Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:2493

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-06-2021
Datum publicatie
18-06-2021
Zaaknummer
AWB 21/825 t/m AWB 21/828
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bevel tot sluiting van een woning voor de duur van drie maanden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat sluiting van de woning noodzakelijk is. Ook geven de bestreden besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen blijk van een onjuiste of onevenredige belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 21/825 t/m AWB 21/828

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , verzoeker in AWB 21/825,

[naam 2] , verzoekster in AWB 21/826,

[naam 3] , verzoeker in AWB 21/827,

[naam 4] , verzoekster in AWB 21/828,

allen wonende te [plaats] , hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers,

gemachtigde: mr. M.J.H. Mühlstaff,

en

de burgemeester van Deventer, verweerder,

gemachtigde: drs. ir. R. Mensink.

Procesverloop

Bij drie afzonderlijke, aan verzoekers gerichte, besluiten van 7 mei 2021 (hierna te noemen: de bestreden besluiten) heeft verweerder de sluiting bevolen van de woning aan de [adres] in [plaats] voor een periode van drie maanden, ingaande op 31 mei 2021 om 10.00 uur. Een vierde, gelijkluidend besluit van 7 mei 2021 heeft verweerder gericht aan Woningstichting [naam 5] (hierna te noemen: de woningstichting).

Tegen de bestreden besluiten hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om de bestreden besluiten te schorsen tot zes weken nadat verweerder op de bezwaren heeft besloten.

Per e-mail van 25 mei 2021 heeft verweerder verklaard de ingangsdatum van de sluiting op te schorten tot drie dagen nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op de verzoeken om voorlopige voorziening. Hieraan heeft verweerder de voorwaarde verbonden dat de uitspraak uiterlijk op 18 juni 2021 bij hem bekend is.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2021. Van verzoekers zijn verschenen [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.

2.1.

Verzoekers huren de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna:

de woning) van de woningstichting. [naam 1] is de vader van het gezin en [naam 2] de moeder (hierna te noemen: de vader respectievelijk de moeder). [naam 3] is de meerderjarige zoon van het gezin (hierna te noemen: de zoon) en [naam 4] de meerderjarige dochter (hierna: de dochter). Verder bestaat het gezin [achternaam] nog uit drie minderjarige kinderen, die ook in de woning wonen.

2.2.

In 2020 is de vader meermaals met de politie in aanraking geweest op verdenking van overtreding van de Opiumwet. Bij besluit van 5 juni 2020 heeft verweerder hem gelast om, samengevat weergegeven, niet binnen de grenzen van de gemeente Deventer op of aan de weg post te vatten met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en/of 3 van de Opiumwet al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven.

Aan overtreding van deze last heeft verweerder een dwangsom verbonden van € 5.000,- per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 20.000,-. Aan het besluit van 5 juni 2020 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit een politiebericht van 5 mei 2020 blijkt dat op 4 mei 2020 in de auto van de vader harddrugs of daarop gelijkende waar zijn aangetroffen en dat hij deze had verhandeld op de openbare weg.

2.3.

Op 8 juli 2020 heeft de politie vastgesteld dat de vader opnieuw vanuit zijn auto drugs verhandelde op of aan de openbare weg. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij besluit van 21 september 2020 aan de vader meegedeeld dat de verbeurde dwangsom van

€ 5.000,- wordt ingevorderd. Bij besluit van 12 januari 2021 heeft verweerder het hiertegen door de vader gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.4.

Na zijn laatste aanhouding in juli 2020 heeft de politie diverse meldingen en signalen ontvangen dat de vader is blijven handelen in verdovende middelen. Naar aanleiding hiervan is de politie onder leiding van het Openbaar Ministerie een onderzoek gestart naar de vermeende handel in verdovende middel van de vader. In dit verband zijn verschillende vormen van observaties uitgevoerd. Onder meer zijn heimelijk cameraopnames gemaakt en is een telefoon getapt. Uit het onderzoek is de politie gebleken dat de vader dagelijks handelt in verdovende middelen en dat ook de overige meerderjarige familieleden betrokken zijn bij de handel in verdovende middelen.

2.5.

Om de drugshandel van de vader een halt toe te roepen en hem daarvoor strafrechtelijk te vervolgen, heeft de politie hem op 23 maart 2021 aangehouden en de woning doorzocht. Bij of op de vader werden 9 bolletjes met cocaïne aangetroffen. In de woning werden onder meer 149 bolletjes met cocaïne (met een totaalgewicht van 28,15 gram), een geladen vuurwapen en een kleine weegschaal voor het wegen van verdovende middelen aangetroffen.

