Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:2919

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-07-2021
Datum publicatie
22-07-2021
Zaaknummer
08/996069-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 73-jarige man tot een voorwaardelijke taakstraf van 60 uur met een proeftijd van 2 jaar voor het medeplegen van valsheid in geschrifte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/996069-16 (P)

Datum vonnis: 22 juli 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1947 in [geboorteplaats 1] ,

wonende aan [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 17 juni 2021 en 8 juli 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.C.M. Poland en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M. Stevens, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de de periode van 3 oktober 2014 tot en met 10 oktober 2014 samen met een ander, dan wel alleen, een vals geschrift heeft opgemaakt;

feit 2: in de periode van 29 januari 2016 tot en met 1 februari 2016 samen met een ander, dan wel alleen, twee valse verklaringen heeft opgemaakt;

feit 3: in de maand december 2015 samen met een ander, dan wel alleen, een valse verklaring heeft opgemaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

feit 1

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 3 oktober 2014 tot en met 10 oktober 2014 te Emmen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een brief met als afzender " [bank] ", voorzien van de datum 3 oktober 2014, gericht aan [bedrijf 1] AG (bijlage 56578, DOC010, pg. 1729) -zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, deze brief ondertekend, terwijl er geen " [bank] " bestond;

feit 2

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 29 januari 2016 tot en met 1 februari 2016 te Emmen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tweetal, althans een verklaring(en) -(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte:

1. in een verklaring gedateerd 29 januari 2016 (bijlage bij AG-008, pg. 1054) opzettelijk in strijd met de waarheid opgenomen "Hierbij verklaar ik, notaris [verdachte] , uit eigen wetenschap dat de heer [naam 1] nimmer betrokken is geweest bij de BV [bedrijf 2] noch bij de [stichting] . Ook verklaar ik hierbij dat ik de heer [naam 1] nooit over de zaken van genoemde rechtspersonen heb gesproken" en die verklaring voorzien van een afdruk van het rondstempel met wapen en de vermelding Mr [verdachte] Notaris te Emmen en die verklaring voorzien van zijn, verdachtes, handtekening;

en/of

2. in een verklaring gedateerd 29 januari 2016 (bijlage 56578, DOC-150, pg. 2382) opzettelijk in strijd met de waarheid opgenomen “Hierbij verklaar ik, notaris [verdachte] , uit eigen wetenschap dat de heer [naam 1] nimmer betrokken is geweest bij de bij de stichting [stichting] . Ik verklaar dan ook nimmer met heer [naam 1] gesproken te hebben of advies te hebben gevraagd over de zaken van genoemde stichting of met die van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 2] B.V.” en die verklaring voorzien van een afdruk van het rondstempel met wapen en de vermelding Mr [verdachte] Notaris te Emmen en die verklaring voorzien van zijn, verdachtes, handtekening;

feit 3

hij, verdachte, in of omstreeks de maand december 2015 te Emmen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een verklaring -zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, in een verklaring gedateerd 9 december 2015 (bijlage 56578, DOC-152, pg. 2384) opzettelijk in strijd met de waarheid opgenomen "Herewith I, civil-law notary, mr [verdachte] , residing at Emmen, Netherlands, declare that Mr. [naam 1] , born on [geboortedatum 2] /1947 in [geboorteplaats 2] (Olanda), resident at [adres 2] (Olanda), passport n. [nummer] , at present has more than sufficient financial funds to his disposal to furnish the complete legal minimum capital to a banking company or any other financial company for over twentyfive million euros (E 25.000.000,00), which enables him in the future also to furnish more money tot he financial company." en die verklaring voorzien van een lakzegel met wapen en de vermelding Mr. [verdachte] Notaris te Emmen en die verklaring voorzien van zijn, verdachtes, handtekening

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat daarbij sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en (medeverdachte) [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ).

