Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:2171

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
08/996088-18 (FP) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 46-jarige vrouw is veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Zij stond bij Kamer van Koophandel ingeschreven als directeur en enig aandeelhouder van het zorgbureau, maar liet na om te controleren of de administratie op orde was en greep niet in toen zij dat had moeten doen. Daarnaast ontving ook zij geld van het bedrijf, terwijl niet duidelijk was waarvoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/996088-18 (FP) (P)

Datum vonnis: 31 mei 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1975 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] (België).

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 29 april 2021 en 17 mei 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. C.C.M. Poland, en van wat door verdachte en haar raadsman mr. A. de Haan, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 11 augustus 2015 tot en met 11 mei 2016 feitelijke leiding heeft gegeven aan het (mede)plegen van (bedrieglijke) bankbreuk door [zorgbureau] B.V. door goederen aan de boedel te onttrekken en geen administratie te voeren;

feit 2: op 2, 3 en 4 mei 2016 al dan niet met een ander als bestuurder van [zorgbureau] B.V. opzettelijk onware jaarrekeningen heeft gedeponeerd of heeft laten deponeren bij de Kamer van Koophandel.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

[zorgbureau] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Overijssel d.d. 11 mei 2016 in staat van faillissement is verklaard, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 augustus 2015 tot en met 11 mei 2016 te Almelo en/of Enschede en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meerdere personen, althans alleen, (telkens) ter bedrieglijke korting van de rechten van haar schuldeisers,

- - enig goed, te weten één of meerdere geldbedrag(en), aan de boedel heeft onttrokken en/of; - (telkens) niet voldaan aan de op haar rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, immers heeft zij en/of één of meerdere medeverdachten,

- één of meerdere geldbedragen contant opgenomen en/of overgeboekt naar de privérekening(en) ten name van [verdachte] en/of [medeverdachte] , en/of;

- uitgaven, althans betalingen, gedaan die niet zijn te kwalificeren als zakelijke uitgaven, en/of;

- geen administratie gevoerd conform de eisen van de wet en/of geen kasboek

bijgehouden en/of geen jaarrekeningen opgesteld, althans geen jaarrekeningen opgesteld waaruit direct de vermogenstoestand en de rechten en verplichtingen van de onderneming duidelijk worden,

zulks terwijl zij, verdachte, aan bovenomschreven strafbaar feit (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven strafbare gedraging;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, ter zake dat

[zorgbureau] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Overijssel d.d. 11 mei 2016 in staat van faillissement is verklaard, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 augustus 2015 tot en met 11 mei 2016 te Almelo en/of Enschede althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meerdere personen, althans alleen, buitensporige verteringen heeft gedaan, immers heeft zij,

- één of meerdere geldbedrag(en) contant opgenomen en/of overgeboekt naar de privérekening(en) ten name van [verdachte] en/of [medeverdachte] , en/of;

- uitgaven, althans betalingen, gedaan die niet zijn te kwalificeren als zakelijke uitgaven; terwijl voornoemde uitgaven en/of overboekingen en/of betalingen zijn gedaan in de wetenschap dat binnen de onderneming onvoldoende gelden beschikbaar waren/bleven voor het voldoen van de lopende en/of aanstaande verplichtingen, waaronder de belastingverplichtingen,

zulks terwijl zij, verdachte, aan bovenomschreven strafbaar feit (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven strafbare gedraging;

2

zij op of omstreeks 2 mei 2016 en/of 3 mei 2016 en/of 4 mei 2016 te Almelo en/of Enschede en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meerdere personen, althans alleen, als bestuurder van [zorgbureau] B.V., (telkens) opzettelijk een onware staat en/of een onware balans en/of onware winst- en verliesrekening en/of toelichting op voornoemde stukken, openbaar heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, de jaarrekening(en) over de/het ja(a)r(en) 2012 en/of 2013 en/of 2014 waarin, in strijd met de waarheid, geen aanslagen (vennootschapsbelasting) van de Belastingdienst waren opgenomen en/of een positief eigen vermogen was vermeld, gedeponeerd, dan wel heeft laten deponeren bij de Kamer van Koophandel.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Verdachte heeft zich als bestuurder van [zorgbureau] B.V. (hierna: de BV) laten inschrijven, de administratieve en de financiële werkzaamheden bewust aan haar echtgenoot overgelaten en was bovendien op de hoogte van de financiële problemen binnen de onderneming. Met deze gedragingen heeft zij de strafbare feiten van de BV bevorderd en heeft zij als bestuurder feitelijke leidinggegeven aan de strafbare feiten gepleegd door de BV. Verdachte is als medepleger van feit 2 aan te merken, omdat zij de kwaliteit van bestuurder van de rechtspersoon bezit, weet van de ontstane problemen van de Belastingdienst en tóch de betreffende werkzaamheden aan haar echtgenoot overlaat.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat het faillissement van de BV niet met redelijke mate van waarschijnlijkheid was te voorzien, waardoor geen wetenschap van benadeling van schuldeisers van de BV aanwezig was. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich slechts heeft beziggehouden met de individuele zorgverlening en het aansturen van medewerkers, waardoor zij geen besturende rol binnen de BV heeft vervuld. Daarnaast heeft zij geen opzet gehad op de gedragingen van de BV. Ten aanzien van feit 2 voert de raadsman aan dat door de FIOD geen onderzoek is gedaan naar wie de jaarrekening heeft opgesteld, of de jaarrekening door de algemene vergadering van aandeelhouders is vastgesteld en door wie de jaarrekening bij de Kamer van Koophandel is gedeponeerd. Verder is verdachte op geen enkele wijze betrokken geweest bij de totstandkoming van de jaarrekeningen die zijn gedeponeerd bij de KvK. Verdachte heeft hiertoe geen opdracht gegeven en had geen kennis van het deponeren van de stukken. Het opzet op zowel de openbaarmaking als het medeplegen ontbreekt, aldus de raadsman.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Beoordelingskader toerekening aan de rechtspersoon en feitelijke leidinggeven

Aan verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat zij feitelijke leiding heeft gegeven aan door een rechtspersoon verrichte verboden gedragingen, in dit geval (primair) het plegen van bedrieglijke bankbreuk en (subsidiair) het plegen van eenvoudige bankbreuk.

