Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:288

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-01-2021
Datum publicatie
26-01-2021
Zaaknummer
Awb 20/567
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor realiseren van een bed- en breakfast in een bijgebouw bij een woning; vergunde activiteit niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/567

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers] te [woonplaats] , eisers,

gemachtigde: mr. M. Nijkamp,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten, verweerder,

Als belanghebbenden hebben aan het geding deelgenomen:

[namen] te Holten,

gemachtigde: J.C. Vijfhuizen.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2020, verzonden op 30 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder omgevingsvergunning aan belanghebbenden verleend voor het realiseren van een bed- en breakfast (hierna: b&b) in het bijgebouw bij de woning aan de [adres 1] te Holten.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

M. Dijkstra. Belanghebbenden zijn verschenen.

Overwegingen

1. Belanghebbenden zijn eigenaar van het perceel [adres 1] Holten. Zij zijn

daar woonachtig en exploiteren sinds juli 2014 tevens een b&b met 2 kamers: verblijfsruimte 1’ [naam 1] ’ en verblijfsruimte 2 ‘ [naam 2] ’. Eisers zijn sinds 2018 eigenaar van de aangrenzende percelen [adres 2] (woonperceel) en [nummer 1] (bedrijfsperceel).

Bij brief van 18 november 2018 hebben belanghebbenden een principeverzoek ingediend om toestemming om de eerste verdieping van een bestaand vrijstaand bijgebouw te verbouwen tot en te gebruiken als b&b-kamer [naam 3] ’ en bij brief van 28 februari 2019 hebben belanghebbenden hiervoor omgevingsvergunning aangevraagd.

Eisers hebben naar aanleiding van de uitzending van het tv-programma Bed&Breakfast

Op 3 december 2018 bij brieven van 6 en 13 december 2018 om handhaving verzocht ten aanzien van de exploitatie van de b&b in het bijgebouw aan de [adres 3] .

Bij het bestreden besluit heeft verweerder omgevingsvergunning aan belanghebbenden verleend voor het realiseren van een b&b in het bijgebouw aan de [adres 3] .

Verweerder heeft daarbij, voor zover van belang, met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure omgevingsvergunning verleend voor zowel de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) als de activiteit ‘planologisch afwijkend gebruik’ zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo onder toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°, van de Wabo.

Verweerder heeft daarbij overwogen dat uit zowel de Structuurvisie Rijssen-Holten als het visiedocument ‘Heerlijk Holten’ blijkt dat een overnachtingsmogelijkheid zoals een b&b nabij het centrum van Holten een welkome toevoeging is en dat de onderhavige locatie uniek gelegen is nabij het centrum van Holten met een vrij uitzicht op de Holterberg. Verweerder acht verlening van de omgevingsvergunning gewenst juist om de link tussen het dorp en de berg te versterken.

Volgens verweerder past het projectplan binnen de beleidsnota Bed &Breakfast 2019 mits er wordt voldaan aan de randvoorwaarden:

  • -

    Verblijfsruimte 2 (‘ [naam 2] ) wordt gesloten vanwege de vereiste ondergeschiktheid aan de woonfunctie en de overschrijding van de totale oppervlakte;

  • -

    Het handhaven/aanleggen van een erfafscheiding op de vlonder;

  • -

    De keuken bij verblijfsruimte 3 (‘ [naam 3] ) wordt onklaar gemaakt.

Verweerder heeft aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbonden dat op de vlonder bij het bijgebouw een ‘groen’ uitgevoerde erfafscheiding gerealiseerd moet worden van

2 meter gemeten vanaf de bovenkant van de vlonder. Tevens dient verblijfsruimte 2 (‘ [naam 2] ) voor 1 november 2019 te worden gesloten en dient de keuken bij verblijfsruimte 3 (‘ [naam 3] ) 2 maanden na vergunningverlening onklaar te worden gemaakt.

Wettelijk kader

2. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Kern Holten 2010” heeft het perceel [adres 3] te Holten de bestemming ‘Wonen – Karakterstiek’.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor wonen.

