Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:2518

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-06-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
ak_21_596
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft de afwijzing van een verzoek om handhavend op te treden tegen de voorgenomen bouwwerkzaamheden ten behoeve van een droogzetvoorziening nabij de stuw bij Junne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 21/596

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], en

Stichting Omgevingsrecht,

verzoekers,

gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel, verweerder,

gemachtigde: mr. N. Vollebergh.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: het dagelijks bestuur van het Waterschap Vechtstromen,

gemachtigde: mr. V.A. Textor.

Procesverloop

Op 17 januari 2021 hebben verzoekers aan verweerder gevraagd om in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) handhavend op te treden tegen de voorgenomen bouwwerkzaam-heden ten behoeve van een droogzetvoorziening nabij de stuw bij Junne.

Bij besluit van 7 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder dat verzoek afgewezen.

Verzoekers hebben tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2021, gelijktijdig met het onderzoek van de voorzieningenrechter in de zaken met nummers AWB 21/686, 21/687 en 21/688. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door R. Reurink, ecoloog. Derde partij heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, alsmede door H. Schipper, projectleider, en M. van der Sluis, adviseur ecologie van EcoGroen. Verder heeft mr. M. Guijs, senior adviseur juridische zaken bij het Waterschap, via een Skype-verbinding aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, door de indiener van het bezwaarschrift aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd.

Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt uitgesproken dat tevens het onderwerp van de bezwarenprocedure raakt, heeft dit oordeel een voorlopig karakter.

2. Gelet hierop dient in het onderhavige geding de vraag te worden beantwoord of onverwijlde spoed vereist dat het besluit van 7 april 2021, waarbij het handhavingsverzoek van verzoekers is afgewezen, wordt geschorst, dan wel dat anderszins een voorlopige voorziening wordt getroffen.

De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

3. Verzoekers willen met hun verzoek om voorlopige voorziening bereiken dat de bouw-werkzaamheden aan de droogzetvoorziening worden stilgelegd, omdat deze anders al voltooid zullen zijn tegen de tijd dat op hun bezwaar zal worden beslist, waardoor de uitkomst van de bezwaarprocedure illusoir zou worden.

4.1

Bij uitspraak van heden heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan op de verzoeken om voorlopige voorziening in verband met de bij de rechtbank aanhangige beroepen tegen de omgevingsvergunning voor de droogzetvoorziening nabij de stuw te Junne, met zaaknummers AWB 21/686, 687 en 688.

4.2

Op grond van de in die uitspraak genoemde overwegingen – waarnaar hier wordt verwezen – heeft de voorzieningenrechter het bestreden besluit en het primaire besluit in die zaken geschorst tot de uitspraak van de rechtbank in de aan die verzoeken connexe bodemprocedures bekend zal zijn gemaakt. Dit betekent dat er gedurende die periode geen werkzaamheden aan de droogzetvoorziening mogen plaatsvinden.

4.3

Nu de werkzaamheden aan de droogzetvoorziening al stilliggen als gevolg van de genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter, is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening in deze procedure.

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van G. Kootstra, griffier, op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.