De rechtbank stelt hierbij voorop dat - voor zover in deze zaak van belang - een rechtspersoon ingevolge artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan worden aangemerkt als functionele dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging van een fysieke dader redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Of een gedraging redelijkerwijs kan worden toegerekend, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn wanneer zich een of meer van de hiernavolgende omstandigheden voordoen, zo bepaalde de Hoge Raad in het Drijfmest-arrest (HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938):

  1. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  2. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

  3. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

  4. de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Ingeval de delictsomschrijving van het strafbare feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht, opzet vereist, kan dat opzet op verschillende manieren worden vastgesteld. Zo is het onder omstandigheden mogelijk om het opzet van een natuurlijk persoon aan de rechtspersoon toe te rekenen (HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0145, NJ 1997/109). Voor opzet van de rechtspersoon is evenwel niet vereist dat komt vast te staan dat de optredende natuurlijke persoon met dat opzet heeft gehandeld (HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8977, NJ 2009/130). Het opzet van de rechtspersoon kan onder omstandigheden ook worden afgeleid uit bijvoorbeeld het beleid of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon (HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375).

Pas nadat is vastgesteld dat een rechtspersoon een bepaald strafbaar feit heeft begaan, komt de vraag aan de orde of iemand ingevolge artikel 51 Sr als feitelijke leidinggever of opdrachtgever daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk is.

Voor feitelijke leidinggeven is een formele (juridische) positie binnen de onderneming geen vereiste. Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht. Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij een verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen, maar zulke maatregelen achterwege laat.


In feitelijke leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen (HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733).

De positie van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] binnen de BV

De rechtbank stelt vast dat de rechtspersoon [zorgbureau] B.V. op 6 juni 2012 is opgericht. De onderneming is bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) ingeschreven en verdachte is enig aandeelhouder en bestuurder van deze rechtspersoon.2 De BV hield zich bezig met het aanbieden en verlenen van (thuis)zorg en welzijnsdiensten. Omdat er loonbeslag lag op het loon van de echtgenoot van verdachte (medeverdachte [medeverdachte] ), heeft verdachte zich op verzoek van haar echtgenoot (hierna: [medeverdachte] ) laten inschrijven als bestuurder van de BV.3

Uit de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] blijkt dat zowel verdachte als [medeverdachte] in de ten laste gelegde periode werkzaam waren in de onderneming en dat er sprake was van een onderlinge taakverdeling. Uit de verklaring van verdachte volgt dat zij zich bezig hield met individuele zorgverlening aan de cliënten, de opmaak van zorgdossiers en de begeleiding van werknemers.4 [medeverdachte] heeft verklaard dat hij zich bezig hield met de financiële zaken van de BV, zoals het bijhouden van administratie, de geldstromen en betalingen.5 Hij noemde zichzelf financieel directeur.6

Het faillissement van de BV

Op 20 mei 2015 heeft de Belastingdienst een boekenonderzoek bij de BV aangekondigd. Dit onderzoek is op 11 augustus 2015 aangevangen.7 Het onderzoek was gericht op de aangiften inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over de jaren 2012 t/m 2014, de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2012 t/m 2014 en de aangiften loonheffingen over de jaren 2012 t/m 2014. [medeverdachte] was bij het boekenonderzoek aanwezig. Uit het controlerapport van 4 januari 2016 komt naar voren dat [medeverdachte] de dagelijkse administratie verzorgt, dat er – ondanks het grote aantal kasmutaties – geen kasboek wordt bijgehouden, de BV tot aan de datum aankondiging boekenonderzoek geen stappen heeft ondernomen om een balans en verlies- en winstrekening samen te stellen en aangiften vennootschapsbelasting niet werden ingediend. De jaarstukken en aangiften waren op het moment van de controle nog niet opgemaakt.8 Voorts wordt in het rapport opgemerkt dat verdachte en [medeverdachte] volledig op de hoogte zijn van de gang van zaken binnen de onderneming en zelf de dagelijkse administratie verzorgen.9 De correcties zijn besproken met [medeverdachte] , namens de BV, en met de – inmiddels – namens de BV ingeschakelde fiscaal adviseur.10 Tevens wordt aangegeven dat aanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2012 tot en met 2014 opgelegd zullen worden.11

Naar aanleiding van het boekenonderzoek zijn door de Belastingdienst aanslagen loonheffing, motorrijtuigenbelasting en vennootschapsbelasting opgelegd.12 Omdat de opgelegde aanslagen en boetes niet zijn betaald, heeft de Belastingdienst op 19 april 2016 het faillissement van de BV aangevraagd: de Belastingdienst had op dat moment ter zake van onherroepelijk vaststaande aanslagen loonheffingen, motorrijtuigenbelasting en vennootschapsbelasting een opeisbare vordering van € 518.486,00 op de BV. Tevens was er een steunvordering van [bedrijf] B.V.13 Per brief van 20 april 2016 is de BV – per aangetekende post – door de Rechtbank Overijssel, locatie Almelo, opgeroepen voor de behandeling van dit verzoekschrift tot faillietverklaring.14Bij vonnis van 11 mei 2016 heeft de rechtbank het faillissement van de BV uitgesproken en mr. [curator] aangesteld als curator.15Uit het vonnis van de rechtbank blijkt dat namens de BV verweer is gevoerd en dat zij heeft aangegeven dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen enkele belastingaanslagen, maar dat zij erkent dat er een (zeer hoge) belastingschuld is, die zij niet (ineens) kan betalen. Ook is er een schuld bij de leasemaatschappij, waarop weliswaar wordt afbetaald, maar waaruit blijkt dat er meerdere schuldeisers zijn. De rechtbank stelt vast dat de BV langdurig (forse en veel) aanslagen van de Belastingdienst onbetaald laat. Dat zij sommige (andere) belastingaanslagen wel betaalt, betekent niet dat de BV niet in de toestand verkeert dat zij is opgehouden te betalen.