Artikel 19.2.3, aanhef en onder b, bepaalt dat voor de bouw van bijgebouwen geldt dat

de goothoogte niet meer dan 3,5 m mag bedragen.

Voor de overige van toepassing zijnde wettelijke voorschriften wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak.

Strijd met het bestemmingsplan

Het vergunde project is in strijd met het bestemmingsplan omdat een b&b niet past binnen

de in artikel 19.1 opgenomen bestemmingsomschrijving en omdat de goothoogte van het bouwplan 5,1 m bedraagt waar het 3,5 m mag bedragen.

Eisers belanghebbenden

3. De rechtbank overweegt dat eisers als eigenaren van de aangrenzende percelen belanghebbenden zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zodat

kan worden overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Beroepsgronden

De rechtbank bespreekt hieronder de beroepsgronden van eisers in de volgorde waarin zij zijn aangevoerd.

Nieuwe stukken

4.1

Eisers stellen dat verweerder ten onrechte niet een aangepast ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegd, nu belanghebbenden op 29 november 2019 de volgende nieuwe stukken hebben ingediend:

- Constructieve berekening (verdiepingshoge terrasvloer);

- Attest en berekening EPC;

- Intergas produktcertificaat;

- Gewijzigde bestektekening;

- Technisch blad constructie.

Volgens eisers is hiermee een nieuwe dan wel gewijzigde aanvraag gedaan en had een verweerder een aangepast ontwerpbesluit ter inzage moeten leggen.

4.2

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) onder meer in de uitspraak van 23 december 2020 (ECLI:NL: RVS:2020:3112) is verweerder gerechtigd en in bepaalde gevallen zelfs verplicht om de indiener van een aanvraag in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag zodanig te wijzigen

of aan te vullen, dat geconstateerde beletselen voor het verlenen van de vergunning worden weggenomen. Daarbij zal het moeten gaan om wijzigingen van ondergeschikte aard, waarvoor volgens vaste rechtspraak van de Afdeling geen nieuwe aanvraag is vereist.

4.3

Indien een wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, moet voor het gewijzigde bouwplan een nieuwe aanvraag worden ingediend.

4.4

De enige wijziging ten opzichte van het ontwerpplan is, zoals blijkt uit de overgelegde bestektekening, een verschuiving van de vlonder 2 meter uit de erfgrens met [adres 2] , waarmee belanghebbenden beogen zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de bezwaren van eisers inzake privacy.

4.5

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de verschuiving van de vlonder niet zodanig ingrijpend is dat van hetzelfde bouwplan niet meer kan worden gesproken.

4.6

De overige stukken zien niet op een wijziging van het bouwplan en zijn uit eigen beweging door eisers ingediend naar aanleiding van de ingediende zienswijzen maar waren volgens verweerder niet nodig voor beoordeling van de aanvraag.

4.7

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard zodat geen nieuwe aanvraag hoefde te worden ingediend en ook geen nieuw ontwerpbesluit ter inzage gelegd hoefde te worden.

Constructieve veiligheid

5.1

Eisers stellen dat de overgelegde constructieberekening alleen ziet op de vlonder/het terras, maar dat een constructieberekening van het bijgebouw ten onrechte ontbreekt. Omdat er sprake is van een functieverandering van het bijgebouw van opslag in verblijven/wonen, gelden er andere eisen op constructief vlak.

5.2

Naar oordeel van verweerder was een constructieberekening niet nodig om aan te tonen dat de aanvraag voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit 2012, op grond waarvan voor bestaande bouw andere eisen gelden dan voor volledige nieuwbouw.

5.3

De rechtbank overweegt dat verweerder dient te toetsen of het bouwplan niet in

strijd is met de voorschriften van het Bouwbesluit die betrekking hebben op constructieve veiligheid. Het is daarbij aan verweerder om te beoordelen of dienaangaande voldoende gegevens en bescheiden bij de aanvraag zijn ingediend. De rechtbank verwijst hierbij naar jurisprudentie van de (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 24 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL5391, en van 15 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB1774).

Bij de vraag of voldaan wordt aan de eisen van constructieve veiligheid dient in ieder geval duidelijkheid te bestaan over de hoofdlijn van de constructie en het constructieprincipe van het bouwwerk. Gelet op de van dit besluit onderdeel uitmakende tekeningen en constructieve berekeningen is naar het oordeel van de rechtbank aan dit vereiste voldaan.

5.4

Niet is gebleken dat verweerder in dit geval niet op basis van de hem ter beschikking staande gegevens en bescheiden een besluit kon nemen.

Bouwbesluit

6.1

Eisers vragen zich af of het bijgebouw/de schuur wel voldoet aan alle eisen uit het Bouwbesluit die gelden voor verblijfsruimten. Volgens eisers blijkt dat onvoldoende uit het bestreden besluit en is dat eveneens reden om het besluit te vernietigen.

6.2

De rechtbank overweegt dat het in eerste instantie aan verweerder is om aan de hand van de door belanghebbenden verstrekte gegevens en bescheiden te beoordelen of aannemelijk is het plan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit. Bij deze zogenoemde “aannemelijkheidstoets” komt verweerder een zekere mate van beoordelings-vrijheid toe, die door de bestuursrechter terughoudend wordt getoetst. Verder wijst de rechtbank er op dat de voorwaarde dat het voor verweerder aannemelijk moet zijn dat het plan voldoet aan het Bouwbesluit niet betekent dat het ook verweerder is die aannemelijk moet maken dat het plan voldoet. Indien verweerder op grond van de bij de aanvraag verstrekte gegevens aannemelijk heeft mogen achten dat het plan in overeenstemming is

met de voorschriften van het Bouwbesluit, is het aan eisers om – voor zover hun belang hierbij reikt - onderbouwde aanknopingspunten aan te reiken voor hun stelling van het tegendeel. Nu eisers niet concreet aangegeven en onderbouwd hebben waaruit de strijdigheid met het Bouwbesluit 2012 bestaat of zal bestaan slaagt de beroepsgrond niet.

Uitgangspunt beoordeling afwijking bestemmingsplan

7. De rechtbank stelt voorop dat de beslissing om al dan niet af te wijken van een bestemmingsplan tot de bevoegdheden van verweerder behoort waarbij deze beleidsruimte heeft. De rechtbank dient deze beslissing dan ook terughoudend te toetsen, dat wil zeggen dat hij zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

Planologisch afwijkingsbeleid

8.1

Eisers stellen dat nergens uit blijkt dat verweerder de vergunningaanvraag heeft getoetst aan het planologisch afwijkingsbeleid gemeente Rijssen-Holten 2019, welk beleid

kaders geeft in welke gevallen en onder welke voorwaarden medewerking wordt verleend aan het afwijken van een bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).

8.2

Volgens eisers leidt het gebruik van het bijgebouw als b&b inclusief het gebruik van het gerealiseerde terras met daarop een jacuzzi en buitendouche tot verslechtering van de gebruikskwaliteit en onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van het perceel [adres 2] , wat volgens het beleid reden is om de omgevingsvergunning te weigeren.

8.3

De rechtbank stelt vast dat, anders dan eisers veronderstellen, de bestreden omgevingsvergunning niet is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid onder a, onder 2º van de Wabo maar met toepassing van artikel 2.12, eerste lid onder a, onder 3º, van de Wabo. Het planologisch afwijkingsbeleid is hierop niet van toepassing, zodat van strijd met dit beleid ook geen sprake kan zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Ruimtelijke onderbouwing

9.1

In de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning heeft verweerder betrokken de Structuurvisie Rijssen-Holten (hierna: de structuurvisie), het visiedocument ‘Heerlijk Holten’ en de beleidsnota Bed & Breakfast 2019 (hierna: de beleidsnota).

