Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:261

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-01-2021
Datum publicatie
22-01-2021
Zaaknummer
08/239720-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 19-jarige man zonder vaste woon- of verblijfplaats en een 20-jarige man uit Zwolle hebben zich schuldig gemaakt aan diefstal uit een woning in Whije. Zij hebben zich op klaarlichte dag schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging uit een woning, waarbij zij, gedreven door financieel gewin, sleutelbossen en een geldbedrag heeft buitgemaakt. Het slachtoffer werd tijdens zijn vakantie geconfronteerd met dit feit en heeft vervolgens tijd en moeite moeten investeren in de afhandeling ervan. Diefstallen uit woningen leveren niet alleen financiële schade op, maar kunnen daarnaast ook het gevoel van veiligheid van de bewoners en omwonenden aantasten.

De rechtbank Overijssel veroordeelt beide mannen tot een gevangenisstraf van 5 maanden. Ook gelast de rechtbank de tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straffen, dit geldt voor beide mannen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/239720-20 (P)

Datum vonnis: 22 januari 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2001 in [geboorteplaats 1] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in de P.I. Almelo te Almelo

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

8 januari 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.Y. Huang en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw, mr. C.H. Pentinga, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte met een of meer anderen heeft ingebroken in een woning.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 23 september 2020 te Wijhe, gemeente Olst-Wijhe, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- één of meerdere sleutelbos(sen) en/of
- enig geldbedrag, te weten ongeveer 429,55 euro,
in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam] en/of Stichting vrienden van [kerk] , heeft weggenomen uit een woning gelegen aan te [adres] met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen sleutelbossen en/of enig geldbedrag onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en of verbreking en/of een valse sleutel, te weten door de deur van die woning te openen met een stuk plastic(flipperen).

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af.

Op 23 september 2020 wordt aangever [naam] op zijn vakantieadres door buren geïnformeerd dat er in zijn woning aan de [adres] in Wijhe een inbraak heeft plaatsgevonden. Hij doet telefonisch aangifte en constateert enkele dagen later bij thuiskomst dat een geldbedrag van € 429,55 uit zijn woning is weggenomen. Dit geldbedrag bestond uit briefgeld en rolletjes muntgeld die in papier waren gewikkeld.

Getuige [getuige 1] ziet op 23 september 2020 drie mannen vanaf het station in Wijhe naar een woning aan de [adres] lopen. Twee van hen zijn gekleed in een blauw trainingspak, één draagt een grijs/zwart trainingspak. De getuige ziet dat de twee mannen met een blauw trainingspak de woning binnengaan, terwijl de derde buiten de woning blijft staan, kennelijk op de uitkijk. Even later komen de twee mannen weer naar buiten, waarna de drie mannen het perron van het station van Wijhe op lopen en plaatsnemen in een wachthokje. Ondertussen heeft de getuige de politie gebeld. De getuige bleef aan de telefoon met de centralist van de politie en heeft zijn waarnemingen en een signalement van de mannen doorgegeven. Wanneer verbalisant [verbalisant 1] ter plaatse arriveert, wijst de getuige de drie mannen in het wachthokje aan. Zij rennen weg wanneer zij de verbalisant zien.

Achter het wachthokje worden later twee sleutelbossen op de grond aangetroffen. Aangever [naam] herkent deze sleutelbossen op foto's en verklaart dat deze afkomstig zijn uit zijn woning.

Nadat de mannen zijn weggerend, volgt een achtervolging door een bos, waarbij verbalisant [verbalisant 1] nabij een sloot een paar schoenen aantreft. Ook ziet hij een vers spoor door het kroos in de sloot. Aan de andere kant van de sloot ziet hij de drie mannen verder rennen en besluit hen optisch te volgen. Uiteindelijk ziet hij de mannen, die hij herkent als dezelfde personen die eerder van hem waren weggerend, een weg oversteken en wegrennen door een weiland. Ondertussen zijn ook andere verbalisanten ingeschakeld. Zij weten twee mannen aan te houden. Beide mannen hebben natte kleren, één van hen heeft geen schoenen aan en de ander heeft kroos op zijn achterhoofd. Beiden dragen een ID-kaart bij zich. De mannen blijken verdachte en medeverdachte [medeverdachte] te zijn. Verdachte draagt bij zijn aanhouding een donkerblauwe joggingbroek en een donkerblauwe jas. Medeverdachte [medeverdachte] draagt een blauw trainingsjack en een blauwe trainingsbroek. Onder hen wordt brief- en muntgeld aangetroffen.

