Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:2013

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-04-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
08-996060-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 53-jarige man tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De man deed zich voor als een ander door een handtekening te zetten onder de naam van iemand anders. Daarnaast heeft hij met valse facturen en betalingsautorisaties geprobeerd te bewijzen dat 2,7 miljoen euro een eerlijke herkomst had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-996060-17 (P)

Datum vonnis: 12 april 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1967 in [geboorteplaats] (Pakistan),

wonende aan [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 maart 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.J. Heidema en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. R. van Veen, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 29 maart 2021, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: (samen met een ander) twee overeenkomsten vals heeft opgemaakt,

feit 2: (samen met een ander) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse overeenkomsten, facturen en zogenoemde “interim payment certificates”, door deze stukken naar een notariskantoor te sturen.

Voluit luidt de, ter terechtzitting gewijzigde, tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.
hij in of omstreeks de periode vanaf 1 september 2016 tot en met 16 maart 2017,
te Amsterdam, althans in Nederland, en/of
te Düsseldorf, althans in Duitsland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en)
- een Foreign Sales and Representation Agreement d.d. 21 september 2016 (DOC-168A, p. 1254),
- een Subsidiary Representative Agreement, d.d. 1 oktober 2016 (DOC-168B, p. 1256)
- zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen -
valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en aldaar in strijd met de
waarheid in die documenten vermeld –zakelijk en vertaald in het Nederlands
weergegeven- dat het bedrijf [bedrijf 1] wordt vertegenwoordigd door de
dochteronderneming [bedrijf 2] B.V. en/of
heeft verdachte en/of zijn mededaders die Foreign Sales and Representation Agreement
(DOC-168A) en Subsidiary Representative Agreement (DOC-168B) geparafeerd en/of
ondertekend als ware hij (telkens) [naam 1] en/of chief operating Officer van [bedrijf 2] B.V.,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken
en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken;

2.

Hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 september 2016
tot en met 22 maart 2017,
te Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland en/of
te Fredericia, althans in Denemarken,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en),
opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of
opzettelijk voorhanden heeft gehad een vals(e) of vervalst(e):
a) Foreign Sales and Representation Agreement d.d. 21 september 2016 (DOC-l68A, p. 1254) , en/of
b) Subsidiary Representative Agreement d.d. 1 oktober 2016 (DOC-168B, p.1256) , en/of
c) Addendum to Subisidiary Representative Agreement (DOC-l68C, p. 1261), en/of
d) Invoice number 2017-007, 1.043.912,94 euro (DOC-168D, p. 1262), en/of
e) Interim Payment Certificate, 1.043.912,94 euro (DOC-168E, p. 1263), en/of
f) Invoice number 2017-006, 293.600,51 euro (DOC-168F, p. 1264), en/of
g) Interim Payment Certificate, 293.600,51 euro (DOC-168G, p. 1265), en/of
h) Invoice number 2017-008, 1.376.421,66 euro (DOC-168H, p. 1266), en/of
i) Interim Payment Certificate, 1.376.421,66 euro (DOC-168 I, p. 1267),

- zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te
dienen - als ware het echt en onvervalst,
bestaande die valsheid hierin dat in strijd met de waarheid, te weten (onder
meer)

- in die Foreign Sales and Representation Agreement (DOC-168A) vermeld staat dat het bedrijf [bedrijf 1] wordt vertegenwoordigd door de dochteronderneming [bedrijf 2] B.V., en/of
- die Subsidiary Representative Agreement (DOC-l68B) een vertegenwoordigheidsovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2]
B.V. zou zijn, en/of
- in die Addendum to Subisidiary Representative Agreement (DOC-l68C) is vermeld dat de te betalen commissie voor l00 bij [bedrijf 2] B.V. terecht dient te komen, en/of
- in die invoices (DOC-168D en/of DOC-168F en/of DOC-l68H) het Rabobanknummer [rekeningnummer] opgenomen, als zijnde de bankrekening waar de bedragen naar dienden te worden overgemaakt en/of vermeld dat [bedrijf 2] B.V. de dochtermaatschappij van [bedrijf 1] is, en/of
- in die Interim Payment Certificates (DOC-l68E en/of DOC-168G en/of DOC-l68I) vermeld dat er op 9 februari 2017 overeenstemming is gekomen om tussentijdse betalingen te verrichten,

