfgrens is door het Kadaster bepaald en/of aangewezen op 17 januari 2020. Het Kadaster heeft ter markering een metalen paal aangebracht in de grond ter hoogte van de erfgrens. Deze metalen paal bevindt zich aan de straatkant ter hoogte van de vierde trottoirtegel, gerekend vanaf de oprit van [B] .

3. Het geschil

In conventie

3.1.

[A] vordert – kort samengevat – een verklaring voor recht dat de erfgrens tussen beide percelen gelijk is aan de door het Kadaster uitgemeten grens, veroordeling van [X] c.s. tot betaling aan haar van een bedrag van € 4.485,00 aan schadevergoeding, veroordeling van [X] c.s. tot medewerking aan het doen planten van een nieuwe coniferenhaag, veroordeling van [X] c.s. tot betaling aan haar van een bedrag van € 725,00 aan kosten voor de kadastrale grensreconstructie en een bedrag van € 635,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [X] c.s. in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[A] legt – samengevat – het volgende aan haar vordering ten grondslag. [X] c.s. hebben onrechtmatig gehandeld door zonder overleg de coniferenhaag te rooien die de feitelijke erfafscheiding van beide percelen vormde en die geheel dan wel gedeeltelijk op de grond van haar vader stond. Voor haar vader is het plotseling rooien van de coniferenhaag een grote schok geweest. Het Kadaster is ingeschakeld om de erfgrens vast te stellen. Deze erfgrensreconstructie was noodzakelijk aangezien partijen het niet eens waren over waar deze zich bevond. [X] c.s. dienen medewerking te verlenen aan het oprichten van een coniferenhaag op de erfgrens, zodat [B] zoveel mogelijk in de situatie wordt gebracht zoals die was voor het onrechtmatig handelen. De wet spreekt weliswaar van een scheidsmuur, maar in de buurt is een haag als erfafscheiding gebruikelijk.

3.3.

[X] c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen. Op dit verweer zal – voor zover dit voor de beoordeling van belang is – hierna worden ingegaan.

In reconventie

3.4.

[X] c.s. vorderen – kort samengevat – veroordeling van [B] tot medewerking tot het oprichten van een twee meter hoge schutting op de erfgrens, een verklaring voor recht dat de strook grond langs de garage van [B] eigendom is geworden van [X] c.s., veroordeling van [B] tot betaling aan [X] c.s. van een bedrag van € 2.500,00 voor de nieuw door hen geplaatste coniferenhaag en kosten met betrekking tot het verwijderen van de oude coniferenhaag, veroordeling van [B] tot het jaarlijks snoeien van de boven het perceel van [X] c.s. groeiende takken en veroordeling van [B] tot het verwijderen van de camera en het respecteren van de privacy van [X] c.s. Daarnaast hebben [X] c.s. veroordeling van [B] gevorderd tot betaling van een vijftal schadeposten. Deze schadeposten zullen bij de beoordeling worden behandeld. [X] c.s. vorderen ten slotte veroordeling van [B] in de daadwerkelijke kosten van rechtsbijstand.

3.5.

[A] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Op dit verweer zal – voor zover dit voor de beoordeling van belang is – hierna worden ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie en in reconventie

Voorafgaande kwestie: te laat ingediende stukken?

4.1.

Tijdens de mondelinge behandeling op 12 januari 2021 hebben [X] c.s. spreekaantekeningen overgelegd, en daarnaast een viertal producties (bestaande uit in totaal 6 pagina’s, waarvan drie foto’s). Namens [B] is tegen het inbrengen van deze producties bezwaar gemaakt, op de grond dat deze pas voor het eerst op de zitting aan de kantonrechter en aan haar zijn verstrekt, en daarmee dusdanig laat dat deze buiten beschouwing moeten worden gelaten. De kantonrechter gaat aan het bezwaar van [B] voorbij, omdat de stukken beperkt van omvang zijn, gemakkelijk te doorgronden, en relevant voor het standpunt van [X] c.s., zodat de goede procesorde zich er tegen zou verzetten om deze stukken op grond van het moment van indiening buiten beschouwing te laten. De kantonrechter heeft deze stukken dan ook bij de beoordeling van deze zaak betrokken.

Inleiding

4.2.