3. Over het onderzoek naar de handel in verdovende middelen van de vader, de in dat kader gedane bevindingen en de doorzoeking van de woning heeft de politie op 6 april 2021 aan verweerder een bestuurlijke rapportage uitgebracht. Op basis van de inhoud van deze rapportage heeft verweerder op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet de bestreden besluiten genomen.

4. Artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bepaalt dat de burgemeester bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Cocaïne staat op lijst I van de Opiumwet.

5. Bij de toepassing van de bevoegdheid uit artikel 13b van de Opiumwet hanteert verweerder de Beleidsregels handhavingsprotocol artikel 13b Opiumwet (hierna: de beleidsregels). Daarin is vastgelegd dat het uitgangspunt is dat verweerder handhavend optreedt als zich een overtreding als genoemd in artikel 13b van de Opiumwet voordoet. Verder bevatten de beleidsregels een handhavingsmatrix waarin de daarbij te nemen stappen zijn opgenomen.

In deze handhavingsmatrix is bepaald dat verweerder bij de eerste constatering van overtreding van artikel 13b van de Opiumwet in verband met het aantreffen van harddrugs in een woning een schriftelijke waarschuwing geeft dat bij een volgende overtreding wordt overgegaan tot sluiting van die woning. Ook voert verweerder in dat geval een gesprek met de overtreder. Indien binnen één jaar na de eerste overtreding een tweede overtreding wordt geconstateerd, wordt volgens de handhavingsmatrix de woning voor maximaal zes maanden gesloten.

In de beleidsregels is ook bepaald dat in ernstige situaties van de matrix kan worden afgeweken. Als voorbeelden van ernstige situaties zijn onder meer vermeld de aanwezigheid van een combinatie van soft- en harddrugs en een combinatie met bepaalde ernstige strafbare feiten, zoals vuurwapenbezit of mensenhandel.

6. De voorzieningenrechter is allereerst van oordeel dat het aannemelijk is dat de in de woning aangetroffen harddrugs deels of geheel waren bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking in de zin van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Dat volgt alleen al uit de hoeveelheid harddrugs die is aangetroffen. Daarnaast blijkt uit de bestuurlijke rapportage dat de politie uit observaties is gebleken dat de vader dagelijks in verdovende middelen handelde en dat hij een vaste klantenkring had van 40 tot 50 personen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder dan ook terecht geconcludeerd dat de in de woning aangetroffen harddrugs een overtreding van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet opleveren. Verzoekers hebben dit ook niet bestreden.

7. Verder is niet in geschil dat het in dit geval gaat om een eerste constatering van een overtreding van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet in de woning. Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten op het standpunt gesteld dat op grond van de beleidsregels tot sluiting van de woning kan worden overgegaan, omdat er verzwarende omstandigheden zijn. Als verzwarende omstandigheden heeft verweerder onder meer genoemd de aanwezigheid van het vuurwapen in de woning, de omstandigheid dat de drugshandel in en nabij de woning heeft plaatsgevonden en tot overlast en (grote) gevoelens van onveiligheid in de omgeving heeft geleid en het incident dat op 9 augustus 2020 heeft plaatsgevonden, waarbij een afnemer door de vader en de zoon is mishandeld. Ook acht verweerder van belang dat eerdere veroordelingen van de vader en de last onder dwangsom van 5 juni 2020 niet het gewenste effect hebben gesorteerd.

8. In geschil is of verweerder, gelet op de beleidsregels en de door verzoekers aangevoerde omstandigheden, in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om sluiting van de woning te gelasten.

9. Daarbij dient in de eerste plaats aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.

10. Volgens verzoekers heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de sluiting van de woning noodzakelijk is. Volgens hen blijkt uit de bestreden besluiten dat het doel van de woningsluiting is om de bekendheid van de woning als drugspand weg te nemen en de loop naar de woning uit het criminele circuit te halen. Verzoekers zijn van mening dat dit doel al is bereikt, doordat de vader nu al bijna drie maanden in voorarrest zit. Daarom had verweerder volgens hen in dit geval kunnen en ook moeten volstaan met het geven van een waarschuwing dat bij een volgende overtreding van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet wordt overgegaan tot sluiting van de woning.

