Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:2169

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
08.298262.20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 32-jarige man tot een gevangenisstraf van 4 jaar en 6 maanden voor betrokkenheid bij een aanslag op een woning in Zwolle. Hierdoor ontstond een grote ravage rondom de woning. Geparkeerde auto's, scooters en snorfietsen liepen schade op. Naast de gevangenisstraf moet de man bijna 30.000 euro schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.298262.20 (P)

Datum vonnis: 1 juni 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] ,

thans verblijvende in de P.I. Zwolle te Zwolle.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 mei 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Leusink-Dijk en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. W. van Vliet, advocaat te Duivendrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging van 18 mei 2020, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich al dan niet samen met (een) ander(en) schuldig heeft gemaakt aan:

feit 1 primair: poging tot moord;

feit 1 subsidiair: uitlokking van poging tot moord;

feit 1 meer subsidiair: poging tot zware mishandeling, met voorbedachte raad;

feit 1 nog meer subsidiair: uitlokking van poging tot zware mishandeling, met voorbedachte raad;

feit 2 primair: opzettelijk een ontploffing teweeg brengen waardoor er gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

feit 2 subsidiair: uitlokking van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen waardoor er gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

Feit 3: het verhandelen van harddrugs;

Feit 4: het verhandelen van softdrugs;

Feit 5: het witwassen van een geldbedrag van € 93.395,00.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van (de nacht van) 30 mei 2020 tot en met (op) 31 mei 2020, in de gemeente Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een persoon, genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven,

- zich met een of meer (zogenaamde) (Super) Cobra 6 (zijnde een massaexplosief) (voorzien van een 1.1.gevarenklasse aanduiding), althans een of meer stukken vuurwerk met knaleffect, althans met één of meerdere explosieven naar een woning, gelegen aan [adres 2] , heeft/hebben begeven,

- (vervolgens) die (zogenaamde) (Super) Cobra 6 (zijnde een massaexplosief) (voorzien van een 1.1.gevarenklasse aanduiding), althans een of meer stukken vuurwerk met knaleffect, althans dat/die explosie(f)(ven) op/aan de ramen en/of de kozijnen en/of de (voor)deur van die woning en/of de schuurdeur heeft/hebben bevestigd, althans in de (zeer) (dichte) nabijheid van/voor die woning/de woonkamer heeft/hebben geplaatst (wetende dat die [slachtoffer] zich (op dat moment/dat tijdstip) in zijn woning (op een bank in de woonkamer) zou bevinden/bevond) en/of

-(vervolgens) die (zogenaamde) (Super) Cobra 6 (zijnde een massaexplosief) (voorzien van een 1.1.gevarenklasse aanduiding), althans dat/die explosie(f)(ven) tot ontploffing heeft/hebben gebracht en/of laten brengen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 289 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een (onbekend gebleven) (mede)verdachte in of omstreeks de periode van (de nacht van) 30 mei 2020 tot en met (op) 31 mei 2020, in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door die (onbekend gebleven) (mede)verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een persoon,

genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven,

- zich met een of meer (zogenaamde) (Super) Cobra 6 (zijnde een massaexplosief) (voorzien van een 1.1.gevarenklasse aanduiding), althans een of meer stukken vuurwerk met knaleffect, althans met één of meerdere explosieven naar een woning, gelegen aan [adres 2] , heeft/hebben begeven,

- (vervolgens) die (zogenaamde) (Super) Cobra 6 (zijnde een massaexplosief) (voorzien van een 1.1.gevarenklasse aanduiding), althans een of meer stukken vuurwerk met knaleffect, althans dat/die explosie(f)(ven) op/aan de ramen en/of de kozijnen en/of de (voor)deur van die woning en/of de schuurdeur heeft/hebben bevestigd, althans in de (zeer) (dichte) nabijheid van/voor die woning/de woonkamer heeft/hebben geplaatst (wetende dat die [slachtoffer] zich (op dat moment/dat tijdstip) in zijn woning (op een bank in de woonkamer) zou bevinden/bevond) en/of

- (vervolgens) die (zogenaamde) (Super) Cobra 6 (zijnde een massaexplosief) (voorzien van een 1.1.gevarenklasse aanduiding), althans dat/die explosie(f)(ven) tot ontploffing heeft/hebben gebracht en/of laten brengen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welk misdrijf verdachte op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 mei 2020 tot en met 31 mei 2020, in de gemeente Zwolle, althans in Nederland, door het verschaffen van middelen en/of inlichtingen en/of giften

en/of beloften opzettelijk heeft uitgelokt, door die (onbekend gebleven) (mede)verdachte en/of diens mededader(s), vuurwerk/massaexplosief (te weten Cobra 6) te verschaffen en/of de adresgegevens te verschaffen en/of een hoeveelheid geld te overhandigen en/of een hoeveelheid geld in het vooruitzicht te stellen, als hij/zij die [slachtoffer] zou(den) doden, althans een aanslag op (de woning van) die [slachtoffer] zou(den) plegen;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van (de nacht van) 30 mei 2020 tot en met (op) 31 mei 2020, in de gemeente Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon, genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet:

- zich met een of meer (zogenaamde) (Super) Cobra 6 (zijnde een massaexplosief) (voorzien van een 1.1.gevarenklasse aanduiding), althans een of meer stukken vuurwerk met knaleffect, althans met één of meerdere explosieven naar een woning, gelegen aan [adres 2] , heeft/hebben begeven,

- (vervolgens) die (zogenaamde) (Super) Cobra 6 (zijnde een massaexplosief) (voorzien van een 1.1.gevarenklasse aanduiding), althans een of meer stukken vuurwerk met knaleffect, althans dat/die explosie(f)(ven) op/aan de ramen en/of de kozijnen en/of de (voor)deur van die woning en/of de schuurdeur heeft/hebben bevestigd, althans in de (zeer) (dichte) nabijheid van/voor die woning/de woonkamer heeft/hebben geplaatst (wetende dat die [slachtoffer] zich (op dat moment/dat tijdstip) in zijn woning (op een bank in de

woonkamer) zou bevinden/bevond) en/of

- (vervolgens) die (zogenaamde) (Super) Cobra 6 (zijnde een massaexplosief) (voorzien van een 1.1.gevarenklasse aanduiding), althans dat/die explosie(f)(ven) tot ontploffing heeft/hebben gebracht en/of laten brengen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

nog meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

een (onbekend gebleven) (mede)verdachte in of omstreeks de periode van (de nacht van) 30 mei 2020 tot en met (op) 31 mei 2020, in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door die (onbekend gebleven) (mede)verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een persoon,

genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet:

- zich met een of meer (zogenaamde) (Super) Cobra 6 (zijnde een massaexplosief) (voorzien van een 1.1.gevarenklasse aanduiding), althans een of meer stukken vuurwerk met knaleffect, althans met één of meerdere explosieven naar een woning, gelegen aan [adres 2] , heeft/hebben begeven,