Omdat het geschil zich vooral toespitst op de vraag of het laten verwijderen van de coniferenhaag door [X] c.s. als onrechtmatig is aan te merken, zal de kantonrechter deze vraag als eerste beantwoorden. Daarna worden de vorderingen op grond van artikel 5:49 BW van [B] en [X] c.s. gezamenlijk beoordeeld, omdat deze vorderingen (direct) verband houden met de hiervoor genoemde vraag. Vervolgens worden de overige vorderingen van [B] in conventie en de overige vorderingen van [X] c.s. in reconventie (afzonderlijk) beoordeeld.

Het verwijderen van de coniferenhaag door [X] c.s.

4.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter hebben [X] c.s. onrechtmatig jegens [B] gehandeld door op 2 januari 2020 de coniferenhaag te verwijderen. Dit oordeel berust op het volgende. Uit wat partijen over en weer hebben gesteld en niet (gemotiveerd) hebben weersproken, blijkt dat de situatie zich in deze zaak kenmerkt door het volgende. [X] c.s. zijn op een gegeven moment naast [B] komen wonen, naar hun huidige perceel, waar ongeveer op de plaats van de erfafscheiding met het perceel van [B] een coniferenhaag stond. [X] c.s. hebben al snel aangegeven dat zij deze haag weg wilden hebben, waarna er gesprekken tussen partijen hierover startten. Belangrijk in die gesprekken was dat onduidelijk was hoe de eigendomssituatie was: op wiens perceel stond de haag nu precies? Daarom werd tussen partijen ook gesproken over de mogelijkheid om door inschakeling van het Kadaster duidelijkheid te krijgen over waar de coniferenhaag nu exact stond ten opzichte van de erfgrens. Die gesprekken tussen partijen zijn op enig moment op een laag pitje geraakt, maar zonder dat er overeenstemming was bereikt over wat te doen met de coniferenhaag, en nadrukkelijk zonder dat een afspraak is gemaakt dat de zou worden verwijderd. Sterker nog, [A] ging er, gelet op het bericht van 4 november 2018, vanuit ging dat de situatie zoals deze op dat moment bestond vooralsnog zou voortduren. Dat [X] c.s. verwijdering van de coniferenhaag zou hebben aangekondigd bij e-mail van 26 september 2018 is niet vast komen te staan, aangezien [A] de ontvangst van deze e-mail gemotiveerd heeft betwist en [X] c.s. in het licht daarvan niet hebben aangegeven waaruit kan worden afgeleid dat [A] deze e-mail wel heeft ontvangen.

[X] c.s. hebben [B] op een zeker moment op 2 januari 2020 ermee overvallen door de coniferenhaag zonder aankondiging te laten verwijderen. Dit was een handelen zonder dat daaraan een afspraak ten grondslag lag, en een handelen dat in strijd is met de goede trouw die partijen als buren en gelet op de langdurige gesprekken over de coniferenhaag die nog geen duidelijke uitkomst hadden bereikt, in acht hadden moeten nemen. Dit zonder aankondiging en eigenstandig verwijderen van de had ook tot gevolg dat daarmee de mogelijkheid verloren is gegaan om in later stadium nog na te gaan op wiens grond de coniferenhaag nu eigenlijk stond. Zo is dat ook in deze procedure niet na te gaan, en dat hebben [X] c.s. door hun handelen veroorzaakt. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [X] c.s. onder deze omstandigheden onrechtmatig hebben gehandeld tegenover hun buurman [B] . Hun stelling dat de coniferenhaag geheel op hun eigen grond heeft gestaan en zij die daarom mochten weghalen is ten eerste niet relevant, omdat onder de gegeven omstandigheden, waarin partijen nog in onderling overleg waren en de optie van een Kadastermeting op tafel lag, het hen juist niet vrij stond om op deze manier tot verwijdering over te gaan. Maar minstens zo belangrijk is dat [X] c.s. zelf de situatie in het leven hebben geroepen waarin niet valt vast te stellen of zij (geheel) eigenaar waren van de coniferenhaag omdat deze op hun ondergrond rustte, en daarbij past het oordeel dat zij dan ook het nadeel van deze situatie voor hun rekening moeten nemen, namelijk dat er niet kan worden uitgegaan dat de coniferenhaag geheel op hun grond rustte.