bestaande dat gebruik maken hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)
- die Foreign Sales and Representation Agreement (DOC-l68A) en/of die Subsidiary Representative Agreement (DOC-168B) en/of die invoices (DOC-168D en/of DOC-168F en/of DOC-168H) en/of die Interim Payment Certificates (DOC-168E en/of DOC-168G en/of DOC-168I) heeft/hebben verstrekt en/of doen toekomen aan notaris(kantoor) [notaris] om de overgemaakte en/of over te maken gelden naar de derdengeldrekening van die [notaris] te kunnen verantwoorden, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans
redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze geschrift(en) bestemd was/waren tot gebruik als ware dit/deze geschrift(en) echt en onvervalst.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Gelet op de inhoud van het proces-verbaal kunnen de volgende (mede tot een goed begrip van dit vonnis strekkende) feiten en omstandigheden, die ter terechtzitting niet ter discussie hebben gestaan, als vaststaand worden aangemerkt.

Naar aanleiding van een aantal ongebruikelijke transacties heeft de Rabobank op 17 maart 2017 een fraudemelding gedaan bij de Financial Intelligence Unit – Nederland. Het leek te gaan om zogenaamde CEO-fraude. Op 15 maart 2017 is een bedrag van 2.713.935,11 euro van [energiemaatschappij] , een Deense Energiemaatschappij, overgemaakt op de rekening van [bedrijf 2] B.V. Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] B.V. is [naam 2] , maar feitelijk vertegenwoordigde verdachte deze B.V.

Op 15 en 16 maart 2017 heeft een overschrijving van een totaalbedrag van 825.000 euro (in 33 boekingen) van de rekening van [bedrijf 2] B.V. naar de derdengeldrekening van notariskantoor [notaris] plaatsgevonden, onder vermelding van ‘overnaam investering, overnaam [adres 2] , overnaam [adres 3] een overnaam [adres 4] ’. Op 15 maart 2017 werd een bedrag van 15.000 euro van de rekening van [bedrijf 2] B.V. overgemaakt naar [holding] , een Nederlandse onderneming, onder vermelding van ‘terug betelig van borg’. Op 16 maart 2017 werd een totaalbedrag van 225.000 euro (in negen boekingen) van de rekening van [bedrijf 2] B.V. naar [bedrijf 3] in Pakistan overgemaakt, onder vermelding van ‘investment’ en ‘order jeans’.

De Rabobank heeft het resterende deel van de overboekingen geblokkeerd en uiteindelijk is ruim 2,6 miljoen euro naar [energiemaatschappij] teruggestort. Twee overboekingen tot een totaalbedrag van 90.000,00 euro konden niet worden geredresseerd.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van feit 1 dient verdachte te worden vrijgesproken omdat hij zijn eigen handtekening onder de documenten heeft gezet, waardoor geen sprake is van valsheid. Daarnaast is geen sprake van opzet op de valsheid omdat hij de inhoud niet of niet goed heeft gelezen. Ten aanzien van feit 2 dient verdachte te worden vrijgesproken primair omdat het feitelijk handelen niet kan worden bewezen, subsidiair omdat niet kan worden bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de documenten vals waren.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.1

Feit 1

De Foreign Sales and Representation Agreement van 21 september 2016 betreft een overeenkomst waaruit zou moeten blijken dat [energiemaatschappij] [bedrijf 1] als diens exclusieve vertegenwoordiger benoemt. 2 Hierin staat dat voorts dat [bedrijf 1] wordt vertegenwoordigd door [bedrijf 2] BV.

Verdachte heeft bekend dat hij dit stuk heeft ondertekend.3 Zijn paraaf is gezet onder de naam van [naam 1] met als functie Chief Operating Officer van [bedrijf 2] B.V. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat dit in februari 2017 in Düsseldorf heeft plaatsgevonden en dat hij niet wist wie [naam 1] was, maar dat de heer [naam 3] (een bekende van verdachte waarmee hij investeringen zou verrichten) zei dat het allemaal goed zou komen.4 [naam 3] zou volgens verdachte hebben getekend bij de naam [naam 4] van [energiemaatschappij] .

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het zetten van een (eigen) handtekening onder de naam van een ander, als valse handtekening dient te worden aangemerkt. Verdachte kan zijn eigen handtekening hebben gebruikt, maar de plek waar de handtekening is gezet, in dit geval onder de naam en functie van een ander, maakt deze vals omdat hij zich daarmee heeft voorgedaan als die ander. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Op het moment van tekenen wist verdachte dat hij zijn handtekening niet onder zijn eigen naam zette en hij had op dat moment het oogmerk om de overeenkomst als echt te gebruiken.