De curator heeft op 8 februari 2018 tegen verdachte en [medeverdachte] aangifte gedaan van bedrieglijke bankbreuk, valse en te laat gedeponeerde jaarrekeningen over de jaren 2012, 2013 en 2014 en het niet voldoen aan de administratieplicht.16

Niet voldoen aan administratieve verplichtingen

De curator heeft naar aanleiding van zijn bevindingen een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir (derden)beslag opgesteld, waaruit blijkt dat de administratie van de BV niet voldeed aan de wettelijke vereisten voor het voeren van een administratie. Er was geen sprake van een sluitende kasadministratie, er was zelfs in het geheel geen kasboek aanwezig.17 Ook na het boekenonderzoek is er geen kasadministratie opgezet. Daarnaast zijn de jaarrekeningen, althans de documenten die de curator heeft ontvangen, grotendeels niet terug te leiden naar de administratie van de BV, voor zover deze is aangetroffen.18 De jaarrekeningen zijn niet opgemaakt in de voorgeschreven en gangbare vorm, maar betreffen financiële overzichten waarin vier boekjaren zijn samengevat in twee documenten.19 De jaarrekeningen zijn niet compleet, waardoor geen aansluiting tussen de boekjaren kon worden gemaakt.20 In het verzoekschrift van de curator is eveneens vastgesteld dat de jaarrekeningen van 2012, 2013 en 2014 niet binnen de daarvoor geldende termijn van dertien maanden na afloop van het boekjaar bij de KvK zijn gedeponeerd. De deponering van de jaarrekeningen vond plaats vlak voor het uitspreken van het faillissement van de BV, terwijl verdachte en [medeverdachte] wisten dat het verzoek tot faillietverklaring al aanhangig was bij de rechtbank.21 Tevens is uit het grootboek en de toelichting op de balans van 2015 gebleken dat aan de activazijde van de BV een rekening-courant vordering is opgenomen, zonder dat uit de administratie blijkt op wie deze vordering betrekking heeft en hoe die vordering tot stand is gekomen. Wanneer deze vordering zou bestaan uit kasopnamen, moet bekend zijn aan wie de kasopnamen ten goede zijn gekomen en moeten daar kosten tegenover staan. Daarvan is niet gebleken, aldus de curator. De administratie is niet op zodanige wijze gevoerd dat daar te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon uit kunnen worden gekend.22

De bevindingen van de curator vinden steun in het controlerapport van de Belastingdienst.23 Volgens controlemedewerker Grefelman werden bankafschriften en inkoop- en omzetfacturen opgeborgen in ordners, maar werd - ondanks het grote aantal kasmutaties - geen kasboek bijgehouden en vonden er geen periodieke kascontroles plaats. Het werkelijke kassaldo werd niet vergeleken met het administratieve saldo en eventuele kasverschillen werden niet genoteerd. Ook werden aangiften vennootschapsbelasting niet ingediend. Tot aan de datum van aankondiging van het boekenonderzoek zijn geen stappen ondernomen om een balans en verlies- en winstrekening samen te stellen. Pas naar aanleiding van de aankondiging van het boekenonderzoek is door de zus van verdachte, [getuige] , de boekhouding verwerkt.24

Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij in 2015 op verzoek van [medeverdachte] de administratie van de BV over de jaren 2012, 2013, 2014 en een deel van 2015 heeft ingeboekt. De administratie moest met spoed worden ingeboekt, omdat de deurwaarder van de Belastingdienst bij de BV was langs geweest en er een boekencontrole bij de BV zou plaatsvinden. De administratie heeft zij verwerkt aan de hand van door [medeverdachte] verstrekte bankafschriften en bonnetjes. Er was geen kasboek aanwezig. De aanslagen vennootschapsbelasting waren [getuige] niet bekend en zijn niet in de administratie verwerkt.25

Verdachte heeft verklaard dat zij eind 2015 een slecht bijgehouden administratie heeft aangetroffen, een ‘soepzooi’. Zij wist niet wat [medeverdachte] haar overmaakte. Zij had geen contract, maar als zij geld nodig had stond het meestal op de rekening.26

[medeverdachte] heeft verklaard dat bonnetjes van aankopen overal en nergens lagen, dat hij een deel van de bonnetjes is kwijtgeraakt en dat hij geen goede administratie heeft kunnen voeren. Hij had een map met bonnetjes die hij ooit wilde registreren, maar dat is er nooit van gekomen. De administratie van de BV was naar eigen zeggen ‘een beetje nattevingerwerk.’27 Pas naar aanleiding van de aankondiging van het boekenonderzoek is er medio 2015 een boekhouding opgestart. [medeverdachte] heeft hierin niet alle administratie kunnen verwerken, omdat hij een deel miste en niet kon vinden. Op een gegeven moment waren er zoveel cliënten dat hij naar eigen zeggen geen tijd meer had voor de administratie. [medeverdachte] hield de contante uitgaven niet bij en had geen kasboek. Het was de bedoeling om de administratie zelf bij te houden en een betrouwbare boekhouder te vinden, maar daar is het nooit van gekomen.28 Aangezien [medeverdachte] nooit over een complete administratie heeft beschikt en die dus ook nooit ter beschikking heeft kunnen stellen, geeft ook de uiteindelijk door [getuige] opgestelde boekhouding een onjuist en onvolledig beeld.

Jaarrekeningen van de BV

De curator heeft na onderzoek geconstateerd dat de jaarrekeningen 2012 tot en met 2014 van de BV niet tijdig bij de KvK zijn gedeponeerd.29 Voorts zijn hem jaarrekeningen ter hand gesteld die niet compleet zijn. De hierin genoemde cijfers zijn grotendeels niet terug te leiden naar de administratie van de BV, voor zover deze is aangetroffen.30 De jaarrekeningen 2012 en 2013 zijn niet compleet; een balans en een toelichting op de balans ontbreken, waardoor geen vergelijking kan worden gemaakt met de gepubliceerde jaarrekeningen 2012 en 2013. Grootboekoverzichten ontbreken eveneens. De curator heeft evenmin de beschikking gekregen over de jaarrekening 2014. Wel is hem een jaarrekening 2015 overhandigd, waaruit ook de cijfers over 2014 blijken. De aansluiting tussen de jaren 2013 en 2014 kan niet gemaakt worden. Grootboekoverzichten ontbreken.