[X] c.s. hebben, kortom, onrechtmatig gehandeld door, zonder overleg, zonder dat [B] daarop bedacht kon zijn, en zonder de mogelijkheid te benutten om door tussenkomst van het Kadaster te bepalen waar de erfgrens zich ten opzichte van de coniferenhaag bevond, de coniferenhaag te laten verwijderen. Zo hebben [X] c.s. een situatie doen ontstaan waarin niet meer kan worden vastgesteld op welk perceel die coniferenhaag zich (geheel of gedeeltelijk) bevond. Zo handelen is, wat er ook zij van de toestand van de coniferen, onrechtmatig tegenover [B] . [X] c.s. zijn dan ook aansprakelijk voor de schade die [B] hierdoor heeft geleden.

4.4.

[A] heeft gesteld dat zij als gevolg van het onrechtmatige verwijderen door [X] c.s. van de coniferenhaag, in een tweetal opzichten schade heeft geleden.

4.5.

Allereerst vordert [A] een bedrag van € 3.485,00 aan schadevergoeding voor het planten van een nieuwe coniferenhaag. [A] voert aan dat zij aanspraak maakt op herplantingskosten om in de situatie te komen zonder onrechtmatig handelen. De kantonrechter acht deze vordering toewijsbaar. [X] c.s. hebben immers, zoals hiervoor overwogen, onrechtmatig gehandeld door de coniferenhaag eigenhandig te verwijderen, en daarom moeten zij de schade vergoeden die [B] als gevolg daarvan heeft geleden. Uitgangspunt bij de berekening van de omvang van de schade is dat [B] zoveel mogelijk terug wordt gebracht in de situatie zonder schadeveroorzakende gebeurtenis. In gevallen van zaaksbeschadiging – zoals hier aan de orde – is uitgangspunt dat de eigenaar van de beschadigde zaak door die beschadiging een nadeel in zijn vermogen lijdt dat gelijk is aan de waardevermindering die de zaak heeft ondergaan. Het geldbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt zal in het algemeen gelijk zijn aan de – naar objectieve maatstaven berekende – kosten die met het herstel zijn gemoeid. [A] heeft voor het planten van een wat oudere, en dus meer volgroeide, coniferenhaag een offerte in het geding gebracht ten bedrage van € 3.485,00. [X] c.s. hebben deze offerte als zodanig niet in twijfel getrokken, zodat de kantonrechter de schade begroot op dit bedrag. [X] c.s. hebben weliswaar aangevoerd dat zij al een nieuwe coniferenhaag hebben geplant en dat [B] daarom geen schade heeft geleden, maar zoals [A] terecht stelt is de nieuwe coniferenhaag niet mandelig (mede-eigendom), waardoor [B] geen aanspraak kan maken op deze coniferenhaag. [X] c.s. hebben daarnaast aangevoerd dat de hoogte van de nieuw te planten coniferenhaag hoger is dan de oude coniferenhaag. [A] heeft hierop gereageerd door aan te voeren dat de bomen van de nieuw te planten coniferenhaag meer volgroeid zijn, waardoor [B] eerder in de oorspronkelijke situatie terecht komt. Bovendien kan deze coniferenhaag na plaatsing afgetopt worden, aldus [A] . Gelet hierop kan dit verweer van [X] c.s. niet aan toewijzing van de vordering in de weg staan. De slotsom is dan ook dat het gevorderde zal worden toegewezen. Tegen de door [A] gevorderde wettelijke rente is door [X] c.s. geen specifiek verweer gevoerd, zodat deze als op de wet gegrond zal worden toegewezen.

4.6.

[A] vordert hiernaast nog een bedrag van € 1.000,00, ter compensatie van genotsverlies en verminderde belevingswaarde met betrekking tot de verwijderde coniferenhaag. Dit deel van haar vordering zal worden afgewezen. [A] heeft weliswaar aangevoerd dat het plotseling verwijderen van de coniferenhaag voor de vader van [A] een grote schok is geweest, en dat het een tijd zal duren voordat hij weer tegen een coniferenhaag van vergelijkbare omvang kan aankijken, maar voor een vergoeding van immateriële schade komen alleen de in artikel 6:106 BW genoemde gevallen in aanmerking. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [A] onvoldoende onderbouwd dat een van deze gevallen zich voordoet, zodat dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

De vorderingen van [A] en [X] c.s. tot het oprichten van een scheidsmuur op de erfgrens ex artikel 5:49 BW

4.7.