Uit het voorgaande volgt dat de mannen vanaf het binnengaan van de woning aan de [adres] tot hun aanhouding voortdurend in het oog zijn gehouden door de getuige en de verbalisanten. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van getuige [getuige 1] te twijfelen, te meer nu deze steun vindt in de verklaring van getuige [getuige 2] - die tijdens dit voorval bij [getuige 1] was en eveneens zicht had op wat er gebeurde - die op hoofdlijnen een eensluidende verklaring heeft afgelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte op de bewuste dag in Wijhe was, zich met anderen heeft begeven naar en in de (nabijheid van de) bewuste woning aan de [adres] aldaar en vervolgens is gevlucht voor de politie. Voorts zijn in diens nabijheid sleutelbossen aangetroffen die afkomstig bleken te zijn uit de woning van aangever. Verdachte heeft niet

– in ontzenuwende zin - willen verklaren over deze zwaarwegende omstandigheden met betrekking tot het bewijs. In een geval als de onderhavige kan met betrekking tot de toedracht van de diefstal wel worden vastgesteld dat deze door verenigde personen is begaan zonder dat duidelijk wordt wat ieders rol is geweest. Indien in een dergelijk geval de verdachte zelf kort na de diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden kan sprake zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte van belang is voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen. Nu vastgesteld kan worden dat verdachte kort na de diefstal met anderen wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij de diefstal duiden, terwijl er geen contra-indicaties met betrekking tot het medeplegen bestaan, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal.

Nu uit het dossier blijkt dat er geen sporen van braak of verbreking zijn gevonden aan de woning van aangever en ook overigens onvoldoende naar voren komt op welke wijze verdachte en zijn mededader(s) de woning zijn binnengekomen, zal de rechtbank hem van de daarop ziende onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 september 2020 te Wijhe, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
meerdere sleutelbossen en 429,55 euro, die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorden, te weten aan [naam] , heeft weggenomen uit een woning gelegen aan de [adres] met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en zal hem daarvan vrijspreken.

In de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden met aftrek van voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, zakelijk weergegeven, verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder diens jeugdige leeftijd en verstandelijke beperking.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich op klaarlichte dag schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging uit een woning, waarbij hij, gedreven door financieel gewin, sleutelbossen en een gelbedrag heeft buitgemaakt. Het slachtoffer werd tijdens zijn vakantie geconfronteerd met dit feit en heeft vervolgens tijd en moeite moeten investeren in de afhandeling ervan. Diefstallen uit woningen leveren niet alleen financiële schade op, maar kunnen daarnaast ook het gevoel van veiligheid van de bewoners en omwonenden aantasten. Het betreft een brutaal en kwalijk feit, waarvoor verdachte geen enkele verantwoording heeft willen afleggen.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 november 2020 blijkt dat verdachte meerdere malen is veroordeeld voor - met name - vermogensdelicten.

Uit reclasseringsrapportages over verdachte van 25 september 2020 en 29 december 2020 komt naar voren dat verdachte veel problemen ervaart op diverse leefgebieden. Zo heeft betrokkene geen werk, scholing dan wel andere dagbesteding. Ook heeft hij geen vaste woon- of verblijfplaats en ontvangt hij geen inkomen. Verdachte bevindt zich in een (deels) negatief sociaal netwerk en is verder bekend met gokverslaving en met schulden. Ook zijn er aanwijzingen voor een licht verstandelijke beperking, maar door verdachtes weigering om mee te werken aan recente diagnostiek, bestaat er weinig duidelijkheid over zijn psychosociaal functioneren.

Gezien de ernst van het gepleegde feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg voor Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor een diefstal uit een woning (categorie insluiping) wordt bij veelvuldige recidive in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden passend geacht. De rechtbank zal, rekening houdend met de jeugdige leeftijd van verdachte en zijn vermoedelijk beperkte verstandelijke vermogens, daarop één maand in mindering brengen en acht zodoende het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden passend en geboden.