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe allereerst aangevoerd dat het vereiste (voorwaardelijk) opzet op het valselijk opmaken van de brief niet kan worden bewezen. Verdachte heeft de brief aan [bedrijf 1] AG i/o namens [medeverdachte] ondertekend. Verdachte kreeg hiertoe de opdracht van [medeverdachte] en vertrouwde erop dat hij de brief kon ondertekenen, omdat hij in San Marino was geweest en heeft gezien dat er voorbereidingen werden getroffen voor de oprichting van de bank. Ten tweede heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het medeplegen niet kan worden bewezen, omdat de bijdrage van verdachte aan de brief daarvoor te beperkt was. Verdachte heeft niet meegedacht over de inhoud en het doel van de brief en, naast het plaatsen van een handtekening i/o, geen andere handelingen verricht.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij allereerst aangevoerd dat het dossier geen document bevat met de exacte bewoordingen die tussen aanhalingstekens in de tenlastelegging zijn opgenomen. Ten tweede zijn de documenten die over de betrokkenheid van [naam 1] bij [bedrijf 2] B.V. gaan, DOC-625 en DOC-150, niet door verdachte opgemaakt respectievelijk niet vals. DOC-625 is vermoedelijk door iemand anders valselijk opgemaakt. De raadsvrouw heeft er in dat verband op gewezen dat een notaris geen vrijwaring mag afgeven en dat het dossier slechts een kopie van het document bevat, zodat niet kan worden vastgesteld dat zijn originele stempel op het document staat. Ook bevat het dossier meer documenten waarop de handtekening en stempel van verdachte staan, terwijl hij zich niet kan herinneren die stukken te hebben getekend of gestempeld. De verklaring van [naam 1] dat verdachte twee exemplaren zou hebben getekend en afgestempeld is onvoldoende duidelijk en betrouwbaar. DOC-150 is wel door verdachte ondertekend, maar in de tenlastelegging ontbreekt een cruciaal gedeelte uit dit document en is onvoldoende uiteengezet waarom DOC-150 precies vals is. Ten derde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte geen opzet op de valsheid van het geschrift had. Hij heeft de verklaring juist aangepast om deze in overeenstemming met de werkelijkheid te maken. Ten vierde heeft hij de verklaring nooit opgesteld met het oogmerk om deze naar derden toe te (doen) gebruiken.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw ook vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat hij de verklaring heeft opgesteld en dat hij erop vertrouwde dat het bankafschrift dat [medeverdachte] hem heeft laten zien, echt was. Van verdachte kon redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij zelf moest kunnen zien dat het bankafschrift vals was. Verdachte had gelet op deze omstandigheden geen voorwaardelijk opzet op de valsheid.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

feit 1

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe, onder verwijzing naar de in de bijlage onder 1 tot en met 7 opgenomen bewijsmiddelen, het volgende.

De rechtbank stelt op grond van deze bewijsmiddelen vast dat verdachte op 10 oktober 2014 in opdracht van [medeverdachte] een brief, gedateerd 3 oktober 2014, met als afzender " [bank] " heeft ondertekend. In de betreffende brief werd vermeld dat deze onder licentie zou opereren van de Centrale Bank van San Marino en haar administratieve zetel zou hebben ten kantore van het notariskantoor van verdachte. Dit geschrift is valselijk opgemaakt, omdat deze “ [bank] ” niet bestond. Blijkens de inhoud van dit geschrift, zijnde een bevestiging van gemaakte afspraken met het doel om anderen te bewegen om te investeren, was het bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen. Op een gegevensdrager die aan medeverdachte [medeverdachte] toebehoort, de harde schijf die bij haar adviseur [naam 2] in Heerenveen lag, is een e-mail aan [mailadres 1] aangetroffen die is gestuurd vanaf een e-mailadres dat bij [medeverdachte] in gebruik was, met daarbij een ongetekende versie van de verklaring die op de aanhef na gelijkluidend is aan de verklaring die door verdachte in opdracht van [medeverdachte] is ondertekend. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat [medeverdachte] degene is die de verklaring heeft opgesteld. Gelet op de inhoud van de verklaring was het oogmerk aanwezig om deze verklaring richting derden te gebruiken. Dit blijkt ook uit het verzenden van deze verklaring naar [mailadres 1] .