- (vervolgens) die (zogenaamde) (Super) Cobra 6 (zijnde een massaexplosief) (voorzien van een 1.1.gevarenklasse aanduiding), althans een of meer stukken vuurwerk met knaleffect, althans dat/die explosie(f)(ven) op/aan de ramen en/of de kozijnen en/of de (voor)deur van die woning en/of de schuurdeur heeft/hebben bevestigd, althans in de (zeer) (dichte) nabijheid van/voor die woning/de woonkamer heeft/hebben geplaatst (wetende dat die [slachtoffer] zich (op dat moment/dat tijdstip) in zijn woning (op een bank in de woonkamer) zou bevinden/bevond) en/of

-(vervolgens) die (zogenaamde) (Super) Cobra 6 (zijnde een massaexplosief) (voorzien van een 1.1.gevarenklasse aanduiding), althans dat/die explosie(f)(ven) tot ontploffing heeft/hebben gebracht en/of laten brengen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welk misdrijf verdachte op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 mei 2020 tot en met 31 mei 2020,in de gemeente Zwolle, althans in Nederland, door het verschaffen van middelen en/of inlichtingen en/of giften en/of beloften opzettelijk heeft uitgelokt, door die (onbekend gebleven) (mede)verdachte en/of diens mededader(s), vuurwerk/massaexplosief (te weten Cobra 6) te verschaffen en/of de adresgegevens te verschaffen en/of een hoeveelheid geld te overhandigen en/of een hoeveelheid geld

in het vooruitzicht te stellen, als hij/zij die [slachtoffer] zou(den) doden, althans een aanslag op (de woning van) die [slachtoffer] zou(den) plegen;

2

hij in of omstreeks de periode van (de nacht van) 30 mei 2020 tot en met (op) 31 mei 2020, in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een of meer (zogenaamde) (Super) Cobra 6 (zijnde een massaexplosief) (voorzien van een 1.1. gevarenklasse aanduiding), althans een of meer stukken vuurwerk met knaleffect, in elk geval enig vuurwerk, althans één of meerdere explosieven op/aan/tegen het raam/de ramen en/of de kozijnen en/of de (voor)deur van een woning, gelegen aan [adres 2] , te bevestigen/te plakken, althans in de dichte nabijheid van/voor di e woning te plaatsen en/of (vervolgens) aan te steken/te ontsteken, waardoor/alwaar die (Super) Cobra 6, althans dat/die stukken vuurwerk met knaleffect, althans dat/die explosie(f)(ven) tot ontploffing is/zijn gekomen/gebracht,

- terwijl daarvan gemeen gevaar voor die ramen en/of kozijnen en/of deuren en/of de inboedel van die woning en/of/althans die woning en/of aangrenzende/omliggende woningen en/of aldaar geparkeerd staande auto’s en/of scooters en/of snorfietsen, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen, te duchten was en/of

- terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoner van die woning, te weten [slachtoffer] - welke zich in de onmiddellijke nabijheid van dat raam/die ramen (te weten het woonkamerraam), althans in de woning bevond - en/of voor de

bewoners van aangrenzende/omliggende woningen, te duchten was, althans levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek

van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een (onbekend gebleven) (mede)verdachte in of omstreeks de periode van (de nacht van) 30 mei 2020 tot en met (op) 31 mei 2020, in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht door een of meer (zogenaamde) (Super) Cobra 6 (zijnde een massaexplosief)

(voorzien van een 1.1. gevarenklasse aanduiding), althans een of meer stukken vuurwerk met knaleffect, in elk geval enig vuurwerk, althans één of meerdere explosieven op/aan/tegen het raam/de ramen en/of de kozijnen en/of de (voor)deur van een woning, gelegen aan [adres 2]

, te bevestigen/te plakken, althans in de dichte nabijheid van/voor die woning te plaatsen en/of (vervolgens) aan te steken/te ontsteken,waardoor/alwaar die (Super) Cobra 6, althans dat/die stukken vuurwerk met knaleffect, althans dat/die explosie(f)(ven) tot ontploffing

is/zijn gekomen/gebracht,

- terwijl daarvan gemeen gevaar voor die ramen en/of kozijnen en/of deuren en/of de inboedel van die woning en/of/althans die woning en/of aangrenzende/omliggende woningen en/of aldaar geparkeerd staande auto’s en/of scooters en/of snorfietsen, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen, te duchten was en/of

- terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoner van die woning, te weten [slachtoffer] - welke zich in de onmiddellijke nabijheid van dat raam/die ramen (te weten het woonkamerraam), althans in de woning bevond - en/of voor de

bewoners van aangrenzende/omliggende woningen, te duchten was, althans levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was, welk misdrijf verdachte op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 mei 2020 tot en met 31 mei 2020, in de gemeente Zwolle, althans in Nederland, door het verschaffen van middelen en/of inlichtingen en/of giften en/of beloften opzettelijk heeft uitgelokt, door die (onbekend gebleven) (mede)verdachte en/of diens mededader(s), vuurwerk/massaexplosief (te weten Cobra 6) te verschaffen en/of de adresgegevens te verschaffen en/of een hoeveelheid geld te overhandigen en/of een hoeveelheid geld

in het vooruitzicht te stellen, als hij/zij de woning van die [slachtoffer] zou(den) opblazen, althans een aanslag op (de woning van) die [slachtoffer] zou(den) plegen;

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks het tijdvak van 1 maart 2020 tot en met 20 oktober 2020, in de gemeente Zwolle, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

(een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA), in elk geval (een) middel(en) vermeld op lijst 1 bij de Opiumwet, zijnde (telkens) MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-

MDA (MDEA), (een) middel(len) als vermeld op lijst 1 behorende bij de Opiumwet;

( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

4.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks het tijdvak van 1 maart 2020 tot en met 20 oktober 2020, in de gemeente Zwolle, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, althans opzettelijk heeft vervaardigd (telkens) een hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hasj (hasjiesj), althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen van hennepplanten en/of hasj (hasjiesj), zijnde hennep en/of hasj (hasjiesj) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet )

5.

hij op of omstreeks 20 oktober 2020, in de gemeente Zwolle, althans (in ieder geval) in Nederland, een geldbedrag, te weten (ongeveer) 93.395 Euro, voorhanden heeft gehad terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;

420bis.1 Wetboek van Strafrecht

420quater lid 1 aanhef onder b Wetboek van Strafrecht

420quater.1 Wetboek van Strafrecht

( art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht )

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding 1.

Op 31 mei 2020 omstreeks 02:55 uur heeft er in een woning gelegen aan de [adres 2] in de wijk Aa-landen te Zwolle een ontploffing plaatsgevonden terwijl de bewoner van deze woning, [slachtoffer] , op dat moment op de bank in zijn woonkamer lag te slapen. Als gevolg van de ontploffing is de woning en de naastgelegen woning (nummer [perceel 1] ) zwaar beschadigd geraakt.

