Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:276

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-01-2021
Datum publicatie
25-01-2021
Zaaknummer
C/08/258416 / KG ZA 20-283
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser verhuurt bedrijfsruimte aan Holland-Zwolle. Eerder is bepaald dat de huurprijs nader vastgesteld is en dat eiser het te veel betaalde huur moet terugbetalen. In deze procedure wil eiser opheffing van het beslag en schorsing van de verdere tenuitvoerlegging van een eerder vonnis.

De kantonrechter oordeelt dat dat niet aan de orde is, vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : C/08/258416 / KG ZA 20-283

Vonnis in kort geding van 22 januari 2021

in de zaak van

1 [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen [eiser 1] c.s. (meervoud),

advocaat: mr. M.P.H. van Maanen Winters te Arnhem,

tegen

besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HOLLAND-ZWOLLE B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

hierna te noemen Holland Zwolle (vrouwelijk enkelvoud),

advocaat: mr. O. Çolak te Zwolle.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties van [eiser 1] c.s.,

- de van de zijde van [eiser 1] c.s. overgelegde aanvullende producties,

- de mondelinge behandeling via een Skype-verbinding op 7 januari 2021,

- de pleitnota van Holland Zwolle met producties,

- de pleitnota van [eiser 1] c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Met ingang van 1 februari 2008 verhuren [eiser 1] c.s. aan Holland Zwolle de bedrijfsruimte op de begane grond van de panden aan de [adres 1] en [adres 2] te Zwolle (hierna: het gehuurde) aan Holland Zwolle.

2.2.

Op de huurovereenkomst zijn “Algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW” versie juli 2003 (hierna: algemene bepalingen) van toepassing verklaard. In artikel 20.3 van de algemene bepalingen staat:

“Indien in verband met de aard of uitoefening van het beroep of bedrijf van huurder voor het gehuurde, dan wel het gebouw of complex van gebouwen waarvan het gehuurde deel uitmaakt, een hogere dan normale premie van brandverzekering voor opstal of inventaris en goederen aan verhuurder of andere huurders van het gebouw of complex van gebouwen in rekening wordt gebracht, zal huurder het meerdere boven de normale premie aan verhuurder of die andere huurders vergoeden. (…) Onder "normale premie" wordt verstaan de premie die verhuurder of huurder, bij een te goeder naam en faam bekend staande assuradeur kan bedingen voor het verzekeren van het gehuurde respectievelijk zijn inventaris en goederen, tegen brandrisico op het moment direct voorafgaande aan het afsluiten van deze huurovereenkomst, zonder daarbij rekening te houden met de aard van het door huurder in het gehuurde uit te oefenen bedrijf of beroep, alsmede - gedurende de duur van de huurovereenkomst - elke aanpassing van deze premie, die niet een gevolg is van een verandering van de aard of omvang van het verzekerde risico”.

2.3.

Op enig moment is er tussen partijen discussie ontstaan over de huurprijs. Uiteindelijk is er bij de kantonrechter van de rechtbank Overijssel een huurprijsherzieningsprocedure opgestart. Bij vonnis van 23 juni 2020 (zaaknummer 7044669 CV EXPL 18-3599) (hierna ook: het vonnis) heeft de kantonrechter:

  • -

    de huurprijs van het gehuurde per 27 juli 2017 nader vastgesteld op € 25.000,- per jaar exclusief btw;

  • -

    [eiser 1] c.s. veroordeeld tot terugbetaling aan Holland Zwolle van de door deze laatste te veel betaalde huur, gerekend vanaf 27 juli 2017;

  • -

    [eiser 1] c.s. veroordeeld in de proceskosten in conventie en reconventie van in totaal € 13.651,50, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 7 juli 2020.

2.4.

Op grond van het vonnis heeft Holland Zwolle in totaal € 57.897,26 van [eiser 1] c.s. te vorderen gekregen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [eiser 1] c.s. hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

2.5.

Op 7 juli 2020 hebben [eiser 1] c.s. een factuur aan Holland Zwolle gestuurd ten bedrage van € 22.712,88. Op de factuur staat de volgende omschrijving:

‘Betreft [adres 1] - [adres 2] , Zwolle

Afrekening premie toeslag horeca bestemming

Conform artikel 20.3 van de algemene bepalingen van de huurovereenkomst

Specificatie, zie bijlage

Periode 1 februari 2008 tot 1 februari 2021.’

2.6.

Ter uitvoering van het vonnis van 23 juni 2020 hebben [eiser 1] c.s. op of omstreeks 8 juli 2020 € 35.184,38 en op of omstreeks 3 augustus 2020 € 11.685,15, in totaal derhalve € 46.869,53 aan Holland Zwolle voldaan.

2.7.