11. De voorzieningenrechter stelt vast dat de politie in de bestuurlijke rapportage op basis van meerdere anonieme meldingen, verklaringen van gebruikers/afnemers, een verklaring van een buurtbewoner, de bevindingen van de wijkagent en de eigen observaties heeft geconcludeerd dat de vader een drugshandel voerde vanuit de woning en vanuit zijn auto. Daarbij is de politie gebleken dat de - kennelijk voor buurtbewoners zichtbare - handel van de vader in verdovende middelen grote impact had op de omgeving. Verder is de politie uit het onderzoek gebleken dat de volwassen gezinsleden ook bij deze handel betrokken waren. Verzoekers hebben de inhoud van de bestuurlijke rapportage niet concreet bestreden. Er bestaat dan ook geen aanleiding om te oordelen dat verweerder de inhoud van de bestuurlijke rapportage niet aan de bestreden besluiten ten grondslag mag leggen. Op basis van de bevindingen en verklaringen uit de bestuurlijke rapportage is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een sluiting van de woning noodzakelijk is om herhaling van de overtreding te voorkomen, de relatie van de woning met het criminele milieu en de drugshandel te verbreken en de inbreuk op de openbare orde ongedaan te maken. Ook heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt mogen stellen dat de aanwezigheid van het vuurwapen de situatie nog ernstiger maakt, omdat algemeen bekend is dat de handel in drugs gepaard kan gaan met geweld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder dan ook in redelijkheid kunnen concluderen dat de eerste stap uit de handhavingsmatrix (het geven van een waarschuwing) moet worden overgeslagen en dat sluiting van de woning in beginsel noodzakelijk is.

12. Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn. Verzoekers zijn om meerdere redenen van mening dat de bestreden besluiten onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Kort samengevat, hebben zij ter onderbouwing van deze grond aangevoerd dat de vader een drugsgebruiker is die slechts incidenteel in drugs handelt. Omdat de moeder, zoon en dochter niet van zijn verslaving afwisten en ook niet wisten dat er drugs en een vuurwapen in de woning lagen, kan hen van de overtreding geen verwijt worden gemaakt.

Verder bestaat de kans dat de minderjarige kinderen psychische klachten overhouden aan de sluiting van de woning en dat hun schoolresultaten daardoor achteruit zullen gaan. Ook is de sluiting van de woning volgens verzoekers onevenredig, omdat de moeder diabetes heeft en daardoor erg reageert op stress. Daarnaast heeft de vader ernstige psychische klachten. Bovendien gaat het niet meer om een tijdelijke sluiting, omdat de woningstichting inmiddels heeft aangegeven dat zij de huurovereenkomst wil ontbinden als de woning daadwerkelijk wordt gesloten. Mede gelet op de woningnood in [plaats] en omdat verzoekers in dat geval drie jaar lang niet in aanmerking kunnen komen voor een sociale huurwoning in de Stedendriehoek, betekent dit feitelijk dat zij de Stedendriehoek worden uitgewezen, aldus verzoekers.

13. Onder verwijzing naar de rechtsoverwegingen 4.2.1 tot en met 4.2.3 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, overweegt de voorzieningenrechter hierover als volgt.

14. Persoonlijke verwijtbaarheid is niet vereist voor toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan echter wel afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zo kan bijvoorbeeld de betrokkene geen verwijt van de overtreding worden gemaakt als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn woning.

15. Zoals gezegd, heeft de politie in de bestuurlijke rapportage geconcludeerd dat de volwassen gezinsleden ook bij de handel betrokken waren. Verder blijkt uit deze rapportage dat er geregeld afnemers aan de deur kwamen, er geprepareerde attributen in de woning lagen en het vuurwapen in het zicht in de jas aan de kapstok hing. Ook is in de stukken een verslag van twee getapte gesprekken opgenomen, waarin de dochter de moeder waarschuwt dat er een voertuig van de politie in de straat staat, waarna de moeder de vader belt om dat door te geven. Ook heeft de moeder de vader bijgestaan in zijn bezwaarprocedure tegen het besluit van 21 september 2020, tot invordering van de dwangsom van € 5.000,-.

De voorzieningenrechter acht het op basis van deze feiten en bevindingen niet aannemelijk dat de moeder, zoon en dochter niet van de aanwezigheid van de drugs in de woning hebben geweten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dan ook niet worden gezegd dat hen van de overtreding geen enkel verwijt kan worden gemaakt.

