Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:2617

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
01-07-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1878
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom opgelegd ter voorkoming van overtreding van artikel 2:74a van de APV van Deventer (drugs); last niet te ver strekkend; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/1878

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. M.J.H. Mühlstaff,

en

de burgemeester van Deventer, verweerder,

gemachtigde: drs. ing. R. Mensink.

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd ter voorkoming van overtreding van artikel 2:74a van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Deventer (de APV).

Bij besluit van 20 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Verweerder heeft van de politie een drugsbericht van 2 maart 2020 ontvangen. In dit bericht staat het volgende. Op 27 november 2019 zijn bij een doorzoeking van de door eiser bewoonde woning in een schoen van eiser 48 zogenaamde ponypacks (envelopjes met wit poeder) aangetroffen. Diezelfde dag zijn bij een doorzoeking van eisers auto nog 10 van dergelijke envelopjes aangetroffen. Uit onderzoek van de Forensische Opsporing is gebleken dat het aangetroffen poeder cocaïne betreft. Eiser heeft verklaard dat hij soms afspraken maakte met mensen die cocaïne wilden. Verder staat in het drugsbericht als “periode van handel / productie” de periode van 23 april 2019 tot 27 november 2019.

1.2

Naar aanleiding van deze informatie heeft verweerder eiser per brief van 31 maart 2020 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om aan hem een last onder dwangsom op te leggen wegens overtreding van artikel 2:74a, eerste lid, van de APV. Verweerder heeft eiser in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na 31 maart 2020 mondeling of schriftelijk een zienswijze naar voren te brengen. Per e-mailbericht van 2 april 2020 heeft eisers gemachtigde verweerder meegedeeld dat eiser zich tot hem heeft gewend in verband met een brief die eiser van verweerder heeft ontvangen. De gemachtigde heeft verweerder verzocht hem een kopie van deze brief en een kopie van het dossier toe te sturen. Daarop heeft verweerder de gemachtigde per e-mailbericht van 3 april 2020 de stukken, waaronder de brief van 31 maart 2020, toegestuurd. Daarbij heeft verweerder de gemachtigde erop gewezen dat de termijn voor het indienen van een zienswijze nog open staat. Eiser en zijn gemachtigde hebben geen zienswijze ingediend.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:74a, eerste lid, van de APV. Verweerder heeft eiser gelast om niet binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Deventer op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en/of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Verweerder heeft bepaald dat eiser, indien hij niet aan deze last voldoet en artikel 2:74a, eerste lid, van de APV weer overtreedt, een dwangsom verbeurt van € 5.000,00 per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 20.000,00.

1.4

Verweerder heeft op 27 mei 2020 een e-mailbericht ontvangen van de politie, waarin staat dat gedurende het onderzoek uit gegevens van opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken en uit een observatie op 14 november 2019 is gebleken dat eiser met de auto naar de verschillende deal-afspraken reed.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de last onder dwangsom gehandhaafd.

3.1

Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn fundamentele rechten zijn geschonden, omdat hij niet de gelegenheid heeft gekregen om een zienswijze in te dienen naar aanleiding van verweerders voornemen om hem een last onder dwangsom op te leggen. Daartoe voert hij aan dat dit voornemen aan hem is toegestuurd bij brief van 31 maart 2020, terwijl hij op dat moment gedetineerd was en verweerder dit ook wist of kon weten. Daarbij komt dat eiser in die periode ten gevolge van de maatregelen tegen het coronavirus slechts één of twee keer per week mocht bellen en niet kon worden bezocht door zijn gemachtigde.

3.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om te reageren op het voornemen. Dit voornemen is niet alleen op 31 maart 2020 aan eiser toegestuurd, maar het is ook op 3 april 2020 aan eisers gemachtigde ter beschikking gesteld. Als het niet mogelijk was om eiser tijdens zijn detentie te bezoeken, had eisers gemachtigde op een andere manier, bijvoorbeeld telefonisch, contact met hem kunnen opnemen.

3.3

De rechtbank overweegt naar aanleiding van deze beroepsgrond het volgende.

3.3.1

Op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en

b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

3.3.2

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd niet tot de conclusie kan leiden dat artikel 4:8, eerste lid, van de Awb is geschonden. Uit het dossier kan worden afgeleid dat zowel eiser als zijn gemachtigde de brief van 31 maart 2020 uiterlijk op 3 april 2020 heeft ontvangen. Vanaf dat moment hadden zij nog anderhalve week de tijd om een zienswijze naar voren te brengen. De omstandigheden dat eiser in die periode gedetineerd zat, dat hij slechts één of twee keer per week mocht bellen en dat zijn gemachtigde hem niet kon bezoeken, geven geen aanleiding voor het oordeel dat eiser onvoldoende gelegenheid heeft gehad om tijdig een zienswijze in te dienen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door deze beperkingen niet tijdig met zijn gemachtigde kon overleggen. Daarbij komt dat eiser of zijn gemachtigde verweerder had kunnen vragen om verlenging van de termijn. Het komt voor rekening en risico van eiser dat zij dit niet hebben gedaan. Dit betekent dat deze beroepsgrond niet kan slagen.

