Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:2439

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
21-06-2021
Zaaknummer
ak_20_1126
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag wajong-uitkering voor 21 jarige. Ontwikkeling niet uitgesloten wegens rijping; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 20/1126


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. van de Griek),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: M.A. Kuilderd).

Procesverloop

In het besluit van 17 december 2019 (primair besluit) heeft verweerder besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

In het besluit van 3 juni 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn moeder, [naam 1] , en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante feiten

1. Eiser is geboren op 10 april 2000 en is 18 jaar geworden op 10 april 2018. Hij heeft twee jaar een Mbo-opleiding gevolgd, maar deze niet afgerond. Begin 2019 is eiser onderzocht door het Psychodiagnostiek en Advies Centrum Twente (PACT). Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat hij lijdt aan een autismespectrumstoornis (ASS). Daarnaast is door het PACT vastgesteld dat eiser een beneden gemiddeld tot gemiddeld IQ heeft van 93 met een disharmonisch profiel. Op 26 juni 2019 heeft eiser een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Naar aanleiding van de aanvraag is verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek gedaan. Ten tijde van de aanvraag en het onderzoek woonde eiser bij zijn moeder. Inmiddels woont eiser sinds een aantal maanden in het [naam 2] waar hij intensief wordt begeleid.

2. Verweerder legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering. Deze conclusie is door verweerder gebaseerd op de rapportages van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen. Volgens verweerder beschikte eiser op zijn 18e verjaardag niet over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (hierna: arbeidsvermogen), maar is niet uitgesloten dat hij deze nog wel kan ontwikkelen.

Beoordeling door de rechtbank

3.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht tot de conclusie is gekomen dat eiser geen recht heeft op een Wajong-uitkering, omdat het ontbreken van zijn arbeidsvermogen niet duurzaam is. De rechtbank licht dit toe.

3.2

Niet in geschil is dat eiser op zijn 18e verjaardag geen arbeidsvermogen had, omdat hij niet over basale werknemersvaardigheden beschikte. Partijen zijn het niet eens over de vraag of het ontbreken van het arbeidsvermogen duurzaam is.

Is het ontbreken van het arbeidsvermogen bij eiser duurzaam?

3.3

Eiser voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en dat het onvoldoende gemotiveerd is. Eiser meent dat hij duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. Hij is twee keer naar de dagbesteding gegaan, maar dat lukte hem daarna niet meer. De begeleiding door het FACT heeft geen blijvende verbetering opgeleverd. Verweerder heeft volgens eiser miskend dat hij niet alleen ASS maar ook angsten heeft. Door deze combinatie kan eiser geen arbeidsvermogen ontwikkelen. De begeleiding in het [naam 2] ziet ook niet op het verkrijgen van arbeidsvermogen. Bovendien had verweerder op grond van de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) meer concreet moeten motiveren welke behandelstappen genomen zouden moeten worden en welk resultaat die stappen zouden hebben.1

3.4

Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij een jeugdige voor duurzame arbeidsongeschiktheid vereist is dat er geen enkel perspectief meer is en dat het onmogelijk is om arbeidsvermogen te ontwikkelen. Dat dit voor eiser geldt blijkt niet uit de rapportages van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen en ook niet uit de rapportage van het PACT.

3.5

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende zorgvuldig tot de conclusie is gekomen dat het ontbreken van arbeidsvermogen van eiser niet duurzaam is. Verweerder heeft deze conclusie ook voldoende gemotiveerd.

3.5.1

Uit de rapportages van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen blijkt dat bij de beoordeling rekening is gehouden met de ASS waar eiser aan lijdt en ook met het disharmonisch intelligentieprofiel. De beschikbare medische informatie over eiser, met name de rapportage van het PACT, is door de verzekeringsartsen betrokken bij de beoordeling. Daarnaast blijkt uit de rapportages van de verzekeringsartsen dat zij bij hun beoordeling het Compendium Participatiewet (hierna: het Compendium) hebben gevolgd voor de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van het arbeidsvermogen bij eiser. In zoverre is het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig geweest.

3.5.2

De rapportage van het PACT geeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsartsen. Uit het rapport blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat ontwikkeling van het arbeidsvermogen in het geval van eiser onmogelijk is. In de rapportage van het PACT staat onder andere:

Er zijn geen aanwijzingen voor een angststoornis volgens de DSM 5. De angstklachten die cliënt rapporteert zijn beter te verklaren vanuit een autisme spectrumstoornis en de structurele persoonlijkheidskenmerken, zoals hieronder beschreven. […] Cliënt moet nu vooral succeservaringen op gaan doen en zijn sociale vaardigheden gaan uitbreiden en oefenen.

Uit de rapportage blijkt dat ontwikkeling van de vaardigheden van eiser in dit stadium juist nog wel mogelijk is door het opdoen van succeservaringen en uitbreiding van zijn sociale vaardigheden.