Zowel [B] als [X] c.s. stellen zich op het standpunt dat er op de grens van hun percelen een afscheiding moet worden opgericht, maar zij vullen dit verschillend in. [A] vordert dat [X] c.s. eraan moeten meewerken dat [A] (weer) een coniferenhaag op de erfgrens laat plaatsen; [X] c.s. willen daarentegen een muur of een schutting. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [A] , inhoudende dat [X] c.s. worden veroordeeld tot het verlenen van zijn medewerking aan het op de erfgrens (laten) plaatsen van een vergelijkbare coniferenhaag als de verwijderde, moet worden toegewezen. [X] c.s. zijn namelijk ingevolge artikel 5:49 BW verplicht mee te werken aan het oprichten van een scheidsmuur van twee meter op de erfgrens. De wet spreekt weliswaar van een uit steen, hout of een andere daartoe geschikte stof vervaardigde, ondoorzichtige afsluiting, maar naar het oordeel van de kantonrechter is een coniferenhaag, zoals [A] vordert, eveneens toewijsbaar. De redenen hiervoor zijn als volgt. Allereerst heeft [A] gesteld, en hebben [X] c.s. onvoldoende betwist, dat een coniferenhaag als erfafscheiding plaatselijk gebruikelijk is. Dit betekent dat in dit geval een coniferenhaag een alternatief kan beiden voor de scheidsmuur waarover artikel 5:49 BW spreekt. Voor die coniferenhaag pleit, meer dan voor de door [X] c.s. gewenste muur of schutting, dat een nieuw te plaatsen coniferenhaag er ook voor zorgt dat [B] (zoveel mogelijk) wordt teruggebracht in de oorspronkelijke situatie, oftewel de situatie van voor het onrechtmatig handelen van [X] c.s. Bovendien hebben [X] c.s. tijdens de mondelinge behandeling aangegeven te kunnen leven met een coniferenhaag, en dat zij de nieuw geplante coniferenhaag in eerste instantie wilden laten staan, maar dat dat standpunt door deze procedure is gewijzigd.

De keerzijde hiervan is dat de vordering van [X] c.s., om een muur of schutting te laten oprichten, zal worden afgewezen. De reden waarom de door [A] gevorderde coniferenhaag als erfafscheiding naar het oordeel van de kantonrechter moet prevaleren boven hetgeen [X] c.s. vorderen, is – naast hetgeen hiervoor al is overwogen – dat toewijzing van hun vordering een resultaat zou opleveren dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Hierbij speelt mee dat de ratio van artikel 5:49 BW ligt in de bescherming van de privacy. De coniferenhaag die [X] c.s. onrechtmatig heeft verwijderd, voorzag hier al in. Door eigenhandig over te gaan tot verwijdering van de coniferenhaag hebben [X] c.s. zelf een probleem gecreëerd, waarvan zij vervolgens (ten koste van [B] ) zouden profiteren als hun vordering tot het doen oprichten van een schutting op de erfgrens zou worden toegewezen. Indien de vordering van [X] c.s. wordt toegewezen zou dit betekenen dat [B] voor de schutting, geheel op eigen grond, een coniferenhaag zou moeten plaatsen om weer in de oorspronkelijke situatie terecht te komen. Dit zou voor [B] , naast het verlies van de oude coniferenhaag, verlies aan ruimte zijn. Dit acht de kantonrechter in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

4.8.

Gelet op het voorgaande zal de vordering van [A] tot veroordeling van [X] c.s. tot het verlenen van medewerking aan het op de erfgrens doen plaatsen van een vergelijkbare coniferenhaag, conform de door [A] overgelegde offerte, worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen, met een maximum van € 5.000,00. De kantonrechter begrijpt het standpunt van [A] aldus, dat zij de coniferenhaag zelf zal laten aanleggen, zodat de medewerking van [X] c.s. vooral neer zal komen op het gedogen dat deze aanleg plaatsvindt. Eenmaal aangelegd zal de haag, zoals [A] zelf al stelt, mandelig zijn, en dat betekent dat er geen belang bestaat bij de vordering van [A] voor zover deze betrekking heeft op het gedogen van de haag; dat vloeit immers al voort uit de wettelijke regeling van mandeligheid. De vordering tot gehengen en gedogen van de haag zal dan ook vorderen afgewezen.