Door de forensische opsporing werd een aanzienlijke hoeveelheid karton aangetroffen dat naar het oordeel van de forensische opsporing tot de verpakking van het explosief behoort.2 Op grond hiervan concludeerde de politie dat het zeer waarschijnlijk om een vuurwerkbom ging3 maar bij later onderzoek door het NFI kon dit niet worden vastgesteld en is het explosief als zogenaamde ‘geïmproviseerde explosieve constructie’(IED) gekwalificeerd.4

Op basis van EncroChat berichten is verdachte in beeld gekomen als mogelijke organisator van de ontploffing (feiten 1 en 2). Daarnaast wordt hij op basis van de EncroChat berichten verdacht van de handel in verdovende middelen (feiten 3 en 4).

Bij de doorzoeking van zijn woning aan de [adres 1] op 20 oktober 2020 is in de meterkast een geldbedrag van € 93.395,00 aangetroffen en in zijn keuken is een geldtelmachine aangetroffen. Dit heeft geleid tot een witwasverdenking (feit 5).

Verdachte heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen en ter terechtzitting heeft hij ontkend dat hij iets met de ontploffing, de handel in verdovende middelen of witwassen te maken heeft.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde schriftelijke weergave van het requisitoir, op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair en subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De officier van justitie acht het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit en de onder 2 primair en 5 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, overeenkomstig de inhoud van de aan de rechtbank overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat verdachte van het ten laste gelegde integraal moet worden vrijgesproken omdat dit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De raadsman heeft hiertoe ten aanzien van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten - kort gezegd - aangevoerd dat verdachte niet degene is geweest die als gebruiker van het chat-id ‘ [gebruikersnaam 1] ’ de belastende EncroChat berichten heeft verstuurd. Iemand uit zijn directe omgeving moet hem er hebben ingeluisd. Verdachte is evenmin “ [bijnaam 1] ” voor wie iemand anders ( [bijnaam 2] ) de aanslag blijkens de EncroChat berichten heeft gepleegd.

Voor zover de rechtbank de verdediging niet volgt hierin heeft de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan met betrekking tot het beschikbaar komen en gebruik van de Encro-Chat berichten.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte een voldoende concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geldbedrag, namelijk dat hij een deel van het geld van zijn vader heeft geleend en het overige met gokken heeft gewonnen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal eerst aan de hand van het dossier een oordeel geven over wat er op grond van de wettige bewijsmiddelen kan worden vastgesteld omtrent de rol van verdachte.

Vervolgens zal op basis daarvan worden gekomen tot een oordeel over wat er wel of niet bewezen kan worden verklaard van hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd.

Is verdachte de gebruiker van het chat-id ‘ [gebruikersnaam 1] ’?

In de onderschepte EncroChat berichten worden gesprekken gevoerd tussen de gebruikersnamen [gebruikersnaam 1] , [gebruikersnaam 2] , [gebruikersnaam 3] , [gebruikersnaam 4] en [gebruikersnaam 5] . De rechtbank zal eerst vaststellen of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de gebruikersnaam [gebruikersnaam 1] aan verdachte toebehoort. De rechtbank stelt in dit kader het volgende vast.

Op 29 mei 2020 om 20:22 uur en 20:23 uur stuurt [gebruikersnaam 1] de volgende berichten aan [gebruikersnaam 2] : “Ik moet morgen melden”, “Hoeren kind heeft aangift”, “Gedaan”, “Morgen melden”, “13,30/”. 5

Uit onderzoek van de politie is gebleken dat verdachte de volgende dag, op 30 mei 2020 om 13:33 uur, door de politie in Zwolle is verhoord in verband met een door [aangever 1] ingediende aangifte van vernieling.6

Op 5 april 2020 om 11:49 uur stuurt [gebruikersnaam 1] het volgende bericht aan [gebruikersnaam 4] : “Mijn buurman sprak me net aan die hoerenkind is die maandag met polies samen gekomen 4 busjes naar me huis wijst mij huis aan als leet net foto zien hij zegt deze jonge”. 7

Hierna stuur [gebruikersnaam 1] op 5 april 2020 om 11:52 uur een foto aan [gebruikersnaam 4] van een persoon die de politie heeft vergeleken met een foto van aangever [aangever 1] . Volgens de politie komen de gezichtskenmerken op de foto’s overeen en is op beide foto’s zeer waarschijnlijk sprake van dezelfde persoon, te weten [aangever 1] .8

Uit onderzoek van de politie is gebleken dat [aangever 1] op 23 maart 2020 na het doen van de aangifte samen met de politie de woning van verdachte heeft aangewezen.9

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij [aangever 1] kent en dat [aangever 1] inderdaad aangifte tegen hem heeft gedaan.

Verder stuurt [gebruikersnaam 3] op 10 april 2020 om 20:54 het volgende berichten aan [gebruikersnaam 1] : “Waar kan hik die 30 stekken pakken 10 gaat hij betalen ik gezegd”, “adres zelfde”,[adres 3] ?10 en is gebleken dat verdachte toentertijd op de [adres 3] stond ingeschreven11 hetgeen hij bij de politie heeft bevestigd.12

Daarnaast schrijft [gebruikersnaam 1] op 12 mei 2020 om 14:39 uur het volgende bericht aan [gebruikersnaam 2] : “Ik ga [slachtoffer] huis opblasen”.13 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aangever [slachtoffer] kent en er heeft ook daadwerkelijk een ontploffing in diens huis plaatsgevonden.

Het oordeel van de rechtbank:

Gelet op de uit voormelde bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte de gebruiker van het chat-id ‘ [gebruikersnaam 1] ’ is geweest.

Uit de verklaringen van verdachte en uit het onderzoek van de politie is niets naar voren gekomen wat voornoemde conclusie kan ontzenuwen. De verklaring van verdachte dat hij er mogelijk door vrienden of bekenden is ingeluisd en dat hij als katvanger naar voren is geschoven, is niet aannemelijk geworden.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de gebruikersnaam [gebruikersnaam 1] in gebruik is bij verdachte.

Uit na te noemen EncroChat berichten14 leidt de rechtbank af dat verdachte een aanslag op de woning aan de [adres 2] heeft georganiseerd.

Op 11 mei 2020 stuurt [gebruikersnaam 1] de volgende berichten aan [gebruikersnaam 5] waarin hij vraagt: “jij kent een soldaat”, “toch”? Waarop [gebruikersnaam 5] antwoordt: “stuur die adres”.

