Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:2340

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
8097855 \ CV EXPL 19-5778
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Pacht. Pachtbeëindigingsovereenkomst. Hoevepacht. Verpachter heeft aanspraak op fosfaatrechten tegen vergoeding 50 % van de waarde aan de pachter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Pachtkamer

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 8097855 \ CV EXPL 19-5778

Vonnis van 13 april 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] ,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

eisende partij, hierna te noemen [eiser],

gemachtigde: mr. N.S. Commijs,

tegen

1 [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde 1] c.s.,

gemachtigde: mr. B. Nijman.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 december 2019,

- een brief d.d. 9 maart 2020, met producties 13 t/m 15, van de kant van [eiser],

- de mondelinge behandeling op 11 maart 2020, waarop door mr. Commijs spreekaantekeningen zijn overgelegd, en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,

- vervolgens is de procedure langdurig aangehouden voor minnelijk overleg tussen partijen,

- aktes van partijen op 11 augustus 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Waar gaat het in deze zaak om?

2.1.

[gedaagde 1] c.s. heeft een hoeve, bestaande uit gebouwen en landbouwgronden te Dalfsen, met een totale oppervlakte van 45.82.50 hectare, gepacht van [eiser]. Partijen hebben hun pachtovereenkomst met ingang van 31 december 2017 met wederzijds goedvinden beëindigd en de afspraken die zij met betrekking tot die beëindiging hebben gemaakt, hebben zij vastgelegd in een pachtbeëindigingsovereenkomst d.d. 12 januari 2018 (hierna te noemen: de overeenkomst).

2.2.

In de overeenkomst is over de fosfaatrechten in artikel 6 het volgende bepaald:

6. Verpachter geeft aan de wetgever voor de fosfaatrechten te volgen, zodra, naar verwachting in 2018 een regeling op grond van de Meststoffenwet gaat gelden. Pachters hebben aangegeven enige aanspraak van verpachter op de toe te kennen fosfaatrechten of de waarde daarvan niet te erkennen. Op dit punt behouden partijen zich over en weer hun rechten voor.

2.3.

Partijen hebben nadien onderling geen oplossing kunnen vinden voor die fosfaatrechten. Daarom leggen zij die kwestie nu aan de pachtkamer voor.

3 Het geschil

3.1.

De vordering

[eiser] wil – kort samengevat – dat de pachtkamer uitspreekt dat zij als verpachter rechthebbende is op de fosfaatrechten. In verband daarmee wil [eiser] verder nog inzage in en afschrift van de fosfaatrechtenbeschikking en (primair) overdracht van de fosfaatrechten, dan wel (subsidiair), indien [gedaagde 1] c.s. de fosfaatrechten inmiddels al heeft verkocht, betaling van de helft van de verkoopopbrengst van de fosfaatrechten.

3.2.

De vordering van [eiser] luidt volledig als volgt:

I. Te verklaren voor recht dat [eiser] in de onderlinge verhouding tussen partijen rechthebbende is op de fosfaatrechten;

II. [gedaagde 1] c.s. te veroordelen inzage in en afschrift van de fosfaatrechtenbeschikking aan [gedaagde 1] c.s. te geven, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan waarin [gedaagde 1] c.s. niet aan de verplichting uit het te wijzen vonnis voldoet;

III. Primair [gedaagde 1] c.s. te veroordelen binnen 48 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis de aan haar toegekende fosfaatrechten, op haar kosten over te dragen door alle handelingen daartoe, onder andere via de website van ‘mijn.rvo.nl’, te verrichten die zijn vereist, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of gedeelte daarvan waarin [gedaagde 1] c.s. niet aan de verplichting uit het te wijzen vonnis voldoet, tegen voldoening van 50% van de marktwaarde van de fosfaatrechten op 1 januari 2018, althans enige andere in goede justitie vast te stellen datum, door [eiser] aan [gedaagde 1] c.s.;

IV. Met veroordeling van [gedaagde 1] c.s. in de kosten van de procedure.

3.3.