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

[medeverdachte] heeft het document aan verdachte ter hand gesteld en verdachte heeft het in opdracht van [medeverdachte] ondertekend. Verdachte heeft op deze manier mogelijk gemaakt dat [medeverdachte] als opdrachtgever voor die ondertekening de inhoud van het aldus ondertekende stuk voor haar rekening kon nemen en het stuk kon gebruiken. Daarnaast heeft verdachte ermee ingestemd dat zijn kantooradres werd vermeld als de administratieve zetel van de " [bank] ". Op grond van de verklaring van verdachte en het e-mailbericht van [medeverdachte] aan verdachte van 7 juni 2014 stelt de rechtbank vast dat verdachte er vanuit is gegaan dat de bank in oprichting was, maar niet wist of de bank daadwerkelijk was opgericht. Van verdachte kon en mocht, gelet op zijn controlerende rol als notaris en de omstandigheid dat hij deze “i.o.” ondertekende, bij uitstek worden gevergd dat hij zelfstandig de juistheid van de inhoud van de verklaring onderzocht, omdat hij daarvoor zelf (mede) de verantwoordelijkheid draagt. Verdachte heeft dit niet of onvoldoende gedaan en zo handelend de aanmerkelijke kans op de koop toe genomen dat dit stuk vals was.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

feit 2

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Ten aanzien van de verklaring gedateerd 29 januari 2016 (bijlage bij AG-008, pg. 1054) overweegt de rechtbank dat in het citaat dat in de de tenlastelegging is opgenomen, het onderdeel “Hierbij vrijwaar ik de heer [naam 1] voor het bovengenoemde” ontbreekt. Verdachte heeft aangevoerd dat hij als notaris geen verklaring zou ondertekenen waarin staat dat hij een vrijwaring zou afgeven. Verder heeft verdachte aangevoerd dat de verklaring weliswaar is voorzien van van een afdruk van het rondstempel met wapen en de vermelding Mr [verdachte] Notaris te Emmen en van verdachtes handtekening, maar op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld of deze origineel zijn. De rechtbank overweegt dat hetgeen is aangevoerd niet wordt weerlegd door de bewijsmiddelen en acht de door verdachte gegeven verklaring voldoende aannemelijk. Gelet op het voorgaande ontbreekt voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de in de tenlastelegging bij feit 2 onder 1 genoemde verklaring valselijk heeft opgemaakt.

Ten aanzien van de verklaring van 29 januari 2016 (DOC-150, pagina 2382) overweegt de rechtbank dat in het citaat dat in de de tenlastelegging is opgenomen, het onderdeel “anders dan als bestuurder, een machtiging gegeven hebbende aan zijn mede-bestuurder, ondergetekende, om zonder last en ruggespraak met hem als volmachtgever te handelen” ontbreekt. Dit is een essentieel onderdeel dat de inhoud en strekking van de verklaring raakt. Gelet op het voorgaande kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de verklaring zoals ten laste gelegd bij feit 2 onder 2 heeft opgesteld of daarbij betrokken is geweest.

feit 3

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe, onder verwijzing naar de in de bijlage onder 2 en 8 tot en met 13 opgenomen bewijsmiddelen, het volgende.