[gebruikersnaam 1] schrijft: “ik geef hm combra 6”, “laat ze huis opblazen”, “ja, cobra 6”, “3 stuk heb ik”, “maakt bom bam” “en dan weg gaat brand auto”. [gebruikersnaam 1] vraagt: “kan dat”?, waarop [gebruikersnaam 5] antwoordt: “Auto zoiezo”.

[gebruikersnaam 1] schrijft: “Huis hij plakt op raam cobra 6”, “Ik kan ook handgenaait geven”.

Waarop [gebruikersnaam 5] [gebruikersnaam 1] voorhoudt: “Je gaat van auto brand”, “na aanslag”, waarop [gebruikersnaam 1] reageert: “Aanslag plus auto” en [gebruikersnaam 5] schrijft: “kijk ma wat je wilt”, “Dan zeg ik die jonge”.

[gebruikersnaam 1] schrijft: “Eerst aanslag als weg loopt pakt auto er bij”, “kan dat”?, “snap je wat ik bedoel”?

Hierop schrijft [gebruikersnaam 5] : “Ja’, “Geef die cobra maar”, En die adres”.

[gebruikersnaam 1] schrijft: “word goed gedaan bro toch geen half werk meer plekjes voor hm”, “Als goed doet”.

[gebruikersnaam 5] schrijft: “nee joh cobra blaast wel wat op” waarop [gebruikersnaam 1] schrijft: “Ja weet als 3 aan vast plakt op raam doet of voor deur is bam bam”, “Ik wil dat heel kk huis hoertje word opgeblaast”, “Hij slaap in de woon kamer”, “dat lekker wakker word”.

De volgende dag, op 12 mei 2020 om 14:17 uur, vraagt [gebruikersnaam 5] aan [gebruikersnaam 1] : “stuur die adres en kenteken”, “geef ik het door15 en om 14:39 uur stuurt [gebruikersnaam 1] de volgende berichten aan [gebruikersnaam 2] : “Ik ga [slachtoffer] huis opblasen”, “ik heb als bijna geregelt”, “ik ga zo betallen vanond feest”, “ik ga vieren”. 16

Weer een dag later, op 13 mei 2020, reageert [gebruikersnaam 1] op het verzoek van [gebruikersnaam 5] om het adres te sturen. [gebruikersnaam 1] stuurt het adres van aangever [slachtoffer] : “[adres 2]” en vraagt: “moet ik jouw cobra” “geven zo ik kom er aan waat ben je”? Verder schrijft hij: “Vanavond gaat die auto branden”, “Oke en huis ook toch?”.17

[gebruikersnaam 5] vraagt vervolgens: “Zullen we het verplaatsen, Ik hoor hier en daar al gepraat op sttaay”, “Wil niet in onderzoek lopen”, “ik verplaats over 3weken 4weken”,

Waarop [gebruikersnaam 1] reageert: “(…) als maar goed gebuurt”, “Dat heel kk huis kapot gaat”.18

[gebruikersnaam 1] schrijft: “Huis moet ook”, waarop [gebruikersnaam 5] [gebruikersnaam 1] voorhoudt: “G Huis is gevaarlijk”, “poging moord”, “brand stichting alles”.

[gebruikersnaam 1] reageert echter: maakt niet uit”, “Hond is nog beter dan hm”, Hij veel zwarde verdient”,Hij moet wezen dat ik genoeg geld Hebt”.19

Op 18 mei 2020 vraagt [gebruikersnaam 1] aan [gebruikersnaam 5] : “wanneer kan je doen”?, waarop [gebruikersnaam 5] antwoord: “G ff geduld” “Paar weken dan laat ik doen”, “die ouwe turk eerst”, “over paar weken”, waarop [gebruikersnaam 1] schrijft: “ja”. 20

Op 31 mei 2020 omstreeks 02:55 uur heeft er vervolgens in de woning van [slachtoffer] gelegen aan de [adres 2] in de wijk Aa-landen te Zwolle een ontploffing plaatsgevonden. 21

[slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat verdachte hem een uur na de aanslag heeft gebeld en vroeg of hij gewond was en of hij hulp of een tolk nodig had.22

Op de dag van de ontploffing, op 31 mei 2020 om 17:06 uur, stuurt [gebruikersnaam 5] het volgende bericht aan checking waarin hij vraagt: “Heeft [bijnaam 1] die [bijnaam 3] laten ontploffdn in aalanden”?

Waarop checking antwoordt: “ [bijnaam 2] heeft voor hem latten doen”, “Hij krijgt nog 46 rotje vannhem”, “Die man zij tegen [bijnaam 1] als balle hhebt kont dieng diengeld ophallen”. 23

De volgende vraag die ter beantwoording voorligt, is hoe het handelen van verdachte valt te kwalificeren in het licht van de tenlastelegging. In dit kader stelt de rechtbank de volgende feiten vast.

Er is forensisch onderzoek aan de woning gelegen aan de [adres 2] verricht en hieruit blijkt onder meer het volgende.

De percelen [adres 2] en [perceel 1] betroffen geschakelde rijtjeswoningen. Er is een grote ravage aangetroffen en verspreid over de bestrating van de percelen [adres 2] en [perceel 1] lagen diverse materialen. Op de grond nabij de schuurdeur van perceel [adres 2] is in de bestrating een explosiecentrum aangetroffen van ongeveer 30 tot 40 centimeter breed, 15 centimeter lang en ongeveer 6 tot 7 centimeter diep.

De schuurdeur hing nog maar gedeeltelijk in de sponning. Op de bestrating lag een deel van de schuurdeur. De schade aan de schuurdeur was het zwaarst in de rechter onder hoek.

De ruit links naast de schuurdeur is gebarsten. De voordeur van perceel [adres 2] hing niet meer geheel in het kozijn. De schroeven van het scharnier aan de bovenzijde van de deur waren afgebroken. De verflaag rondom de meterkast was gebroken. De afdichtkappen van de zekeringskast in de meterkast lagen los. De ramen van de keuken waren gebroken. Op de vloer in de keuken lag glas en raambekleding. Het deurbeslag in de toegangsdeur van de keuken naar de deur was verbogen. De bijbehorende sluitkom in het deurkozijn was eveneens verbogen.

De scharnieren van de voordeur van perceel [perceel 1] waren verbogen. Bij beide scharnieren waren de schroeven afgebroken. Het houtwerk rondom het deurbeslag was verbogen. Op de vloer in de hal lagen glasscherven. Boven het deurkozijn en de meterkast waas een plank aanwezig. Op deze plank zagen de politie diverse glazen voorwerpen (zoals vazen). Hoogstwaarschijnlijk zijn de glasscherven op de grond afkomstig van voorwerpen die afkomstig waren van de plank. Ook de ruit van de schuurdeur van perceel [perceel 1] is gebarsten. Door de forensische opsporing werd een aanzienlijke hoeveelheid karton aangetroffen dat naar het oordeel van de forensische opsporing tot de verpakking van de explosieve verpakking behoort.24

Uit later uitgevoerd explosievenonderzoek van het NFI van 10 maart 2021 blijkt het volgende.

