Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:2147

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-05-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
C/08/258509 / HA RK 20-146
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Algemene verordening gegevensbescherming. Afwijzing verzoek verwijdering negatieve BKR-registratie. Belang stelsel prevaleert boven individueel belang (kopen woning), houding van betrokkene bij aflossing schuld in aanmerking genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rekestnummer: C/08/258509 / HA RK 20-146

Beschikking van 28 mei 2021

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,

advocaat mr. M. de Boorder te 's-Gravenhage,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster, hierna te noemen ABNAMRO,

advocaat mr. C.M. Jakimowicz te Rotterdam.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met 21 producties

  • -

    het verweerschrift met 48 producties

  • -

    een bij e-mailbericht van 4 februari 2021 door [verzoeker] gestuurde productie

  • -

    twee bij e-mailbericht van 10 mart 2021 door [verzoeker] gestuurde producties

  • -

    de mondelinge behandeling en de daarvoor door ABNAMRO voorafgaand ingediende pleitaantekeningen en het door [verzoeker] voorafgaand ingediende persoonlijk relaas dat als ingediend bij wijze van pleitnotitie wordt beschouwd.

2 De feiten

2.1.

Als gevolg van aanmelding door ABNAMRO is bij het BKR in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) de volgende registratie aanwezig ten aanzien van [verzoeker] met betrekking tot een kredietovereenkomst ABNAMRO Persoonlijke lening onder [contractnummer] , ten bedrage van € 17.500,00, overeengekomen tussen partijen op 5 juni 2010:

Datum codering

13-12-2010

Codering

A

Toelichting

Achterstand

Datum codering

25-01-2011

Codering

2

Toelichting

(Restant)vordering geheel opeisbaar

Datum codering

20-04-2020

Codering

3

Toelichting

Bedrag van 250 Euro of meer is afgeboekt

Bij de registratie is vermeld dat als er geen wijzigingen plaatvinden dit contract wordt verwijderd in april 2025.

2.2.

[verzoeker] heeft bij brief van 29 juli 2020 van Dynamiet Nederland B.V. te Zoetermeer (hierna Dynamiet) aan ABNAMRO verzocht om een standpunt te bepalen ten aanzien van de door hem bepleite verwijdering van de negatieve BKR-registratie en bij handhaving daarvan dat uitgebreid te motiveren.

2.3.

Bij e-mailbericht van 13 augustus 2020 heeft ABNAMRO [verzoeker] via Dynamiet met redenen omkleed medegedeeld de negatieve BKR-registratie te handhaven.

2.4.

Bij e-mailbericht van 22 oktober 2020 heeft [verzoeker] ABNAMRO verzocht de negatieve BKR-registratie op zijn naam te verwijderen.

2.5.

Bij e-mailbericht van 27 oktober 2020 heeft ABNAMRO aan [verzoeker] gemotiveerd medegedeeld de negatieve BKR-registratie te handhaven.

3 De beoordeling

3.1.

Het verzoek strekt tot het door de rechtbank bevelen van ABNAMRO om het afgewezen verzoek van [verzoeker] tot verwijdering van de BKR-registratie alsnog toe te wijzen, op de voet van artikel 35 lid 1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming.

3.2.

Het preliminair verweer van ABNAMRO houdt in dat [verzoeker] niet ontvankelijk is in zijn verzoek wegens het niet in acht nemen van de wettelijke termijn voor het doen van zodanig verzoek van zes weken na het antwoord op het verzoek tot verwijdering van [verzoeker] aan ABNAMRO. Het antwoord van ABNAMRO is gegeven op 13 augustus 2020 en niet zoals [verzoeker] stelt op 27 oktober 2020, maar ook uitgaande van laatstgenoemde datum heeft [verzoeker] het verzoek volgens ABNAMRO te laat ingediend.

De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] , vooruitlopend op de toezending per post, zijn verzoek, gedagtekend op 7 december 2020, op diezelfde dag per fax aan de rechtbank heeft gezonden en dat dit op die dag om 10:42 uur bij de rechtbank is ontvangen. Het verzoek per post is op 9 december 2020 ontvangen.

Dit betekent dat dit verzoek tijdig aan de rechtbank is gedaan indien wordt uitgegaan van het afwijzende antwoord van ABNAMRO van 27 oktober 2020. Wat betreft het verzoek van 29 juli 2020 is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van 22 oktober 2020 niet beschouwd kan worden als een blote herhaling van eerstgenoemd verzoek. Laatstgenoemd verzoek, ingediend door een advocaat, betreft een expliciet verzoek tot verwijdering van gegevens, waar het eerste verzoek toch meer in informerende zin is gericht op het innemen van een standpunt omtrent de registratie. Tijdsverloop, een andere insteek en opmaak als formeel verzoek, voorzien van een andere onderbouwing en andere stukken, maken dat het verzoek van 27 oktober 2020 als een primair formeel verzoek heeft te gelden. De rechtbank wijst daarom het ontvankelijkheidsverweer af.

