Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:2074

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
08/053287-20 en 08/202263-19 (TUL) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 19-jarige jongen tot een jeugddetentie van 125 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor het plegen van diefstal met geweld samen met anderen. Daarnaast moet hij zich ook aan bijzondere voorwaarden houden, zoals een meldplicht bij de reclassering en het volgen van een gedragstraining. Tevens moet hij een eerder opgelegde taakstraf van 40 uur uitvoeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/053287-20 en 08/202263-19 (TUL) (P)

Datum vonnis: 25 mei 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 mei 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Hoekstra en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen met (bedreiging van) geweld goederen heeft gestolen van [slachtoffer] , dan wel die [slachtoffer] heeft afgeperst.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 28 februari 2020 in de gemeente Zwolle tezamen en in
vereniging met één of meer anderen, althans alleen, een jas, airpods, een
portemonnee, geld, een ID-kaart, een bankpas, schoenen, een tas, een Iphone, een
horloge, een pet en/of handschoenen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele
aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten
aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van
geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk
om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op
heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door tezamen
en in vereniging, althans alleen die [slachtoffer] een gang in te trekken of te duwen en/of
vervolgens die [slachtoffer] één of meer meermalen, althans eenmaal in het gezicht,
althans tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen, waarbij
die [slachtoffer] ten val kwam en/of vervolgens die [slachtoffer] één of meermalen tegen het
hoofd en/of het lichaam te schoppen of te trappen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 februari 2020 in de gemeente Zwolle tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of
een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas, airpods, een portemonnee,
briefgeld, een ID-kaart, een bankpas, schoenen, een tas, een Iphone, een horloge,
een pet en/of handschoenen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die
[slachtoffer] toebehoorde, door tezamen en in vereniging, althans alleen die [slachtoffer] een
gang in te trekken of te duwen en/of vervolgens die [slachtoffer] één of meer meermalen,
althans eenmaal in het gezicht, althans tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te
slaan en/of te stompen, waarbij die [slachtoffer] ten val kwam en/of vervolgens die
[slachtoffer] één of meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen of te
trappen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het feit in de primaire variant wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de mishandeling en de diefstal los van elkaar staan, omdat de mishandeling niet is gepleegd met het oogmerk om de diefstal te kunnen plegen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld. Met name moet de vraag worden beantwoord of verdachte opzet had op het plegen van die diefstal.

Voor medeplegen geldt een dubbel opzetvereiste: het opzet op de onderlinge samenwerking en opzet op de verwezenlijking van het grondfeit. Dit ligt gezamenlijk reeds besloten in de voor medeplegen geldende voorwaarde dat sprake moet zijn van een bewuste en nauwe samenwerking met betrekking tot het begaan van het grondfeit. Dit opzet kan vrij globaal zijn; een wat andere afloop en invulling van het grondfeit dan de medepleger voor ogen stond, zit in het opzet van de medepleger ingebakken.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders bij de uitvoering van de beroving. Uit de zich in de bijlage bevindende bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af. Verdachte heeft het plan gemaakt om samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) aangever naar de berging te lokken om hem een lesje te leren. Aangever krijgt een snapchat van de telefoon van [medeverdachte 1] om te komen chillen. Als hij aankomt wordt hij door [medeverdachte 1] opgewacht en gaan ze samen de gangen bij de bergingen onder de flat binnen. Daar wordt aangever opgewacht en een zijgangetje ingetrokken door verdachte en [medeverdachte 2] . Vervolgens wordt aangever geslagen en geschopt en worden goederen van hem afgenomen door verdachte en [medeverdachte 2] .

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet van plan was om aangever te beroven, maar dat hij hem alleen wilde mishandelen. Hij wilde aangever een lesje leren omdat hij had ‘gechilld’ met zijn vriendin. Verdachte heeft bekend dat hij geweld heeft gebruikt. [medeverdachte 1] heeft echter verklaard dat het de bedoeling was om van aangever spullen af te pakken. Verdachte en [medeverdachte 2] zijn aangehouden in de woning van verdachte, waar ook een gedeelte van de gestolen spullen van aangever werden aangetroffen.