Uit de toelichting op de balans 2015 blijkt aan de activazijde dat er een rekening-courant vordering is van € 993.664,00. Op wie deze vordering betrekking heeft, of op welke vennootschap, blijft evenwel volstrekt onduidelijk.

Uit het controlerapport van de Belastingdienst van 4 januari 2016 komt reeds naar voren dat de eind- en begin balansen volgens de toegezonden auditfiles niet op elkaar aansluiten. Eindsaldi van het boekjaar worden niet overgenomen in het daarop volgende boekjaar. Door de adviseur van de BV waren nog geen sluitende jaarstukken opgesteld.31

Getuige [getuige] heeft over de jaarrekeningen verklaard dat deze door Wim [naam 2] opgesteld zouden worden. Na het faillissement van de BV heeft verdachte haar gevraagd om de jaarrekeningen op te stellen omdat er nog geen jaarrekeningen waren gedaan. [getuige] heeft de jaarrekeningen opgemaakt op basis van de administratie die zij in 2015 heeft ingeboekt, zij heeft toen nog loonjournaalposten ingeboekt om de jaarrekeningen op te stellen. Op dat moment heeft zij geen controle op de cijfers gedaan omdat de jaarrekeningen gedaan moesten worden.32 De gedeponeerde jaarrekeningen heeft zij niet opgemaakt, maar de cijfers zijn heel anders dan de jaarrekeningen die zij heeft opgesteld. [getuige] heeft geen rekening gehouden met reserveringen voor de nog te betalen vennootschapsbelasting omdat zij geen tijd had om er over na te denken en er verder niet bij stil heeft gestaan. De aanslagen van de Belastingdienst waren haar niet bekend, maar hadden in de jaarrekeningen moeten zitten. Zij heeft geen enkel belastingpapiertje gezien.33

[medeverdachte] heeft verklaard dat de curator de beknopte jaarrekeningen niet accepteerde en dat er snel jaarrekeningen moesten worden opgesteld, wat [getuige] op zijn aandringen heeft gedaan. Dit heeft zij gedaan aan de hand van stukken die [medeverdachte] heeft aangeleverd.

[naam 1] heeft de jaarrekening opgesteld die bij de KvK is gedeponeerd. [naam 1] heeft de jaarrekening opgemaakt aan de hand van de stukken die [naam 2] hem heeft bezorgd, maar de administratie was niet helemaal compleet. [medeverdachte] weet niet of de cijfers juist zijn die zijn gedeponeerd.34

Onttrekking van geldbedragen aan de boedel

De curator heeft aan de hand van de bankafschriften geconstateerd dat in de periode van 12 augustus 2015 tot en met 11 mei 2016 vanaf de rekening van de BV substantiële en onverklaarbare pinopnames, overboekingen naar derden en betalingen aan de privérekeningen ten name van verdachte en [medeverdachte] zijn gedaan. Deze pinopnames en uitgaven heeft de curator in een overzicht gezet.35 Het gaat om een totaalbedrag van

€ 211.700,53, bestaande uit € 97.380,00 aan pinopnames, € 32.315,10 aan overboekingen naar derden, € 50.577,11 aan betalingen aan [medeverdachte] en € 41.427,92 aan betalingen aan verdachte.36 Uit de bankafschriften blijkt dat van de rekening van de BV onder meer leningen zijn verstrekt, reizen zijn geboekt en overboekingen zijn gedaan, zonder dat de zakelijke aanleiding daarvoor terug is te vinden in de administratie. De pinopnames werden geboekt op grootboekrekening vraagposten en aan het einde van het boekjaar 2015 werd dit overgeboekt naar de rekening-courant verhouding participant/directie, als zijnde privéopnamen. Per 31 december 2015 bedroeg de rekening-courant vordering € 993.664,-, onder andere ontstaan door kasopnames, overboekingen naar privérekeningen en privékosten die van de zakelijke rekening zijn betaald.37

[medeverdachte] kon de controlemedewerker van de Belastingdienst geen verklaring geven voor de hoge kassaldi van onder meer het boekjaar 2014. Wel gaf hij te kennen dat ‘zij’ (de rechtbank begrijpt verdachte en [medeverdachte] ) er zeer ruim van hadden geleefd en dat hij er onder andere een auto van heeft aangeschaft en diverse privéschulden contant heeft afgelost.38

[medeverdachte] heeft bij de FIOD verklaard dat hij samen met verdachte gemachtigde was van de bankrekening van de BV, dat hij de pinopnames en overboekingen heeft verricht en dat het grootste deel van het geld privé is uitgegeven.39

Tussenconclusie

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat in elk geval vanaf 11 augustus 2015 tot en met 11 mei 2016 geldbedragen vanwege niet zakelijke uitgaven aan het vermogen van de BV zijn onttrokken, niet is voldaan aan de op de BV rustende verplichting tot het voeren van een deugdelijke administratie in de zin van artikel 3:15i BW en de BV geen jaarrekeningen heeft opgesteld, waardoor de vermogenstoestand en de rechten en verplichtingen van de BV niet direct duidelijk worden.

Verkorting van de rechten van schuldeisers van de BV

Voor de beoordeling of de handelingen die zijn gepleegd voor het faillissement, zijn verricht ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers van de BV, dient bezien te worden of (I) ten tijde van de handelingen een aanmerkelijke kans bestond dat een faillissement met een tekort zou volgen en (II) dat de schuldeisers door die handelingen konden worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden.