De explosieve constructie is gezien de schade aan de straat en de schuur rechtsonder tegen de schuurdeur aan ontploft. Hierbij is een krater in de straat geslagen en zijn hoeken uit de schuurdeur en naastgelegen schuurwand geheel verdwenen. De schuurdeur en schuurwand zelf, zijn gefragmenteerd en deze fragmenten zijn deels weggeslingerd. Door de drukgolf van de ontploffing is schade ontstaan aan o.a. de voordeur van de achtergelegen woning en zijn meerdere ruiten van de woning en de schuur gesneuveld.

Het ontstaan van een grote krater in de straat, het missen van delen van de schuurdeur en de schuurwand nabij de krater en de kleine inslagen aan de onderzijde van de deurklink van de schuurdeur passen bij de detonatie van een springstof. De aanzienlijke schade aan deuren en ruiten in de omgeving past bij een grote gasdruk, zoals vooral te verwachten is bij een explosieve lading op basis van ammoniumnitraat. Er zijn op basis van het schade beeld geen aanwijzingen verkregen dat er meer dan één explosie heeft plaatsgevonden.

De explosie is veroorzaakt door een explosief mengsel dat waarschijnlijk meerdere soorten springstof bevat heeft.

Op basis van de afmetingen van de krater kan worden afgeleid dat in de orde van grootte van 100 gram explosief materiaal is ontploft. Er kan niet meer achterhaald worden welke exacte samenstelling de explosieve lading gehad heeft.

Er zijn onvoldoende restanten beschikbaar om de opbouw van de oorspronkelijke explosieve constructie te kunnen herleiden.

Wel blijkt uit de onderzoeksmaterialen dat de container vrijwel zeker (deels of geheel) heeft bestaan uit een verpakking van papier/karton met een gekleurd etiket en dit papier /karton omwikkeld geweest is met grijs verstevigd tape (type duct). Mogelijk hebben ook een gripzak met rood/blauwe sluitrand, dik rood papier en/of een zwarte vuilniszak tot de container behoord.

De exacte opbouw van de explosieve constructie is dus niet meer met zekerheid te herleiden. Het is echter op grond van de onderzoeksmaterialen duidelijk dat minimaal een gedeelte van de constructie uit huis-tuin-keuken’ onderdelen bestond. De ontplofte constructie is daarmee te kwalificeren is als een zogenaamde ‘geïmproviseerde explosieve constructie’(IED).25

Ten aanzien van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde:

De rechtbank zal verdachte van de onder 1 ten laste gelegde poging tot moord dan wel uitlokking daarvan vrijspreken, omdat de daarvoor vereiste aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer [slachtoffer] naar het oordeel van de rechtbank niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt. De rechtbank overweegt daartoe dat hiervoor in het proces-verbaal van forensisch onderzoek en het explosievenonderzoek van het NFI geen aanknopingspunten zijn te vinden.

Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde:

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer] – aanwezig is indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte opdracht heeft gegeven om de woning van [slachtoffer] op te laten blazen en dat de aanslag vervolgens ook daadwerkelijk is uitgevoerd. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet door wie.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat een explosief vlakbij de schuurdeur is geplaatst en dat deze schuur is verbonden met de keuken. Uit het proces-verbaal van forensisch onderzoek blijkt dat er in de keuken veel glasscherven op de vloer en het meubilair lagen en dat ook in de hal schade was ten gevolge van rondvliegende voorwerpen.26 [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op de bank in de woonkamer lag te slapen.27

Onder die omstandigheden bestond er naar het oordeel van de rechtbank een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans dat de bewoner, aangever [slachtoffer] , door glasscherven of rondvliegende voorwerpen zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Verdachte heeft de aanmerkelijke kans op dit zwaar lichamelijk letsel ook bewust aanvaard.

Uit de EncroChat berichten blijkt dat hij wist dat aangever in de woonkamer sliep. Toen [gebruikersnaam 5] hem waarschuwde dat een aanslag op het huis gevaarlijk is en dat dit poging tot moord en brandstichting is heeft verdachte gereageerd dat dit hem niet uitmaakte.

Voorbedachte rade:

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er sprake is geweest van voorbedachten rade bij verdachte.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte al drie weken voor de aanslag bezig was met het plannen van de aanslag. Hij heeft dus ruimschoots kunnen nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap gegeven. Niet is gebleken van contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte rade in de weg staan. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat sprake is geweest van voorbedachte rade van de zijde van verdachte.

Medeplegen:

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte zelf uitvoeringshandelingen heeft gepleegd of dat hij bij de uitvoering van het delict aanwezig is geweest. De bijdrage van verdachte ligt in zijn initiërende en regisserende rol, zijn intellectuele bijdrage, die naar het oordeel van de rechtbank als wezenlijk dient te worden aangemerkt.

Verdachte heeft het plan bedacht en opdracht gegeven om de woning van aangever op te blazen en was blijkens de EncroChat berichten bereid om middelen (Cobra 6 of handgranaat) beschikbaar te stellen waarmee die opdracht kon worden verricht. Hij heeft voorafgaand aan het delict dus een organiserende en voorbereidende rol gehad. Verder heeft hij aangever kort na de ontploffing gebeld kennelijk om zich van het resultaat van de aanslag te vergewissen. Ook dit draagt bij aan zijn betrokkenheid bij het delict.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de onbekend gebleven medepleger(s) is komen vast te staan. De bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde is van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen ook bewezen.

De onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad is daarom wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde:

De rechtbank acht op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is als bedoeld in artikel 157 Sr.

Dat sprake is geweest van gemeen gevaar voor (de in de tenlastelegging genoemde) goederen wordt naast de hiervoor reeds genoemde bewijsmiddelen op de volgende bewijsmiddelen gebaseerd.

Uit het proces-verbaal forensisch onderzoek blijkt dat de percelen [adres 2] en [perceel 1] geschakelde rijtjeswoningen betroffen.28 Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat zijn woning veel schade heeft opgelopen. Onder meer de kozijnen en de voordeur zijn door glasscherven vernield.29

[naam 1] , heeft namens aangever [aangever 2] verklaard dat de percelen [adres 2] en [perceel 1] zware schade hebben opgelopen en dat de percelen [perceel 2] en [perceel 3] lichte schade hebben opgelopen.30

Aangever [aangever 3] , woonachtig aan de [adres 4] , heeft verklaard dat zijn snorfiets door de explosie is vernield.31

Aangever [aangever 4] , woonachtig aan de [adres 5] , heeft verklaard dat zijn auto door de explosie is vernield. 32

Aangever [aangever 5] , woonachtig de [perceel 3] , heeft verklaard dat door de klap meerdere woningen en goederen in de omgeving zijn beschadigd waaronder zijn eigen woning. Daarnaast zijn de auto’s van zijn zoon [naam 2] , zijn dochter [naam 3] en zijn vrouw

[naam 4] beschadigd. Verder heeft aangever [aangever 5] verklaard dat er een fiets van zijn zoon is beschadigd en dat ook een elektrische fiets beschadigd is.33

Ook in het proces-verbaal forensisch onderzoek is geconcludeerd dat sprake was voor gemeen gevaar voor goederen. 34

Dat sprake is geweest van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en niet van levensgevaar blijkt uit de hiervoor onder feit 1 weergegeven bewijsmiddelen en de overwegingen hieromtrent.