De rechtbank overweegt voorts dat het wegnemen van een aantal waardevolle spullen van [slachtoffer] maakt dat er sprake is van diefstal met geweld. Immers, indien het verdachte alleen te doen was geweest om [slachtoffer] een lesje te leren wat bestond uit slaan en schoppen hadden verdachte en [medeverdachte 2] de goederen helemaal niet van [slachtoffer] afhandig hoeven te maken en mee nemen

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft in de aangifte de tijdlijn van de gebeurtenissen en de individuele (actieve) bijdrage van de drie verdachten aan het feit gedetailleerd beschreven. Deze aangifte wordt bevestigd door de letselverklaring betreffende het door aangever opgelopen letsel en de verklaring die [medeverdachte 1] na zijn aanhouding heeft afgelegd. De verklaring van [medeverdachte 1] wordt ondersteund doordat de politie de gestolen goederen heeft gevonden zoals [medeverdachte 1] heeft verklaard, namelijk een klein deel op zijn eigen kamer en het restant in het bezit van [verdachte] en [medeverdachte 2] . De rechtbank hecht daarom voor de vaststelling van de feitelijke handelingen en de rolverdeling het meeste gewicht aan deze twee verklaringen.

Het verweer van de raadsvrouw wordt weerlegd door het bovenstaande waaruit blijkt dat verdachte zelf een groot aantal uitvoeringshandelingen heeft verricht hetgeen voldoende is voor het bewijs van een nauwe en bewuste samenwerking bij de uitvoering van de diefstal met geweld.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld zoals onder primair ten laste is gelegd.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 februari 2020 in de gemeente Zwolle tezamen en in vereniging met anderen, een jas, airpods, een portemonnee, geld, een ID-kaart, een bankpas, schoenen, een tas, een Iphone, een horloge, een pet en handschoenen, toebehorend aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door tezamen en in vereniging, die [slachtoffer] een gang in te trekken en vervolgens die [slachtoffer] meermalen in het gezicht en tegen het lichaam te slaan en te stompen, waarbij die [slachtoffer] ten val kwam en vervolgens die [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd en het lichaam te schoppen;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

primair

het misdrijf: diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd bij verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen. Zij heeft gevorderd om aan verdachte een gedragsbeïnvloedende maatregel (hierna: GBM-maatregel) op te leggen voor de duur van één jaar op te leggen met daarbij de oplegging van de voorwaarden zoals geadviseerd door reclassering in het rapport van 12 augustus 2020, zijnde: een meldplicht, een gedragsinterventie gericht op agressiebeheersing, een ambulante behandeling gericht op het voorkomen van een verdere anti-sociale ontwikkeling en een ambulante behandeling. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd verdachte een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 120 uren op te leggen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen. De raadsvrouw heeft bepleit verdachte een straf op te leggen waarbij hij niet terug in detentie hoeft. De raadsvrouw heeft dan ook verzocht een voorwaardelijke jeugddetentie of een werkstraf op te leggen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Toepassing van het jeugdstrafrecht dan wel het volwassenenstrafrecht

Ten aanzien van de vraag of er ondanks de leeftijd van verdachte aanleiding is het jeugdstrafrecht toe te passen, overweegt de rechtbank als volgt. De rechter kan op jongvolwassenen (‘adolescenten’) het jeugdstrafrecht toepassen, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten was verdachte 18 jaar oud. Uit de rapportages is gebleken dat verdachte verstandelijk en emotioneel op een lager niveau functioneert dan op grond van zijn kalenderleeftijd wordt verwacht, dat sprake is van beperkte handelingsvaardigheden en dat pedagogische beïnvloeding nog noodzakelijk is. De deskundigen – de psycholoog en de reclassering – adviseren het jeugdstrafrecht toe te passen. De officier van justitie en de verdediging hebben zich daarbij aangesloten. De rechtbank vindt in de door de deskundigen gegeven factoren grond om ten aanzien van verdachte het jeugdstrafrecht toepassen.