Het verweer

[gedaagde 1] c.s. concludeert - samengevat - tot afwijzing van de vordering, omdat er volgens hem geen reden bestaat om [eiser] aanspraak te laten maken op de fosfaatrechten van [gedaagde 1] c.s. of de waarde daarvan.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De pachtkamer zal tot het oordeel komen dat [eiser] als verpachter aanspraak kan maken op de (waarde van de) fosfaatrechten en op grond daarvan beslissen als onder 5 vermeld.

Geldende jurisprudentie

4.2.

De pachtkamer neemt hierbij tot uitgangspunt het arrest van het Pachthof d.d. 26 maart 2019 ECLI:NL:GHARL:2019:2544. Volgens deze jurisprudentie komen fosfaatrechten in beginsel alleen aan de pachter toe. De rechten zijn niet gebonden aan en hangen ook niet samen met grond of gebouwen. Alleen in het geval de verpachter langdurig bedrijfsmiddelen aan de pachter ter beschikking heeft gesteld die voor het bedrijf van de pachter van overwegend belang zijn om zijn bedrijf te kunnen exploiteren, heeft de verpachter een aanspraak op fosfaatrechten. Daarbij moeten zowel de grond als de gebouwen in ogenschouw genomen worden. De rechtvaardiging hiervoor bestaat uit drie samenhangende redenen: (1) de verpachter heeft langdurig bedrijfsmiddelen aan de pachter ter beschikking gesteld waarop de pachter zijn bedrijfsvoering heeft kunnen baseren; (2) die bedrijfsmiddelen hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de omvang van de veestapel en daarmee aan de fosfaatrechten die aan de pachter zijn toegekend; en (3) de grond en/of gebouwen zijn na het einde van de pachtovereenkomst potentieel minder goed te exploiteren voor de verpachter indien de pachter deze zonder fosfaatrechten oplevert. Deze drie redenen zijn verwant aan de uitgangspunten van de rechtspraak over de productierechten.

4.3.

Op basis van deze jurisprudentie gelden thans, op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid, de volgende voorwaarden voor de verplichting van een pachter tot overdracht van fosfaatrechten aan de verpachter:

  1. tussen verpachter en pachter bestond op 2 juli 2015 een reguliere pachtovereenkomst of een geliberaliseerde pachtovereenkomst die bij het aangaan 12 jaar of langer duurt;

  2. het betreft hoevepacht of pacht van minimaal 15 ha grond of pacht van een gebouw; het gebouw moet specifiek zijn ingericht voor de melkveehouderij en voor de uitoefening daarvan noodzakelijk zijn en door de verpachter ten behoeve van het bedrijf van de pachter aan de pachter ter beschikking zijn gesteld;

  3. de fosfaatrechten worden voor 50% toegerekend aan de gebouwen en voor 50% aan de grond die de pachter op 2 juli 2015 ten behoeve van het gehouden vee ten dienste stond en naar verhouding toegerekend aan het gepachte;

  4. e verpachter dient aan de pachter 50% van de marktwaarde van de over te dragen fosfaatrechten per datum einde pachtovereenkomst te betalen.

Er is sprake van een reguliere pachtovereenkomst

4.4.

Niet in geschil is dat de pachtovereenkomst tussen partijen is aangegaan per 1 november 1982 en per 31 december 2017 is beëindigd. Op 2 juli 2015 bestond er een reguliere pachtovereenkomst. Daarmee is aan de hiervoor onder 4.3. genoemde voorwaarde sub a) voldaan.

En het gaat om hoevepacht

4.5.