De rechtbank heeft zich vervolgens de vraag gesteld gezien of zij een deel van deze straf voorwaardelijk zou moeten opleggen. Hoewel de jeugdige leeftijd van verdachte en diens problematiek op verschillende levensgebieden daartoe zouden kunnen nopen, ziet de rechtbank daarvoor, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding. De rechtbank overweegt daartoe dat de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij zich aan eventueel op te leggen voorwaarden zou willen houden, gelet op zijn overige proceshouding, zuiver lijkt te zijn ingegeven door opportuniteit en geenszins door intrinsieke motivatie om aan zichzelf te werken. Nu bovendien eerdere reclasseringstrajecten met verdachte niet tot gedragsverandering hebben geleid en ook een lopende proeftijd hem er niet van heeft weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen, ziet de rechtbank geen heil in het opleggen van hernieuwd reclasseringstoezicht. Daarom zal worden volstaan met het opleggen van de hierboven genoemde onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[naam] vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 429,55 (zegge: vierhonderdnegenentwintig euro en vijfenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Het gevorderde betreft materiële schade, te weten de inhoud van een geldkistje die uit de woning van de benadeelde is meegenomen.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, in lijn met de bepleite vrijspraak, primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Subsidiair, in het geval de rechtbank tot een veroordeling zou komen, heeft zij zich met betrekking tot de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is niet betwist, voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom geheel (hoofdelijk) toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De vordering tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 15-265065-19

De officier van justitie heeft gevorderd dat de tenuitvoerlegging wordt gelast van de bij

vonnis van 3 maart 2020 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, voorwaardelijk

opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

De raadsvrouw heeft, in lijn met de bepleite vrijspraak, primair om afwijzing van de vordering verzocht. Subsidiair, in het geval de rechtbank de tenuitvoerlegging zou bevelen, heeft zij verzocht de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen, nu is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 429,55 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2020) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 429,55, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2020 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van acht dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk wordt aan de opgelegde onvoorwaardelijke straf;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 3 maart 2020 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden (parketnummer 15-265065-19).

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Eshuis, voorzitter, mr. G.H. Meijer en S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2021.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.1

1. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] d.d. 23 september 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p.8-9:

Op 23 september 2020 was ik verbalisant [verbalisant 1] werkzaam voor de politie Oost-Nederland, team Zwolle. Op bovengenoemde data en tijdstip reed ik in Zwolle-Zuid toen ik een melding hoorde van een verdachte situatie in Wijhe. Ik hoorde vrij snel daarna dat deze verdachte situatie waarschijnlijk een woninginbraak betrof. Aanrijdend hoorde ik dat het zou gaan om drie personen waarvan er een op de uitkijk stond. Ik hoorde vervolgens dat de drie personen de woning uit gegaan waren en naar het station gelopen waren.

Ik ben vervolgens de Stationstraat in Wijhe opgereden en kwam bij het station aan. Omdat de personen al uit de woning waren en op het station waren ben ik doorgereden, waar ik de melder trof. Ik kwam op het station aan, aan de Wijhe kant. Ik hoorde van de melder dat de personen aan de andere kant van het spoor in een hokje zaten. Ik ben toen het spoor overgestoken bij de overgang om het perron aan de Raalte kant op te lopen. Op het moment dat ik aan de goede kant van het station was, zag ik dat er een drietal mannen in mijn richting keken en het hokje verlieten. Dit hokje was ongeveer vijftig meter bij mij vandaan. Ik zag dat de mannen een heg over sprongen, de spoorslag overstaken en een bosperceel in renden. Op dat moment zag ik collega [verbalisant 2] aan komen rijden in een onopvallend. dienstvoertuig. Ik vertelde hem dat de verdachten het bosperceel in gerend waren. Ik hoorde dat hij zei:"ik rij er omheen."

Vervolgens ben ik achter de drie verdachten het bosperceel ingegaan. Toen ik het bosperceel inging zag ik drie personen van mij af rennen verder het bos in. Ik zag dat het bosperceel

slecht begaanbaar was met hoge begroeiing. Ik herkende de personen welke door het

bosperceel renden als de personen welke weg renden van het station. Ik zag dat er een (l) volledig donkerblauw trainingspak aan had. De andere twee kon ik niet goed zien.