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld samen met anderen. De reden die verdachte hiervoor heeft gegeven is dat het beoogde slachtoffer “een lesje geleerd moest worden” nadat zijn vriendin met het latere slachtoffer heeft gechilld. Verdachte voelde zich in zijn imago aangetast. Verdachte en zijn twee mededaders hebben aangever naar een gangetje bij een berging hebben gelokt om hem daar te mishandelen en te beroven en dat betreft een ernstig strafbaar feit. Uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt dat hij daardoor letsel aan zijn linkeroog, een kapotte lip en een pijnlijk scheenbeen heeft opgelopen. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Kennelijk hebben verdachte en zijn mededaders hun ogen voor dergelijke gevolgen gesloten en hebben zij zich louter laten leiden door wraak en hebzucht, waarmee zij bovendien blijk hebben gegeven van een volstrekt gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van het slachtoffer. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft gelet op de justitiële documentatie van 9 april 2021. Hieruit blijkt een delictpatroon in het plegen van vermogensdelicten met agressie, waarbij sprake is van een toename in de ernst van de delicten. Het onderhavige delict is gepleegd in een lopende proeftijd van een veroordeling voor openlijke geweldpleging met diefstal op 9 januari 2020.

De rechtbank heeft acht geslagen op de Pro Justitia rapportage van de GZ-psycholoog dr. D.J. Burck, van 6 mei 2020, waaruit blijkt dat verdachte lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van een stoornis in de aandachtsconcentratie met hyperactiviteit, die tot uitdrukking komt in de vorm van beoordelingsproblemen en impulsiviteit. De psycholoog concludeert verder dat bij verdachte sprake is van een gedragsstoornis, die tot uitdrukking komt in antisociale opvattingen en vrij plotseling optredende agressie-doorbraken. Beide stoornissen speelden ten tijde van het ten laste gelegde, waardoor verdachte onvoldoende in staat is geweest de situatie te overzien en handelingsalternatieven te formuleren. In het verlengde van de gedragsstoornis is het tot een agressieve ‘acting out’ van negatieve emoties jegens aangever gekomen. De psycholoog adviseert verdachte het ten laste gelegde verminderd toe te rekenen. De psycholoog schat het recidiverisico in als matig-hoog. De psycholoog schat in dat verdachte gebaat is bij het op maat gemaakte behandelaanbod van Accare, waarbij meer aandacht geschonken moet worden aan de antisociale ontwikkeling die gaande is. Een dergelijke behandeling zou in het kader van een GBM-maatregel kunnen plaatsvinden, aldus de psycholoog.

In het advies van 12 augustus 2020 heeft de reclassering geconcludeerd dat er noodzaak is voor behandeling gezien het hoge recidiverisico en de toename van de ernst van het huidige delict in vergelijking met eerder gepleegde delicten. Verdachte is gebaat bij een behandeling die hem inzicht geeft in zijn problematiek en hem handvatten biedt om daar beter mee om te gaan. Verdachte heeft een uitgebreid behandelaanbod gekregen van Accare onder andere met als doel een maatwerktraject op het gebied agressieregulatie. Naar aanleiding van het advies van het NIFP is er overleg geweest en is duidelijk geworden dat verdachte en zijn gezinssysteem niet achter een GBM-maatregel staan. Toch adviseert de reclassering een ambulante behandeling, die het best gestalte kan krijgen in de vorm van een GBM-maatregel voor de duur van één jaar, met daarbij oplegging van de volgende bijzondere voorwaarden: begeleiding door de jeugdreclassering, een gedragsinterventie betreffende agressiebeheersing, een ambulante behandeling gericht op voorkomen van een verdere anti sociale ontwikkeling, een ambulante behandeling en een contactverbod met de medeverdachten.

Gezien de voorgaande rapportages zal de rechtbank het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toerekenen.