Gelet op het voorgaande is het onder 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde:

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 3 en 4 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Er is voor deze feiten in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit:

Op 20 oktober 2020 heeft in de woning aan de [adres 1] een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden, waarbij in de meterkast in een plastic tas van de jumbo, een kartonnen doosje van bol.com en in een schoen een geldbedrag van € 93.395,00 is aangetroffen. Ook werd in een keukenkastje een geldtelmachine aangetroffen. Het geld en de geldtelmachine zijn in beslag genomen.35

Tijdens zijn verhoor bij de politie op 23 november 202036 en ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het in de meterkast aangetroffen geldbedrag van hem is.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte het genoemde geldbedrag voorhanden heeft gehad.

Voor een veroordeling ter zake witwassen dient te worden bewezen dat voornoemd geldbedrag uit misdrijf afkomstig is. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.

Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.

De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting af dat het grote geldbedrag van €93.395,00 contant is aangetroffen verborgen in de meterkast. In dit kader overweegt de rechtbank dat het een feit van algemene bekendheid is dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Voorts verhoudt voornoemd

geldbedrag zich niet tot het bij de Belastingdienst bekende inkomen en vermogen van verdachte. Gebleken is dat hij enkel een uitkering ontvangt.


Voornoemde omstandigheden rechtvaardigen het vermoeden van witwassen van opbrengsten van misdrijven. Gelet op dit vermoeden mag van de verdachte worden verwacht dat hij een voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van het geldbedrag.

Verdachte heeft in dit verband bij de politie37 en ter terechtzitting verklaard dat het aangetroffen geld ‘mixed geld’ betrof; een deel van het geldbedrag heeft hij in de loop der jaren van de RABO rekening van zijn vader gepind en dit geld heeft hij gebruikt om te gokken, onder andere in het casino en in speelhallen. Het overige geld heeft hij dus met gokken verdiend omdat hij de laatste tijd veel won. De geldtelmachine had hij aanwezig om het geld te tellen, zo stelt verdachte.

Het oordeel van de rechtbank:

De rechtbank is van oordeel dat verdachte van het witwassen van het geldbedrag van

€ 44.480,00 moet worden vrijgesproken. Dit omdat verdachte ten aanzien van dit geldbedrag een voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven over de herkomst van dit geld heeft gegeven namelijk dat hij dit van de rekening van zijn vader heeft gepind.

Onderzoek van de politie bevestigt dat er met pinpas nummer 7 over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 een geldbedrag van € 39.480,00 van de RABO rekening van de vader van verdachte, [verdachte] is opgenomen.3839

Daarnaast is uit onderzoek van de politie gebleken dat er met pinpas 27 op 8 november 2019 in drie keer een geldbedrag van € 5.000,00 van de RABO rekening van de vader van verdachte is opgenomen.40

De vader van verdachte, [verdachte] , heeft op 22 maart 2021 bij de politie bevestigd dat verdachte deze geldbedragen inderdaad met zijn pinpas heeft opgenomen 41

Ten aanzien van het resterende geldbedrag van € 48.915,00 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit geldbedrag voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat dit geldbedrag onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

Verdachte heeft verklaard dat hij dit geld met gokken heeft gewonnen en dat hij hiervan geen bewijs heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte hiermee geen verifieerbare verklaring over de herkomst van het geldbedrag afgelegd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat het uitzonderlijk is dat dat een persoon structureel nettowinsten behaalt met kansspelen. In de dossierstukken zijn naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzingen opgenomen op grond waarvan verdachte in dit opzicht een uitzondering betreft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is dat verdachte herhaaldelijk substantiële, contante speelwinsten zou hebben behaald in het casino dan wel in de speelhallen.

Gelet op het voorgaande is verdachte er niet in geslaagd een voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over een legale herkomst van een deel van het bij hem aangetroffen geldbedrag.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat dit deel van het bij verdachte aangetroffen geldbedrag - middellijk of onmiddellijk - uit misdrijf afkomstig is. Gelet op de voornoemde omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte wist dat het geldbedrag uit misdrijf afkomstig is.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van geldbedrag van € 48.915,00.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 meer subsidiair, 2 primair en 5 de tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1. meer subsidiair:

hij in de nacht van 30 mei 2020 op 31 mei 2020, in de gemeente Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, aan een persoon, genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet:

- zich met explosieven naar een woning, gelegen aan [adres 2] , heeft/hebben begeven,

- vervolgens dat/die explosie(f(ven) aan de schuurdeur heeft bevestigd, althans in de zeer dichte nabijheid van die woning heeft/hebben geplaatst (wetende dat die [slachtoffer] zich op dat moment in zijn woning (op een bank in de woonkamer) zou bevinden) en

- vervolgens dat/die explosie(f(ven)) tot ontploffing heeft/hebben gebracht en/of laten brengen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. primair:

hij in de nacht van 30 mei 2020 op 31 mei 2020, in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door explosieven in de dichte nabijheid van die woning te plaatsen en (vervolgens) te ontsteken, waardoor dat/die explosie(f(ven)) tot ontploffing is gekomen/gebracht,

- terwijl daarvan gemeen gevaar voor die ramen en kozijnen en deuren en de inboedel van die woning en aangrenzende/omliggende woningen en aldaar geparkeerd staande auto’s en scooters en snorfietsen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was en

- terwijl daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoner van die woning, te weten [slachtoffer] - welke zich in de woning bevond.