Toen ik een stuk in het bos gerend had, kwam ik bij een sloot. Hier zag ik twee blauwe schoenen in de modder zitten. Dit gaf ik door aan de collega's dat een (l) persoon waarschijnlijk zonder schoenen verder was gerend. Ik zag een vers spoor door het kroos in de sloot ter hoogte van de schoenen die ik had aangetroffen. Aan de andere kant van de sloot zag ik de drie verdachten verder rennen.

Daarna heb ik de verdachte optisch gevolgd. Ik had google maps geopend om de

collega's goed te sturen. Ik zag dat de drie verdachten de weg, Onder de Gelder,

overstaken en een weiland in renden. Dit gaf ik door aan de collega's. Niet veel later zag ik een collega achter de verdachten aanrennen. Dit bleek later collega [verbalisant 2] te zijn. Vervolgens ben ik terug gelopen naar de melder en het station. Ik nam de gegevens op van de getuigen en ben daarna naar de woning gelopen.

Bij de voordeur aangekomen zag ik dat deze dicht zat. Ik zag geen verbreking op de voordeur. Ik heb vervolgens met mijn elleboog tegen de deur aangeduwd. Ik zag dat de

deur open ging. Ik heb de woning niet betreden om geen sporen te vernietigen. Ik ben

vervolgens om de woning gelopen om te kijken of ik duidelijk kon krijgen of er een

voltooide inbraak was geweest. Aan de achterzijde van de woning zag ik in een ruimte

een kastje staan, waarvan de laden eruit getrokken waren en een aantal spullen op de grond lagen.

Hierop heb ik de collega's doorgegeven dat er sprake was van een voltooide inbraak.

Ik ben vervolgens naar het station gelopen naar de abri waar ik de verdachten zag wegrennen en over de heg springen. Ik zag dat er achter de abri een tweetal sleutels en een hangertje of iets dergelijks lagen. Ik heb de goederen inbeslaggenomen.

2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 september 2020, p.7, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Wij waren in het cellencomplex in verhoor met verdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] . Wij kregen de opdracht om het geld uit de fouillering van verdachte [medeverdachte] in beslag te nemen. Hierop hebben wij gevraagd naar de fouillering van verdachte [medeverdachte] . Wij zagen dat het papiergeld in een papieren enveloppe zat. Wij zagen dat het muntgeld in een sealbag zat. Wij maakten de sealbag open. Wij zagen en voelden dat het geld nat was. Wij zagen dat er allemaal kleine doorweekte stukjes papier tussen het muntgeld zat en op het muntgeld geplakt zat.

3. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] d.d. 23 september 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p.16-18:

Op woensdag 23 september 2020, op of omstreeks 16:40 uur hoorden wij dat het Operationeel Centrum te Apeldoorn, de volgende melding uitgaf in Wijhe: "Inbraak woning waarbij drie jongens gezien waren. Alle drie de personen zouden de woning in zijn gegaan." Naar aanleiding van vorenstaande zijn wij onverwijld ter plaatse gegaan. Wij kregen via het Operationeel Centrum Apeldoorn te horen dat we positie met de Hamelweg in moesten nemen zodat het bosperceel dicht gezet werd. Wij namen positie in op de Hamelweg, ter hoogte van de zorgboerderij 't Hamel. Wij zagen dat er een pick-uptruck reed over een zandpad langs het bosperceel. Wij zagen dat hij enige tijd op het zandpad bleef staan.

Wij zagen, om 17:13 uur, dat de pick-uptruck in onze richting reed en ons wenkte. Wij staken het water over en hoorden dat hij de boswachter was.

Wij hoorden dat hij zag dat hij de twee personen door het veld zag rennen in de richting van de woning, gevestigd aan de Onder de Gelder [huisnummer 1] . Wij reden mee met de boswachter in de richting van de woning. Wij hoorden van de boswachter dat hij de personen zag rennen nabij de woning. Wij hoorden kort daarna stemmen aan de andere zijde van de struiken. Wij gingen door de struiken en riepen de personen aan. Wij zagen dat er twee personen op de knieën gingen zitten. Wij zagen dat er een persoon zonder schoenen liep en dat de kleding

van beide personen doorweekt waren. Wij hielden beide personen aan ter zake woninginbraak.