3.3.

De rechtbank stelt het volgende - beknopt weergegeven - feitenverloop vast met betrekking tot (de aflossing) van het krediet waarop de BKR-registratie ziet.

Drie maanden na afsluiten van het krediet zijn bij [verzoeker] betalingsproblemen ontstaan. Ondanks aanmaningen is op 20 december 2020 een achterstand ontstaan van € 1.236,52. ABNAMRO heeft op dat moment de betalingsachterstand aangemeld bij BKR en [verzoeker] daarover bij brief geïnformeerd. Op 7 januari 2011 heeft ABNAMRO het krediet - op dat moment € 17.894,66 - volledig opgeëist. De vordering is ingediend in de WSNP-regeling van [verzoeker] , die hij evenwel voortijdig heeft beëindigd. Na enkele aanmaningen is op 7 november 2011 met [verzoeker] een betalingsregeling overeengekomen, voorlopig voor een jaar. Na vier termijnen stagneert de betalingsregeling en wordt de gehele vordering op 21 mei 2012 wederom opgeëist.

In juni 2012 heeft [verzoeker] contact opgenomen met de schuldeiser en weer een betalingsregeling verzocht, die vervolgens is overeengekomen op 11 juni 2012, voorlopig weer voor een jaar. Wederom komt [verzoeker] de regeling na twee maanden niet meer na, waarna het saldo wordt opgeëist.

Bij uitblijven van een reactie van [verzoeker] wordt de vordering overgedragen aan een deurwaarder, die [verzoeker] op 13 november 2015 tot betaling sommeert. Het verzoek van [verzoeker] om een betalingsregeling wordt op 24 november 2015 gehonoreerd, vooralsnog geldend voor een jaar met de optie van aanpassing, in een regeling voor 99 termijnen van € 250,00. [verzoeker] reageert op een verzoek om financiële informatie in dat licht van de deurwaarder van 18 januari 2017, met het oog op verhoging van de regeling, op 29 januari 2017 en deelt mee geen mogelijkheid te zien voor verhoging van de regeling, omdat 2016 voor hem als ondernemer zijn slechtste jaar is geweest en ook met de belastingdienst in onderhandeling is over uitstel of een regeling. Eenzelfde verzoek wordt herhaald op 24 augustus 2017, in reactie waarop [verzoeker] laat weten dat de situatie ongewijzigd is en om ongewijzigde verlenging van de regeling vraagt. Op 28 september 2017 verzoekt de deurwaarder [verzoeker] om onderbouwing van zijn aflossingscapaciteit. Op 8 november 2017 en op 8 december 2017 deelt [verzoeker] mee als zelfstandige met variabele inkomsten met moeite € 250,00 te kunnen opbrengen wegens dubbele lasten omdat zijn ex-echtgenote niet meewerkt aan de verkoop van de gezamenlijke woning en hij met de ex in diverse rechtszaken verwikkeld is. Zodra de woning verkocht is zal hij de regeling verhogen, zo geeft hij daarbij aan. Met ingang van oktober 2017 betaalt [verzoeker] per maand € 275,00 en vanaf januari 2018 € 300,00 per maand aan aflossing. Inzake de betalingsregeling wordt op 28 december 2017 aan [verzoeker] bevestigd dat de regeling wordt voortgezet voor een jaar. Op 14 augustus 2018 en 17 september 2018 wordt [verzoeker] , wederom met het doel om te bezien of de regeling aangepast kan worden, gevraagd om informatie aan te leveren met bewijsstukken. Op oktober en november 2018 na (met resp. € 400,00 en € 500,00) betaalt [verzoeker] vervolgens tot aan de finale betaling € 350,00 per maand.

Op 24 december 2018 bedraagt de openstaande schuld van [verzoeker] € 8.849,60.

Op 20 april 2020 heeft [verzoeker] de deurwaarder bericht dat hij in verband met de Corona-epidemie de betalingsregeling wegens verminderde inkomsten niet meer kan nakomen, dat zijn vader bereid is hem te helpen en heeft hij gevraagd of een regeling onder finale kwijting mogelijk is. Bij een omvang van de schuld van € 7.127,41 laat de deurwaarder [verzoeker] op 20 april 2020 weten akkoord te gaan met betaling van € 3.000,00 tegen finale kwijting, hetgeen voor ABNAMRO afboeking van een bedrag van € 4.127,41 meebrengt.

3.4.