De Subsidiary Representative Agreement van 1 oktober 2016 heeft samenhang met de Foreign Sales and Representation Agreement, omdat hierin staat vermeld dat [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] B.V. vertegenwoordigingsbevoegdheid geeft.5 [bedrijf 2] B.V. mag volgens deze overeenkomst gedurende een jaar de goederen van [bedrijf 1] verkopen (tegen een bepaalde commissie). In het ondertekeningsblok van [bedrijf 2] B.V. staat de naam [naam 1] , Chief Operating Officer. Van de zijde van [bedrijf 1] is, zo lijkt uit het document te moeten volgen, bevoegd door [naam 5] ondertekend. [naam 5] zegt in zijn getuigenverklaring dit document niet te kennen.6 Het document is aangetroffen in de auto waar verdachte gebruik van maakte7 en stond ook op de computer waar verdachte gebruik van maakte.8 De voornoemde documenten zijn daadwerkelijk gebruikt om als bewijs te dienen, zij zijn immers naar notariskantoor [notaris] verzonden om aan te tonen dat [bedrijf 2] B.V. over het overgemaakte geld kon beschikken.9

Gelet op het hiervoor overwogene, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte, in nauwe en bewuste samenwerking met dhr. [naam 3] , althans een persoon die zich tegenover verdachte als [naam 3] heeft uitgegeven, valse overeenkomsten heeft opgemaakt en daarmee is het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Verdachte heeft op 15 en 16 maart 2017 sommen geld overgemaakt naar notariskantoor [notaris] en op 16 maart 2017 zijn diverse e-mailberichten met bijlagen naar dit kantoor verzonden.10 In deze bijlagen zijn de valse facturen en betalingsbewijzen opgenomen.11 Vanaf het e-mailadres van [e-mailadres] zijn de overeenkomsten van feit 1 naar notariskantoor [notaris] verzonden, waarbij verdachte in de mailwisseling is meegenomen.12 Volgens verdachte was dit e-mailadres in gebruik bij dhr. [naam 3] .13 In de documenten staat onder meer het volgende vermeld.

In de Foreign Sales and Representation Agreement d.d. 21 september 201614 staat vermeld dat het bedrijf [bedrijf 1] wordt vertegenwoordigd door de dochteronderneming [bedrijf 2] B.V. De Subsidiary Representative Agreement d.d. 1 oktober 201615 betreft een vertegenwoordigingsovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] B.V. In de Addendum to Subisidiary Representative Agreement16 staat vermeld dat de te betalen commissie voor l00 % bij [bedrijf 2] B.V. terecht dient te komen.

In diverse Invoice numbers (2017-007 met een bedrag van 1.043.912,94 euro17, 2017-006 met een bedrag van 293.600,51 euro18 en 2017-008 met een bedrag van 1.376.421,66 euro19) staat het Rabobanknummer [rekeningnummer] opgenomen, als zijnde de bankrekening waar de bedragen naar dienden te worden overgemaakt. Daarbij is eveneens vermeld dat [bedrijf 2] B.V. de dochtermaatschappij van [bedrijf 1] is. In de Interim Payment Certificates (1.043.912,94 euro20, 293.600,51 euro21 en 1.376.421,66 euro22 staat vermeld dat op 9 februari 2017 toestemming is gegeven om die betalingen tussentijds te verrichten..

Verdachte heeft verklaard dat hij deze stukken naar de notaris heeft gestuurd om te laten controleren of de betalingen op de derdengeldrekening daadwerkelijk verantwoord konden worden voor de investeringen in panden in Amsterdam en in spijkerbroeken. De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dit onderdeel niet aannemelijk.

Geen van de e-mailberichten bevatten een begeleidend schrijven waaruit valt op te maken dat de notaris deze documenten op juistheid zou moeten controleren voor verdachte. Daarnaast is bij een eerste lezing van de documenten overduidelijk dat de constructie in de overeenkomst anders ligt dan de uitvoering die daadwerkelijk werd beoogd. De overeenkomst tussen [bedrijf 1] en [energiemaatschappij] ziet op commissiebetalingen, niet op de door verdachte genoemde investeringen in vastgoed en spijkerbroeken. Bovendien is [bedrijf 1] een Belgische joint venture, maar wordt er een Nederlands bankrekeningnummer opgegeven. Voorts blijkt dat binnen [bedrijf 2] B.V. nagenoeg geen (handels)activiteiten plaatsvinden. Verdachte vertegenwoordigde [bedrijf 2] B.V. en presenteert zichzelf als zakenman. De rechtbank is van oordeel dat van verdachte in redelijkheid kon worden verlangd dat hij op de hoogte was van voornoemde omstandigheden en had kunnen nagaan dat de documenten vals waren. Door de documenten toch naar notariskantoor [notaris] te sturen of laten sturen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij gebruik maakte van valse stukken om als onderbouwing van het overgemaakte geld op de derdengeldrekening van de notaris te fungeren.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, in nauwe en bewuste samenwerking met een ander, valse documenten heeft verstrekt aan notariskantoor [notaris] en dat daarmee het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