Holland Zwolle heeft het vonnis bij exploten van 5 en 11 november 2020 aan [eiser 1] c.s. laten betekenen. Hierbij heeft zij [eiser 1] c.s. verzocht om nog een bedrag van € 11.199,66 aan haar te betalen. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

2.8.

Op 23 november 2020 heeft Holland Zwolle executoriaal beslag onder haarzelf doen leggen (hierna: (eigen)beslag).

3 Het geschil

3.1.

[eiser 1] c.s. vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. het door Holland Zwolle op 23 november 2020 gelegde beslag zal opheffen;

  2. Holland Zwolle zal veroordelen om maatregelen ter executie van het op 23 juni 2020 tussen partijen gewezen vonnis te staken en gestaakt te houden, alsmede om binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis zorg te dragen voor opheffing van eventuele verdere beslagen ter executie van gemeld vonnis, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag of gedeelte daarvan dat gedaagde, nadat twee dagen na gemelde betekening zullen zijn verstreken, in gebreke blijft met de nakoming van het in dezen te wijzen vonnis;

  3. Holland Zwolle zal veroordelen tot betaling van de kosten van het geding.

3.2.

[eiser 1] c.s. hebben aan hun vorderingen samengevat het volgende ten grondslag gelegd. Over de periode 2008 tot en met 2020 heeft Holland Zwolle in totaal
€ 22.712,88 te weinig aan premie voor de brandverzekering van het gehuurde betaald (zie ook r.o. 2.6). Van dit bedrag hebben [eiser 1] c.s. € 11.392,72 verrekend met de vordering die Holland Zwolle op grond van het vonnis van 23 juni 2020 op [eiser 1] c.s. heeft. Gelet hierop hebben [eiser 1] c.s. al aan het vonnis voldaan, aldus [eiser 1] c.s. Door het vonnis toch te executeren, maakt Holland Zwolle volgens [eiser 1] c.s. misbruik van procesrecht en handelt zij onrechtmatig jegens [eiser 1] c.s.

3.3.

Holland Zwolle voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser 1] c.s. vorderen opheffing van het door Holland Zwolle gelegde eigenbeslag en schorsing van de verdere tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter van 23 juni 2020. In dat vonnis is de uitvoerbaarheid bij voorraad niet gemotiveerd. Het door [eiser 1] c.s. tegen het vonnis ingestelde hoger beroep loopt nog.

4.2.

Het uitgangspunt is in deze situatie dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis direct ten uitvoer kan worden gelegd, nog voordat in een hogere voorziening is beslist. Afwijking van dit uitgangspunt is slechts onder omstandigheden gerechtvaardigd. In een kort geding is daarvoor in de eerste plaats een spoedeisend belang vereist (artikel 254 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Daarnaast moet er sprake zijn van omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de ander bij de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de veroordeling. Daarbij moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag (Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026).

4.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn [eiser 1] c.s. er - mede gelet op de betwisting door Holland Zwolle - niet in geslaagd om voldoende feiten en omstandigheden aan te voeren die meebrengen dat hun belang bij de gevraagde voorzieningen zodanig spoedeisend is dat een oordeel in een eventueel te voeren bodemprocedure (of in hoger beroep) niet kan worden afgewacht. Het volgende is hiervoor redengevend.

4.4.

Door het eigenbeslag ontvangen [eiser 1] c.s. op dit moment geen huurpenningen van Holland Zwolle. In de dagvaarding hebben [eiser 1] c.s. gesteld dat zij er belang bij hebben om alsnog over de huurpenningen te kunnen beschikken en om deze bij gebreke van tijdige betaling in rechte geldend te kunnen maken. Hoewel evident is dat er sprake is van een belang bij betaling van de huurpenningen, volgt uit de stellingen van [eiser 1] c.s. naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet dat dat belang spoedeisend is. Desgevraagd hebben [eiser 1] c.s. tijdens de mondelinge behandeling weliswaar verklaard dat zij door het uitblijven van de huurpenningen en de forse terugbetalingsverplichting uit het vonnis niet aan hun verplichtingen tot betaling van hypotheekrente en aflossingen kunnen voldoen, maar zij hebben het bestaan van dergelijke verplichtingen op geen enkele manier onderbouwd. Bovendien hebben zij aangegeven dat de familie bijspringt. In dit alles kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen reden zijn gelegen om een spoedeisend belang bij het gevorderde aan te nemen.

4.5.

Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook het door [eiser 1] c.s. gestelde restitutierisico niet tot de conclusie kan leiden dat er sprake is van een spoedeisend belang. Gelet op de gemotiveerde betwisting door Holland Zwolle is het volgens de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk dat de vrees van [eiser 1] c.s. dat Holland Zwolle vanwege haar financiële positie niet in staat is om [eiser 1] c.s. (na hoger beroep) (terug) te betalen, gegrond is. Uit de jaarrekening van Holland Zwolle blijkt weliswaar dat zij over 2019 een negatief eigen vermogen had, maar tussen partijen is niet in geschil dat Holland Zwolle tot nu toe aan haar betalingsverplichtingen jegens [eiser 1] c.s. heeft voldaan en dat zij dus niet is opgehouden te betalen. Van een faillissementssituatie is dan ook niet gebleken. Naast het feit dat de jaarrekening inmiddels ruim een jaar oud is en dus niet de meest actuele situatie weergeeft, zijn de vaste lasten van Holland Zwolle bovendien behoorlijk omlaag gegaan door de nadere huurprijsvaststelling in het vonnis van 23 juni 2020. Daarbij komt dat uit de accountantsverklaring die Holland Zwolle heeft overgelegd ook geenszins volgt dat er sprake is van een reëel restitutierisico. In deze verklaring staat: “(…) Holland Zwolle heeft een aantal financieel lastige jaren achter de rug. Met name de huisvestingslasten waren niet in verhouding tot de omzetrealisatie. In 2019 heeft het bedrijf afgesloten met een positief resultaat als gevolg van omzetgroei en een daling van de kosten. Met de meer marktconforme huur verwacht ik verdere verbetering van het rendement. Helaas is de groep ook getroffen door de corona crises. (…) Holland Zwolle heeft aanspraak gemaakt op de steunmaatregelen van de overheid (…). Daarnaast heeft de Rabobank in het voorjaar van 2020 een krediet verstrekt (…). De liquiditeitspositie van de groep, alsmede van Holland Zwolle BV afzonderlijk, is op dit moment ruimschoots voldoende om ook in de komende periode aan haar financiële verplichtingen te voldoen. (…)

4.6.

Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat [eiser 1] c.s. de vordering tot betaling van de aanvullende premie van de brandverzekering eerder aan de orde hadden kunnen stellen, namelijk in de procedure die tot het vonnis van 23 juni 2020 heeft geleid. Dat hebben zij echter niet gedaan. Ook dit wijst naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet op de aanwezigheid van een spoedeisend belang aan de zijde van [eiser 1] c.s.

4.7.

Buiten het spoedeisend belang om, overweegt de voorzieningenrechter tot slot als volgt. Ook als de voorzieningenrechter aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiser 1] c.s. zou toekomen, heeft te gelden dat voorshands onvoldoende grond bestaat voor toewijzing van de vorderingen. Dat legt de voorzieningenrechter hierna uit.

4.8.

Onderhavig executiegeschil vloeit voort uit een beroep op verrekening. Holland Zwolle heeft gemotiveerd betwist dat [eiser 1] c.s. een opeisbare, verrekenbare vordering op haar hebben. Bovendien bestaat er tussen partijen discussie over de premiepercentages die [eiser 1] c.s. aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd en heeft Holland Zwolle een beroep gedaan op rechtsverwerking. Gelet op de uiteenlopende standpunten van partijen ligt voor de hand dat op deze punten nadere onderbouwing of bewijslevering nodig zou zijn. Daar leent een kort geding zich echter niet voor. De vraag of [eiser 1] c.s. zich al dan niet terecht op verrekening beroepen laat zich in dit kort geding dan ook niet vaststellen. Hierdoor kan ook niet worden bepaald dat Holland Zwolle door verrekening niets meer van [eiser 1] c.s. te vorderen heeft en dat [eiser 1] c.s. daarom belang hebben bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 23 juni 2020. Nu [eiser 1] c.s. naast het restitutierisico - waarop hiervoor in r.o. 4.5 al is ingegaan - verder geen belangen hebben aangevoerd, komt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat een belangenafweging als bedoeld in eerder gemeld arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019, niet in het voordeel van [eiser 1] c.s. uitvalt. Nu partijen het er bovendien over eens zijn dat er in het vonnis geen sprake is van een kennelijke misslag, kan afwijking van het uitgangspunt dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis direct ten uitvoer kan worden gelegd in onderhavig geschil ook niet worden gerechtvaardigd.

4.9.

De conclusie van het voorgaande is dat opheffing van het beslag en schorsing van de verdere tenuitvoerlegging van het vonnis van 23 juni 2020 niet aan de orde zijn. De vorderingen van [eiser 1] c.s. zullen worden afgewezen.

4.10.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser 1] c.s., omdat zij ongelijk krijgen. De kosten aan de zijde van Holland Zwolle worden tot op heden begroot op in totaal € 1.636,00 (bestaande uit: € 656,00 griffierecht en € 980,00 salaris advocaat).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser 1] c.s. in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van Holland Zwolle begroot op € 1.636,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2021.