5.

hij op 20 oktober 2020, in de gemeente Zwolle een geldbedrag, te weten € 48.915,00 voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat dat geldbedrag middellijk of onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.6.

voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan, inhoudende het aan het dossier toevoegen van diverse stukken zoals de JIT overeenkomst, vorderingen en machtigingen van de Nederlandse en Franse autoriteiten met als doel het kunnen beoordelen van de rechtmatigheid van het door Nederlandse opsporingsdiensten gebruiken van de uitkomsten van het onderzoek van de Franse autoriteiten naar de criminele activiteiten van het bedrijf EncroChat. De rechtbank zal deze verzoeken afwijzen, omdat zij de toevoeging van deze stukken niet als noodzakelijk beoordeelt. Dragend voor dat oordeel is dat gelet op het interstatelijke vertrouwensbeginsel de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan de rechtmatigheid en de inzet van de gehanteerde opsporingsmiddelen in het Franse opsporingsonderzoek. De rechtbank ziet dit ook in het licht van de toetsing door de Nederlandse rechter-commissaris, die geen onrechtmatigheden heeft vastgesteld. Er zijn dan ook geen aanwijzingen dat artikel 8 EVRM zou zijn geschonden noch dat er onrechtmatigheden aan de orde zouden zijn die tot enige bewijsuitsluiting zouden moeten leiden. Evenmin zijn er aanknopingspunten die leiden tot enig vermoeden dat er een vormverzuim is geweest in het voorbereidend onderzoek in de zaak van verdachte. Het toevoegen van de bedoelde stukken kunnen dan ook niet bijdragen aan de beslissingen als bedoeld in artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafrecht

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 302, 303, 157 en 420 bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 meer subsidiair:

het misdrijf: medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad;

feit 2 primair.

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

feit 5

het misdrijf: witwassen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren met aftrek van het voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van de strafmaat geen standpunt ingenomen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte is als medepleger betrokken geweest bij een aanslag op een woning met geïmproviseerde bom (IED). Het explosief is vlak bij de schuurdeur van de woning tot ontploffing gekomen en heeft grote schade aan de woning en de naastgelegen woning veroorzaakt. Er was sprake van een grote ravage. Ook de omliggende woningen en de in de straat geparkeerd staande auto’s, scooters en snorfietsen hebben door de ontploffing schade opgelopen.

De bewoner van de woning waar de ontploffing plaats heeft gevonden lag op het moment van de ontploffing te slapen op de bank in de woonkamer en de kans dat hij bij de aanslag zwaar gewond zou raken is gelet hierop aanmerkelijk maar dit heeft verdachte er niet van weerhouden om de aanslag te organiseren.

Dat niemand door de aanslag ernstig gewond is geraakt, is gelet op de enorme ravage, slechts een gelukkige omstandigheid geweest die zeker niet aan verdachte te danken is aangezien hij wist dat de bewoner in de woonkamer sliep.

Verdachte heeft met zijn handelen enorme angst en gevoelens van onveiligheid bij de bewoner, [slachtoffer] , veroorzaakt, zoals ook blijkt uit het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht. De aanslag heeft veel impact op [slachtoffer] gehad, temeer daar hij een achtergrond als politiek vluchteling heeft en hij verdachte goed kent en zich als een vader voor hem voelde. Hij vindt het daarom onbegrijpelijk wat er is gebeurd.

Ook is het een feit van algemene bekendheid dat door gedragingen als de onderhavige gevoelens van maatschappelijke onrust en onveiligheid ontstaan, in het bijzonder bij omwonenden van de woning hetgeen ook blijkt ook uit het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht door [aangever 5] en [naam 2] , die beide uit een oorlogsland zijn gevlucht. Ook bij hun en hun gezin heeft het voorval voor hevige gevoelens van angst, onrust en onveiligheid gezorgd. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Door zijn handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad en een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Bij deze feiten is sprake van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 Sr. Gelet op het bepaalde in dit artikel zal de rechtbank bij de bepaling van de strafmaat uitgaan van de strafbepaling waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld, in dit geval het laatst genoemde delict.

Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag. Door zijn handelen heeft verdachte de integriteit van het financiële en economische verkeer geschaad. Ook dit rekent de rechtbank hem aan.

Naar het oordeel van de rechtbank komt verdachte zonder meer een gevangenisstraf van substantiële duur toe. Een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is noodzakelijk omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn niet aanwezig.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de inhoud van het uittreksel justitiële documentatie van 21 januari 2021 waaruit blijkt dat verdachte in 2007 een transactie heeft aanvaard ter zake van het verlaten van een plaats na aanrijding maar verder geen criminele antecedenten heeft.

Doordat verdachte welbewust niet heeft willen meewerken aan het persoonlijkheids-onderzoek heeft de rechtbank geen inzicht kunnen krijgen in zijn psychische gesteldheid en drijfveren die hem tot zijn daad hebben gebracht. Daardoor bestaat ook niet de mogelijkheid om te onderzoeken of en in hoeverre er in de toekomst herhalingsgevaar bestaat en of dit gevaar misschien door middel van een eventuele behandeling zou kunnen worden afgewend, in plaats van door het opleggen van een gevangenisstraf. Derhalve blijft geen andere mogelijkheid over dan om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zo lang als redelijkerwijs passend en geboden is uit een oogpunt van vergelding, preventie en beveiliging van de samenleving.

Dat verdachte van een deel van het witwasbedrag wordt vrijgesproken en ten aanzien van feit 2 naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van levensgevaar, brengt met zich dat de rechtbank tot een lagere straf komt dan door de officier van justitie is gevorderd

Al met al ziet de rechtbank aanleiding om verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden op te leggen.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

Ten aanzien van het op de beslaglijst vermelde geldbedrag van € 93.395,00 overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier blijkt dat zowel klassiek beslag ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv)42 als conservatoir beslag ex artikel 94a Sv43 is gelegd op dit geldbedrag.

De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 353 lid 1 Sv slechts verplicht is te beslissen over beslag dat is gebaseerd op artikel 94 Sv. Op het beslag ex art. 94a Sv wordt niet beslist. Hier is geen rol voor de zittingsrechter weggelegd, want het gaat er bij een conservatoir beslag om de rechten van de officier van justitie rond het innen van een geldboete, de ontnemingsvordering en/of de schadevergoedingsmaatregel zeker te stellen.

Ten aanzien van het beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv is de rechtbank van oordeel dat een deel van het geldbedrag, ten bedrage van € 48.915,00 moet worden verbeurdverklaard, omdat het een voorwerp betreft met betrekking tot welke het onder 5 bewezenverklaarde feit (witwassen) is begaan.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van het overige op grond van artikel 94 Sv in beslag genomen geldbedrag ten bedrage van € 44.480,00, aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet. Voorgaande laat onverlet dat het conservatoire beslag op dit bedrag blijft rusten.

De rechtbank is verder van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde geldtelmachine (Safescan 2250) vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, aangezien met behulp van dit voorwerp feit 5 is begaan en zij van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

8 De schade van benadeelden

8.1.