Strafoplegging

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank acht een oplegging van een GBM-maatregel niet haalbaar zonder dat verdachte en zijn gezin achter de oplegging van deze maatregel staan. Het handelen van verdachte, eerdere veroordelingen die hem hiervan niet hebben weerhouden en de ernst van de feit brengen de rechtbank tot het oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank acht het echter onwenselijk dat verdachte nu weer in detentie zou moeten. Tijdens de een zeer lange schorsingsperiode heeft verdachte zich goed ontwikkeld, heeft een goede dagbesteding en heeft ter zitting laten zien de verantwoordelijkheid voor zijn daden niet langer uit de weg te gaan. De rechtbank zal daarom de vrijheidsbenemende straf gedeeltelijk voorwaardelijk opleggen, als stok achter de deur om geen nieuwe strafbare feiten te plegen in de toekomst. De rechtbank acht een jeugddetentie voor de duur van 125 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 12 augustus 2020, met uitzondering van het contactverbod.

Gelet op het tijdsverloop, en de positieve inzet van verdachte bij Accare gedurende de lange schorsingsperiode zal de rechtbank afzien van het opleggen van een taakstraf, zoals geëist door de officier van justitie.

8 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering ten uitvoerlegging van de zaak met parketnummer 08-202263-19 bij vonnis van de kinderrechter van de rechtbank Zwolle van 9 januari 2020 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren zal worden toegewezen.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z en 77aa Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair

het misdrijf: diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder primair bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 125 (honderdvijfentwintig) dagen;

- bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte van 90 (negentig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de jeugdreclassering, op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- actief zal deelnemen aan de gedragsinterventie ART of een andere gedragsinterventie die gericht is op agressiebeheersing, te bepalen door de jeugdreclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig acht, actief zal deelnemen aan een behandeling bij Accare of een soortgelijke instelling die gericht is op het voorkomen van een verdere anti-sociale ontwikkeling, waarbij verdachte zich zal houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

- waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Jeugdbescherming Overijssel, afdeling Jeugdreclassering (instantiecode [code] ) opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de minderjarige ten behoeve daarvan te begeleiden. Verantwoordelijke gemeente is Zwolle;


daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorst bevel tot voorlopige hechtenis op;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter van de rechtbank Zwolle van 9 januari 2020 met parketnummer 08-202263-19 voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 40 (veertig) uren.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. Peterzon, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. J.T. Pouw, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. de Bruin griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2021.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

  1. De bekennende verklaring ten aanzien van het feit die verdachte heeft afgelegd ter terechtzitting van 11 mei 2021.

  2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 28 februari 2020 (pag. 51-55), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

(…) Op vrijdag 28 februari 2020, omstreeks 17:00 uur, had ik via Snapchat contact met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] vroeg aan mij of ik wilde komen chillen. (…) Ik was rond 17:15 uur bij de [supermarkt] in Holtenbroek.(…) Ik zag dat [medeverdachte 1] een deur naast de [supermarkt] open deed. (…) en vlak daarna zag ik twee andere jongens. Ik werd door deze twee jongens in een zijgangetje aan de rechterzijde getrokken. Ik ken deze twee jongens. Dit zijn [verdachte] en [medeverdachte 2] . (…) en werd eerst door [verdachte] in elkaar geslagen. Ik werd in mijn gezicht geslagen op mijn linkeroog, mijn wang, op mijn lip. Toen ik voor de tweede keer geslagen werd kwam ik op de grond terecht. Ik zag dat [verdachte] mij met zijn rechtervuist sloeg. Ik zag en voelde dat hij dit met kracht deed. Vlak hierna kwam [medeverdachte 2] er ook bij. Ik lag al op de grond toen hij er ook bij kwam. Ik lag dus op de grond en ik kreeg ook veel trappen op mijn lichaam. Ik heb diverse trappen in mijn buik gehad en op mijn scheenbeen. Ook werd ik getrapt op mijn gezicht. (…) Wel weet ik dat [verdachte] de meeste trappen en slagen uitdeelde en dat [medeverdachte 2] mij maar 1 keer met zijn linkerbeen schopte in de richting van mijn hoofd en mijn handen. Hij raakte mij op mijn handen. (…) Toen ik eenmaal op de grond lag hoorde ik dat zowel [verdachte] als [medeverdachte 2] zeiden dat ik mijn spullen uit moest doen. (…) Ik hoorde dat de jongens niets zeiden en gewoon doorgingen om mijn spullen te pakken. [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben de volgende spullen van mij afgenomen;

- North Face jas 550, zwart van kleur (…)

- bruine portemonnee (…) In mijn portemonnee zat een

ID-kaart, Regio bankpas, er zat meer dan 100 euro in(ik had briefjes van 20, 10 en 5)

- mijn schoudertas van Armani in de kleur zwart. In mijn tas zaten de volgende

spullen; (…) 1 telefoon merk Iphone 6 wit van kleur zonder simkaart,

(…) N26 Duitse bankpas, (…)

- Een Iphone 7 met zwart hoesje(…)

- 2 Airpods Apple Pro (…)

- 1 paar schoenen, Nike 2000 in de kleuren rood, geel, groen, zwart en wit. (…)

- Diesel smartwatch horloge, (…)

- New York Yankee cap, zwart van kleur.

- Zwart met witte North Face handschoenen(…)

Nadat ze mijn spullen van mij afgenomen hadden renden [verdachte] en [medeverdachte 2] naar buiten toe. Het hele gebeuren heeft maar ongeveer een halve minuut geduurd. Ondertussen dat ze mij sloegen en trapten pakten ze namelijk ook al mijn spullen af. (…)

3. Het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 1] van 1 maart 2020 (pag. 92-95), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

(…) V: Wie heeft die afspraak gemaakt met jou telefoon?

A: [medeverdachte 2] heeft dat gedaan. (…)

V: Wat dacht jij dat daar de reden voor was om dat te doen?

A: m zijn spullen af te pakken en meer niet.

V: Wie heeft dat plan bedacht?

A:. [verdachte] . (…)

(…)V: Wat hadden jullie dan afgesproken over het ophalen en waar zou je hem heenbrengen dan? A: Naar mijn schuur.(…)

(…) V: Hoe komen die schoenen van [slachtoffer] dan in jou woning?

A: Die heb ik toen neergelegd.(…)

(…) Ik heb gezien dat hij op de grond werd gegooid en verder heb ik niets gezien.(…)

V: Waarom heeft hij jou die 20 euro gegeven?

A: Omdat ik hem heb gelokt denk ik.(…)

4. Het proces-verbaal van bevindingen van 28 februari 2020, (pag. 67-68), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

(…) Omstreeks 18.40 uur hoorden wij van collega's [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat zij twee

verdachten in de woning aan [adres] hadden aangehouden. (…)Omstreeks 18.50 uur waren wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , ter plaatse aan [adres] . (…) In de wasmand troffen wij een portemonnee. Op een stoel in de slaapkamer troffen wij een identiteit kaart. Ik zag dat op de identiteit kaart [slachtoffer] stond. In een hoekje van de slaapkamer troffen wij een 'North Face' jas aan.(…)

5. Het proces-verbaal van bevindingen van 28 februari 2020, (pag. 69), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

(…) De navolgende goederen werden aangetroffen:

- The North Face jas

- kentekenbewijs van Aprillia scooter op naam van [slachtoffer]

- N 26 bankpas op naam van [slachtoffer]

- Zorgpas op naam van [slachtoffer]

- Nederlandse Identiteitskaart op naam van [slachtoffer]

- Geld, 3 briefjes van 20 en 1 briefje van 5 eurobiljetten

- Bruin lederen portemonnee(…)

Ik hoorde dat de aangever verklaarde dat alle goederen die hierboven genoemd werden van hem waren. Hij herkende al zijn goederen. (…)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, district IJsselland, basisteam Zwolle, met nummer PL0600-2020092638. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.