9.2

Het projectprogramma 2 ‘Recreatief Centrum Holten’ uit de structuurvisie verwijst naar de visie ‘Heerlijk Holten’. Een van de drie hoofddoelen uit de visie ‘Heerlijk Holten’

is dat er zorg wordt gedragen voor een kwalitatieve impuls aan de ruimtelijke kwaliteit en

de recreatieve functie van het centrum, passend bij de schaal van Holten.

Een van de concrete ontwikkelpunten die in ‘Heerlijk Holten’ worden benoemd is het versterken van het toeristisch verblijfsklimaat, dus het binden van toeristen aan de kern

van Holten. De kern van Holten heeft weinig gelegenheden voor overnachtingen. In dit

kader past de b &b kamer binnen het beleid, aldus verweerder.

9.3

Volgens de op 21 juni 2019 door verweerder vastgestelde beleidsnota wordt bij

de beoordeling van verzoeken voor het vestigen van een b&b accommodatie getoetst en beoordeeld aan de volgende voorwaarden:

• Aanvrager/exploitant is bewoner van het huis waarin of waarbij de b&b accommodatie komt;

• De b&b accommodatie komt bij een (bedrijfs-)woning;

• Voor de b&b accommodatie wordt gebruik gemaakt van de bestaande legaal aanwezige bebouwing of nog niet gerealiseerde maar bij recht toegestane bebouwing die nog mogelijk is ten dienste van de woonfunctie;

Toelichting: De b&b accommodatie kan in de woning en/of een (vrijstaand) bijbehorend bouwwerk worden gerealiseerd.

• De woonfunctie blijft de hoofdfunctie en de b&b accommodatie is daaraan ondergeschikt. Voor de maximale maatvoering en omvang van de b&b accommodatie geldt dat binnen het stedelijk gebied bij percelen vanaf 800 m2 de maximale oppervlakte 100 m2 mag bedragen, het maximale aantal kamers 3 mag bedragen en het maximale aantal personen 6 mag bedragen;

• Realisatie van een volwaardige keuken is niet toegestaan;

• De maximale verblijfsduur in de b&b accommodatie bedraagt 7 nachten;

• De b&b accommodatie heeft geen nadelige gevolgen op de normale afwikkeling van het verkeer en veroorzaakt geen toename van de parkeerbehoefte in de omgeving;.

Uitgangspunt is dat elke b&b accommodatie moet voldoen aan de parkeernorm voor hotel en pension zoals vastgelegd in het ‘parapluplan parkeernormen’ van de gemeente Rijssen-Holten uit 2018. Parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein afhankelijk van de locatie (centrum, rest bebouwde kom). Wanneer parkeren op eigen terrein niet mogelijk is dient initiatiefnemer te zorgen voor compensatie elders. Voor zover de b&b accommodatie in een eel van de woning of bijbehorend bouwwerk wordt gerealiseerd dat werd gebruikt voor het parkeren/stallen van een motorvoertuig dient ook deze parkeerruimte elders op het eigen perceel te worden gecompenseerd;

• De b&b accommodatie heeft geen nadelige gevolgen voor het woon-, leef- en werkmilieu in de omgeving;

Toelichting: De b&b accommodatie mag geen afbreuk doen aan de volgens het bestemmingsplan gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

9.4

Het realiseren van de b&b in het bijgebouw past volgens verweerder binnen de beleidsnota mist voldaan wordt aan de volgende randvoorwaarden:

  • -

    verblijfsruimte 2 in het hoofdgebouw wordt gesloten;

  • -

    de aanleg van een erfafscheiding op de vlonder of de begane grond waardoor er geen inkijk mogelijk is op het naastgelegen woonperceel van nummer 49;

  • -

    de keuken bij verblijfsruimte 3 ‘de Uutkiek’ wordt onklaar gemaakt / gesloten.

Toets aan structuurvisie en visiedocument

9.5

De rechtbank is van oordeel dat de verlening van de bestreden omgevingsvergunning in overeenstemming is met het beleid zoals neergelegd in de Structuurvisie Rijssen-Holten, het visiedocument Heerlijk Holten.