hij in de periode vanaf 1 september 2016 tot en met 16 maart 2017, in Duitsland,
tezamen en in vereniging met een ander
- een Foreign Sales and Representation Agreement d.d. 21 september 2016 en

- een Subsidiary Representative Agreement, d.d. 1 oktober 2016
zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader toen en aldaar in strijd met de waarheid in die documenten vermeld – zakelijk en vertaald in het Nederlands
weergegeven – dat het bedrijf [bedrijf 1] wordt vertegenwoordigd door de dochteronderneming [bedrijf 2] B.V. en
heeft verdachte en zijn mededader die Foreign Sales and Representation Agreement
en Subsidiary Representative Agreement geparafeerd en
ondertekend als ware hij [naam 1] en chief operating Officer van [bedrijf 2] B.V.,
zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken
of door een ander te doen gebruiken;

Feit 2:

Hij in de periode vanaf 1 september 2016 tot en met 22 maart 2017, in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse:
a) Foreign Sales and Representation Agreement d.d. 21 september 2016 en
b) Subsidiary Representative Agreement d.d. 1 oktober 2016 en
c) Addendum to Subisidiary Representative Agreement en
d) Invoice number 2017-007, 1.043.912,94 euro en
e) Interim Payment Certificate, 1.043.912,94 euro en
f) Invoice number 2017-006, 293.600,51 euro en
g) Interim Payment Certificate, 293.600,51 euro en
h) Invoice number 2017-008, 1.376.421,66 euro en
i) Interim Payment Certificate, 1.376.421,66 euro,

zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te
dienen, als ware het echt en onvervalst,

bestaande die valsheid hierin dat in strijd met de waarheid, te weten

- in die Foreign Sales and Representation Agreement vermeld staat dat het bedrijf [bedrijf 1] wordt vertegenwoordigd door de dochteronderneming [bedrijf 2] B.V., en

- die Subsidiary Representative Agreement een vertegenwoordigheidsovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] B.V. zou zijn, en
- in die Addendum to Subisidiary Representative Agreement is vermeld dat de te betalen commissie voor l00 bij [bedrijf 2] B.V. terecht dient te komen, en
- in die invoices met het Rabobanknummer [rekeningnummer] opgenomen, als zijnde de bankrekening waar de bedragen naar dienden te worden overgemaakt en/of vermeld dat [bedrijf 2] B.V. de dochtermaatschappij van [bedrijf 1] is, en
- in die Interim Payment Certificates vermeld dat er op 9 februari 2017 overeenstemming is gekomen om tussentijdse betalingen te verrichten,

bestaande dat gebruik maken hierin dat hij, verdachte en zijn mededader
- die Foreign Sales and Representation Agreement en die Subsidiary Representative Agreement en die invoices en die Interim Payment Certificates hebben verstrekt of doen toekomen aan notaris(kantoor) [notaris] om de overgemaakte en/of over te maken gelden naar de derdengeldrekening van die [notaris] te kunnen verantwoorden, terwijl hij, verdachte en zijn mededader telkens wisten dat deze geschriften bestemd waren tot gebruik als ware deze geschriften echt en onvervalst.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf:

medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden wordt opgelegd, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn en de fysieke gesteldheid van verdachte. Daarnaast heeft de raadsman een voorwaardelijk verzoek ingediend om een reclasseringsrapportage over verdachte te laten opstellen indien de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf overweegt.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich voorgedaan als een ander door zijn handtekening te zetten onder de naam van iemand anders. Daarnaast heeft verdachte met valse facturen en betalingsautorisaties geprobeerd te bewijzen dat een bedrag van ruim 2,7 miljoen op de rekening van [bedrijf 2] B.V. een legale herkomst had. De integriteit van het financiële en economische verkeer staat of valt met het vertrouwen dat gesteld wordt en gesteld moet kunnen worden in de juistheid van stukken die tot enig bewijs dienen, zoals de facturen en overeenkomsten in kwestie. Dit vertrouwen is door het handelen van verdachte aangetast.