De rechtbank stelt op grond van deze bewijsmiddelen vast dat verdachte een verklaring, inhoudende dat [naam 1] beschikte over € 25.000.000,-- heeft ondertekend en voorzien van zijn lakstempel. Verdachte heeft verklaard dat hij deze verklaring heeft opgesteld op basis van een bankafschrift waarvan [medeverdachte] hem op haar mobiele telefoon een digitale versie heeft getoond en waarop een veel hoger bedrag stond dan de genoemde
€ 25.000.000,--. Het geschrift is valselijk opgemaakt, nu uit onderzoek is gebleken dat het banksaldo van [naam 1] op 18 november 2015 slechts € 106,45 bedroeg. Blijkens de inhoud van dit geschrift, zijnde een door een notaris afgegeven verklaring om anderen ervan te overtuigen dat [naam 1] een voldoende financiële uitgangspositie had, was het bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen. De verklaring is op verzoek van medeverdachte [medeverdachte] afgegeven, met de bedoeling om deze aan [naam 1] ter hand te stellen, waarmee deze laatste in staat zou worden gesteld onroerend goed aan te kopen. Hieruit volgt dat het oogmerk om deze verklaring als echt en onvervalst te gebruiken, aanwezig was.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft de tekst van de verklaring aangeleverd bij verdachte en aan hem een bankafschrift van een rekening op naam van [naam 1] getoond. Verdachte heeft vervolgens zijn handtekening en het lakstempel onder de verklaring geplaatst en daarbij vertrouwd op de gegevens die verdachte heeft aangeleverd zonder zelf onderzoek dienaangaande te verrichten. Van verdachte kon en mocht, gelet op zijn controlerende rol als notaris en het gewicht dat aan een verklaring van of ondertekend door een notaris wordt toegekend, bij uitstek worden gevergd dat hij zelfstandig de juistheid van de inhoud van de verklaring onderzocht, omdat hij daarvoor door ondertekening daarvan zelf de verantwoordelijkheid draagt. Dit geldt temeer nu verdachte het desbetreffende bankafschrift slechts op de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] heeft gezien. Niet alleen heeft verdachte de authenticiteit van het hem getoonde digitale bankafschrift niet geverifieerd, hij heeft evenmin enig onderzoek verricht naar andere gegevens over de vermogenspositie, bijvoorbeeld over de aanwezigheid van eventuele schulden. Verdachte heeft zo handelend de aanmerkelijke kans op de koop toe genomen dat dit stuk vals was.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1

hij, verdachte, in de periode van 3 oktober 2014 tot en met 10 oktober 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander een brief met als afzender " [bank] ", voorzien van de datum 3 oktober 2014, gericht aan [bedrijf 1] AG

-zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, deze brief ondertekend, terwijl er geen " [bank] " bestond;

feit 3

hij, verdachte, in de maand december 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een verklaring -zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, in een verklaring gedateerd 9 december 2015 opzettelijk in strijd met de waarheid opgenomen

"Herewith I, civil-law notary, mr [verdachte] , residing at Emmen, Netherlands, declare that Mr. [naam 1] , born on [geboortedatum 2] /1947 in [geboorteplaats 2] (Olanda), resident at [adres 2] (Olanda), passport n. [nummer] , at present has more than sufficient financial funds to his disposal to furnish the complete legal minimum capital to a banking company or any other financial company for over twentyfive million euros (E 25.000.000,00), which enables him in the future also to furnish more money to the financial company."

en die verklaring voorzien van een lakzegel met wapen en de vermelding Mr. [verdachte] Notaris te Emmen en die verklaring voorzien van zijn, verdachtes, handtekening.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 of 3 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

medeplegen van valsheid in geschrift

feit 3

het misdrijf:

medeplegen van valsheid in geschrift

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat, in geval van een bewezenverklaring, wordt volstaan met toepassing van artikel 9a Sr. Daartoe heeft zij aangevoerd dat deze strafzaak en met de feiten samenhangende andere procedures grote gevolgen hebben gehad voor verdachte, dat verdachte geen voordeel aan de ten laste gelegde feiten heeft gehad en altijd volledig heeft meegewerkt aan het strafrechtelijk onderzoek. Dat de redelijke termijn met twee jaar is overschreden, is niet aan de verdediging toe te rekenen. Met het opleggen van een straf of maatregel is geen redelijk strafdoel meer gediend.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich twee keer samen met een ander schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. In het maatschappelijk verkeer pleegt vertrouwen te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming. Dit geldt bij uitstek als deze stukken zijn afgegeven of ondertekend door een notaris. Handelend in die hoedanigheid mocht van verdachte worden verwacht dat hij de hem gepresenteerde en aangeleverde gegevens niet klakkeloos als juist had geaccepteerd, maar de juistheid daarvan had onderzocht alvorens deze in zijn hoedanigheid van notaris te ondertekenen. Dit heeft verdachte nagelaten. De rechtbank rekent dit de verdachte aan en neemt hem dit kwalijk, nu verdachte met zijn handelwijze en gelet op de functie en rol van notaris die hij daarbij vervulde, het vertrouwen dat gesteld moet kunnen worden in stukken die ondertekend zijn door een notaris, ernstig heeft beschaamd.

De rechtbank heeft kennis genomen van het feit dat verdachte geen justitiële documentatie (strafblad) heeft.