De percelen worden in de pachtovereenkomst omschreven als een woning, stalling, bijgebouwen, erf, bouw- en grasland, met bij aanvang een gezamenlijke omvang van 37.73.90 ha.. Dit is als hoevepacht te kwalificeren. Daarmee is aan de voorwaarde sub b) voldaan. Wel heeft [gedaagde 1] c.s. aangevoerd (a) dat er naast de pachtovereenkomst nog sprake was van een recht van opstal voor een perceel met een oppervlakte van 1.186 m2, waarop [gedaagde 1] c.s. een ligboxenstal voor z’n bedrijf had gerealiseerd; en (b) dat [gedaagde 1] c.s. op het gepachte twee oude stallen had gesloopt en twee jongsveestallen had gebouwd, die met toestemming van [eiser] steeds als pachtersinvestering geheel voor rekening van [gedaagde 1] c.s. waren gerealiseerd. Maar dat verandert niets aan de situatie en de constatering dat de door [eiser] verpachte grond met gebouwen voor de melkveehouderij waren ingericht en, nota bene met bijbehorend melkquotum, aan [gedaagde 1] c.s. ter beschikking gesteld. Daarbij komt dat de ligboxenstal weliswaar door [gedaagde 1] c.s. zelf is gerealiseerd op een gevestigd opstalrecht, maar het ging hierbij om een van het pachtrecht afhankelijk opstalrecht, zodat de ligboxenstal bij het einde van de pacht eigendom van [eiser] is geworden, en [eiser] daarvoor de waarde van de ligboxenstal heeft moeten vergoeden1. [gedaagde 1] c.s. heeft, sinds de oprichting van de ligboxenstal, daarvan dus gebruik kunnen maken tegen de prijs voor het opstalrecht en de afschrijving van de ligboxenstal. De pachtkamer is van oordeel dat deze situatie niet relevant verschilt van de situatie waarin een pachter gebruik maakt van een door de verpachter opgerichte (ligboxen)stal, in welk geval de tegenprestatie van de pachter in de pachtprijs zou zijn verdisconteerd. Ook het vervangen van twee oude stallen door twee nieuwe jongveestallen voor eigen rekening van [gedaagde 1] c.s. verandert niet iets relevants aan de situatie. Dit geldt te meer, omdat [gedaagde 1] c.s. op grond van art. 7:350 BW een vergoeding voor die verbeteringen heeft ontvangen2.

Zonder fosfaatrechten is het gepachte voor de verpachter minder goed te exploiteren

4.6.

[gedaagde 1] c.s. heeft betwist dat de gronden van [eiser] zonder fosfaatrechten minder goed te exploiteren zouden zijn, dan met de fosfaatrechten, die aan het bedrijf van [gedaagde 1] c.s. zijn toegekend. [gedaagde 1] c.s. stelt namelijk dat [eiser] de gronden na de beëindiging van de pachtovereenkomst geliberaliseerd heeft kunnen verpachten, waarvoor zij een hogere pachtprijs kon vragen dan bij reguliere pacht mogelijk is ingevolge het Pachtprijzenbesluit. Hierdoor heeft [eiser] door de beëindiging van de pachtovereenkomst met [gedaagde 1] c.s. juist een vermogensvoordeel genoten, aldus [gedaagde 1] c.s., en van waardevermindering van de gepachte grond is dus geen sprake.
Maar [eiser] betwist deze stellingen van [gedaagde 1] c.s. en stelt dat zij het gepachte niet wederom als hoeve heeft kunnen verpachten, maar dat zij de gronden opnieuw regulier heeft verpacht aan andere pachters van het landgoed, terwijl de woning ‘antikraak’ is verhuurd en een deel van de bedrijfsgebouwen wordt gebruik voor opslag. [eiser] stelt belang te hebben bij overdracht van de fosfaatrechten, omdat zij deze ten goede wil laten komen aan het door haar beheerde landgoed als geheel.

Afgezien van het feit dat [gedaagde 1] c.s. zijn stellingen op dit punt, tegenover de betwisting door [eiser], niet nader heeft onderbouwd, noch daarvan voldoende specifiek en concreet bewijs heeft aangeboden, gaat de pachtkamer aan deze stellingen van [gedaagde 1] c.s. voorbij. Want ook al zou in rechte kunnen worden vastgesteld dat [eiser] de gepachte grond opnieuw, maar nu geliberaliseerd en dus tegen een hogere pachtprijs heeft kunnen verpachten, dan neemt dat niet weg dat de pachtprijs nóg hoger zou kunnen zijn geweest als [eiser] daarbij ook nog fosfaatrechten had kunnen aanbieden. Dat betekent dat de stellingen van [gedaagde 1] c.s. op dit punt geenszins het uitgangspunt ontkrachten, dat [eiser] de grond zonder fosfaatrechten in potentie minder goed kan exploiteren, althans dat deze grond daardoor potentieel minder waarde vertegenwoordigt.