3.3.3

De rechtbank overweegt ten overvloede dat eiser in de bezwaarprocedure voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt naar voren te brengen en dat hij daar ook gebruik van heeft gemaakt.

4.1

Eiser voert aan dat verweerder in zijn besluiten niet heeft aangegeven hoe hij aan de informatie is gekomen die aan deze besluiten ten grondslag is gelegd. Daardoor heeft verweerder geen open en onbevooroordeelde houding aangenomen en is het fair play beginsel geschonden.

4.2

Verweerder voert aan dat hij het drugsbericht van de politie heeft gekregen en dat het dus duidelijk is hoe hij aan de informatie is gekomen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat verweerder het onder 1.4 genoemde e-mailbericht in de loop van de bezwaarprocedure heeft ontvangen.

4.3

De rechtbank constateert dat uit het dossier en de door verweerder ter zitting gegeven toelichting blijkt dat verweerder zijn besluitvorming heeft gebaseerd op informatie die hij van de politie heeft ontvangen, waaronder met name het drugsbericht van 2 maart 2020 en het e-mailbericht van 27 mei 2020. Uit het drugsbericht blijkt dat het gaat om een rapportage van de politie op basis van op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, politiemutaties en openbare bronnen. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook voldoende duidelijk hoe verweerder aan de informatie is gekomen die hij aan de last onder dwangsom ten grondslag heeft gelegd. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.

5.1

Eiser betwist dat hij artikel 2:74a, eerste lid, van de APV heeft overtreden. Hij ontkent dat de politie in zijn woning 48 ponypacks heeft aangetroffen. Hij ontkent ook dat hij in de periode van 23 april 2019 tot en met 27 november 2019 in zijn auto heeft gereden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet af te leveren of aan te bieden. Eiser wijst erop dat de strafrechter heeft uitgesproken dat hij zich in de periode van 1 september 2019 tot en met 27 november 2019 schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van cocaïne. Daaruit kan niet worden afgeleid dat hij 48 ponypacks in zijn woning heeft bewaard.

5.2

Verweerder voert aan dat hij zijn besluitvorming heeft gebaseerd op het drugsbericht en dat hij in beginsel mag afgaan op de juistheid van de daarin neergelegde bevindingen. Eiser ontkent de in het drugsbericht neergelegde bevindingen, maar onderbouwt zijn standpunt niet. Verweerder ziet in de enkele ontkenning geen gegronde reden om aan de juistheid van het drugsbericht te twijfelen.

5.3

De rechtbank overweegt naar aanleiding van deze beroepsgrond het volgende.

5.3.1

Op grond van artikel 2:74a, eerste lid, van de APV is het, onverminderd het bepaalde in de Opiumwet, verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zulks geschiedt om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

5.3.2

Verweerder heeft zijn standpunt dat eiser artikel 2:74a, eerste lid, van de APV heeft overtreden gebaseerd op het drugsbericht en het e-mailbericht van de politie van 27 mei 2020. Het drugsbericht betreft een rapportage van de politie op basis van op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, politiemutaties en openbare bronnen. De rechtbank is van oordeel dat wat eiser heeft aangevoerd geen twijfel wekt aan de betrouwbaarheid van de vastlegging in deze rapportage en dit e-mailbericht.

5.3.3

De rechtbank is van oordeel dat het drugsbericht en het e-mailbericht voldoende aanwijzingen bevatten op basis waarvan verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser artikel 2:74a van de APV heeft overtreden. Eiser heeft niet ontkend dat in zijn woning en auto cocaïne is aangetroffen. Ter zitting heeft eisers gemachtigde verklaard dat tijdens de huiszoeking in eerste instantie geen verdovende middelen zijn aangetroffen, dat eiser tijdens het verhoor openheid van zaken heeft gegeven en heeft verteld dat er iets lag in zijn schoen en zijn auto en dat daarop de verdovende middelen zijn aangetroffen. Eiser heeft ook niet ontkend dat hij in de door de strafrechter bewezenverklaarde periode van 1 september 2019 tot en met 27 november 2019 cocaïne heeft verkocht. De omstandigheden dat de cocaïne is aangetroffen op aangeven van eiser en dat de periode waarin eiser verdovende middelen heeft verkocht mogelijk korter is geweest dan de in het drugsbericht genoemde periode doen er niet aan af dat sprake is van een overtreding van artikel 2:74a, eerste lid, van de APV. Hieruit volgt dat deze beroepsgrond niet slaagt.

6. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder op grond van artikel 125, eerste en derde lid, van de Gemeentewet, gelezen in samenhang met artikel 5:32 van de Awb bevoegd was handhavend op te treden en eiser een last onder dwangsom op te leggen.

7.1

Eiser voert aan dat de last te verstrekkend is, omdat daarin niet alleen het verstrekken van drugs wordt verboden, maar ook het met drugs over straat lopen, fietsen en wandelen.

7.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het enkele over straat lopen met drugs geen overtreding van de last inhoudt, zolang eiser daarbij niet het kennelijke doel heeft drugs te verkopen. Of daarvan sprake is, zal (moeten) blijken uit de omstandigheden.

7.3

De rechtbank is van oordeel dat de last er feitelijk op neer komt dat eiser het in artikel 2:74a, eerste lid, van de APV neergelegde verbod niet opnieuw dient te overtreden. Op grond van deze bepaling is het verboden bepaalde handelingen te verrichten “indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zulks geschiedt om” - kort gezegd - drugs te verhandelen. Verweerder heeft eiser gelast de in deze bepaling genoemde handelingen niet te verrichten “met het kennelijke doel om” - kort gezegd - drugs te verhandelen. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat met deze beide criteria hetzelfde wordt bedoeld. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover deze criteria al verschillend moeten worden uitgelegd, eerder wordt voldaan aan het criterium dat “redelijkerwijs kan worden aangenomen” dat een bepaalde handeling wordt verricht om drugs te verhandelen. Daarom gaat de last naar het oordeel van de rechtbank niet verder dan het voorkomen van een herhaling van het in artikel 2:74a, eerste lid, van de APV neergelegde verbod en is deze dus niet te verstrekkend. Dit betekent dat deze beroepsgrond niet slaagt.

8.1

Eiser voert aan dat de hoogte van de dwangsom disproportioneel is en dat verweerder deze onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens eiser leidt het verhandelen van drugs niet altijd tot overlast, heeft verweerder niet geconcretiseerd waaruit die overlast in zijn geval heeft bestaan en staat de hoogte van de dwangsom in geen verhouding tot de gestelde overlast. Dit geldt volgens eiser temeer omdat aan de last geen termijn is verbonden, waardoor de last levenslang blijft gelden.

8.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding staat met het te dienen doel. Volgens verweerder volgt uit de aangetroffen ruime hoeveelheid harddrugs en het feit dat eiser heeft erkend dat hij zich bezig heeft gehouden met het verhandelen van drugs dat sprake is van een ernstige inbreuk op de openbare orde en veiligheid. Verweerder heeft toegelicht dat de straathandel in drugs en daarop gelijke waar leidt tot aantasting van de openbare orde, overlast en onveiligheid op de openbare weg. De last dient ertoe om dit te voorkomen. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom mede gebaseerd op het grote financiële gewin in het circuit van de drugshandel.

8.3

De rechtbank overweegt naar aanleiding van deze beroepsgrond het volgende.

8.3.1

De rechtbank stelt voorop dat het doel van de last onder dwangsom in dit geval is het voorkomen van herhaling van de overtreding van artikel 2:74a, eerste lid, van de APV. Als eiser deze bepaling niet opnieuw overtreedt, verbeurt hij ook geen dwangsom. Hij heeft dit daarom zelf in de hand. De last onder dwangsom heeft daarmee niet tot doel om eiser leed toe te brengen, maar om herhaling van de overtreding te voorkomen.

8.3.2

In artikel 5:32b, derde lid, van de Awb is bepaald dat de vast te stellen dwangsom in redelijke verhouding moet staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de gegeven toelichting, in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat een bedrag van € 5.000,00 met een maximum van € 20.000,00 in redelijke verhouding staat tot het ermee te dienen doel. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 22 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1117, r.o. 4.4).

8.3.3

De Awb bevat geen bepaling op grond waarvan is vereist dat een last alleen kan worden opgelegd indien de last in tijd is beperkt. Voor een dergelijk eis bestaan ook overigens geen aanknopingspunten. De rechtbank vindt daarvoor steun in artikel 5:34 van de Awb waarin juist is geregeld onder welke omstandigheden de overtreder het bestuursorgaan kan verzoeken de last op te heffen. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de ABRvS van 24 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:209, r.o. 7.1).

8.3.4

Hieruit volgt dat ook deze beroepsgrond niet slaagt.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, als griffier, op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.