Bij het opleggen van de straf houdt de rechtbank rekening met de gevolgen die de zaak al heeft gehad voor verdachte door de reeds gevoerde civiele procedures en tuchtprocedures en de negatieve aandacht die er in de media voor verdachte is geweest, nu zijn handelen onderdeel heeft uitgemaakt van een groter fraudeonderzoek.

De rechtbank is verder van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM. Op 23 augustus 2017 is met het verhoor van verdachte een handeling verricht waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld, zodat op dat moment de redelijke termijn is aangevangen. De behandeling ter terechtzitting is niet binnen de redelijke termijn van twee jaren, maar bijna vier jaar later afgerond met een eindvonnis en deze vertraging is in het geheel niet toe te rekenen aan verdachte.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande in beginsel een onvoorwaardelijke werkstraf van 60 uren passend en geboden, maar zal deze werkstraf geheel voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van 2 jaren, vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

De heer [benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.500.000,-- [één miljoen en vijfhonderdduizend euro] vanwege de inleg in producten die achteraf niet blijken te bestaan.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, omdat de causaliteit tussen de gevorderde schade en de strafbare feiten ontbreekt en de vordering zich niet leent voor eenvoudige afdoening binnen het strafproces.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de vordering in civiele procedures tot in hoger beroep is afgewezen. De vordering levert bovendien een onevenredige belasting van het strafgeding op, is niet onderbouwd en heeft geen rechtstreeks verband met de feiten waarvoor verdachte vandaag terecht staat.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is niet komen vast te staan dat verdachte door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De benadeelde partij zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift

feit 3

het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 3 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 60 (zestig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

- bepaalt dat deze taakstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij: [benadeelde]: in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. H. Manuel en mr. R.P. van Campen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van den Ham-Pool, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2021.

Buiten staat

Mrs. H. Manuel en R.P. van Campen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer 56578 (Wakatobi). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Een ander geschrift, te weten een brief van [medeverdachte] van 3 oktober 2014 (DOC-010), dossierpagina 1729-1730, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[bank]

Fondata 2014

Directie: [getuige]

[bedrijf 1] AG

Datum: 3 oktober 2014

Geachte directie,

Onder de uitdrukkelijke voorwaarde van onvoorwaardelijke storting uiterlijk op donderdag 9 oktober a.s. voor 14 uur van de eigen inleg van € 1.150.000,- ter verkrijging van een lening van € 5.750.000,- op de derdengeldenrekening van notaris [verdachte] is de bank, hierbij vertegenwoordigd door ondergetekende, bereid om zich in te spannen voor het uitkeren van:

1. per 10 oktober 2014

en

2. € 2.000.000,- per 22 november 2014

als voorschot op de hiervoor genoemde lening teneinde u in staat te stellen om licenties van het [bedrijf 3] te verwerven.

mr [medeverdachte]

i.o. (met daarbij een handtekening)

Administratieve zetel in Nederland: [adres 3] Emmen.

Emmen, voor gezien, 10.10.2014 (met daarbij een handtekening)

2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 23 augustus 2017 (V-003-01), dossierpagina 1593 en 1604-1605, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb de brief van [bank] van [medeverdachte] en gericht aan [bedrijf 1] AG via het emailadres: [mailadres 1] , gedateerd op 3 oktober 2014, getekend in opdracht van [medeverdachte] . De brief is getekend op 10 oktober 2014. De reden dat mijn kantooradres werd gebruikt als administratieve zetel voor deze zogenaamde bank was dat ik de controlefunctie had. Ik ging daar stilzwijgend mee akkoord. Ik ging er toen vanuit dat de bank bestond.

De handtekening en het lakstempel op de ‘statement of financial situation’ van 9 december 2015 zijn van mij. Ik heb deze verklaring opgesteld aan de hand van een dagafschrift waar een veel hoger bedrag op stond dan de genoemde € 25.000.000. het was een afschrift van de ABN-AMRO. Ik kreeg dat dagafschrift van mevrouw [medeverdachte] en het was een bankafschrift van een rekening op naam van [naam 1] . Het was een bankafschrift van rond de datum waarop deze verklaring is opgesteld. De tekst van de verklaring die ik heb opgesteld is aangeleverd door mevrouw [medeverdachte] .