4.9.

Voor wat betreft de kosten van de door [B] op te richten coniferenhaag, geldt het volgende. Artikel 5:49 BW bepaalt dat beide perceeleigenaren – in dit geval [B] en [X] c.s. – voor gelijke delen bijdragen in de kosten van de aanleg van de erfafscheiding. Wanneer die regel in dit geval zou worden toegepast, dan zou dat betekenen dat [X] c.s. de helft van de kosten van de aanleg van een nieuwe coniferenhaag moeten betalen. Omdat hiervoor, in rechtsoverweging 4.5, is overwogen dat [B] al een schadevergoeding krijgt die de aanleg van een nieuwe coniferenhaag vertegenwoordigt, zou dat betekenen dat [B] méér dan een nieuwe haag vergoed krijgt, namelijk de schadevergoeding plus (op grond van artikel 5:49 BW) nog eens de helft van die kosten daarbij. Dat is echter niet de bedoeling: [B] dient volledig schadeloosgesteld te worden ten aanzien van het handelen onrechtmatige handelen van [X] c.s., en dat betekent dat zij een nieuwe coniferenhaag mag oprichten en dat zij daar zelf de kosten niet van hoeft te dragen, maar tot een verdergaande vergoeding van kosten zijn [X] c.s. niet gehouden. Gelet hierop zal de kantonrechter verstaan dat [X] c.s. geacht worden te hebben voldaan aan de kostenbijdrageplicht van artikel 5:49 BW, door middel van het vergoeden van de schade van de onrechtmatige verwijdering van de haag, zoals overwogen in rechtsoverweging 4.5. Een aparte kostenverdeling op de voet van artikel 5:49 BW zal dan ook niet worden gegeven.

In conventie

De verklaring voor recht

4.10.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het eens zijn over de door het Kadaster vastgestelde erfgrens, zodat de door [A] gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

De factuur van het Kadaster

4.11.

[A] vordert op de voet van artikel 6:96 lid 2 onder b BW vergoeding van de kosten van de door het Kadaster uitgevoerde grensreconstructie ter hoogte van € 725,00. Voor toewijzing van deze vordering is vereist dat de verrichte werkzaamheden, in de gegeven omstandigheden, redelijkerwijs noodzakelijk waren en dat de gemaakte kosten in hun omvang redelijk zijn. De kantonrechter is van oordeel dat aan deze dubbele redelijkheidstoets is voldaan. Gelet op het door [A] buiten rechte ingenomen standpunt dat er sprake is van onrechtmatig handelen van [X] c.s. door het verwijderen van de coniferenhaag, acht de kantonrechter het niet onredelijk dat [A] ter vaststelling van de locatie van de coniferenhaag ten opzichte van de erfgrens het Kadaster heeft ingeschakeld. Nu daarnaast is gesteld noch gebleken dat het door het Kadaster in rekening gebrachte bedrag onredelijk is, zal het gevorderde worden toegewezen. Tegen de door [A] gevorderde wettelijke rente over dit bedrag is door [X] c.s. geen specifiek verweer gevoerd. Op 7 februari 2020 heeft [A] [X] c.s. gesommeerd dit bedrag binnen veertien dagen te voldoen, waarna betaling door [X] c.s. is uitgebleven, zodat de wettelijke rente vanaf dat moment (22 februari 2020) zal worden toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten en rente

4.12.

[A] vordert een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De onderhavige vordering heeft echter geen betrekking op één van de situaties waarin genoemd Besluit van toepassing is. De kantonrechter zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. Aan deze eisen is voldaan, nu voldoende is gebleken dat [A] op dit punt kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 635,50 komt de kantonrechter niet bovenmatig voor en zal worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar en zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding.

Proceskosten

4.13.

[X] c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Omdat de conventie en reconventie in hetzelfde vonnis worden beoordeeld, bestaat slechts eenmaal recht op nakosten. Aan de zijde van [A] worden de proceskosten vastgesteld en begroot op:

- kosten dagvaarding € 100,89

- griffierecht € 236,00

- salaris gemachtigde € 933,00 (3 punten voor de dagvaarding, descente en mondelinge behandeling maal het tarief van € 311,00 per punt)

Totaal € 1.269,89

- nakosten € 124,00

In reconventie

4.14.