Zoals hiervoor vastgesteld was de administratie, voor zover daarvan sprake was, reeds vanaf de start van de onderneming niet conform de regels en vertoonde zij grote omissies. Tevens zijn vanaf de oprichting geen aangiften vennootschapsbelasting door de BV gedaan. Tegelijkertijd was sprake van substantiële en achteraf onverifieerbare onttrekkingen aan de BV die niet als zakelijk aangemerkt kunnen worden.40

Uit het verzoekschrift van de curator komt naar voren dat de Belastingdienst niet de enige schuldeiser van de BV is: in totaal bedragen de in het faillissement ingediende en voorlopig erkende schuldvorderingen € 649.089,42.41

[medeverdachte] had er voor de aankondiging van het boekenonderzoek weinig aan gedaan om de administratie van de BV op orde te krijgen. Integendeel. Zo heeft hij verklaard dat de administratie van de BV een beetje ‘nattevingerwerk’ was: door omstandigheden in de privésfeer, heeft hij geen goede administratie voor de BV kunnen voeren. Het zoeken van een betrouwbare boekhouder was lastig, hij vertrouwde eigenlijk niemand, andere waren te duur.42 [medeverdachte] hield de uitgaven die hij contant deed niet echt bij.43 Hij kan zich moeilijk herinneren waar het allemaal aan uitgegeven is. Het grootste gedeelte werd privé uitgegeven. [medeverdachte] had veel schulden, aan zijn broer en aan mensen die hij geld verschuldigd was, kennissen en familieleden. Ook heeft hij privé een auto gekocht, een bedrijf overgenomen, schenkingen gedaan en een oom geld geleend voor de aanschaf van een machine; deze niet zakelijke transacties werden feitelijk door de BV gefinancierd. De schulden zijn inmiddels allemaal afbetaald.44

Tot aan de aankondiging van het boekenonderzoek door de Belastingdienst zijn geen stappen ondernomen om een kasboek, balans en verlies- en winstrekening voor de BV samen te stellen. Pas naar aanleiding van de aankondiging van het boekenonderzoek heeft [medeverdachte] , de zus van verdachte ingeschakeld om alsnog een boekhouding op te starten. Hieruit leidt de rechtbank af dat [medeverdachte] op dat moment reeds vermoedde dat een boekenonderzoek mogelijk grote nadelige financiële consequenties voor de BV zou kunnen hebben.

[getuige] heeft hierover verklaard dat je op een gegeven moment je rekeningen niet meer kan betalen, wanneer je geld uit een onderneming trekt. Als je rekening-courant rond 30.000-40.000 zit, moet je wel aan de bel trekken. [medeverdachte] had op een gegeven moment kunnen weten dat hij met zo veel opnames daar vragen over zou kunnen krijgen. Als [getuige] naar de door haar opgemaakte jaarrekeningen kijkt, merkt zij op dat [medeverdachte] in 2013 al had kunnen bedenken dat er problemen zouden komen. Als de winsten, zoals opgenomen in de jaarrekening, te weten € 422.987,00, niet gedekt worden door een banktegoed of liquide middelen, dan kan je je belastingen sowieso niet betalen. Zij wist dat er een echt probleem was, toen [medeverdachte] tegen haar zei dat het kasgeld, zoals opgenomen in de jaarrekening, in werkelijkheid niet aanwezig was. Voorts verklaart [getuige] over haar zus, [verdachte] , dat zij wakker is geschud toen de Belastingdienst met die aanslagen kwam. Toen ontdekte haar zus de problemen binnen de BV.45

Op 11 augustus 2015 heeft vervolgens het boekenonderzoek plaatsgevonden bij de BV. Naar aanleiding van de boekencontrole heeft de controleambtenaar diverse correcties gemaakt. De bevindingen en correcties zijn na de boekencontrole besproken met [medeverdachte] . Naar aanleiding van het boekenonderzoek en de correcties heeft de Belastingdienst onder andere aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd aan de BV voor een totaalbedrag van

€ 233.691,00. Op 13 juni 2015 is een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd voor een bedrag van € 70.650,00.46

De rechtbank is van oordeel dat zowel verdachte als [medeverdachte] in ieder geval vanaf de aanvang van het boekenonderzoek van de Belastingdienst d.d. 11 augustus 2015 hebben kunnen weten dat een faillissement van de BV aanstaande was. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Gelet op de omstandigheid dat [medeverdachte] als financieel directeur van de BV wist dat er niet of nauwelijks administratie werd gevoerd, er reeds jarenlang geen aangiften vennootschapsbelasting werden gedaan en dus ook niet werd afgedragen, terwijl hij eveneens jarenlang grote bedragen onttrok aan het vermogen van de BV met achteraf oncontroleerbare (privé)bestemmingen, kan het naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet anders zijn dan dat [medeverdachte] heeft geweten dat substantiële vorderingen bij de Belastingdienst zouden ontstaan. Ook kan het niet anders dan dat [medeverdachte] heeft geweten dat de BV deze vorderingen niet (tijdig) zou kunnen voldoen, omdat is nagelaten daarvoor de nodige voorzieningen te treffen of de nodige liquiditeit in de BV te laten. Een faillissement met een tekort was bij deze gang van zaken onafwendbaar. De rechtbank weegt hierbij mee dat elke bestuurder/financieel directeur van een BV behoort te weten dat een BV jaarlijks verplicht is aangiften vennootschapsbelasting te doen en passende voorzieningen in de boekhouding moet opnemen om de Belastingdienst te kunnen betalen. Dit geldt temeer voor [medeverdachte] die een financiële opleiding en (werk)achtergrond heeft. Dat het bij de Belastingdienst doorgaans mogelijk is een betalingsregeling te treffen, doet hier niet aan af. Niet alleen is betaling van een belastingaanslag binnen de betaaltermijn de regel en een betalingsregeling de uitzondering, ook is een feit dat de Belastingdienst in deze kwestie niet akkoord gegaan is met de namens de BV voorgestelde betalingsregeling.

Niet alleen verstrekte [medeverdachte] onvolledige informatie aan [naam 2] en [getuige] zodat hij bij voorbaat al wist dat de daarop gebaseerde informatie en jaarstukken onjuist en onvolledig zouden zijn, maar ook nadat hij op de hoogte was van de belastingaanslagen en kon vermoeden dat de BV haar schulden niet meer zou kunnen betalen, is hij onverminderd doorgegaan met het onttrekken van geldbedragen uit de BV en het niet voeren van een juiste administratie. Dit terwijl de BV op dat moment een onverantwoorde rekening-courant vordering had op de bestuurder van € 993.664,0047, welke vordering onder andere is ontstaan door de kasopnames, overboekingen naar privérekeningen en privékosten die in de jaren daarvoor van de zakelijke rekening waren betaald.

Ook na de aanvang van het boekenonderzoek in 2015 en in 2016 zijn, totdat het faillissement op 11 mei 2016 werd uitgesproken, via de rekening van de BV pinopnames gedaan, privékosten betaald of overboekingen naar privérekeningen gedaan voor een totaalbedrag van € 221.700,5348, terwijl er inmiddels diverse aanslagen vennootschapsbelasting waren opgelegd voor een totaalbedrag van € 304.341,00 exclusief rente en kosten.