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 12 september 2017 (G-019-01), dossierpagina 1630, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[projectnaam] was een werknaam van het project. Het is nooit wat geworden.

4. Het proces-verbaal van bevindingen van 9 januari 2018, pagina 2 van het aanvullend proces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 8 december 2016 heeft mijn collega, de heer [naam 3] , de voorwerpen, met name administratie, bescheiden en een laptop gevorderd van [medeverdachte] , die op dat moment lagen bij haar adviseur, de heer [naam 2] , [adres 4] .

Eén van die voorwerpen was een harde schijf.

Ook staan op de harde schijf de mails van en naar de volgende mailadressen:

[mailadres 2]

Deze mailadressen zijn/waren in gebruik bij [medeverdachte] .

5. Het proces-verbaal van bevindingen van 18 januari 2018, pagina’s 4, 11 en 13 van het aanvullend proces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Bijlage 2: op de harde schrijf die vermoedelijk door [medeverdachte] is gebruikt (zie hiervoor pv van bevindingen d.d. 9 januari 2018), is een mail aangetroffen van 3 oktober 2014 van het mail adres [mailadres 2] naar het adres [mailadres 1] . Als bijlage zit een brief van [bank] , die gelijk is aan de brief die is getoond aan [medeverdachte] .

Bijlage 2

From: [mailadres 2]

Sent: Fri, 3 Oct 2014

To: [mailadres 1]

In de bijlage de door [naam 4] verzochte bevestiging.

[bank]

Fondata 2014

De heer [naam 4]

De heer [naam 5]

Geachte heer [naam 4] , geachte heer [naam 5] ,

6. Een ander geschrift, te weten een e-mail van [medeverdachte] aan [verdachte] van 7 juni 2014, pagina 5 van het aanvullend proces-verbaal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het aantrekken van gelden naar de stichting derdengelden wordt vanaf gisteren gecombineerd met het aanbieden van een spaarrekening bij [projectnaam] . De bank

Is gisteren min of meer geboren.

7. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] van 5 januari 2018 (V-001-08), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 3:

[projectnaam] zou een mogelijke naam voor een bank worden als de licentie zou worden verkregen. Er is uiteindelijk geen bank gekomen.

8. Een ander geschrift, te weten een statement of financial situation van 9 december 2015 (DOC-152), dossierpagina 2384, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Herewith I, civil-law notary, mr [verdachte] , residing at Emmen, Netherlands, declare that Mr. [naam 1] , born on [geboortedatum 2] /1947 in [geboorteplaats 2] (Olanda), resident at [adres 2] (Olanda), passport n. [nummer] , at present has more than sufficient financial funds to his disposal to furnish the complete legal minimum capital to a banking company or any other financial company for over twentyfive million euros (E 25.000.000,00), which enables him in the future also to furnish more money to the financial company.

Emmen, 9-12-2015

9. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 juni 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

[medeverdachte] heeft mij op haar telefoon digitaal een bankafschrift van de ABN-AMRO met een bedrag van ongeveer 44 miljoen euro laten zien. Op basis daarvan heb ik de ‘statement of financial situation’ van 9 december 2015 getekend en gewaarmerkt.

10. Een ander geschrift, te weten informatie betreffende het word-document statement of financial situation van 9 december 2015 (DOC-619), dossierpagina 3128, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Auteur: [medeverdachte]

11. Een ander geschrift, te weten een bankafschrift t.n.v. [naam 1] van 18 november 2015 (DOC-639), dossierpagina 3166, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Nieuw saldo 106,45

12. Het proces-verbaal zaaksdossier 14 (14-PV) van 27 september 2017, dossierpagina 266-267, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het saldo bedraagt per 18 november 2015 € 106,45. De bedragen op dit afschrift komen overeen met het overzicht van de mutaties van de ABN-AMRO bank.

13. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] van 7 december 2016 (V002-05), dossierpagina 1570, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Deze verklaring (DOC 152) heeft mevr. [medeverdachte] voor mij opgehaald bij notaris [verdachte] . Met deze verklaring zou ik onroerend goed aan kunnen kopen.