[verzoeker] betwist in het verzoekschrift dat hem een bedrag is kwijtgescholden, althans ABNAMRO geeft daarover geen duidelijkheid volgens hem. ABNAMRO heeft daarom geen schade en voor zover dat wel het geval is, wil hij het betreffende bedrag direct voldoen.

3.5.

[verzoeker] heeft aangevoerd dat hij al jaren financieel stabiel is, al jaren een groot inkomen heeft en geen andere kredieten of negatieve coderingen bij BKR heeft. Een verhoogde kans op wanbetaling door hem is er niet, zodat wat hem betreft geen sprake is van een risicogeval. Hij acht zichzelf geen notoire wanbetaler en niet behorend tot de doelgroep die beschermd moet worden tegen zichzelf en waartegen financiële instellingen beschermd moeten worden. Het doel van de registratie wordt daarom niet gediend, aldus [verzoeker] . Er geldt zijns inziens daarom geen maatschappelijk belang - het belang van de deelnemers bij de registratie - dat zich tegen verwijdering van de registratie verzet.

[verzoeker] heeft als zijn belang aangevoerd dat hij met zijn gezin behoefte heeft aan een andere, ruimere (koop)woning dan de woning die hij huurt, waarvoor hij echter door de negatieve registratie geen hypotheek kan krijgen, terwijl die registratie ook aan het huren van een andere woning in de weg staat of dat op zijn minst bemoeilijkt.

Zijn belang is volgens [verzoeker] dusdanig zwaarwegend dat dit doorhaling van de registratie, althans negatieve coderingen, rechtvaardigt. De coderingen zijn onevenredig en disproportioneel in verband met zijn aangegeven belang c .q. zijn bijzondere omstandigheden.

3.6.

De bijzonderheidscodering 3 is op zichzelf wegens het ontbreken van een vooraankondiging BKR-technisch niet juist volgens [verzoeker] . Indien het registreren van de bijzonderheidscodering 3 hem zou zijn aangekondigd, zou hij de zaak niet tegen finale kwijting geregeld hebben.

3.7.

Ter zake van de technische aspecten van de registratie heeft ABNAMRO onder verwijzing naar het BKR-reglement 2020 aangevoerd dat vooraankondiging niet is vereist voor bijzonderheidscodering 3. Voorts heeft ABNAMRO betoogd dat daadwerkelijk een bedrag is afgeboekt van meer dan € 4.000,00. Daarom is de BKR-registratie volgens haar technisch juist.

3.8.

ABNAMRO heeft gewezen op het maatschappelijke belang van accurate, correcte en waarheidsgetrouwe informatie van/voor kredietverleners over de consument die in het CKI is opgenomen, ten behoeve van een kredietwaardigheidstoets door kredietverstrekkers en (zo ook) ter bescherming van partijen aan beide zijden.

3.9.

Het door [verzoeker] aangevoerde belang acht ABNAMRO niet zodanig dat dit dient te prevaleren boven dit publieke belang. Vast staat dat [verzoeker] gedurende een lange periode en nog recent vele probleemschulden heeft gehad. Van een financieel stabiele situatie van [verzoeker] acht zij geen sprake. Kredietverleners moeten daarvan kennis kunnen nemen. Ter wille van het publieke belang van een goede en juiste registratie in het CKI bepleit ABNAMRO afwijzing van het verzoek. Die afwijzing acht zij in dit geval niet disproportioneel nadelig voor [verzoeker] .

3.10.

De rechtbank oordeelt als volgt.

3.11.

Overeenkomstig vaste jurisprudentie (Hoge Raad 9-9-2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8097) geldt dat aan de beslissing om aan een verzoek dat strekt tot verwijdering van de BKR-registratie al dan niet gevolg te geven een belangafweging ten grondslag moet liggen wat betreft het met de BKR-registratie te dienen belang en de persoonlijke belangen van betrokkene. Bij zodanige belangenafweging mag de inbreuk op de belangen van betrokkene niet onevenredig zijn in verhouding tot het met de verwerking van de gegevens te dienen doel, waarbij moet worden voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

3.12.

[verzoeker] heeft, mede bezien in het licht van de reactie van ABNAMRO op dat punt, onvoldoende weersproken dat de BKR-registratie, in het bijzonder die van bijzonderheidscodering 3 inzake de afboeking, in BKR-technisch opzicht niet juist zou zijn geweest.

3.13.

Het standpunt van [verzoeker] is dat de door hem aangevoerde omstandigheden ter zake van zijn woonsituatie c.q. de gestelde noodzaak om een woning te moeten kopen (met het verkrijgen van een hypothecaire geldlening) meebrengen dat zijn daarin gelegen belang onevenredig wordt getroffen door (handhaving van) de BKR-registratie en dat zijn belang daarom als zwaarwegender moet gelden dan het maatschappelijk belang bij handhaving van de negatieve registratie.