De vordering van [X] c.s. die zien op het oprichten van een scheidsmuur op de erfgrens zijn in rechtsoverweging 4.7 al behandeld. Hierna zullen de overige vorderingen van [X] c.s. worden behandeld.

De strook grond langs de garage

4.15.

[X] c.s. vorderen een verklaring voor recht dat de strook grond langs de garage van [B] hun eigendom is en zij vorderen medewerking van [B] tot notariële vastlegging hiervan.

4.16.

De kantonrechter overweegt als volgt. Voor zowel verkrijgende als bevrijdende verjaring is vereist dat sprake is van ondubbelzinnig bezit van [X] c.s. en eventueel hun rechtsvoorganger(s). Er is sprake is van ondubbelzinnig bezit wanneer iemand een strook grond voor zichzelf houdt, hierover de feitelijke macht heeft en zich als eigenaar gedraagt. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben [X] c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat zij (en hun rechtsvoorganger(s)) onafgebroken bezitter zijn geweest van de strook grond naast de garage van [B] . In ieder geval is de enkele stelling van [X] c.s. dat de strook grond integraal onderdeel is geweest van de tuin hiervoor onvoldoende. Uit het enkele gebruik van een strook grond kan namelijk niet de intentie van de gebruiker om de strook grond voor zichzelf te houden worden afgeleid. De vordering zal daarom worden afgewezen.

De verplichting tot het snoeien van overhangende takken

4.17.

[X] c.s. vorderen veroordeling van [A] tot het jaarlijks snoeien van de boven het perceel van [X] c.s. groeiende takken. Tijdens de descente heeft de kantonrechter waargenomen dat deze boom door [A] is teruggesnoeid waardoor de takken niet of nauwelijks (meer) over de erfgrens heen hangen. Omdat [A] heeft toegezegd dit te zullen blijven doen – aan welke toezegging zij zich ook moet houden – hebben [X] c.s. naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende belang zoals bedoeld in artikel 3:303 BW bij toewijzing van deze vordering. Bovendien zijn [X] c.s. op grond van artikel 5:44 lid 1 BW bevoegd om overhangende takken zelf te verwijderen, indien [A] hiermee ondanks aanmaning in gebreke blijft. De vordering zal worden afgewezen.

De vordering tot verwijdering van de camera

4.18.

[X] c.s. vorderen veroordeling van [A] tot het verwijderen van een deurbelcamera die op het perceel van [X] c.s. gericht is, alsmede veroordeling van [A] tot het respecteren van de privacy van [X] c.s. Volgens [X] c.s. maakt [A] regelmatig foto’s en films van [X] c.s., waarbij [A] niet schuwt om zonder toestemming de tuin van [X] c.s. te betreden.

4.19.

De kantonrechter stelt voorop op dat [X] c.s. door het onrechtmatig verwijderen van de coniferenhaag zelf een groot aandeel hebben in de door hen gestelde inbreuk op hun privacy, dan wel hun persoonlijke levenssfeer. Dat [A] opnames maakt met de camera is daarnaast wel gesteld, maar er zijn door [X] c.s. geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht dat [A] zich hier daadwerkelijk aan schuldig maakt. Dit had wel gemoeten, gelet op hetgeen tijdens de descente is vastgesteld. Desgevraagd heeft [A] namelijk de app van de deurbelcamera op haar telefoon laten zien, waarop te zien is dat het huis van [X] c.s. is geblokt en niet zichtbaar is. De enkele mogelijkheid van het filmen van [X] c.s. door middel van de deurbelcamera is in dit geval onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van een daadwerkelijke inbreuk op de privacy, dan wel de persoonlijke levenssfeer van [X] c.s. Ook voor wat betreft het betreden van de tuin van [X] c.s. zijn door hen onvoldoende concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Diverse schadeposten

4.20.

[X] c.s. vorderen veroordeling van [A] tot betaling van een vijftal schadeposten. Deze schadeposten zullen hierna individueel worden beoordeeld.

Gemaakte kosten met betrekking tot de coniferenhagen

4.20.1.