3.5.3

Eiser is bovendien pas 21 jaar oud. Volgens het Compendium speelt bij de vraag of het ontbreken van de basale werknemersvaardigheden duurzaam is de rijping en groei van de jongere een rol. De ontwikkeling van deze vaardigheden kan ook doorlopen na het 18e levensjaar. De aard van de stoornis van eiser is pas sinds 2017 duidelijk en eiser wordt ook pas sinds enkele maanden adequaat begeleid. Ter zitting is door de moeder van eiser verklaard dat de begeleiding er onder andere op is gericht dat eiser in de toekomst een opleiding kan volgen. Deze omstandigheden spelen een rol bij de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van eiser en wijzen erop dat eiser nog voldoende ontwikkelingsruimte heeft en dat daar ook aan wordt gewerkt. Het ontwikkelen van sociale vaardigheden en het leren omgaan met ASS staat weliswaar niet gelijk aan het ontwikkelen van werknemersvaardigheden, maar door de leeftijd van eiser en de intensiteit van de behandeling die eiser momenteel volgt zijn de verwachtingen van de verzekeringsartsen over de mogelijke ontwikkeling van eiser naar het oordeel van de rechtbank begrijpelijk en voldoende onderbouwd.

3.5.4

De gemachtigde van eiser heeft op basis van een concrete uitspraak van de CRvB gesteld dat verweerder concrete behandelstappen en resultaten had moeten benoemen om te kunnen concluderen dat eiser niet duurzaam arbeidsongeschikt is.2 De rechtbank ziet in de concrete omstandigheden van eiser echter aanleiding om die uitspraak niet te volgen. In de betreffende zaak ging het om toepassing van oudere wetgeving, waarbij de betrokkene ten tijde van de beoordeling al bijna 30 jaar was. Hoe ouder iemand is, hoe meer eisen naar het oordeel van de rechtbank gesteld mogen worden aan de onderbouwing van de conclusie dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. Als 10 jaar is verstreken na de 18e verjaardag van betrokkene kan een duidelijker beeld worden gevormd over de mogelijkheden voor het ontwikkelen van de vaardigheden. In dit geval is eiser echter pas 21 jaar oud en wordt hij nog intensief begeleid en behandeld. Daarnaast speelt rijping bij hem nog een rol. Eiser is bovendien gemotiveerd om weer naar school te kunnen en heeft in het verleden laten zien wel bijvoorbeeld instructies te kunnen opvolgen in zijn hovenierswerk. De rechtbank vindt het in deze zaak daarom passender om aansluiting te zoeken bij de uitspraak van de CRvB van 22 maart 2021 waarin ten aanzien van een jeugdige met ASS, die nog intensief werd begeleid, is overwogen dat de duurzaamheid van het ontbreken van het arbeidsvermogen niet vaststaat zonder dat daarbij van de verzekeringsartsen werd gevraagd om concrete behandelstappen en resultaten te benoemen.3

3.5.4

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder overtuigend gemotiveerd heeft dat niet uitgesloten is dat eiser de basale werknemersvaardigheden nog kan ontwikkelen. De verzekeringsartsen hebben een concrete en begrijpelijke afweging van de feiten en omstandigheden gemaakt waarbij zij rekening hebben gehouden met de rapportage van het PACT, hun eigen onderzoek en het verleden en de motivatie van eiser. Dat de begeleiding in het verleden niet tot verbetering heeft geleid, betekent niet dat de huidige begeleiding en behandeling niet succesvol kunnen zijn. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de verwachtingen van de verzekeringsartsen en verweerder over de mogelijke ontwikkeling van eiser onjuist zijn.

3.5.5

De rechtbank begrijpt dat eiser financieel niet kan rondkomen omdat hij geen inkomen heeft. Hij heeft de Wajong-uitkering nodig om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. De Wajong-uitkering is echter niet bedoeld voor jongeren die (in de toekomst) nog zelf geld kunnen verdienen door te werken. Uit de verklaringen van eiser zelf en uit de verklaring van zijn moeder blijkt dat zij de hoop hebben dat eiser na zijn begeleiding een opleiding kan volgen en ook aan het werk kan gaan. Het ligt daarom meer voor de hand dat eiser aanspraak maakt op een bijstandsuitkering. Ter zitting is gebleken dat daar ook stappen voor worden genomen door voor eiser zak- en kleedgeld aan te vragen bij de gemeente.

Conclusie

3.6

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat het ontbreken van arbeidsvermogen bij eiser op het moment van beoordeling niet duurzaam is.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Scheeper, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier, op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Bijlage: juridisch kader

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)

Artikel 1a:1. Jonggehandicapte

1. Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:

  1. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;

  2. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

2. De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.

3. De ingezetene die tijdelijk geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft wordt alsnog jonggehandicapte, indien hij gedurende een tijdvak van tien jaar volgend op de dag waarop hij jonggehandicapte zou zijn geworden op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, of het tweede lid, indien hij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zou hebben gehad, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had.

4. Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot een periodieke herbeoordeling om vast te stellen of betrokkene duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

6. De beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.

7. Bij de beoordeling, bedoeld in het zesde lid, maakt de verzekeringsarts zo veel mogelijk gebruik van wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie kunnen ondersteunen.

8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste, vierde en zesde lid nadere regels worden gesteld.

9. De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een dergelijke algemene maatregel van bestuur, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

1 CRvB, 22 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:615.

2 CRvB, 22 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:615.

3 CRvB, 22 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:650