De vorderingen van de benadeelde partijen

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 6.220,00 (zesduizend tweehonderdtwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- verpleging/verzorging (verblijf bij dochter) € 500,00;

- ziektekosten fysiotherapie € 720,00

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 5000,00 gevorderd.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

, vertegenwoordigd door [naam 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 18.470,73 (achttienduizend vierhonderdzeventig euro en drieënzeventig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- kosten [bedrijf 1] € 17.333,91;

- kosten [bedrijf 2] € 881,36;

- kosten eigen dienst (uren na explosie) € 217,00;

- kosten eigen dienst (voordeur afsluitbaar maken) € 38,46

De vordering van de benadeelde partij [aangever 4]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.402,31 (drieduizend vierhonderdentwee euro en dertien eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de kosten voor schadeherstel van de auto (deuken en krassen over de hele auto, barst over gehele voorruit van auto). In de vordering staat vermeld dat de dagwaarde van de auto tussen € 2.700,00 en € 3000,00 is.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 5]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 1.750,00 (duizend zevenhonderdenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd wegens door hem en zijn gezin geleden immateriële schade.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 2.349,00 (tweeduizend driehonderd en negenenveertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- kosten aanschaf tweedehands bromfiets € 830,00 tot € 1500,00;

- Samsung Galaxy S9 € 549,00 ;

- fiets € 300,00.

De benadeelde partij heeft van de gemeente Zwolle een bedrag van € 750,00 vergoed gekregen.

8.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer] , [aangever 2] , [aangever 4] en [aangever 5] geheel dienen te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij [aangever 3] moet volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering omdat deze vordering onvoldoende onderbouwd en niet helder is.

8.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen omdat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

8. 4 Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de onder 1 meer subsidiair en 2 primair bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde materiële schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade van € 1.220,00 daarom integraal toewijzen.

Voorts is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. Die schade is ook onderbouwd en niet betwist. Op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast.

De rechtbank ziet in dit geval, gelet op alle omstandigheden van het geval, aanleiding om de immateriële schade naar billijkheid vast te stellen op het gevorderde bedrag van € 5.000,00.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het gevorderde geheel toewijzen tot een bedrag van € 6.220,00 te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de onder 1 meer subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom integraal toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 4]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de onder 1 meer subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd. Aangezien de dagwaarde van de auto blijkens de vordering tussen

€ 2.700,00 en € 3000,00 is zal de rechtbank de omvang van de door de benadeelde partij geleden materiële schade schatten op een bedrag van € 2.850,00.

De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 2.850,00 te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd. De rechtbank zal de benadeelde partij in diens vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelede partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 5]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de onder 1 meer subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [aangever 5] en zijn gezin.

Op voet van artikel 6:106 lid 1 sub b BW heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast.

De rechtbank ziet in dit geval, gelet op alle omstandigheden van het geval, aanleiding om de immateriële schade naar billijkheid vast te stellen op een bedrag van € 1.000,00.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het gevorderde deels toewijzen tot een bedrag van € 1.000,- te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

De opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade niet is onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadeposten alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden.

De benadeelde partij zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard en kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 45 en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het 1 meer subsidiair, 2 primair en 5 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 meer subsidiair: medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad;

feit 2 primair: medeplegen van opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

feit 5: witwassen.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 meer subsidiair, 2 primair en 5 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en zes maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Schadevergoeding

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1 meer subsidiair en 2 primair): van een bedrag van € 6.220,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 31 mei 2020 tot aan de dag van volledige betaling);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de onder 1 meer subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 6.220,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 31 mei 2020 tot aan de dag van volledige betaling ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 66 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

De vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] , (feiten 1 meer subsidiair en 2 primair) van een bedrag van € 18.470,73 (te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 31 mei 2020 tot aan de dag van volledige betaling);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de onder 1 meer subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 18.470,73, te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 31 mei 2020 tot aan de dag van volledige betaling ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 127 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

De vordering van de benadeelde partij [aangever 4]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 4] (feiten 1 meer subsidiair en 2 primair) van een bedrag van € 2.850,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 31 mei 2020 tot aan de dag van volledige betaling);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de onder 1 meer subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.850,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 31 mei 2020 tot aan de dag van volledige betaling ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 36 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [aangever 4] , voor het overige deel van € 552,31 niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

De vordering van de benadeelde partij [aangever 5]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 5] (feiten 1 meer subsidiair en 2 primair): van een bedrag van € 1.000,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 31 mei 2020 tot aan de dag van volledige betaling);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de onder 1 meer subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 31 mei 2020 tot aan de dag van volledige betaling ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 20 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [aangever 5] , voor het overige deel van € 750,00 niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

De vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

- bepaalt dat de benadeelde partij: [aangever 3] , (feiten 1 meer subsidiair en 2 primair): in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

De inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart verbeurd een deel van het op de beslaglijst vermelde geldbedrag, te weten een geldbedrag van € 48.915,00;

- gelast de teruggave van het overige geldbedrag van € 44.480,00 aan verdachte;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst vermelde geldtelmachine (omschrijving G2386518 geldtelmachine, Safescan 2250).

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Faber, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2021.

Mr. D.E. Schaap is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de districtsrecherche IJsselland, met nummer ON1R020056. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Pagina 137.

3 Pagina 6.

4 Het rapport ‘Explosievenonderozek naar aanleiding van een explosie in Zwolle op 31 mei 2020’ van 10 maart 2020 van het NFI opgesteld door [NFI deskundige] , NFI deskundige.

5 Pagina 273

6 Pagina 274

7 Pagina 274

8 Pagina 275

9 Pagina 275

10 Pagina 374. 383

11 Pagina 14, 41

12 Pagina 56

13 Pagina 285

14 Pagina 366 en 367

15 Pagina 367

16 Pagina 285

17 Pagina 367, 368

18 Pagina 369

19 Pagina 369

20 Pagina 370

21 Pagina 5, 127

22 Pagina 106. Ter zitting heeft [slachtoffer] gebruik gemaakt van zijn spreekrecht en verklaard dat verdachte hem om 04:02 heeft gebeld en vroeg of hij gewond was.

23 Pagina 118

24 Pagina 134 tot en met 207

25 Het rapport ‘Explosievenonderzoek naar aanleiding van een explosie in Zwolle op 31 mei 2020’ van 10 maart 2020 van het NFI opgesteld door [NFI deskundige] , NFI deskundige.

26 Pagina 137

27 Pagina 96

28 Pagina 135

29 Pagina 96

30 Pagina 119

31 Pagina 121

32 Pagina 127

33 Pagina 129 tot en met 133

34 Pagina 137

35 Pagina 349 tot en met 362, en pagina 372

36 Pagina 79

37 Pagina 79

38 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s van de bijlagen van het door [verbalisant] , Brigadier, werkzaam als financieel rechercheur bij de Eenheid Oost-Nederland op ambtseed opgemaakte proces-verbaal financieel onderzoek, met nummer ON1R020056. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

39 Pagina 4 van het proces-verbaal financieel onderzoek en het Excel bestand op pagina 29 tot en met 31 van de bijlage.

40 Pagina 4 van het proces-verbaal financieel onderzoek.

41 Pagina 20 tot en met 22

42 Pagina’s 000 en 001 van het proces-verbaal financieel onderzoek.

43 Pagina 006 van het proces-verbaal financieel onderzoek.