Door het – voornamelijk niet zakelijke – uitgavenpatroon waren er echter binnen de BV geen liquide middelen meer om alle aanslagen binnen de daarvoor geldende termijn te betalen, omdat de gelden die binnen kwamen direct weer contant werden opgenomen of waren overgemaakt naar privérekeningen of derden ten behoeve van betalingen dan wel leningen in de privésfeer. Dit uitgavenpatroon is onverminderd doorgegaan, ook nadat het boekenonderzoek een aanvang had genomen en verdachte door de controlemedewerker op de hoogte was gesteld van zijn bevindingen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn door deze handelwijze de schuldeisers van de BV in het zicht van het faillissement benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden.

Toerekening aan de rechtspersoon

De BV is pleger van het feit, nu de betreffende gedraging redelijkerwijs aan haar kan worden toegerekend. Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de handelingen, zoals hiervoor uiteengezet, hebben plaatsgevonden binnen de sfeer van de rechtspersoon. Het verrichten van financiële transacties en het voeren van een administratie zijn immers bij uitstek gedragingen die passen in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon. Het betreft daarnaast gedragingen van iemand die werkzaam is ten behoeve van de BV, namelijk [medeverdachte] . De BV is de failleerde rechtspersoon en zodoende normadressaat.

Nu [medeverdachte] zoals hiervoor is overwogen met opzet heeft gehandeld en opzet had op de verkorting van de rechten van schuldeisers van de BV, en de feitelijke positie van [medeverdachte] binnen de BV van dien aard was dat hij zelfstandig het financiële beleid kon bepalen èn bepaalde, kan het opzet van [medeverdachte] aan de BV worden toegerekend.

Feitelijk leidinggeven aan strafbare gedragingen door de BV

Verdachte was in de ten laste gelegde periode de bestuurder en enig aandeelhouder van de BV. In deze hoedanigheid had zij zeggenschap over het binnen de BV gevoerde beleid, als ook over de wijze waarop de administratie werd gevoerd. Gelet op haar positie was verdachte bevoegd en redelijkerwijs gehouden tot het treffen van maatregelen ter voorkoming dan wel beëindiging van strafbare gedragingen, hetgeen zij niet heeft gedaan. Sterker nog, verdachte heeft een passieve houding aangenomen en de werkzaamheden – ook toen zij wist van de slechte financiële situatie van de BV – bewust aan haar echtgenoot overgelaten en daarmee de strafbare gedragingen bevorderd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte als feitelijk leidinggevende ten aanzien van dit feit kan worden aangemerkt.

Conclusie

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de BV tezamen en in vereniging met [medeverdachte] het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd en dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.

Feit 2

Uit het uittreksel van de KvK blijkt dat de jaarrekeningen van 2012, 2013 en 2014 op respectievelijk 3 mei 2016, 2 mei 2016 en 4 mei 2016 zijn gedeponeerd.49 In deze jaarrekeningen staan positieve eigen vermogens vermeld, waarbij het eigen vermogen in
drie jaar tijd is opgelopen tot € 568.314,00. Op de jaarrekeningen staan geen schulden met een looptijd van langer dan één jaar en de schulden met een looptijd korter dan één jaar bedragen per 31 december 2014 € 58.601,00.50 Op het moment van deponering waren aan de BV aanslagen vennootschapsbelasting van totaal € 325.333,00 opgelegd.51 Deze aanslagen zijn echter niet opgenomen als schuld op de balansen die zijn gedeponeerd bij de KvK. Per saldo is op de jaarrekening van 2012 € 63.252,00, op de jaarrekening van 2013 € 225.663,00 en de jaarrekening van 2014 € 325.337,00 te weinig aan schuld opgenomen.52 Door het niet opnemen van de belastingaanslagen is de verhouding tussen het eigen vermogen en het vreemd vermogen (solvabiliteit) niet juist en is de solvabiliteit op papier beter dan in werkelijkheid het geval was.

Op grond van de wet rustte er een publicatieplicht op de BV, waaraan de bestuurder, in dit geval mevrouw verdachte, diende te voldoen. De jaarrekeningen over 2012, 2013 en 2014 zijn niet tijdig gepubliceerd door de BV.

Uit de verklaring van [medeverdachte] volgt dat hij de bedrijfsadministratie over de jaren 2012 tot en met 2014 ter beschikking heeft gesteld aan zijn fiscaal adviseur de heer [naam 2] , die de heer [naam 1] heeft ingeschakeld om de jaarrekeningen op te stellen.53 [naam 1] heeft de jaarrekeningen op verzoek van [medeverdachte] aan de hand van de administratie die hij tot zijn beschikking had gekregen, opgemaakt en gedeponeerd bij de KvK.54 De rechtbank heeft onder feit 1 vastgesteld dat [medeverdachte] wist dat zijn administratie niet compleet was, zodat hij bij voorbaat moest weten dat de daarop gebaseerde documenten eveneens ondeugdelijk zouden zijn.

Dat [medeverdachte] op de hoogte was van de belastingaanslagen en daarom heeft geweten dat de jaarrekeningen niet konden kloppen, leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat de correcties die zijn gemaakt naar aanleiding van het boekenonderzoek op 11 augustus 2015 en de daarbij behorende aanslagen vennootschapsbelasting zijn besproken met [medeverdachte] , namens de belastingplichtige BV, en met zijn fiscaal adviseur, de heer [naam 2] .55 Uit het controlerapport van de Belastingdienst blijkt dat [medeverdachte] het op verschillende punten niet eens was met de bevindingen in dit rapport, maar dat hij niet gefundeerd heeft aangegeven waarom hij het met de voorgestelde correcties oneens was. [naam 2] had daarentegen te kennen gegeven geen inhoudelijke bezwaren te hebben tegen de uitkomst van het boekenonderzoek. Niet is gebleken dat er door of namens de BV bezwaar is ingesteld tegen de opgelegde aanslagen.56

Door zijn handelswijze heeft [medeverdachte] als feitelijk bestuurder van de BV op zijn minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat jaarrekeningen met een onware staat en een onware balans bij de KvK werden gedeponeerd.