16. Inherent aan een sluiting van een woning is dat een bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Dat wordt anders als de betrokkene een bijzondere binding heeft met de woning, bijvoorbeeld om medische redenen. Daarbij gaat het niet om een binding met de omgeving van de woning, maar specifiek om een binding met de woning zelf. Daarbij is van belang in hoeverre de betrokkene zelf geschikte vervangende woonruimte kan regelen, maar is ook een rol weggelegd voor verweerder. Gelet op de vereiste evenredigheid van de sluiting dient verweerder te informeren naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting. De gevolgen van een woningsluiting kunnen ook bijzonder zwaar zijn als de betrokkene niet kan terugkeren in de woning na de sluiting, bijvoorbeeld omdat door de sluiting zijn huurcontract wordt ontbonden. In dat kader dient ook betekenis te worden toegekend aan de vraag of de betrokkene door sluiting van de woning op een zogenoemde zwarte lijst komt te staan bij een woningbouwcorporatie als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. Dit hoeft echter niet zonder meer tegen sluiting te verzetten, bijvoorbeeld niet als de betrokkene een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt of gezien de ernst van de overtreding.

De aanwezigheid van minderjarige kinderen in een woning is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder van een sluiting moet afzien. Wel kan de aanwezigheid van minderjarige kinderen tezamen met andere omstandigheden maken dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Verweerder moet zich voldoende rekenschap geven van het feit dat in een woning minderjarige kinderen wonen. In beginsel zijn de ouders van minderjarige kinderen zelf verantwoordelijk voor het vinden van vervangende woonruimte. Echter ook hier geldt dat verweerder zich dient te informeren over geschikte opvang, waarbij gekeken moet worden in hoeverre het kind of de betrokken ouders of verzorgers zelf in staat zijn om iets te regelen.

17. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat niet is gebleken dat verzoekers een dusdanige bijzondere binding met de woning hebben dat verweerder deze niet zou mogen sluiten. Verzoekers hebben weliswaar aangevoerd dat zowel de moeder als de vader medische klachten heeft, maar gesteld noch gebleken is dat deze klachten maken dat het noodzakelijk is dat zij in de woning blijven wonen.

18. Verweerder heeft in de bestreden besluiten aan verzoekers meegedeeld dat, als zij zelf geen tijdelijke vervangende woonruimte kunnen vinden, zij daarvoor contact kunnen opnemen met Iriszorg. Dat geldt zowel voor de moeder, om een tijdelijke verblijfplaats voor de minderjarige kinderen te regelen, als voor de zoon en dochter. Aan de zoon en dochter heeft verweerder daarbij meegedeeld dat, als blijkt dat zij niet in aanmerking komen voor tijdelijke woonruimte, zij bij de nachtopvang in Deventer terecht kunnen. Verder heeft verweerder zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat, als de woningstichting inderdaad de huurovereenkomst wil ontbinden, dit het gevolg is van het handelen van verzoekers zelf. Volgens verweerder zal een burgerlijke rechter moeten toetsen of dit handelen van verzoekers ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt en naar alle waarschijnlijkheid zal die procedure de duur van de woningsluiting ruim overstijgen. In die zin is het volgens verweerder wel degelijk een tijdelijke sluiting. Verder is ook de omstandigheid dat verzoekers op een zwarte lijst komen te staan volgens verweerder meer een gevolg van het handelen van verzoekers zelf dan van de woningsluiting. Deze omstandigheden geven verweerder geen aanleiding om van de sluiting af te zien, waarbij verweerder nog van belang acht dat de woning volgens hem is gelegen in een toch al kwetsbare woonwijk. Verder heeft verweerder ter zitting verklaard dat de omstandigheid dat er minderjarige kinderen in de woning wonen voor hem geen reden vormt om af te zien van het sluiten van de woning, maar dat dit wel aanleiding is geweest om een sluiting van drie maanden te gelasten in plaats van zes maanden.

19. Mede op basis van wat verweerder in verweer en ter zitting nog heeft aangevoerd,

is de voorzieningenrechter van oordeel dat de bestreden besluiten geen blijk geven van een onjuiste of onevenredige belangenafweging. Vanwege de ernst van de situatie heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter de belangen van het verbreken van de relatie van de woning met het criminele milieu en de drugshandel en het herstel van de openbare orde zwaarder mogen laten wegen dan de belangen die verzoekers naar voren hebben gebracht. Ook is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de woningsluiting van drie maanden in de bestreden besluiten, en met de gegeven aanvulling daarop in het verweerschrift en ter zitting, voldoende heeft gemotiveerd. Naar verwachting kunnen de bestreden besluiten in bezwaar dan ook in stand blijven, eventueel met aanvulling van de motivering daarvan in het nog te nemen besluit op de bezwaren.

20. De voorzieningenrechter zal daarom de verzoeken om voorlopige voorziening afwijzen.

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier, op

De beslissing wordt op de eerstvolgende donderdag na deze datum openbaar uitgesproken.

griffier de voorzieningenrechter is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.