[gedaagde 1] c.s. moet de fosfaatrechten aan [eiser] overdragen tegen 50% van de waarde

4.7.

De pachtkamer is al met al van oordeel dat [eiser] als verpachter langdurig bedrijfsmiddelen aan [gedaagde 1] c.s. ter beschikking heeft gesteld waarop [gedaagde 1] c.s. haar bedrijfsvoering heeft kunnen baseren en welke bedrijfsmiddelen in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de omvang van de veestapel en daarmee aan de fosfaatrechten die aan [gedaagde 1] c.s. zijn toegekend, terwijl [eiser] die grond en de gebouwen zonder de fosfaatrechten in potentie minder goed kan exploiteren, althans potentieel minder waarde vertegenwoordigt, waardoor de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [gedaagde 1] c.s. die fosfaatrechten aan [eiser] moet overdragen tegen 50% van de waarde.

De datum van 2 juli 2015 is bepalend voor de vraag of redelijkheid en billijkheid in dit geval meebrengen dat de pachter de fosfaatrechten aan de verpachter moet overdragen

4.8.

De pachtkamer gaat daarbij voorbij aan het verweer van [gedaagde 1] c.s. dat de invoering van het stelsel van fosfaatrechten met ingang van 1 januari 2018 in werking is getreden, en dat op dát moment tussen partijen al geen pachtovereenkomst meer bestond, omdat die immers per 31 december 2017 was beëindigd. Dat het stelsel van fosfaatrechten met ingang van 1 januari 2018 in werking is getreden, neemt namelijk niet weg dat het fosfaatrecht, dat per 1 januari 2018 op het melkveehouderijbedrijf van [gedaagde 1] c.s. is komen te rusten, is vastgesteld op basis van het melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf van [gedaagde 1] c.s. werd gehouden en stond geregistreerd3. Juist doordat [gedaagde 1] c.s. op 2 juli 2015, dankzij de bedrijfsmiddelen die hem ingevolge de pachtovereenkomst door [eiser] ter beschikking waren gesteld, een bepaald aantal melkkoeien heeft kunnen houden, is er ingaande 1 januari 2018 aan diens bedrijf een hoeveelheid fosfaatrecht toegekend. Dus niet de datum van 1 januari 2018 is bepalend, maar de datum van 2 juli 2015. Het is juist de (langdurige) terbeschikkingstelling van bedrijfsmiddelen op 2 juli 2015 die maakt dat de eisen van redelijkheid en billijkheid ingevolge artikel 6:248 BW tot gevolg hebben dat de pachter [gedaagde 1] c.s. de aan zijn bedrijf toegekende fosfaatrechten moet overdragen aan zijn verpachter [eiser]. Dat de pachtovereenkomst op 1 januari 2018 niet meer bestond is dus niet relevant. De verplichting om de fosfaatrechten aan [eiser] over te dragen vloeit voort uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in samenhang met pachtovereenkomst die tot 1 januari 2018 heeft bestaan, waarbij de datum van 2 juli 2015 van doorslaggevend belang is.

[eiser] heeft haar aanspraken op de fosfaatrechten in de pachtbeëindigingsovereenkomst niet prijsgegeven

4.9.

[gedaagde 1] c.s. heeft nog gewezen op hetgeen partijen in artikel 6 van de beëindigingsovereenkomst zijn overeengekomen (zie hiervoor in rechtsoverweging 2.2.). Maar dat er na 1 januari 2018 geen op de Meststoffenwet gebaseerde regeling van kracht is geworden, waaruit volgt hoe in de onderlinge rechtsverhouding tussen pachters en verpachters moet worden gehandeld met toegekende fosfaatrechten, acht de pachtkamer geen relevante omstandigheid. De pachtkamer legt dat in het navolgende verder uit.

4.10.