Verdachte heeft verklaard dat zij eind 2015 een slecht bijgehouden administratie aantrof; ‘een soepzooi’ en dat zij tevergeefs heeft geprobeerd om een betalingsregeling met de Belastingdienst te treffen.57 Verdachte heeft verklaard dat de jaarrekeningen te laat zijn opgemaakt; pas na het overleg met de Belastingdienst. De medewerkster van de Belastingdienst had haar erop geattendeerd dat de jaarrekeningen nog niet gedeponeerd waren. Zij weet niet meer hoe de jaarrekeningen zijn vastgesteld.58

De rechtbank stelt op grond van deze verklaring vast dat verdachte ten tijde van het deponeren van de jaarrekeningen op de hoogte was van de opgelegde belastingaanslagen. Het bestuur is op grond van de daarvoor geldende regelgeving van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek verantwoordelijk voor de opgestelde jaarrekening en aldus heeft verdachte, door zich niet te vergewissen van de inhoud van de jaarrekeningen, de aanmerkelijk kans aanvaard dat de jaarrekeningen een onware staat en een onware balans bevatten.

Gelet op de omstandigheid dat, zoals hiervoor weergegeven, binnen de BV sprake was van een duidelijke taakverdeling, waarbij verdachte de financiële werkzaamheden - ook nadat zij op de hoogte raakte van de financiële problemen met de Belastingdienst - bewust overliet aan [medeverdachte] , is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] is komen vast te staan.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Partiële vrijspraak

Omdat uit het dossier blijkt dat namens de BV een winst- en verliesrekening van de jaren 2012, 2013 en 2014, en een toelichting hierop is gedeponeerd bij de KvK, zal de rechtbank verdachte van deze onderdelen vrijspreken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair

[zorgbureau] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Overijssel d.d. 11 mei 2016 in staat van faillissement is verklaard, in periode van 11 augustus 2015 tot en met 11 mei 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met een persoon, telkens ter bedrieglijke korting van de rechten van haar schuldeisers,

- geldbedragen aan de boedel heeft onttrokken en

- niet voldaan aan de op haar rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, immers heeft zij

- geldbedragen contant opgenomen en overgeboekt naar de privérekeningen ten name van

[verdachte] en [medeverdachte] , en

- uitgaven gedaan die niet zijn te kwalificeren als zakelijke uitgaven, en

- geen administratie gevoerd conform de eisen van de wet en geen kasboek bijgehouden en geen jaarrekeningen opgesteld waaruit direct de vermogenstoestand en de rechten en verplichtingen van de onderneming duidelijk worden,

zulks terwijl zij, verdachte, telkens feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven strafbare gedraging;

2

zij op 2 mei 2016 en 3 mei 2016 en 4 mei 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met een persoon, als bestuurder van [zorgbureau] B.V., telkens opzettelijk een onware staat en een onware balans openbaar heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte, de jaarrekeningen over de jaren 2012 en 2013 en 2014 waarin, in strijd met de waarheid, geen aanslagen (vennootschapsbelasting) van de Belastingdienst waren opgenomen en een positief eigen vermogen was vermeld, laten deponeren bij de Kamer van Koophandel.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair of 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 51, 336 en 341 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf: medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, waaraan zij feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: medeplegen van het door de bestuurder opzettelijk openbaar maken van een onware staat en een onware balans, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde feiten. Mocht de rechtbank tot een strafoplegging komen, dan heeft hij bepleit dat rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid dat het (slechts) gaat om benadeling van de Belastingdienst, dat geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld en dat het toepassen van strafrecht een ultimum remedium is. Hij heeft verzocht om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft zich in de periode van 11 augustus 2015 tot en met 11 mei 2016 als bestuurder en feitelijk leidinggevende van [zorgbureau] B.V. schuldig gemaakt aan het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk. In het zicht van het faillissement zijn mede onder verantwoordelijkheid van verdachte grote geldbedragen aan de boedel van de BV onttrokken. Zo zijn er omvangrijke contante geldopnames gedaan vanaf de bankrekening van de BV, die voornamelijk werden gebruikt voor privédoeleinden. Daarnaast werden van deze bankrekening ook privékosten betaald en vonden er overboekingen plaats naar de privérekeningen van verdachte en haar echtgenoot.

Bovendien heeft verdachte als feitelijk leidinggever aan de BV niet voldaan aan de verplichting om een deugdelijke administratie te voeren. Er was geen sprake van een sluitende kasadministratie, er was zelfs in het geheel geen kasboek aanwezig. Verder waren de jaarrekeningen, of daarop gelijkende documenten, niet compleet en grotendeels niet te herleiden naar de administratie van de BV.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het medeplegen van het als bestuurder opzettelijk openbaar maken van een onware staat en een onware balans, door in de jaarrekeningen van 2012, 2013 en 2014 in strijd met de waarheid geen aanslagen vennootschapsbelasting op te nemen en een positief eigen vermogen te vermelden.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij op grove wijze misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat ondernemers nodig hebben om met elkaar handel te kunnen drijven en om onze toch al fragiele economie draaiende te houden.

De rechtbank is gebleken dat verdachte een andere, beperktere rol heeft gehad bij het plegen van de bewezenverklaarde feiten dan haar echtgenoot. Hoewel aan medeverdachte [medeverdachte] het zwaarste verwijt valt te maken voor de strafbare gedragingen, is verdachte hier in sterke mate mede verantwoordelijk voor. Verdachte diende als formeel bestuurder van de BV immers controle(s) uit te voeren op de financiële transacties van de BV, het voeren van een administratie en de te deponeren jaarrekeningen. Door dit niet te doen heeft zij verwijtbaar de verboden gedragingen toegelaten die door haar echtgenoot zijn verricht, en heeft zij daarvan ook persoonlijk geprofiteerd. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel van het strafblad van verdachte van 31 maart 2021. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel gerechtvaardigd is. De door de officier van justitie geëiste straf doet evenwel recht aan de omstandigheden. Gelet op de hiervoor beschreven beperktere rol die verdachte heeft vervuld én de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de omstandigheid dat zij als bestuurder van de BV (hoofdelijk) aansprakelijk is gesteld voor de schulden van de onderneming, ziet de rechtbank dan ook aanleiding om tot een andere, lagere strafoplegging te komen dan bij medeverdachte [medeverdachte] . De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf van 200 uren in beginsel passend en geboden is.