Ik, verbalisant [verbalisant 3] , vroeg de verdachte die ik aanhield of hij een legitimatiebewijs bij zich had. Ik hoorde dat hij aangaf dat hij dat bij zich had en dat deze in zijn rechter jaszak zat. Ik haalde zijn paspoort uit zijn jaszak en zag dat hij opgaf te zijn:

[verdachte]

[geboortedatum 1] 2001 te [geboorteplaats 1]

Ik zag dat zijn kleding doorweekt was en dat hij groen kroos aan de achterzijde van zijn achterhoofd had zitten. Ik kan de verdachte als volgt omschrijven:

Man, licht getint, kort donker haar, blauw trainingsjack met hoody. blauwe trainingsbroek

donkere nike schoenen met witte zool.

Voordat we de verdachte zouden vervoeren onderwierpen we de verdachte aan een

transportfouillering. Ik zag dat de verdachte de volgende, doorweekte, goederen bij

zich had:

Rechter broekzak

Papiergeld (3x 50 euro, lx 10 euro en 2x 5 euro)

Ik, verbalisant [verbalisant 4] , vroeg de verdachte die ik aanhield of hij een legitimatiebewijs bij zich had. Ik hoorde dat hij aan gaf dat hij dat bij zich had en dat deze in zijn rechter jaszak zat. Ik haalde zijn identiteitskaart uit zijn jaszak en zag dat hij opgaf te zijn:

[medeverdachte]

[geboortedatum 2] [geboorteplaats 2]

Ik zag dat zijn kleding doorweekt was en dat hij geen schoenen droeg. Ik kan de

verdachte als volgt omschrijven:

Man, blank, donker haar, donker blauwe joggingbroek, donker blauwe jas.

Voordat we de verdachte zouden vervoeren onderwierpen we de verdachte aan een

transportfouillering. Ik zag dat de verdachte de volgende, doorweekte, goederen bij zich had:

Briefgeld

Veel muntgeld in de vorm van: twee (2) euro munten, een (1) euro munten

4. Een proces-verbaal van aangifte [naam] d.d. 24 september 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p.31-32:

Ik wil aangifte doen van inbraak in mijn woning, [adres] . Vandaag, 23 september 2020, eind van de middag ben ik door mijn buren (nummer [huisnummer 2] ) gebeld dat er is ingebroken in mijn woning. Ik heb begrepen dat de woning nu is afgesloten. Ik weet nu nog niet of er goederen weg zijn en zo ja, welke goederen. Aanstaande zondagavond, 27 september 2020, verwacht ik terug te komen van vakantie. Op maandag, 28 september 2020, zal ik direct kijken of er goederen zijn weggenomen.

5. Een proces-verbaal van verhoor aangever [naam] d.d. 25 september 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p.33-34, inclusief fotobijlagen:

Met toestemming van de aangever [naam] , hoorde ik hem telefonisch op zijn vakantieadres in Duitsland. Via Whatsapp heeft mijn collega [verbalisant 5] foto's doorgestuurd van de in beslaggenomen sleutels. Ik, verbalisant, vroeg aan de aangever of hij de sleutelbos met het zwarte lederen hoesje herkende.

Ik hoorde de aangever verklaren: Ja, die herkennen mijn vrouw en ik. Die hebben in een lade gelegen in onze woning.

Ik, verbalisant, vroeg aan de aangever of hij de lederen sleutelhoesje met sleutelhanger: Tweewielerspecialist Koevermans te Vlaardingen herkende. Ik hoorde de aangever verklaren: Ja mijn vrouw en ik herkennen deze ook en is ook afkomstig uit dezelfde lade. Genoemde sleutelbossen zijn afkomstig uit mijn woning.