3.14.

De rechtbank volgt [verzoeker] niet in dat standpunt.

Daargelaten of de wens of noodzaak om een woning te kopen op zichzelf al een voldoende belang kan inhouden dat moet prevaleren boven het belang van een BKR-registratie, is de rechtbank van oordeel dat dit in dit geval zeker niet het geval moet zijn. Hierbij neemt zij uitdrukkelijk mede in aanmerking hetgeen in aanloop naar de mondelinge behandeling is gebleken aan feiten en omstandigheden uit het persoonlijk relaas en de verklaringen van [verzoeker] ter zitting, waaraan – hoe openhartig ook naar voren gebracht – naar haar oordeel niet voorbij kan worden gegaan in het licht van het voorliggende verzoek.

3.15.

Uit de stukken blijkt reeds genoegzaam dat [verzoeker] stelselmatig verzoeken om in verband met de (voortzetting van de) aflossingsregeling door middel van toegezonden formulieren concrete informatie te verstrekken over zijn inkomenssituatie naast zich heeft neergelegd. Hij heeft daarbij volstaan met algemene reacties over zijn inkomsten. Weliswaar heeft [verzoeker] wel steeds aflossingen verricht en die op enig moment op eigen initiatief verhoogd, maar dit neemt niet weg dat alles er op wijst dat hij niet open is geweest of heeft willen zijn jegens de schuldeiser ter zake van zijn inkomenssituatie en/of aflossingscapaciteit. Voor deze overweging neemt de rechtbank bovendien en in het bijzonder in ogenschouw dat [verzoeker] tijdens de aflossingsperiode in 2019 een caravan van € 20.000,00 heeft aangeschaft. Dat, zoals ter zitting verklaard, deze aanschaf grotendeels zou zijn betaald door zijn vriendin, heeft [verzoeker] niet onderbouwd.

Voorts acht de rechtbank een bevestiging van het voorgaande erin gelegen dat is gebleken dat [verzoeker] bij de schuldeiser heeft aangedrongen op een finale kwijting van de schuld onder aanvoering van onjuiste feiten; de mededeling dat hij de aflossingsregeling niet meer kan nakomen – hetgeen hij, in zijn woorden, “heeft gegooid op Corona” - en het voorhouden van een aanbod van financiële hulp van zijn vader. Met het verzoek beoogde [verzoeker] naar eigen zeggen feitelijk een onderhandelingspositie te creëren van waaruit hij een “korting” op de schuld zou verkrijgen in de vorm van betaling van een bedrag ter finale aflossing tegen algehele kwijting. Hij is daarin geslaagd en heeft zo een afboeking van meer dan € 4.000,00 door de schuldeiser bewerkstelligd. Dit terwijl hij achteraf heeft verklaard zelf over geld c.q. “geld van zijn te hulp geschoten vader” te hebben beschikt, maar dat niet voor de schuld wilde aanwenden.

De afboeking was derhalve niet nodig geweest, hetgeen [verzoeker] heeft bevestigd met de vermelding dat hij niet om een finale regeling gevraagd zou hebben met kennis van de desbetreffende registratie. Of onwetendheid hier een rol heeft gespeeld moet overigens worden betwijfeld aangezien [verzoeker] zelf als incassomedewerker debiteurenbeheer heeft gewerkt. De gevraagde kwijting is dus door [verzoeker] met leugens onderbouwd verkregen.

3.16.

Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel, wat er verder ook zij van het thans financieel stabiel zijn van [verzoeker] (waarop zijn verklaringen jegens de schuldeiser in 2020 overigens niet duiden) dat aan het maatschappelijk belang van handhaving van de BKR-registratie in dit geval doorslaggevend gewicht moet worden toegekend bij afweging daarvan tegen van het aangevoerde belang van [verzoeker] . Van een disproportionele aantasting van dat laatste belang acht zij geen sprake.

3.17.

Veeleer kan gesteld worden dat het registratiesysteem bij het BKR juist haar belang en bestaansrecht ontleent aan kredietnemers met een betalingsmoraal als die [verzoeker] aan de dag heeft gelegd.

3.18.

[verzoeker] heeft aangeboden de bank de schade van ABNAMRO vanwege de afboeking, als die wordt gekwantificeerd, alsnog te willen vergoeden. Dit aanbod, dat een poging in zich draagt om zich “vrij te kopen” van de negatieve BKR-registratie, maakt het hiervoor aangegeven oordeel niet anders.

3.19.

[verzoeker] zal worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van ABNAMRO tot op heden begroot op € 1.126,00 (salaris advocaat 2 punten x tarief € 563,00).

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst het verzoek af,

4.2.

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van ABNAMRO tot op heden begroot op € 1.126,00,

4.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Koene en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2021.