De rechtbank acht daarnaast de oplegging van een voorwaardelijk gevangenisstraf op zijn plaats, niet alleen vanwege eventueel herhalingsgevaar (verdachte is na het plegen van deze feiten ook bestuurder geweest bij andere zorgondernemingen), maar ook om uitdrukking te geven aan de ernst van de feiten.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het feit dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op de dag van de doorzoeking van de woning van verdachte, te weten 19 juni 2018. Dit betekent, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren, dat verdachte in beginsel de afronding van haar proces met een eindvonnis op (uiterlijk) 19 juni 2020 had mogen verwachten. Dit vonnis is echter gewezen op 31 mei 2021, ruim elf maanden na het verstrijken van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie ter zitting geen verklaring heeft gegeven voor termijnoverschrijding van de vastgestelde duur. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding een aftrek van 20 uren taakstraf tot gevolg moet hebben.

Alles overwegende, rekening houdend met het tijdsverloop in deze zaak, acht de rechtbank derhalve passend en geboden een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van drie jaren, en een taakstraf voor de duur van 180 uren.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair

het misdrijf: medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, waaraan zij feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: medeplegen van het door de bestuurder opzettelijk openbaar maken van een onware staat en een onware balans, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, voorzitter, mr. M. van Berlo en mr. A.M. van Diggele, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. Potgieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2021.

Buiten staat

Mr. A.M. van Diggele is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van het onderzoek van de FIOD/Belastingdienst, genaamd ‘62632 / [verdachte] ’. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden of bijlages van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Uittreksel Kamer van Koophandel (doc-002), pagina 177.

3 Verklaring verdachte (V-002-01), pagina 114.

4 Verklaring verdachte (V-002-01), pag. 117.

5 Verklaring [medeverdachte] (V-003-01), pag. 126.

6 Verklaring verdachte (V-002-01), pag. 117 en ook visitekaartje (DOC-021), pag. 1021.

7 Controlerapport van de Belastingdienst (DOC-005), pag. 760.

8 Controlerapport van de Belastingdienst (DOC-005), pag. 782.

9 Controlerapport van de Belastingdienst (DOC-005), pag. 790.

10 Controlerapport van de Belastingdienst (DOC-005), pag. 791.

11 Controlerapport van de Belastingdienst (DOC-005), pag. 790.

12 Overzicht openstaande bedragen Belastingdienst (DOC-013), pag. 872

13 Faillissementsrekest (DOC-004), pag. 693-694.

14 Oproep voor behandeling (DOC-004), pag. 717.

15 Vonnis tot faillietverklaring van de Rechtbank Overijssel d.d. 11 mei 2016 (doc-001), pag. 671-672.

16 Aangifte curator (AAG-01) pag. 87-89.

17 Verzoekschrift van de curator (DOC-004), pag. 663, nr. 20.

18 Verzoekschrift van de curator (DOC-004), pag. 662, nr. 12.

19 Verklaring getuige [curator] (DOC G-01-001) pag. 138.

20 Verzoekschrift van de curator (DOC-004), pag. 662, nr. 16.

21 Verzoekschrift van de curator (DOC-004), pag. 661, nr. 7 t/m 10.

22 Verzoekschrift van de curator (DOC-004), pag. 663, nr. 19.

23 Controlerapport van de Belastingdienst (DOC-005), pag. 779 e.v.

24 Controlerapport van de Belastingdienst (DOC-005), pag. 782.

25 Verklaring getuige [getuige] (G-002-01), pag. 171 - 172.

26 Verklaring verdachte (V-002-01), pag. 114 en 117.

27 Verklaring [medeverdachte] (V-003-01), pag. 127.

28 Verklaring [medeverdachte] (V-003-01), pag. 128.

29 Verzoekschrift van de curator (DOC-004), pag. 661.

30 Verzoekschrift van de curator (DOC-004), pag. 662.

31 Controlerapport van de Belastingdienst (DOC-005), pag. 762.

32 Verklaring getuige [getuige] (G-002-01), pag. 170.

33 Verklaring getuige [getuige] (G-002-01), pag. 171-172.

34 Verklaring [medeverdachte] (V-003-01), pag. 130-131.

35 Overzicht onttrekkingen in het zicht van faillissement (DOC-015), pag. 995-999.

36 Verzoekschrift van de curator (DOC-004), pag. 663, nr. 20.

37 Start proces-verbaal (AMB-001), pag. 97.

38 Controlerapport van de Belastingdienst (DOC-005), pag. 784.

39 Verklaring [medeverdachte] (V-003-01), pag. 126 t/m 129.

40 Proces-verbaal, pag. 22.

41 Verzoekschrift van de curator (DOC-004), pag. 665 en 772-774.

42 Verklaring [medeverdachte] (V-003-01), pag. 127.

43 Verklaring [medeverdachte] (V-003-01), pag. 128.

44 Verklaring [medeverdachte] (V-003-01), pag. 129.

45 Verklaring getuige [getuige] (G-002-01), pag. 173.

46 Overzicht Belastingdienst (DOC-013), pag. 872.

47 [zorgbureau] Toelichting op de balans (DOC-012), pag. 854 en 859.

48 Overzicht onttrekkingen in het zicht van faillissement (DOC-015), pag. 995-997.

49 Uittreksel Kamer van Koophandel, pagina 755.

50 Gedeponeerde jaarrekeningen 2012, 2013, 2014 (DOC-023, DOC-024, DOC-025), pagina 1023 e.v.

51 Vennootschapsaanslagen (DOC-015), pag. 872.

52 Proces-verbaal, pagina 43.

53 Verklaring [medeverdachte] (V-003-01), pag. 130.

54 Verklaring [medeverdachte] (V-003-01), pag. 130.

55 Controlerapport van de Belastingdienst (DOC-005), pag. 791.

56 Verklaring [medeverdachte] (V-003-01), pag. 133-134.

57 Verklaring verdachte (V-002-01), pagina 114.

58 Verklaring verdachte (V-002-01), pagina 120.