Voor wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn overweegt de rechtbank dat de Hoge Raad als uitgangspunt heeft geformuleerd dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is begonnen en zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan die afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen. De rechtbank stelt vast dat op 22 maart 2017 een doorzoeking in de woning van verdachte heeft plaatsgevonden in verband met de ten laste gelegde feiten. Dit moment neemt de rechtbank als startpunt van de redelijke termijn. De zaak is voor het eerst op zitting behandeld op 29 maart 2021. Het vonnis wordt gewezen op 12 april 2021, ongeveer vier jaren en één maand na aanvang van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden met twee jaren en één maand. Een deel van die overschrijding is echter te verklaren door de omvang en gecompliceerdheid van de zaak, nu het gaat om feiten die naar hun aard lastig te onderzoeken zijn en er ook getuigen in het buitenland zijn gehoord. Als compensatie voor het niet verklaarbare deel van de termijnoverschrijding zal de rechtbank een deel van de op te leggen straf een voorwaardelijk karakter geven. Gelet op de inmiddels verstreken tijd, waarin verdachte niet opnieuw met justitie in aanraking is gekomen, zal de rechtbank volstaan met een proeftijd van 2 jaar.

Daarbij houdt de rechtbank er in het voordeel van verdachte tevens rekening mee dat uit het uittreksel van de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht over de persoon van verdachte en ziet geen aanleiding tot het opmaken van een reclasseringsrapportage. Gelet op al het voorgaande, met inachtneming van de rol van verdachte in het geheel en de schade die in verhouding met het oorspronkelijke bedrag beperkt is, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan zes voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

8 De schade van benadeelden

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr wordt opgelegd omdat hij de niet redresseerbare 90.000 euro aan [energiemaatschappij] moet terugbetalen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, primair omdat verdachte bereidwillig is om het bedrag terug te betalen. Subsidiair dient de vordering afgewezen te worden omdat het causaal verband ontbreekt, verdachte was immers geen contractpartij.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 36f lid 2 Sr houdt, voor zover van belang, in dat de maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte jegens [energiemaatschappij] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor het gehele schadebedrag. Het bewezen verklaarde feit sub 2 is in het geheel niet een feit waardoor de financiële schade kan zijn opgetreden. Het betreft valsheden om de reeds wederrechtelijk ontvangen gelden jegens derden een legaal karakter te geven. Niet gezegd kan worden dat de schade van [energiemaatschappij] door dat feit is toegebracht. Datzelfde geldt voor het bewezen verklaarde feit sub 1. Die valsheid is immers slechts een onderdeel van meerdere oplichtingsmiddelen die gebruikt zijn om [energiemaatschappij] tot afgifte van geld te bewegen, zodat niet gezegd kan worden dat de schade (alleen) door dat feit is toegebracht en dat verdachte derhalve civielrechtelijk tot schadevergoeding gehouden is.

De rechtbank zal daarom de gevorderde schadevergoedingsmaatregel niet opleggen.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf:

medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. H. Manuel en mr. R.M. van Vuure, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Koning, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2021.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van het combiteam Belastingdienst/FIOD en de Dienst Landelijke Recherche van de Landelijke Eenheid van de politie, met onderzoeksnaam Palacios en onderzoekscode LERED17005. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 DOC-168A (pag. 1254 en 1255).

3 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 29 maart 2021.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 27 september 2017 (pag. 307).

5 DOC-168B (pag. 1256 t/m 1260).

6 Pag. 413 e.v.

7 Pag. 989.

8 Proces-verbaal van bevindingen van 24 oktober 2017 (pag. 1014 en 1015).

9 Proces-verbaal van bevindingen van 14 oktober 2020 (pag. 1109 e.v.).

10 Proces-verbaal van bevindingen van 14 oktober 2020 (pag. 1109 e.v.).

11 Pag. 481 tot en met 483.

12 Pag. 1146.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 27 september 2017 (pag. 306).

14 DOC-l68A (pag. 1254).

15 DOC-168B (pag.1256).

16 DOC-l68C (pag. 1261).

17 DOC-168D (pag. 1262).

18 DOC-168F (pag. 1264).

19 DOC-168H (pag. 1266).

20 DOC-168 I (pag. 1267).

21 DOC-168G (pag. 1265).

22 DOC-168I (pag. 1267).