Allereerst acht de pachtkamer van belang dat in het desbetreffende artikel 6 van de pachtbeëindigingsovereenkomst te lezen staat, dat partijen met betrekking tot de aanspraken op de toegekende fosfaatrechten over en weer hun rechten voorbehouden. De pachtkamer leest hierin niet dat dat voorbehoud afhankelijk is van het al dan niet van kracht worden van een regeling op grond van de Meststoffenwet. Weliswaar blijkt uit de eerste zin van artikel 6 van de pachtbeëindigingsovereenkomst dat [eiser] de verwachting had dat er in 2018 een nieuwe regeling zou gaan gelden, en dat [eiser] die nieuwe regeling dan zou willen volgen, maar de pachtkamer legt die zin niet zo uit dat bij het ontbreken van een dergelijke wettelijke regeling de aanspraken van [eiser] zouden vervallen. Noch de stellingen van partijen, noch de toelichting van [betrokkene] (die tijdens de zitting van 11 maart 2020 als informant is gehoord) nopen ertoe dat artikel 6 zo beperkt moet worden uitgelegd, dat de aanspraken op fosfaatrechten voor [eiser] zouden vervallen als er geen nieuwe regeling ingevolge de Meststoffenwet van kracht zou worden. Van doorslaggevende betekenis acht de pachtkamer de slotzin van artikel 6, waarin partijen zich – zonder meer en onvoorwaardelijk – over een weer hun rechten voorbehouden.

4.11.

De pachtkamer legt artikel 6 van de pachtbeëindigingsovereenkomst aldus uit tegen de achtergrond dat partijen ten tijde van de beëindiging van de pachtovereenkomst onderling niet tot overeenstemming konden komen over de fosfaatrechten en dit punt hebben opgeschort totdat er meer juridische duidelijkheid zou komen over de aanspraken van partijen op de fosfaatrechten. Die duidelijkheid is dan wel niet gecreëerd door een nieuwe regeling op grond van de Meststoffenwet, zoals [eiser] kennelijk had verwacht, maar die duidelijkheid is er wel gekomen door de jurisprudentie van het Pachthof (zie hiervoor onder 4.2. en 4.3.). En die duidelijkheid is gebaseerd op de fosfaatregeling uit de Meststoffenwet in samenhang met (het bestaan van) de pachtovereenkomst en artikel 6:248 BW. De juridische duidelijkheid is dus uiteindelijk gebaseerd op wettelijke regelingen, zoals die ten tijde van de pachtbeëindigingsovereenkomst al golden, maar door de jurisprudentie van het Pachthof is uitgelegd en ingevuld; dus niet gebaseerd op een nieuwe (wettelijke) regeling, maar op de ten tijde van de pachtbeëindigingsovereenkomst reeds bestaande wettelijke regelingen. Naar het oordeel van de pachtkamer staat niets eraan in de weg om die jurisprudentie van het Pachthof nu als leidraad te nemen bij het beslissen over (de aanspraken op) de fosfaatrechten, waarover partijen een geschil hebben.

Niet relevant is dat [gedaagde 1] c.s. zijn melkveehouderijbedrijf in een nieuw maatschapsverband is gaan uitoefenen

4.12.

Vervolgens is het de vraag welke gevolgen moeten worden verbonden aan het feit, dat [gedaagde 1] c.s., met wetenschap van [eiser], hun gezamenlijk geëxploiteerde agrarische bedrijf vanaf 1 januari 2013 hebben ingebracht in een maatschap met hun zoon [A] , met het oog op een eventuele toekomstige bedrijfsopvolging door [A] . [gedaagde 1] c.s. stelt namelijk dat in de maatschapsovereenkomst met hun zoon is bepaald dat voordelen die na 1 januari 2013 aan die maatschap toevallen – zoals de toekenning van fosfaatrechten – voor 60% toekomen aan [gedaagde 1] c.s. en voor 40% aan [A] . De fosfaatrechten worden namelijk toegekend aan het melkveehouderijbedrijf, en dat wordt sinds 1 januari 2013 geëxploiteerd door de maatschapsverband van [gedaagde 1] c.s. met [A] . [gedaagde 1] c.s. stelt dat [eiser] geen aanspraak kan maken op de fosfaatrechten die aan het nieuwe maatschapsverband is toegekend, voor zover het betreft het aandeel van 40% van [A] .
In dit verband heeft [gedaagde 1] c.s. ook aangevoerd dat het hem niet vrij staat om, zoals [eiser] heeft gevorderd, inzage te verstrekken in de fosfaatrechtenbeschikking, overdracht van de fosfaatrechten en inzage in de verkoopfacturen, bankbescheiden en/of boekhouding, omdat [A] , als medegerechtigde in de maatschap, daaraan geen medewerking wil verlenen.

[eiser] heeft de door [gedaagde 1] c.s. in dit verband gestelde feiten niet weersproken, maar het afgedaan als een gelegenheidsargument en een interne maatschapskwestie, zonder hiervoor overigens enige onderbouwing te geven.

4.13.

De pachtkamer zal in het navolgende uitleggen hoe zij tot het oordeel komt dat het standpunt van [gedaagde 1] c.s. geen hout snijdt.

Op zich kan de pachtkamer [gedaagde 1] c.s. wel volgen waar hij stelt dat de fosfaatrechten ingaande 1 januari 2018 zijn toegekend aan het bedrijf dat door [gedaagde 1] c.s. in het nieuwe maatschapsverband met hun zoon wordt geëxploiteerd. In het stelsel van fosfaatrechten ingevolge de Meststoffenwet worden de fosfaatrechten toegekend aan bedrijven. Artikel 1 lid 1 sub i van de Meststoffenwet geeft aan het begrip “bedrijf” de volgende omschrijving: een geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van enige vorm van landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden. De normadressaat in de Meststoffenwet is de “landbouwer” en die wordt in art. 1 lid 1 sub gg van de Meststoffenwet als volgt gedefinieerd: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat enige vorm van landbouw uitoefent op een bedrijf.

Het landbouwbedrijf van [gedaagde 1] c.s. kan dus vanaf 1 januari 2013 (de startdatum van de maatschap van [gedaagde 1] c.s. en hun zoon [A] ) heel goed zijn uitgeoefend door dit nieuwe maatschapsverband. De per 1 januari 2018 toegekende fosfaatrechten zijn dan toegekend aan het door dit nieuwe maatschapsverband uitgeoefende melkveehouderijbedrijf. Maar dat neemt niet weg dat de pachtrechten zelf steeds zijn blijven toebehoren aan [gedaagde 1] c.s. als partij bij de pachtovereenkomst. Slechts het genot daarvan is ingebracht in het nieuwe maatschapsverband met hun zoon (zie art. 2 lid 2 van de maatschapsakte4). Dat er per 1 januari 2018 fosfaatrechten aan het bedrijf van [gedaagde 1] c.s. en hun zoon zijn toegekend, hangt samen met de rechten uit de pachtovereenkomst, zoals de pachtkamer hiervoor onder 4.7. heeft geconcludeerd. Vanwege die samenhang met de pachtovereenkomst staat tegenover het voordeel van de toegekende fosfaatrechten de verplichting om bij het einde van de pachtovereenkomst de fosfaatrechten over te dragen aan de verpachter tegen 50% van de waarde. En [gedaagde 1] c.s. is bij haar standpunt ten onrechte uit het oog verloren, dat uit art. 6 van de maatschapsakte volgt dat [A] niet alleen een aandeel heeft van 40% in de voordelen c.q. de winsten van de maatschap, maar ook een aandeel heeft van 40% in de nadelen c.q. de verliezen. Voor zover [A] een aandeel heeft in de baten van de fosfaatrechten heeft hij op grond van de maatschapsovereenkomst evenzo goed een aandeel in de lasten van de pachtovereenkomst, in dit geval de verplichting om de fosfaatrechten bij beëindiging van de pachtovereenkomst aan [eiser] over te dragen. En [A] was daarvan ook helemaal op de hoogte, getuige de inhoud van artikel 2 van de maatschapsakte over de inbreng in de maatschap. Daarin is met betrekking tot de inbreng van het genot van de pachtovereenkomst bovendien ook opgenomen: “zulks telkens met voorbehoud van alle rechten en plichten ter zake”. De pachtkamer ziet dan ook niet in op grond waarvan [A] niet gehouden zou zijn om zijn medewerking te verlenen aan het overdragen van fosfaatrechten en/of inzage te verlenen als gevorderd. Daarbij komt dat [gedaagde 1] c.s. niet heeft gesteld, noch met een beroep op bepalingen uit de maatschapsakte heeft onderbouwd, dat [gedaagde 1] c.s. niet zelfstandig bevoegd zou zijn om in deze kwestie namens de maatschap te handelen.

4.14.

Voor zover [gedaagde 1] c.s. heeft willen betogen dat [gedaagde 1] c.s. de fosfaatrechten niet aan [eiser] kan overdragen, omdat [eiser] niet de landbouw uitoefent, verliest [gedaagde 1] c.s. uit het oog dat [eiser] de fosfaatrechten vooreerst aan andere pachters op het landgoed ten goede wil laten komen, die per definitie wel de landbouw uitoefenen.

4.15.

Partijen zijn in hun processtukken nog uitgebreid ingegaan op de voorgeschiedenis van de beëindiging van de pachtovereenkomst. Maar omdat niet duidelijk is welke rechtsgevolgen dat zou kunnen hebben op de door [eiser] in deze procedure ingestelde rechtsvorderingen, laat de pachtkamer die voorgeschiedenis onbesproken.

4.16.

Op grond van bovenstaande overwegingen komt de pachtkamer tot het oordeel dat de vorderingen van [eiser] voor toewijzing vatbaar zijn, zoals hierna onder de beslissing staat vermeld.

4.17.

[gedaagde 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, die tot op heden aan de zijde van [eiser] worden begroot op een bedrag van € 1.451,21, te weten:

  • -

    € 85,21 aan explootkosten,

  • -

    € 121,00 aan griffierecht

  • -

    € 1.245,00 aan salaris gemachtigde (2,5 liquidatiepunten à € 498,00 per punt volgens het thans geldende liquidatietarief),

Dit bedrag aan proceskosten wordt vermeerderd met € 124,00 aan nakosten, tenzij [gedaagde 1] c.s. binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis uit eigen beweging aan dit vonnis zal hebben.

5 De beslissing

De pachtkamer

5.1.

verklaart voor recht dat [eiser] in de onderlinge verhouding tussen partijen rechthebbende is op de fosfaatrechten;

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. inzage in en afschrift van de fosfaatrechtenbeschikking aan [eiser] te geven binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan waarin [gedaagde 1] c.s. na ommekomst van de genoemde termijn niet aan de verplichting uit dit vonnis voldoet, met een maximum van € 25.000,00;

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om:

( a) binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de aan hem toegekende fosfaatrechten, op haar kosten over te dragen over te dragen door alle handelingen daartoe, onder andere via de website van “mijn.rvo.nl” te verrichten die zijn vereist, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of gedeelte daarvan, waarin [gedaagde 1] c.s. na ommekomst van de genoemde termijn niet aan de verplichting uit dit vonnis voldoet, tegen voldoening van 50% van de marktwaarde van de fosfaatrechten op 1 januari 2018 door [eiser];

dan wel, indien [gedaagde 1] c.s. de fosfaatrechten reeds heeft verkocht:

( b) inzage te geven in de verkoopfacturen, bankbescheiden en/of boekhouding waaruit de verkoopopbrengst van de fosfaatrechten blijkt en aan [eiser] te betalen de helft (50%) van de totale verkoopopbrengst van de fosfaatrechten;

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.451,21, te vermeerderen met een bedrag van € 124,00 aan nakosten als [gedaagde 1] c.s. niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis uit eigen beweging aan dit vonnis zal hebben voldaan;

5.5.

verklaart dit vonnis, behoudens de verklaring voor recht sub 5,.1, tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of andere gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de pachtkamer in de rechtbank Overijssel, bestaande uit

mr. F. Koster, kantonrechter-voorzitter, W.G.M. Kleinlangevelsloo en mr. A.W. van Engen, deskundige leden en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2021.

1 Artikel 5 van de als productie 9 door [eiser] overgelegde beëindigingsovereenkomst

2 Artikel 3 van de als productie 9 door [eiser] overgelegde beëindigingsovereenkomst

3 Artikel 23 lid 3 Meststoffenwet

4 Productie 8 bij de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] c.s.