Het door [X] c.s. gevorderde bedrag van € 2.500,00, voor kosten met betrekking tot verwijdering van de oude coniferenhaag en het door hen plaatsen van een nieuwe coniferenhaag zal worden afgewezen, nu door [X] c.s. niet is aangevoerd op grond waarvan deze kosten voor rekening van [A] zouden moeten komen.

Uren van de tuinman

4.20.2.

[X] c.s. vorderen een bedrag van € 600,00 voor de uren die hun tuinman met mevrouw [A] aan de telefoon was en niet heeft kunnen werken door haar dreigementen. De kantonrechter zal deze vordering afwijzen, omdat het gevorderde bedrag op geen enkele wijze door [X] c.s. is onderbouwd. Bovendien geldt ook voor deze vordering dat [X] c.s. niet hebben aangevoerd op grond waarvan deze kosten voor rekening van [A] zouden moeten komen.

Lekkage van de garage/mosgroei

4.20.3.

Het door [X] c.s. gevorderde bedrag van € 2.500,00, voor het oplossen van lekkage aan de garage en mosgroei die volgens hen is ontstaan door overhangende takken, zal worden afgewezen. [X] c.s. hebben naar het oordeel van de kantonrechter namelijk onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van schade. De enkele stelling dat er schade is, tezamen met een drietal foto’s zonder enige beschrijving, is hiervoor in ieder geval onvoldoende. Daarnaast hebben [X] c.s. onvoldoende onderbouwd dat deze gestelde schade is ontstaan als gevolg van de overhangende takken afkomstig van [B] . Daarmee hebben [X] c.s. niet aan hun stelplicht voldaan en zal het gevorderde dan ook worden afgewezen.

Genotsverlies, verminderde belevingswaarde en emotionele schade

4.20.4.

[X] c.s. vorderen een bedrag van € 1.000,00 ter vergoeding van, zo stellen zij, emotionele schade doordat het herstel van [Y] bewust werd benadeeld en ongevraagd op film werd gezet. Daarnaast vorderen [X] c.s. een bedrag van € 1.500,00 voor het door [A] willens en wetens belemmeren van [X] c.s. in hun woongenot en op kosten jagen vanwege hun etnische achtergrond. Deze vorderingen tot vergoeding van immateriële schade zijn naar het oordeel van de kantonrechter niet toewijsbaar. [X] c.s. stellen weliswaar dat [A] het oogmerk heeft gehad om hen schade toe te brengen, maar dit is niet nader met feiten en omstandigheden onderbouwd. Dit had – gelet op de betwisting ervan door [A] – wel op de weg van [X] c.s. gelegen. Nu [X] c.s. dit niet hebben gedaan, zal het gevorderde worden afgewezen.

Proceskosten

4.21.

[X] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [A] begroot op € 311,00 (zijnde 1 punt voor de conclusie van antwoord in reconventie maal het tarief van € 311,00 per punt).

5 De beslissing

De kantonrechter

In conventie

5.1.

verklaart voor recht dat de erfgrens tussen beide percelen gelijk is aan de door het Kadaster op 17 januari 2020 uitgemeten grens;

5.2.

veroordeelt [X] c.s. hoofdelijk tot betaling aan [A] van een bedrag van

€ 3.485,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt [X] c.s. hoofdelijk om op eerste schriftelijk verzoek van [A] alle benodigde medewerking te verlenen aan het door [A] doen planten van een nieuwe coniferenhaag op de kadastrale erfgrens, vanaf de stoep tot aan de garage van [B] , op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [X] c.s. daaraan niet vrijwillig voldoen en met een maximum van € 5.000,00;

5.4.

veroordeelt [X] c.s. hoofdelijk tot betaling aan [A] van een bedrag van

€ 725,00 aan kosten voor de kadastrale grensreconstructie, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.5.

veroordeelt [X] c.s. hoofdelijk tot betaling aan [A] van een bedrag van

€ 635,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.6.

veroordeelt [X] c.s.in de proceskosten, aan de zijde van [A] vastgesteld op

€ 1.269,89, en in de nakosten, begroot op € 124,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af;

In reconventie

5.8.

wijst de vorderingen af;

5.9.

veroordeelt [X] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [A] begroot op

€ 311,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;

In conventie en in reconventie

5.10.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de beslissingen onder 5.1., 5.7. en 5.8.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Essed, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2021.