6. Een proces-verbaal van verhoor aangever [naam] d.d. 28 september 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p.39-40:

Ik ben inmiddels thuis van vakantie en heb in mijn woning gekeken wat er nu precies

is gebeurd tijdens de woninginbraak op woensdag 23 september 2020. In totaal is uit deze kas een bedrag van 429,55 euro gestolen. Ik weet het niet precies, maar bij benadering bestaat dat geldbedrag uit 300,- euro aan papiergeld en 129,55 euro aan muntgeld. Het muntgeld rol ik in papier en daarop schrijf ik hoeveel geld er in dat rolletje zit. Ik had in ieder geval rolletjes van 2 euromunten, van 1 euromunten en van 0,50 cent munten.

7. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 23 september 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p.41-43:

Ik was vanmiddag, woensdag 23 september, omstreeks 16.30 uur, voor mijn werk aanwezig op het station te Wijhe. Ik sprak daar met een kennis van mij. Ik zag toen een drietal mannen op het perron van het station lopen. De drie mannen zagen er als volgt uit. De 3 personen hadden een soort van trainingspak aan, waarvan 2 mannen een blauwkleurig trainingspak aan hadden en de andere een grijsachtig zwart trainingspak. Ik zag dat een man in het blauwe trainingspak richting het trottoir liep tegenover de witte vrijstaande woning tegenover het NS station te Wijhe. Ik zag dat deze man, vanaf het trottoir tegenover deze woning, de woning observeerde. Ik zag toen dat de man met het blauwe trainingspak aan naar de voordeur van de woning liep en iets in zijn handen had. Wat deze man in zijn handen had kon ik niet zien. Ik zag wel dat deze man in het blauwe trainingspak de voordeur in een zeer korte tijd had geopend en de woning binnen liep.

Ik zag dat de beide mannen, die nog ter hoogte van de fietsenstalling bij het NS Station te Wijhe stonden, ook naar deze woning liepen en dat een man met ook een blauwkleurig trainingspak aan, ook de woning binnen liep via de door de man in het blauwe trainingspak geopende voordeur. Ik zag dat de man met het grijs zwarte trainingspak aan, op het trottoir tegenover de woning ging staan om de omgeving kennelijk in de gaten te houden. Ik denk dat ze ongeveer vijf a tien minuten in de woning zijn geweest terwijl de man met de grijze zwarte jas de omgeving bleef observeren. Ik zag dat de drie mannen richting het perron van het NS Station te Wijhe liepen en op het perron gingen staan in een wachthokje voor de trein richting Zwolle. Ik zag toen een politieman het NS Station te Wijhe oplopen. Toen ik zag dat de drie mannen de politieman in het vizier kregen, renden ze er gelijk vandoor. Ik zag dat de drie mannen het bosgedeelte in renden aan de achterzijde van het NS Station.

8. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 26 september 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p.46-47:

Ik ben getuige geweest van een woninginbraak. Op woensdag 23 september omstreeks

16:34 uur stond ik met mijn kameraad in een werkbus van Post NL aan de [adres] te

Wijhe. Ik zag allemaal mensen uit de trein stappen. Ik zag ook drie jongens, waarbij mijn alarmbellen meteen gingen rinkelen. Ik zag dat ze het spoor overstaken en naar een wit huis liepen. Ik zag dat één van de jongens bleef staan. Voor mijn gevoel ging hij staan posten. Ik zag dat de andere twee jongens de woning in gingen. Ik zag op een gegeven moment dat de drie jongens terug kwamen lopen vanaf de woning. Ik zag dat ze een beetje paranoia om zich heen aan het kijken waren. Ik zag dat ze de spoorwegovergang overstaken en met z'n drieën in een wachthokje op het perron gingen staan. Ik zag dat ze alle drie dicht tegen elkaar aan in een hoekje van het wachthokje stonden. Ik zag hun schoenen onder het hokje uit steken. Ik zag dat er een politieauto naast ons kwam staan. Ik hoorde dat mijn kameraad tegen de politieman zei: "je moet daar zijn, als de donder". Ik zag dat de drie jongens het hokje uit renden en over de heg achter het hokje sprongen. Ik zag dat de politieman achter de drie jongens aan rende.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Eenheid Oost-Nederland, Districtrecherche IJsselland, Recherche Deventer met proces-verbaalnummer PL06-2020453854. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.