9.6

De Structuurvisie Rijssen-Holten en het visiedocument Heerlijk Holten en de Nota Bed & Breakfast 2019 waren ten tijde van het bestreden besluit nog van kracht, zodat verweerder het onderhavige projectplan daar terecht aan heeft getoetst. Dat de Structuurvisie eindigde in 2020 en het visiedocument ten tijde van het bestreden besluit 10 jaar oud was maakt, anders dan eisers stellen, niet dat deze documenten niet meer actueel zijn en verweerder het projectplan daaraan niet kon toetsen en deze documenten niet konden dienen als ruimtelijke onderbouwing voor de vergunningverlening.

Toets aan beleidsnota

9.7

De rechtbank acht de in de beleidsnota neergelegde beleidsregels niet onredelijk

Anders dan eisers stellen, maakt het enkele feit dat de beleidsregels naar aanleiding van de vergunningaanvraag van belanghebbenden zijn vastgesteld dit niet anders. Overigens is de rechtbank niet gebleken dat de beleidsregels uitsluitend zijn opgesteld om het onderhavige, individuele geval te kunnen toestaan, zoals eisers suggereren.

9.8

Tevens zijn, anders dan eisers stellen, de beleidsregels niet in strijd met het provinciaal beleid neergelegd in de Omgevingsverordening Overijssel, dat het ter plekke realiseren van een recreatiewoning niet toestaat.

Zoals verweerder ook aangeeft is een b&b geen recreatiewoning maar gericht op het bieden van nachtverblijf met ontbijt. Om die reden mag er geen kookgelegenheid aanwezig zijn en is er een beperking in oppervlakte en aantal kamers in de beleidsnota opgenomen.

Berekening maximale maatvoering volgens beleidsnota

9.9

Eisers stellen dat niet te controleren is of met verlening van de bestreden omgevingsvergunning voldaan wordt aan de maximale maatvoering en omvang van accommodatie volgens de beleidsnota.

9.10

Volgens verweerder bedraagt het kadastrale perceel 983 m2. Volgens de beleidsnota is op het onderhavige perceel daarmee maximaal 100 m2 aan b&b toegestaan.

9.11

De rechtbank ziet, anders dan eisers, geen aanleiding aan de door verweerder gestelde omvang van het perceel te twijfelen. Dat geldt eveneens voor de oppervlakte van

de b&b kamer in het bijgebouw die volgens verweerders berekening 47,93 m2 bedraagt.

De in de vergunningaanvraag vermelde 95 m2, waarnaar eisers verwijzen, ziet op het gehele bijgebouw, bestaande uit begane grond en verdieping. De b&b kamer wordt uitsluitend gerealiseerd op de eerste verdieping.

9.12

Volgens verweerders berekening, zoals neergelegd en toegelicht in het bestreden besluit en in het verweerschrift komen ‘ [naam 1] ’ in het hoofdgebouw en de ‘ [naam 3] ’ in het bijgebouw op 100,23 m2 oppervlakte en staat in NEN 2580 beschreven dat oppervlaktes groter dan 100 m2 moeten worden afgerond op geen cijfers achter de komma, waarmee voldaan wordt aan de toegestane maximale 100 m2 aan b&b.

Verweerder heeft daarbij, naar hij stelt, in ogenschouw genomen dat het hoofdgebouw een voormalig bankgebouw is met extra dikke muren en conform de NEN 2580-normering aanliggende ruimtes tot het hart van de scheidingsmuur worden gerekend.

9.13

Verweerder heeft verblijfsruimte 2 in het hoofdgebouw (‘ [naam 2] ) terecht buiten de berekening gehouden nu het sluiten van deze b&b-kamer een voorwaarde voor vergunningverlening is.

9.14

Verder heeft verweerder de entree van het hoofdgebouw naar rato van het vloeroppervlak toegerekend aan verblijfsruimte 1 en dit percentage ook toegepast bij de vlonder. Een percentage van 24,5 % van de vlonder is toegerekend aan de b&b, omdat ook belanghebbenden zelf gebruik maken van de op de vlonder geplaatste jacuzzi.

