Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:2292

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
C/08/265132 / KG ZA 21-107
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot ontruiming van de gehuurde ‘omklapwoning’ toegewezen in verband met het veroorzaken van overlast.

Ontruimingstermijn vastgesteld op zes weken om de huurder in staat te stellen vervangende woonruimte te vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/265132 / KG ZA 21-107

Vonnis in kort geding van 31 mei 2021

in de zaak van

de stichting

LANDELIJKE INSTELLING VOOR MAATSCHAPPELIJKE ONDERSteuning en rehabilitatie,

gevestigd in Leeuwarden,

eiseres,

advocaat mr. S. Maakal te Heerenveen,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende in [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Kompas Zuidlaren B.V. , in haar hoedanigheid van bewindvoerster over het vermogen van [gedaagde 1] ,

gevestigd in Zuidlaren,

3. [gedaagde 3] , als bewindvoerster werkzaam bij Kompas,

woonplaats gekozen hebbende in [plaats 1] ,

gedaagden,

advocaat mr. H.H. Jansen te Putten.

Partijen worden hierna aangeduid met Limor, [gedaagde 1] , de bewindvoerster en [gedaagde 3] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 mei 2021 met producties 1 tot en met 14

  • -

    de conclusie van antwoord van 12 mei 2021

  • -

    de nader ingediende productie (nummer 15) van Limor.

1.2.

Op 17 mei 2021 heeft via een online vergadering (Skype) de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens Limor zijn mevrouw [C] , teamleider, mevrouw [B] , trajectregisseur, en mevrouw [C] , trajectadviseur, verschenen, bijgestaan door mr. S. Maakal. Voor gedaagden is [gedaagde 3] verschenen, bijgestaan door mr. H.H. Jansen. Verder zijn de heer en mevrouw [X] verschenen, ouders van [gedaagde 1] .

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.

1.4.

Ten slotte is een datum vastgesteld voor het vonnis.

2 De feiten

2.1.

Limor is een organisatie die zich richt op het bieden van zorg en begeleiding. Limor heeft blijkens haar statuten ‘ten doel het bieden van opvang en begeleiding in de eigen dan wel beschermde woonomgeving in de meest ruime zin aan mensen die zich door allerlei oorzaken in de marge van de samenleving bevinden of daarin dreigen te geraken en/of het verplegen of verzorgen van mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking’.

2.2.

Limor beschikt zelf niet over een woningbestand. Voor het bieden van huisvesting aan cliënten is zij aangewezen op woningbouwcorporaties, waarbij zij een zogenaamde ‘omklapwoning’ huurt. Deze woning wordt gehuurd door Limor en door haar doorverhuurd aan de cliënt. De cliënt ontvangt begeleiding van Limor en na een bepaalde periode kan besloten worden de huurovereenkomst ‘om te klappen’/‘op naam te zetten’, waarbij de cliënt rechtstreeks van de woningbouwcorporatie gaat huren.

2.3.

Op 12 februari 2020 hebben Limor en [gedaagde 1] een begeleidingsovereenkomst gesloten op grond waarvan Limor aan [gedaagde 1] ambulante begeleiding biedt. In de begeleidingsovereenkomst is in artikel 4 opgenomen:

‘4.2

Deze begeleidingsovereenkomst kan door LIMOR eenzijdig worden beëindigd indien zich één van de volgende situaties voordoet;

1. cliënt op stelselmatige wijze de voortgang van de begeleiding weigert.

(…)

4.3

De beëindiging vindt niet eerder plaats dan nadat cliënt mondeling en/of schriftelijk op de hoogte is gesteld en met inachtneming van een redelijke opzegtermijn van een maand, met uitzondering van artikel 4.2.3 waarbij de begeleidings-overeenkomst per direct wordt beëindigd.’

2.4.

Op basis van de begeleidingsovereenkomst is een zorgplan tot stand gekomen voor de periode van 25 juni 2020 tot en met 30 september 2020.

2.5.

Naast de begeleidingsovereenkomst hebben Limor en [gedaagde 1] een huurovereenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde 1] van Limor de woning huurt aan de [adres] in [plaats 2] . Dit betreft een woning in een appartementencomplex. Deze woning is in eigendom van Woningstichting Openbaar Belang en wordt door Limor gehuurd van de woningstichting en als omklapwoning doorverhuurd aan [gedaagde 1] .

2.6.

In de huurovereenkomst is onder artikel 3.2 vermeld dat het eindigen van de begeleidingsovereenkomst meebrengt dat de huurovereenkomst tegelijkertijd ook eindigt.

2.7.

Op de huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. In artikel 13 van die algemene voorwaarden is bepaald:

‘13.4 Huurder zal omwonenden of huurders van hetzelfde gebouw of complex geen hinder of last bezorgen en er voor zorgdragen dat de bij hem met zijn goedvinden aanwezige derden alsmede zijn of hun bezoekers dit evenmin doen.’

2.8.

Op 13 september 2020 ontving de politie een melding van een buurtbewoner dat de hond van [gedaagde 1] los door de straat liep. De politie heeft vervolgens ter plaatste geconstateerd dat [gedaagde 1] buiten bewustzijn in de groenstrook achter haar woning lag. De hond viel één van de agenten aan en heeft de desbetreffende agent gebeten. De hond is later opgehaald door de dierenambulance. De hond is vervolgens in beslag genomen. Het door [gedaagde 1] ingediende bezwaar tegen dit besluit is ongegrond verklaard.

2.9.

Andere bewoners van het appartementencomplex hebben bij Openbaar Belang geklaagd over overlast door [gedaagde 1] . De overlast uitte zich in schreeuwen in de achtertuin terwijl [gedaagde 1] schaars gekleed was, het ontvangen van ongure types en het draaien van harde muziek. Op 30 november 2020 heeft Limor [gedaagde 1] door middel van een brief een officiële waarschuwing gegeven met een werkingsduur van drie maanden.

2.10.

Omdat de klachten omtrent de overlast voortduurden, heeft Limor op 13 januari 2021 opnieuw een officiële waarschuwing gegeven. Limor wijst in haar brief op de overlast-meldingen van 30 en 31 december 2020 en 6 januari 2021.

2.11.

Bij brief van 18 maart 2021 heeft Limor aan [gedaagde 1] medegedeeld dat dat project ‘Huur op Naam’ voor haar zou gaan stoppen met inachtneming van een opzegtermijn van één maand. Limor heeft verder in haar brief vermeld dat de begeleidingsovereenkomst wordt ontbonden en dat daarmee ook de huurovereenkomst tot een einde komt.

2.12.

Bij brief van 24 maart 2021 heeft Limor [gedaagde 1] verzocht om de sleutels van de woning in te leveren op 15 april 2021.

2.13.

Op 6 mei 2021 is ten behoeve van [gedaagde 1] een mentorschap uitgesproken met benoeming van [Y] tot mentor.

3 Het geschil

3.1.

Limor vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden veroordeelt om:

  1. uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis de aan [gedaagde 1] ter beschikking gestelde woonruimte op het adres [adres] te [plaats 2] te verlaten, te ontruimen en ontruimd te houden, met al de haren en het hare, en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Limor te stellen;

  2. aan Limor een gebruiksvergoeding te betalen, gelijk aan de maandelijkse huurprijs, inclusief door de verhuurder te verzorgen leveringen en diensten van € 597,47 voor elke ingegane maand vanaf de dag waarop deze dagvaarding is uitgebracht tot aan de dag van de ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de eerste van elke maand tot aan de dag van volledige betaling;

  3. aan Limor de kosten van de procedure te betalen.

3.2.

Gedaagden bepleiten de afwijzing van de vordering, dan wel dat de voorzieningenrechter de ontruimingstermijn vaststelt op vier weken na betekening van het vonnis, onder veroordeling van Limor in de kosten van de procedure.

3.3.

Op de standpunten van partijen wordt hierna ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat Limor het spoedeisend belang voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

4.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat de gevorderde ontruiming kan worden toegewezen, indien in hoge mate waarschijnlijk is dat de rechter in een eventueel aan te spannen bodemprocedure zal oordelen dat de huurovereenkomst tussen partijen geen stand houdt.

4.3.

Limor heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde 1] deelnam aan het traject ‘huur op naam’. In dit project was het de bedoeling dat [gedaagde 1] de huurwoning uiteindelijk rechtstreeks, dus zonder tussenkomst van Limor, zou gaan huren. Partijen hebben daartoe een begeleidingsovereenkomst gesloten. Daarnaast hebben ze een huurovereenkomst gesloten. Die huurovereenkomst was ondergeschikt aan de begeleidingsovereenkomst; het einde van de begeleidingsovereenkomst zou ook het einde van de huurovereenkomst meebrengen. Die situatie heeft zich voorgedaan, aldus Limor. [gedaagde 1] heeft, zeer waarschijnlijk als gevolg van haar drugsgebruik, zich zodanig gedragen dat omwonenden overlast ervaren. Het gaat dan om schreeuwen in de achtertuin, bezoek van ongure types en het draaien van harde muziek. Limor heeft hierover gesproken met [gedaagde 1] en heeft haar ook schriftelijk gewaarschuwd. Omdat [gedaagde 1] haar gedrag niet heeft aangepast en omwonenden overlast bleven ervaren, heeft Limor het project ‘huur op naam’ en de begeleidingsovereenkomst beëindigd. Door de wijziging in de persoonlijke leefomstandigheden van [gedaagde 1] , namelijk meer drugs gebruiken in plaats van minder, wordt de voortgang van de begeleiding belemmerd. Het einde van de begeleidingsovereenkomst heeft tot gevolg dat de huurovereenkomst ook eindigt.

4.4.

Namens [gedaagde 1] is door haar ouders ter zitting een toelichting gegeven op de situatie rondom [gedaagde 1] . Het gaat op dit moment niet goed met [gedaagde 1] en zij heeft dringend meer zorg nodig. Die zorg kan Limor haar niet voldoende bieden. De ouders hebben meerdere keren bij Limor aan de bel getrokken, maar daar is niet afdoende op gereageerd. [gedaagde 1] is gebaat bij meer zorg dan zij bij Limor in een zelfstandige woonsetting kan krijgen. Dat de huurovereenkomst moet eindigen, is wel begrijpelijk, maar voordat [gedaagde 1] haar huis moet verlaten, is het nodig dat er een andere geschikte plek is waar [gedaagde 1] terecht kan. De mentor van [gedaagde 1] is bezig om een andere woonplek te realiseren, bijvoorbeeld beschermd wonen met een WLZ-indicatie, en verwacht dat dit binnen een termijn van drie maanden gerealiseerd is. Tot die tijd is het noodzakelijk dat [gedaagde 1] in haar woning kan blijven wonen. Als [gedaagde 1] haar woonruimte moet verlaten, is zij aangewezen op de daklozenopvang bij De Herberg. De ouders vrezen dat het dan niet goed afloopt met [gedaagde 1] . Een eerder verblijf bij De Herberg heeft [gedaagde 1] in zoverre slecht gedaan dat zij een misdrijf heeft gepleegd en als gevolg daarvan enkele jaren in detentie heeft doorgebracht. Bij De Herberg is geen enkele zorg mogelijk.

Ook de mentor van [gedaagde 1] heeft het belang van [gedaagde 1] bij het behoud van haar woning toegelicht. De mentor heeft schriftelijk verklaard dat [gedaagde 1] als gevolg van trauma, psychische problematiek en het gebruik van drugs psychotische episoden doormaakt. Zij is op die momenten extreem angstig en heeft moeite met het reguleren van haar emoties. Dit uit zij, vanuit een onbeheersbare drang, in schreeuwen en krijsen. Met behulp van intensieve begeleiding, medicatie en traumabehandeling is [gedaagde 1] in staat om haar leven constructief in te richten.

4.5.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit artikel 4.2 van de begeleidings-overeenkomst volgt dat Limor die overeenkomst eenzijdig kan beëindigen in het geval de cliënt, [gedaagde 1] , op stelselmatige wijze de voortgang van de begeleiding weigert. Volgens Limor doet deze situatie zich voor, omdat [gedaagde 1] door haar gedrag verhindert dat zij de huurwoning op haar eigen naam gesteld kan krijgen. De voorzieningenrechter volgt Limor niet in haar standpunt. Tijdens de mondelinge behandeling is door Limor naar voren gebracht dat zij meerdere keren per week, variërend van drie keer per week tot bijna dagelijks, contact heeft met [gedaagde 1] . Dit contact is niet steeds bij [gedaagde 1] thuis, maar vindt ook telefonisch plaats. Limor heeft gelet hierop naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gesteld en onderbouwd dat [gedaagde 1] zich heeft onttrokken aan de begeleiding en ambulante zorg van Limor, zodat in het kader van dit kort geding niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre Limor in redelijkheid tot beëindiging van de begeleidingsovereenkomst heeft kunnen komen. Dat de beëindiging van de begeleidingsovereenkomst in een eventuele bodemprocedure en daarmee van de huurovereenkomst stand houdt, is daarom voorshands niet vast te stellen.

4.6.

Het voorgaande neemt echter niet weg dat de huurovereenkomst ook los van de behandelingsovereenkomst ontbonden kan worden. Limor heeft in dat kader gesteld dat [gedaagde 1] ernstige overlast veroorzaakt voor omwonenden. In artikel 13 van de algemene voorwaarden, behorend bij de huurovereenkomst, is – samengevat – bepaald dat de huurder geen overlast mag veroorzaken bij omwonenden en er ook voor zorgt dat zijn bezoekers geen overlast veroorzaken. De overlast die omwonenden van [gedaagde 1] ervaren zien met name op schreeuwen, het ontvangen van ongure types en het draaien van harde muziek. Gelet op de overlastmeldingen die Limor heeft ingediend als productie 15 is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gestelde overlast voldoende aannemelijk is geworden. Bovendien is de overlast erkend door de mentor van [gedaagde 1] , nu zij heeft verklaard dat [gedaagde 1] haar trauma, vanuit een onbeheersbare drang, uit in schreeuwen en krijsen. De omwonenden en daarmee de verhuurder behoeven deze overlast niet te accepteren. Dat [gedaagde 1] op het moment dat zij de overlast veroorzaakt geen controle heeft over haar emoties en wijze van uiting daarvan, maakt niet dat zij niet verantwoordelijk is voor de overlast. Anders gezegd: ook als de overlast vanuit een onbeheersbare drang van [gedaagde 1] komt, behoeven de omwonenden deze overlast niet te dulden.

4.7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat de overlast in een bodemprocedure zal leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst. Dat maakt dat het gerechtvaardigd is om, vooruitlopend daarop, de gevorderde ontruiming toe te wijzen. Daarin speelt ook mee dat partijen het erover eens zijn dat de huidige woonsituatie met ambulante zorg vanuit Limor voor [gedaagde 1] niet toereikend is. Alle partijen zijn het erover eens dat [gedaagde 1] meer zorg nodig heeft. Zowel de ouders, de mentor als Limor achten een klinische setting dan wel een beschermde woonvorm beter passend bij [gedaagde 1] . Op dit moment wordt er aan de kant van [gedaagde 1] (door de mentor) dan ook actief gezocht naar een vervangende woonoplossing. In de huidige situatie, waarbij [gedaagde 1] zelfstandig woont met alleen ambulante begeleiding, is niet aannemelijk dat de overlast door ingrijpen van Limor of door gesprekken met omwonenden kan worden opgelost. Ook heeft de moeder van [gedaagde 1] ter zitting verklaard dat [gedaagde 1] ziek is, dat zij wel wil meewerken, maar dat zij gewoonweg niet in staat is om te kiezen wat het beste voor haar is.

4.8.

Van belang is vervolgens op welke termijn ontruiming dient plaats te vinden. In dat kader heeft Limor een termijn van twee weken gevorderd, gelet op de Tijdelijke regeling Kanton en Handel. Limor heeft daarbij evenwel aangevoerd dat zij het liefst een kortere termijn zou vragen, omdat de maat bij de omwonenden ‘vol’ is en de ouders van [gedaagde 1] hebben aangegeven dat het op dit moment zo slecht met [gedaagde 1] gaat. Namens [gedaagde 1] is naar voren gebracht het absoluut niet wenselijk is als [gedaagde 1] de woning moet verlaten voordat vervangende woonruimte is gevonden en dat de mentor verwacht binnen die drie maanden een vervangende woonvorm te hebben gevonden omdat de aanvraag daartoe op dit moment wordt voorbereid.

4.9.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van [gedaagde 1] om vanuit haar huidige woning aansluitend een vervangende woonvorm te vinden zwaarder weegt dan het belang van Limor om de overlastsituatie zo snel mogelijk te beëindigen voor de omwonenden. In dat kader overweegt de voorzieningenrechter dat uit de overlastmeldingen blijkt dat de overlast weliswaar geregeld voorkomt (‘soms dagelijks, soms een paar dagen niets’, ‘regelmatig, het is niet dagelijks, vaker dan af en toe’, ‘af en toe’), maar niet steeds dagelijks. De voorzieningenrechter begrijpt ook dat het gedrag van [gedaagde 1] door de omwonenden als heftig wordt ervaren en dat ingrijpen vereist is. Dat ingrijpen zal ook gebeuren, maar gelet op de problematiek van [gedaagde 1] , de mogelijke gevolgen die zich kunnen voordoen als zij is aangewezen op de daklozenopvang en de frequentie van de overlast, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een langere ontruimingstermijn nodig is dan twee weken. Met een termijn van drie maanden, zoals namens [gedaagde 1] ter zitting is gevraagd, wordt evenwel te weinig recht gedaan aan de belangen van de omwonenden, omdat niet vaststaat of en wanneer vervangende woonruimte gerealiseerd wordt en de omwonenden daar niet oneindig op hoeven te wachten. Nu duidelijk is dat de aanvraag voor vervangende woonruimte op dit moment wordt voorbereid, zal de voorzieningenrechter de ontruimingstermijn vaststellen op zes weken na betekening van het vonnis (en derhalve ten minste twee maanden na de mondelinge behandeling). Deze termijn is enerzijds te overzien voor de buurtgenoten, terwijl anderzijds [gedaagde 1] de gelegenheid heeft om vanuit de huidige woning vervangende woonruimte te vinden. Voor [gedaagde 1] zal deze termijn begrijpelijkerwijs als kort aanvoelen; het is daarom nodig dat alle partijen, waaronder ook Limor, zich inspannen om zo snel mogelijk een andere plek voor [gedaagde 1] te vinden. Limor heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard daaraan mee te werken en heeft ook toegezegd een arts in te schakelen ter beoordeling van de toestand van [gedaagde 1] . De voorzieningenrechter geeft [gedaagde 1] en haar begeleiders mee om die hulp zoveel mogelijk met beide handen aan te grijpen.

4.10.

[gedaagde 1] is vanaf de datum van de dagvaarding, 3 mei 2021, tot aan de datum van de ontruiming huur dan wel een gebruiksvergoeding verschuldigd, gelijk aan de maandelijkse huur ten bedrage van € 597,47, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de eerste dag van de maand tot aan de dag van volledige betaling. De voorzieningenrechter zal deze vordering daarom toewijzen.

4.11.

Aangezien de bewindvoerster als formele procespartij moet worden aangemerkt, zal de veroordeling zich alleen tot die partij richten. [gedaagde 1] is immers niet bevoegd om in rechte op te treden (art. 1:441 BW). Het is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat gedaagde 2 als bewindvoerster is benoemd. De voorzieningenrechter wijst de vordering jegens [gedaagde 3] (gedaagde sub 3) af, omdat [gedaagde 3] weliswaar als bewindvoerster optreedt voor [gedaagde 1] , maar zij is niet in persoon tot bewindvoerster benoemd. Alleen de vennootschap onder firma Kompas Zuidlaren B.V. (gedaagde sub 2) is tot bewindvoerster benoemd en kan daarom in die hoedanigheid worden veroordeeld.

4.12.

[gedaagde 1] is de partij die in het ongelijk is gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de kosten van de procedure, aan de kant van Limor begroot op:

- betekening oproeping € 90,07

- griffierecht 667,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 633,00

Totaal € 1.390,07

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt de bewindvoerster q.q. om binnen zes weken na betekening van dit vonnis de woning, gelegen aan de [adres] te [plaats 2] , te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken en de woning onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Limor te stellen;

5.2.

veroordeelt de bewindvoerster q.q. om aan Limor vanaf 3 mei 2021 tot de datum van de ontruiming per maand een bedrag te betalen, gelijk aan de huur ten bedrage van € 597,47, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, steeds gerekend vanaf de eerste dag van de maand tot aan de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt de bewindvoerster q.q. in de proceskosten, aan de zijde van Limor tot op heden begroot op € 1.390,07;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Rozeboom en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2021.1

1 type: coll: