Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:2217

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-06-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
08.253150.20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een kinderopvang uit Steenwijk krijgt een boete van 15.000 euro opgelegd omdat het schuldig is aan een tragisch ongeval waarbij een 4-jarig meisje overleed. Het meisje speelde op 16 maart 2020 verstoppertje op de gang en kwam onder twee zware branddeuren terecht. Die waren in verband met werkzaamheden uit het kozijn gehaald en stonden bijna twee maanden lang tegen de muur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.253150.20 (P)

Datum vonnis: 3 juni 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte kinderopvang] ,

statutair gevestigd te [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 mei 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. P.A. de Boer en van wat namens verdachte en de raadsvrouw mr. M.G. Pekkeriet-Bischop, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 20 mei 2021, kort en

zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte aanmerkelijke schuld heeft aan

een ongeval ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

Zij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 november 2019 tot en met 16 maart 2020 te Steenwijk, in elk geval in Nederland, in het pand van het [verdachte kinderopvang] ,

grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig

door één of meerdere perso(o)n(en) werkzaamheden aan de vloer in de hal en/of gang van het voornoemde pand heeft laten verrichten, waarbij twee (brandvertragende) deuren uit de kozijnen zijn gehaald en/of

(vervolgens) voornoemde deuren door één of meerdere personen in het voornoemde pand in de hal en/of gang, met de korte zijde op de grond en de lange zijde omhoog, tegen een muur zijn gezet,

terwijl één of meerdere werknemers van de [verdachte kinderopvang] de risico’s en de gevaren van die werkzaamheden en/of het plaatsen van de deuren tegen een muur en/of op die plek niet of onvoldoende had(den) geïnventariseerd en/of beoordeeld en/of geen, althans, onvoldoende maatregelen had(den) getroffen om die gevaren en/of die risico’s te voorkomen en/of te beperken en/of onvoldoende toezicht te houden,

waardoor het aan haar, verdachtes, schuld te wijten is dat voornoemde twee deuren, althans één van voornoemde deuren zijn/is omgevallen en op [slachtoffer] terecht zijn/is gekomen, waardoor die [slachtoffer] zodanig letsel, te weten hersenletsel, heeft bekomen en deze aan de gevolgen daarvan is overleden.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding 1

De rechtbank stelt op grond van het dossier het volgende vast.

In de periode van 15 tot en met 17 januari 2020 heeft [bedrijf] in opdracht van verdachte een nieuwe PVC-vloer gelegd bij de kinderopvang [verdachte kinderopvang] in Steenwijk. Ten behoeve van de werkzaamheden hebben twee medewerkers van [bedrijf] twee brandwerende deuren uit het kozijn gehaald en deze in een nabijgelegen ruimte gelegd. De deuren konden na de werkzaamheden aan de vloer niet worden teruggehangen in het kozijn omdat door een ophoging van de vloer, de deuren te lang waren. Omdat de deuren in de weg lagen in de nabijgelegen ruimte, hebben op 17 januari 2020 de twee toen aanwezige medewerkers van [bedrijf] de deuren rechtop en tegen elkaar aan in de gang geplaatst, aan de onderzijde rustend op een strook van PVC waarbij de onderkant van de deuren 20-40 cm van de muur af stond. Er zijn geen verdere veiligheidsmaatregelen getroffen. Over het terugplaatsen van de deuren zijn met (medewerkers van) verdachte geen afspraken gemaakt.2 De deuren hebben na de aanvankelijke verplaatsing steeds op dezelfde plek gestaan. De arbeidsinspectie heeft op 16 maart 2020 vastgesteld dat de plaats waar de deuren stonden in de buurt was van de toegang naar de sanitaire ruimte naast de hal.3

In de ochtend van 16 maart 2020 waren [slachtoffer] en haar twee broers aanwezig in het lokaal van de voorschoolse opvang, waar op dat moment twee medewerksters aan het werk waren. De overige aanwezige medewerkers waren in vergadering over de recent afgekondigde corona-maatregelen en de implicaties daarvan voor de school en de kinderopvang.

Omstreeks half negen is [slachtoffer] verstoppertje gaan spelen met haar broer [naam] . Zij heeft aan één van de medewerksters toestemming gevraagd en gekregen om haar broer [naam] in de gang te gaan zoeken. Kort daarna hoorden beide medewerksters een klap, liep [naam] naar hen toe die zei dat er iets ergs was gebeurd, en zijn zij in de gang gaan kijken. Zij troffen [slachtoffer] aan onder de twee branddeuren die in de gang hadden gestaan en op haar terecht waren gekomen.4

[slachtoffer] heeft als gevolg van dit ongeval ernstig schedelhersenletsel opgelopen en is naar het UMC in Groningen overgebracht. In de middag van 16 maart 2020 is zij aan haar verwondingen overleden.5 De ouders van [slachtoffer] hebben aangifte gedaan van dood door schuld.6

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is – zakelijk weergegeven – bepleit dat geen sprake is van aanmerkelijke schuld, nu niemand het gevaar hiervan heeft ingezien en het ongeval aldus niet voorzienbaar was. Voor zover sprake is van een fout, kan deze niet aan de rechtspersoon worden toegerekend.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Schuld

Voor het aannemen van schuld als delictsbestanddeel in artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) moet het gaan om een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De dader had anders moeten handelen (verwijtbaarheid) en anders kunnen handelen (vermijdbaarheid). Een en ander wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is afhankelijk van het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Overigens moeten de aard en de ernst van de gevolgen van het tenlastegelegde bij de beoordeling van de mate van schuld buiten beschouwing worden gelaten, hoe tragisch dat gevolg ook is. Wel dient vast komen te staan dat tussen de gemaakte fout en de dood/het letsel voldoende oorzakelijk verband (causaliteit) bestaat, terwijl tot slot voor culpoze strafbaarheid de voorzienbaarheid nog steeds als een voorwaarde geldt.

De rechtbank heeft op basis van de bewijsmiddelen vastgesteld dat de brandwerende deuren, die na weging met een niet-geijkte weegschaal ongeveer 49 kilogram per stuk bleken te wegen7, bijna twee maanden na afronding van de werkzaamheden aan de vloer in de gang zijn blijven staan en niet waren teruggeplaatst in het kozijn. Naar het oordeel van de rechtbank had dit wel zo spoedig mogelijk moeten gebeuren, alleen al met het oog op de brandveiligheid in het pand. Reeds daarom kan worden vastgesteld dat deze deuren op de dag van het ongeval niet in de gang hadden mogen staan.

Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit echter evenzeer vanwege het gevaar dat deze deuren, gezien hun gewicht en formaat, vormden wanneer zij op enig moment zouden omvallen in een ruimte waar regelmatig kinderen aanwezig waren.

De rechtbank acht, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, dit potentiële gevaar zeer wel voorzienbaar. Dat de deuren geruime tijd in de gang hadden gestaan en dat er een zekere kracht voor nodig was om de deuren te doen omvallen, kan daaraan niet afdoen. Het is immers kind-eigen dat zij -spelenderwijs- op, onder, tussen en achter voorwerpen kruipen en anders dan volwassenen, niet slechts rustig door de gangen van een school lopen. Dat dat niet alleen algemeen bekend is, maar voor de verdachte in het bijzonder bekend is, blijkt wel uit de voorschriften dat alleen dan op de gang mag worden gespeeld als er een leidster is. En dat men zich binnen de organisatie wel degelijk bewust was van het potentiële gevaar van de deuren, blijkt ook uit de verklaringen van meerdere medewerkers, die de onwenselijkheid dan wel de onveiligheid van de situatie voorafgaand aan het ongeval hadden aangekaart.8 Binnen de stichting lijkt tegen dit (voorzienbare) gevaar echter niet of onvoldoende te zijn opgetreden, aangezien er gedurende twee maanden geen actie is ondernomen om dit gevaar weg te nemen dan wel aanzienlijk in te perken, terwijl dat zonder veel moeite had gekund (bijvoorbeeld) door de deuren terug te laten plaatsen of deze in een niet voor kinderen toegankelijk deel van de school te plaatsen.

De rechtbank komt op grond van de combinatie van het onvoldoende inventariseren van het mogelijke gevaar van de twee staande deuren, het onvoldoende nemen van maatregelen om dit gevaar weg te nemen of te beperken, terwijl dit wel eenvoudig had gekund en (gelet op de brandveiligheid) ook had gemoeten en het verstoppertje laten spelen van kinderen op de gang zonder dat sprake is van voldoende toezicht, tot het oordeel dat sprake is van een verwijtbare aanmerkelijke mate van onachtzaamheid en nalatigheid en dus van schuld in de zin van artikel 307 Sr.

Toerekening aan de rechtspersoon

Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de verboden gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

De rechtbank overweegt dat de zorg voor en het waarborgen van een veilige omgeving voor kinderen één van de kerntaken is binnen een stichting die zich bezighoudt met kinderopvang, zodat voortdurende aandacht hiervoor past binnen de normale bedrijfsvoering. Verdachte heeft een onveilige situatie in het leven geroepen door twee zware deuren in de gang te laten staan en heeft onvoldoende gehandeld om de daarmee gepaard gaande gevaren in te perken of weg te nemen. Daarmee heeft verdachte in strijd gehandeld met haar algemene ongeschreven zorgplicht voor de veiligheid van de kinderen op haar school, terwijl het in haar macht en mogelijkheden lag om dit wel te doen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ontstaan van het ongeval en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 17 januari 2020 tot en met 16 maart 2020 te Steenwijk, in het pand van het [verdachte kinderopvang] ,

aanmerkelijk onachtzaam en nalatig

door meerdere personen werkzaamheden aan de vloer in de hal en/of gang van het voornoemde pand heeft laten verrichten, waarbij twee brandvertragende deuren uit de kozijnen zijn gehaald en

vervolgens voornoemde deuren door één of meerdere personen in het voornoemde pand in de hal en/of gang, met de korte zijde op de grond en de lange zijde omhoog, tegen een muur zijn gezet,

terwijl meerdere werknemers van de [verdachte kinderopvang] de risico’s en de gevaren van het plaatsen van de deuren tegen een muur en op die plek niet of onvoldoende hadden geïnventariseerd en beoordeeld en geen maatregelen hadden getroffen om die gevaren en die risico’s te voorkomen en/of te beperken en onvoldoende toezicht te houden,

waardoor het aan haar, verdachtes, schuld te wijten is dat voornoemde deuren zijn omgevallen en op [slachtoffer] terecht zijn gekomen, waardoor die [slachtoffer] hersenletsel heeft bekomen en aan de gevolgen daarvan is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 307 juncto 51 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf:

aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot het betalen van een geldboete van € 25.000,-.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Door of namens verdachte zijn, in lijn met de bepleite vrijspraak, geen verweren gevoerd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft schuld aan een ongeval bij de kinderopvang ten gevolge waarvan de toen vier jaar oude [slachtoffer] om het leven is gekomen. Het betreft een tragische gebeurtenis die onbeschrijfelijk verdriet heeft teweeggebracht, in de eerste plaats voor de ouders en broers van [slachtoffer] . Daarnaast heeft het ongeval ook voor alle andere betrokkenen, onder wie ook de medewerkers van de kinderopvang een grote impact gehad. In een zaak als deze kan een veroordelend vonnis nooit het verlies compenseren of goed maken. En het opleggen van een straf zal zich nooit goed verhouden tot de enorme impact die het ongeval op de levens van de nabestaanden heeft gehad en nog lange tijd zal hebben. Wat wel kan, en dat is ook de achtergrond van de aangifte door de ouders van [slachtoffer] , is bijdragen aan een bewustzijn waardoor een ongeval als dit niet nogmaals zal kunnen plaatsvinden.

Bij de vaststelling dat verdachte een verwijt kan worden gemaakt past een bestraffing waarmee niet alleen aan deze kinderopvang maar ook aan soortgelijke instellingen het signaal wordt gegeven dat aan de veiligheid van kinderen steeds de hoogste prioriteit moet worden gegeven. De rechtbank zal verdachte daarom een geldboete opleggen. Bij het bepalen van de hoogte van de boete weegt zij mee dat verdachte in algemene zin de veiligheidsmaatregelen binnen de kinderopvang goed op orde had en dat de protocollen naar aanleiding van het ongeval vergaand zijn aangescherpt. Daarom komt de rechtbank tot een lager op te leggen bedrag dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegende acht de rechtbank een geldboete van € 15.000,- passend en geboden.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikel 23 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf:

aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 15.000,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. H.M. Braam, voorzitter, mrs. S. Taalman en

M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2021.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Districtsrecherche IJsselland, onderzoek FLENSHAAK met onderzoeksnummer ON1R020030. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Processen-verbaal getuigen [getuige 1] , p.163-164, [getuige 2] , p.181 en [getuige 3] , p.184-185.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p.295-299 (bijgevoegde foto p.300) en proces-verbaal van bevindingen, p.125.

4 Processen-verbaal getuigen [getuige 5] , p.152-156 en [getuige 6] , p.175-179. (Zie ook in lijn daarmee de processen-verbaal van bevindingen van meerdere verbalisanten die na het ongeval ter plaatse waren, p.110-125).

5 Proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek, p.133, en een schriftelijk stuk, te weten een Schouwverslag van GGD Groningen, als losse bijlage bij het dossier gevoegd (ongenummerde pagina).

6 Proces-verbaal van aangifte, p.106.

7 Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p.131.

8 Processen-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] , p.191; getuige [getuige 8] , p.289; getuige [getuige 4] , p.296.