9.15

De rechtbank acht deze gedeeltelijke toerekening van de entree en vlonder aan de b&b kamers niet onredelijk en kan verweerder ook overigens volgen in de berekening en de daaruit getrokken conclusie dat voldaan wordt aan het volgens de beleidsnota toegestane

100 m2 bvo aan b&b.

Parkeren

10.1

Volgens de beleidsnota dient parkeren plaats te vinden op eigen terrein.

10.2

In het bestreden besluit heeft verweerder gemotiveerd dat ingevolge het “Parapluplan parkeernormen” van de gemeente Rijssen-Holten 2018 de parkeerbehoefte voor de woning 1,8 parkeerplaatsen is en voor de 2 b&b-kamers 1,14 en dat de situatietekening laat zien dat er 3 motorvoertuigen op eigen terrein kunnen worden geparkeerd en de aanvraag daarmee voldoet aan de vastgestelde parkeernorm.

In beroep heeft verweerder gemotiveerd dat bij het bestreden besluit ten onrechte de cijfers van de Parkeernota 2013 zijn gehanteerd en volgens de van toepassing zijnde Nota Parkeernormen Rijssen-Holten voor onderhavige aanvraag de totale behoefte voor beide b&b-kamers en de woning 3,2 parkeerplaatsen bedraagt (2,2 voor de vrijstaande woning en 1 voor beiden b&b-kamers) wat bij afronding naar beneden conform het bepaalde in de Nota de parkeerbehoefte 3 parkeerplaatsen maakt.

10.3

Volgens verweerder kunnen ter plekke 3 motorvoertuigen op eigen terrein geparkeerd worden, daarbij uitgaande van een maatvoering van een parkeerplaats op basis van NEN:2443:2013 (2,50 bij 4,50 meter). Voor eventuele overloop is er in de omgeving voldoende ruimte in de openbare ruimte, waaronder de openbare P&N/P&R parkeerplaats aan de achterzijde van het perceel. Het NS-station is op loopafstand gelegen.

10.4

Niet in geschil is dat de parkeerbehoefte ter plekke 3 parkeerplaatsen bedraagt en

dat deze parkeerplaatsen in beginsel op eigen terrein gerealiseerd dienen te worden.

10.5

De rechtbank is van oordeel dat ook uit de door belanghebbenden overgelegde foto’s van de parkeerplaatsen aan de voorzijde van [adres 3] , met daarop afgebeeld 3 respectievelijk 5 geparkeerde auto’s blijkt dat er ruimte is voor het parkeren van minimaal

3 auto’s.

10.6

De door eisers overgelegde foto’s van de parkeerplaatsen aan de voorzijde van [adres 1] waarop eiser staat afgebeeld die met een rolmaat de afstand van zijn woning op nummer [nummer 2] tot de erfgrens met [nummer 3] aangeeft en in dat verband stelt dat de afstand tussen

de woning [adres 1] en [nummer 2] te gering is om een auto te parkeren vanwege de benodigde ruimte voor een vluchtroute en de aanwezige elektrakast, maar waarop geen enkele geparkeerde auto staat afgebeeld, doen hieraan niet af.

10.7

Omdat verweerder in beroep de motivering van het bestreden besluit heeft aangepast ten aanzien van het bepalen van de parkeerbehoefte, kleeft er aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter geen aanleiding het besluit om deze reden te vernietigen nu zij aannemelijk acht dat eisers daardoor niet zijn benadeeld als bedoeld in artikel 6:22 van de Awb. Immers, het projectplan komt nog altijd voor vergunningverlening in aanmerking, zij het met toepassing van andere parkeernormen.

Overlast

11.1

Eisers stellen dat door verlening van de bestreden omgevingsvergunning voor

het gebruik van het bijgebouw als b&b, inclusief het gebruik van het terras met jacuzzi en buitendouche, de gebruiksmogelijkheden van hun perceel onevenredig worden aangetast en hun (toekomstig) woongenot wordt ingeperkt. De overlast zou minder zijn geweest en de situatie zou in overeenstemming met het bestemmingsplan zijn geweest wanneer één b&b-kamer in het hoofdgebouw niet was ingeruild voor een b&b kamer in het bijgebouw.

De door verweerder gesteld bij de vergunning gestelde voorwaarden zijn volgens eisers onduidelijk en niet controleerbaar.

11.2

De rechtbank stelt voorop dat verweerder heeft te beslissen op een vergunningaanvraag zoals die wordt ingediend.

11.3

Verweerder stelt voorop dat sprake is van een centrumlocatie, wat reeds enige overlast met zich brengt, en dat de tuinen van [adres 1] en van [nummer 2] grenzen aan het

hoog gelegen perron van treinstation Holten, waardoor er reeds sprake is een inbreuk op de privacy in de tuinen.

Het gebruik van het bijgebouw als b&b heeft weliswaar andere ruimtelijke effecten dan het gebruik van het gebouw als bijgebouw, maar een gebruik als bijgebouw geeft geen garantie dat geen overlast wordt ervaren. Zo kan een bijgebouw worden gebruikt om te sleutelen aan een auto en behoren een buitenkamer, zitje of jacuzzi tot de mogelijkheden.

Bovendien mag ingevolge het bestemmingsplan de bestaande woning aan de [adres 1] dieper worden uitgebouwd tot 18 meter, wat ook een inbreuk op de privacy zou geven.

Met de aangepaste situering van de vlonder op 2 meter uit de erfgrens en de voorgeschreven groene erfafscheiding op de vlonder wordt de inkijk verder beperkt.

11.4

Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om af

te wijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de realisatie van een b&b kamer in het bijgebouw en overschrijding van de goothoogte van het bouwplan met 1,6 m. Wat dit laatste

is in het bestreden besluit een onjuiste afwijking genoemd, maar de rechtbank passeert die onjuistheid met toepassing van artikel 6.22 van de Awb en verwijzing naar de reactie van verweerder op de zienswijze en in het verweerschrift.

11.5

Verweerder heeft in beroep voor zover nodig afdoende verduidelijkt dat

‘ [naam 2] voor 1 november 2019 gesloten moet zijn, en de bestaande keuken in

‘ [naam 3] binnen 2 maanden na vergunning onklaar moet worden gemaakt, wat betekent dat geen keuken meer aanwezig mag zijn, en dat op de vlonder bij ‘ [naam 3] aan de zijde van [adres 2] met beplanting een groene erfafscheiding moet worden gerealiseerd van tenminste 2 meter hoog, gemeten vanaf de bovenkant van de vlonder.

11.6

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze voorschriften controleerbaar zijn voor de gemeentelijke toezichthouders.

11.7

De rechtbank is van oordeel dat verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met de beleidsnota.

Vvgb

12 Verweerder heeft in beroep gemotiveerd waarom een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) vanwege een aanwijzingsbesluit van de gemeenteraad d.d. 14 december 2017 voor verlening van onderhavige omgevingsvergunning niet is vereist. De rechtbank kan verweerder hierin volgen en eisers hebben ter zitting gesteld dit standpunt van verweerder niet langer te bestrijden.

Conclusie

13.1

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vergunde activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Ook heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

13.2

Het beroep is ongegrond

Proceskosten

14. Vanwege het motiveringsgebrek in het bestreden besluit ziet de rechtbank grond te bepalen dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank ziet om dezelfde reden ook aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 1.068, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534, - en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.068,-;

- draagt verweerder op het door eisers betaalde griffierecht van € 178,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Landstra, als griffier op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Wettelijk kader

Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo luidt: "Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

In artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de aanvraag – voor zover hier relevant en kortgezegd – in strijd is met het Bouwbesluit, de bouwverordening, het bestemmingsplan of de redelijke eisen van welstand.

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo bepaalt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo wordt in bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist

Artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend wordt dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft.