Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1983

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-04-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
08.315769.20 + 08.173966-20 + 08.215446-20 + 08.264579-20 (gev. ttz) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank legt een 29-jarige man een ISD-maatregel op voor 2 jaar. Hij pleegde twee diefstallen en heeft twee keer harddrugs in zijn bezit gehad. Gezien zijn justitiële geschiedenis en verslavingsproblematiek houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat de man opnieuw de fout in gaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.315769.20 + 08.173966-20 + 08.215446-20 + 08.264579-20 (gev. ttz) (P)

Datum vonnis: 12 april 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres 1] ,

thans verblijvende: P.I. Grave te Grave.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 maart 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. Leusink-van Dijk en van hetgeen namens verdachte door de raadsman

mr. J.W. Bosman, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

2.1

De korte feitelijke weergave van de tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

parketnummer 08.315769.20

feit 1: verschillende drugs, te weten amfetamine en GHB, voorhanden heeft gehad;

feit 2: een huisverbod heeft overtreden;

parketnummer 08.173966-20

feit 1: verschillende goederen heeft gestolen;

feit 2: een kentekenplaat in zijn bezit had waarvan hij wist of had moeten weten dat deze gestolen was;

parketnummer 08.215446-20

feit 1: samen met een ander of alleen een bouwradio en twee mobiele telefoons heeft gestolen;

parketnummer 08.264579-20

feit 1: verschillende drugs, te weten amfetamine en GHB, voorhanden heeft gehad.

2.2

De tenlastelegging

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

parketnummer 08.315769.20

1.

hij op of omstreeks 7 december 2020 te Vriezenveen, gemeente Twenterand,

althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 140,85 gram en/of ongeveer 4,90 gram Amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende Amfetamine en/of ongeveer 80 milliliter GHB, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-hydroxybutaanzuur en/of Gamma-hydroxyboterzuur, zijnde Amfetamine en/of 4-hydroxybutaanzuur en/of Gamma-hydroxyboterzuur, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij als degene aan wie door of namens de burgemeester met toepassing van de Wet tijdelijk huisverbod een huisverbod was gegeven, derhalve als uithuisgeplaatste, op of omstreeks 14 december 2020 te Vriezenveen, gemeente Twenterand, in strijd met dat huisverbod

de in dit verbod genoemde woning, gelegen aan [adres 1] , heeft betreden en/of zich in en/of in nabijheid van die woning heeft opgehouden en/of contact heeft opgenomen met één of meer van de in dat huisverbod genoemde personen;

parketnummer 08.173966-20

1.

hij op of omstreeks 5 juli 2020 te of nabij Vriezenveen in de gemeente Twenterand, een of meer (engelen)beeldjes, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n), te weten aan [aangever 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

hij op of omstreeks 5 juli 2020 te of nabij Vriezenveen in de gemeente Twenterand, een goed, te weten een kentekenplaat ( [kenteken] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

parketnummer 08.215446-20

1.

hij op of omstreeks 2 augustus 2020 te Westerhaar-Vriezenveense, gemeente Twenterand

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een bouwradio en twee mobiele telefoons, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [aangever 2] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

parketnummer 08.264579-20

1.

hij op of omstreeks 21 oktober 2020 te Vriezenveen, gemeente Twenterand en/of te Borne,

althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 48,64 gram Amfetamine,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende Amfetamine en/of ongeveer 110 milliliter 4-hydroxyboterzuur (GHB), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur (GHB), zijnde Amfetamine en/of 4-hydroxyboterzuur (GHB)

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.3

Kennelijke verschrijving

De rechtbank leest bij het onder parketnummer 08.215446-20 ten laste gelegde in plaats van het woord ‘Westerhaar-Vriezenveense’ het woord ‘Westerhaar-Vriezenveensewijk’. Nu eerstgenoemde plaatsaanduiding geen daadwerkelijk bestaande plaats betreft en nu het proces-verbaal van de politie de correcte schrijfwijze bevat, te weten Westerhaar-Vriezenveensewijk en de tenlastelegging daarvan afwijkt, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een kennelijke verschrijving. De rechtbank herstelt deze verschrijving en leest de tenlastelegging zoals hiervoor is vermeld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

Dit hoofdstuk bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

4.1

Parketnummer 08.315769-20

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde en tot vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat de drugs niet onder verdachte noch in zijn slaapkamer op de eerste verdieping zijn aangetroffen en dat de drugs zich aldus niet in de onmiddellijke nabijheid van verdachte bevonden, als ook dat enige bewustheid van verdachte met betrekking tot de drugs – nu verdachte in nagenoeg comateuze toestand in zijn slaapkamer lag – ontbreekt.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden gezegd dat verdachte wist dat hem een huisverbod was opgelegd gelet op de omstandigheden waaronder door de verbalisanten mededeling van dat huisverbod is gedaan. Verdachte verbleef op dat moment in verwarde toestand in een kliniek. Vanwege zijn situatie was hem bovendien een kalmerend middel toegediend.

Het oordeel van de rechtbank

- 08.315769-20 feit 1

De redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende vast.

Op 7 december 2020 is de politie binnen getreden in de woning aan [adres 1] . Verdachte lag op het moment van binnentreden – buiten bewustzijn – op een bed in een slaapkamer op de eerste verdieping van de woning. In deze woning zijn op verschillende plekken, waaronder het aanrecht in de keuken en onder een kussen op de bank in de woonkamer, diverse hoeveelheden verdovende middelen, te weten 140,85 gram en 4,90 gram (materialen bevattende) amfetamine en 80 milliliter GHB, aangetroffen.

Verdachte heeft tegenover de rechter-commissaris te kennen gegeven niets te weten van de aangetroffen drugs.

De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte de in de woning aangetroffen verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad in de zin van de Opiumwet.

Voor het antwoord op deze vraag is volgens vaste rechtspraak niet noodzakelijk dat de verdovende middelen de verdachte toebehoren. Evenmin hoeft sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Voldoende is dat de onder de Opiumwet vallende middelen zich in de machtssfeer van verdachte bevinden en dat verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid hiervan. Daaronder is ook begrepen het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat die middelen in een bepaalde ruimte aanwezig zijn.

De woning aan [adres 1] waar voornoemde verdovende middelen zijn aangetroffen betreft de woning van de moeder van verdachte en is tevens het verblijfsadres van verdachte. De rechtbank stelt voorop dat dat gebruikers van een woning over het algemeen toegang hebben tot alle ruimten in hun woning, als ook dat zij wetenschap hebben van de daar aanwezige goederen en dat deze goederen zich ook in hun machtssfeer bevinden. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden waaruit voortvloeit dat dit in deze zaak anders zou zijn. De rechtbank betrekt in haar oordeel de verklaring van de moeder van verdachte die onder meer duidelijk te kennen heeft gegeven dat zij reeds op 4 december 2020 de woning heeft verlaten omdat zij bang was voor verdachte. Van de aanwezigheid van derden in de woning is niet gebleken. Daarnaast heeft de moeder van verdachte direct verklaard dat de aangetroffen drugs niet van haar zijn, maar van haar zoon, een bekend druggebruiker. Voor de aanwezigheid van de verdovende middelen in zijn woning heeft verdachte daarentegen op geen enkel moment een aannemelijke verklaring gegeven. De rechtbank gaat er op grond van het vorenstaande vanuit dat verdachte wetenschap had van de in de woning aangetroffen drugs waarin hij al geruime tijd als enige verbleef en dat deze zich in de machtssfeer van verdachte bevonden. Dat verdachte zich, op het moment dat de politie de drugs in de woning heeft aangetroffen, niet in de onmiddellijke nabijheid van de drugs bevond maakt dit niet anders. Dit geldt evenzo voor de toestand waarin verdachte op het moment van aantreffen verkeerde. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging hieromtrent.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen wat aan verdachte onder feit 1 is ten laste gelegd.

- 08.315769-20 feit 2

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en de verdediging, niet bewezen wat aan verdachte onder parketnummer 08.315769-20 feit 2 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.2

Parketnummer 08.173966-20

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezen verklaring van het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat nergens uit blijkt dat verdachte wist of had moeten vermoeden dat de kentekenplaat van misdrijf afkomstig was.

Het oordeel van de rechtbank

- 08.173966-20 feit 1

De redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende vast.

Uit de tuin van aangever [aangever 1] in Vriezenveen zijn op 5 juli 2020 twee engelenbeeldjes gestolen. Op een screen print – afkomstig van een door aangever overhandigd filmpje van de bewegingssensor in de voordeurbel met zicht op de betreffende tuin – is een persoon zichtbaar met een geblokt shirt, felblauwe trainingsbroek en een paars petje die de beeldjes wegneemt. De zichtbare kleding komt overeen met de door verdachte gedragen kleding ten tijde van zijn aanhouding op 5 juli 2020. De engelenbeeldjes – die door aangever worden herkend als zijn eigendom – zijn aangetroffen op het verblijfsadres van verdachte aan [adres 1] .

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 08.173966-20 feit 1 ten laste gelegde heeft begaan.

- 08.173966-20 feit 2

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet bewezen wat aan verdachte onder 08.173966-20 feit 2 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Afgezien van het feit dat bij het verblijfsadres van verdachte aan [adres 1] een scooter met het kenteken [kenteken] is aangetroffen, bevat het dossier geen enkel aanknopingspunt op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte wist dan wel dat hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat voornoemde kentekenplaat van misdrijf afkomstig was.

4.3

Parketnummer 08.215446-20

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het onder 08.215446-20 ten laste gelegde is bewezen en dat sprake is van medeplegen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het wegnemen van twee mobiele telefoons wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De verdediging heeft voorts betoogd dat geen sprake is van medeplegen. Ten aanzien van het ten laste gelegde wegnemen van een bouwradio heeft de verdediging geen standpunt ingenomen.

Het oordeel van de rechtbank

De redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende vast.

Verdachte is op 2 augustus 2020 samen met [naam 1] aanwezig geweest in de woning van

[aangever 2] aan de [adres 2] in Westerhaar-Vriezenveensewijk. Op het moment dat aangever [aangever 2] , gealarmeerd door zijn zoon, vanaf de bovenverdieping naar beneden is gekomen, staat de bouwradio van [aangever 2] buiten de woning voor de scooter waar verdachte naast staat. Vervolgens is verdachte met de bouwradio tussen zijn benen op de scooter weggereden.

[aangever 2] ontdekt vervolgens dat hij twee mobiele telefoons mist.

De overwegingen van de rechtbank

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij samen met een ander of alleen twee mobiele telefoons en een bouwradio toebehorende aan [aangever 2] heeft gestolen.

- de mobiele telefoons

Verdachte is op 2 augustus 2020 in de woning van [aangever 2] geweest en kort daarop miste [aangever 2] twee mobiele telefoons. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat deze telefoons zijn weggenomen, wanneer dit zou hebben plaatsgevonden en evenmin of en in hoeverre er sprake zou zijn van betrokkenheid van verdachte hierbij. De rechtbank acht aldus niet bewezen dat verdachte de twee mobiele telefoons heeft weggenomen en spreekt verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrij.

- de bouwradio

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor onder de redengevende feiten en omstandigheden is vastgesteld wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bouwradio heeft weggenomen.

- medeplegen

Op grond van het dossier is niet komen vast te staan dat een ander dan verdachte betrokken is geweest bij het wegnemen van de bouwradio zoals is ten laste gelegd 08.215446-20. De enkele aanwezigheid van [naam 1] in de woning van [aangever 2] , is daartoe onvoldoende. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat verdachte het laste gelegde bestanddeel ‘tezamen en in vereniging met een of meer anderen’ heeft gepleegd en spreekt verdachte van dit bestanddeel vrij.

4.4

Parketnummer 08.264579-20

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het onder 08.264579-20 ten laste gelegde is bewezen ten aanzien van het aanwezig hebben van (een materiaal bevattende) amfetamine en dat verdachte ten aanzien van het aanwezig hebben van GHB moet worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft evenals de officier van justitie het standpunt ingenomen dat slechts een bewezen verklaring kan volgen ten aanzien van de amfetamine en dat ten aanzien van de GHB vrijspraak moet volgen.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 08.264579-20 ten laste gelegde

De redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende vast.

Nadat verdachte op 21 oktober 2020 in Westerhaar-Vriezenveensewijk is aangehouden, worden bij de insluitingsfouillering op het arrestantencomplex in Borne op verschillende plekken in de kleding van verdachte diverse hoeveelheden van een witte substantie, brokjes of poeder aangetroffen. In een tas die verdachte bij zich droeg zat een flesje met een stroperige substantie. Een indicatieve test van de 110 milliliter vloeistof in het flesje heeft een positieve uitslag op GHB opgeleverd en indicatieve testen van de witte brokjes, substantie of poeder (van in totaal 48,64 gram) allen een positieve uitslag op amfetamine.

Een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft na onderzoek vastgesteld dat de verschillende hoeveelheden witte substantie/brokjes/poeder allen amfetamine bevatten, een middel vermeld op lijst I behorende bij de Opiumwet.

De overwegingen van de rechtbank

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van 48,64 gram amfetamine en 110 milliliter 4-Hydroxyboterzuur (GHB).

- de GHB

Hoewel de indicatieve test van de onder verdachte aangetroffen fles met stroperige substantie een aanwijzing geeft in de richting van GHB, zijnde een verdovend middel in de zin van de Opiumwet, ontbreekt nader onderzoek naar deze substantie door het NFI. Nu het dossier ook overigens geen bewijsmiddel bevat ten aanzien van de inhoud of werkzaamheid van de substantie, kan niet zonder twijfel worden vastgesteld dat sprake is van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. De rechtbank spreekt verdachte aldus vrij van dit deel van de tenlastelegging.

- de amfetamine

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor onder de redengevende feiten en omstandigheden is vastgesteld wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 08.264579-20 tenlastegelegde feit ten aanzien van de amfetamine heeft begaan.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

08.315769-20 feit 1

hij op of omstreeks 7 december 2020 te Vriezenveen, gemeente Twenterand, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 140,85 gram en/of ongeveer 4,90 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende Amfetamine en/of ongeveer 80 milliliter GHB, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-hydroxybutaanzuur en/of Gamma-hydroxyboterzuur, zijnde amfetamine en/of 4-hydroxybutaanzuur en/of Gamma-hydroxyboterzuur, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

08.173966-20 feit 1

hij op of omstreeks 5 juli 2020 te of nabij Vriezenveen in de gemeente Twenterand, een of meer (engelen)beeldjes, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n), te weten aan [aangever 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

08.215446-20

hij op of omstreeks 2 augustus 2020 te Westerhaar-Vriezenveensewijk, gemeente Twenterand tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans een bouwradio en twee mobiele telefoons, in elk geval enig goed, dat die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [aangever 2] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

08.264579-20

hij op of omstreeks 21 oktober 2020 te Vriezenveen, gemeente Twenterand en/of te Borne,

althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 48,64 gram amfetamine,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende Amfetamine en/of ongeveer 110 milliliter 4-hydroxyboterzuur (GHB),in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur (GHB),zijnde amfetamine en/of 4-hydroxyboterzuur (GHB)

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 10 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

08.315769-20 feit 1

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

08.173966-20 feit 1 en 08.215446-20

telkens het misdrijf: diefstal;

08.264579-20

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatig daders (ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen ISD-maatregel moet worden opgelegd, maar dat deze zaak moet worden afgedaan met een korte gevangenisstraf. Subsidiair heeft de verdediging verzocht dat indien de rechtbank de ISD-maatregel oplegt, om na één jaar een rechterlijke toetsing te laten plaatsvinden, als ook om de reeds ondergane voorlopige hechtenis in mindering te brengen op de duur van de op te leggen maatregel.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal diefstallen en heeft twee maal harddrugs in zijn bezit gehad. Door het plegen van dit soort vermogensfeiten heeft verdachte bij de benadeelden schade en overlast veroorzaakt. Verdachte is al lange tijd bekend met druggebruik. Het gebruik van harddrugs en softdrugs is schadelijk voor de volksgezondheid. Drugsverslavingen gaan veelal gepaard met grote sociale, mentale en fysieke problemen. Van druggebruikers is algemeen bekend dat zij dikwijls strafbare feiten begaan om de benodigde drugs te kunnen bekostigen, waarmee een hinderlijke vorm van criminaliteit wordt gepleegd die schade toebrengt aan de maatschappij.

- het advies van de deskundigen

De reclassering van Novadic Kentron heeft op 8 februari 2021 een adviesrapport uitgebracht. Verdachte heeft geen medewerking verleend aan de totstandkoming van dit advies.

Uit het advies volgt onder meer het volgende.

Verdachte heeft problemen op nagenoeg alle leefgebieden. Uit een voorgeleidingsconsult dat in december 2020 werd uitgebracht blijkt dat betrokkene bekend is met psychische problemen in combinatie met problematisch middelengebruik en er zou sprake zijn van een verstandelijke beperking. Er is sprake van een delict patroon: alle delicten worden onder invloed of ten behoeve van middelengebruik gepleegd. De kans op recidive en de kans op onttrekking aan de voorwaarden worden als hoog ingeschat. Het risico op geweld wordt als gemiddeld ingeschat. In het verleden zijn er vanuit de reclassering diverse trajecten uitgezet die gericht waren op het terugdringen van de kans op recidive. Echter, geen enkel traject is succesvol afgerond want verdachte blijft recidiveren in delict gedrag. Verdachte houdt alle hulpverlening af en is niet gemotiveerd voor verandering. In 2019 is verdachte middels een RM klinisch opgenomen geweest, doch heeft aldaar geen medewerking verleend aan nader gedragsdeskundig onderzoek.

In 2020 zijn er contacten geweest met het levensloopteam (dit betreft een pilottraject, samenwerking tussen diverse hulpverleningsinstellingen waaronder Transfore, Tactus en GGZ Mediant voor cliënten die reeds lang bekend zijn binnen de hulpverlening zonder resultaat). Ook bij deze laagdrempelige vorm van hulpverlening heeft verdachte alle contacten afgehouden en te kennen gegeven niet open te staan voor verdere hulpverlening.

Een fors justitieel kader is aan de orde om ervoor te zorgen dat verdachte aanhaakt bij een hulpverleningstraject dat erop is gericht om de kans op recidive te verminderen.

Geadviseerd wordt oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.

In geval van oplegging en onherroepelijk worden van de ISD-maatregel wordt door de penitentiaire inrichting in multidisciplinair verband en met inbreng van externe partners (reclassering, gemeentes) op grond van een uitgebreid persoonlijkheidsonderzoek, een plan van aanpak samengesteld dat niet alleen betrekking heeft op de intramurale fase, maar ook op een extramuraal traject.

De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat diverse in het verleden ingezette hulpverleningstrajecten niet zijn geslaagd. De drugsverslaving blijft in het leven van verdachte de overhand houden en verdachte blijft – ter bekostiging van deze verslaving – maatschappelijke overlast en financiële schade veroorzaken. De rechtbank stelt vast dat de tot op heden gezochte en geboden hulpverlening niet tot de beoogde gedragsverandering en overlastvermindering hebben geleid. Ook gelet op de proceshouding van verdachte ligt een gedragsverandering van verdachte op korte termijn niet in de rede.

De rechtbank acht oplegging van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden, gezien hetgeen hiervoor is uiteengezet, als ook gezien de houding van verdachte en zijn afwijzing van aangeboden hulpverlening, niet afdoende. Ook het door de verdediging aangedragen alternatief door te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is naar het oordeel van de rechtbank niet langer aan de orde. De rechtbank heeft er op grond van het vorenstaande geen vertrouwen in dat verdachte na het uitzitten van een gevangenisstraf zelfstandig zijn leven op orde zal krijgen. De rechtbank weegt hierbij mee dat de reclassering evenals de officier van justitie oplegging van de ISD-maatregel noodzakelijk achten.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

- voorwaarden maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van voornoemde bewezen verklaarde feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m Sr aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee diefstallen en twee overtredingen van de Opiumwet, feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 9 maart 2021 blijkt dat verdachte, die als stelselmatig dader wordt aangemerkt, gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen/maatregel.

Gezien de justitiële geschiedenis van verdachte als ook gezien de langdurig aanwezige verslavingsproblematiek, houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat verdachte opnieuw tot het plegen van vermogens- dan wel Opiumwetdelicten als de onderhavige zal overgaan, zolang voor zijn problematiek geen oplossing wordt gevonden. Hiermee is de veiligheid van personen en goederen in het geding. Het ingeschatte hoge recidiverisico en de herhaaldelijke maatschappelijke overlast in aanmerking nemend, eist de veiligheid van personen en goederen ook de oplegging van deze maatregel.

- de verdere overwegingen

De rechtbank overweegt dat indien sprake is van een mogelijke oplegging van de ISD-maatregel enerzijds het belang van de maatschappij om beveiligd te worden tegen de aantasting van personen en goederen door misdrijven en anderzijds het onder meer in artikel 5 van het EVRM neergelegde recht op persoonlijke vrijheid dient te worden afgewogen. De rechtbank is zich bewust van de zwaarte van een dergelijke maatregel. Van belang hierbij acht de rechtbank dat de maatregel naast beveiliging van de maatschappij, beoogt een bijdrage te leveren aan de beëindiging van verdachtes recidive en voorts aan een oplossing van zijn problematiek.

De rechtbank ziet op grond van hetgeen hiervoor is uiteengezet geen aanleiding voor een andere strafmodaliteit dan de ISD-maatregel. De rechtbank is van oordeel dat de ISD-maatregel de beste kans biedt voor verdachte om verandering te brengen in zijn huidige leefsituatie, om zijn problematiek aan te pakken en om daarmee de mogelijkheid te creëren om voor zichzelf een andere toekomst op te bouwen. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke structurele kentering in het leven van verdachte niet anders kan worden gerealiseerd dan binnen het kader van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel.

De rechtbank zal deze maatregel dan ook opleggen.

- duur van de maatregel

De rechtbank is van oordeel dat de maximale termijn nodig is om verdachte de gelegenheid te bieden zijn verslavingsproblematiek ook daadwerkelijk aan te pakken en de structurele verandering in zijn leven te bewerkstelligen. Daarom zal de rechtbank de onvoorwaardelijke ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaren. Anders dan de officier van justitie en de verdediging ziet de rechtbank bij het bepalen van de duur van de maatregel, gezien het hetgeen hiervoor is uiteengezet, geen redenen om op grond van artikel 38n, tweede lid, Sr rekening te houden met de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding tot het bepalen van een moment voor tussentijdse beoordeling van de maatregel ex artikel 38n, derde lid Sr jo. artikel 6:6:14, eerste lid, Sv.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 547,49, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- Samsung A6 telefoon € 183,20;

- Samsung A 40 telefoon € 242,50;

- Bouwradio € 121,79.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vordering kan worden toegewezen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de vordering dan wel deze af te wijzen wat betreft de posten die zien op de mobiele telefoons, gezien de bepleite vrijspraak. De verdediging heeft verder betoogd dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding voor de post bouwradio ook niet ontvankelijk moet worden verklaard dan wel dat deze moet worden afgewezen of moet worden gematigd. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat niet blijkt wanneer de bouwradio is gekocht en voor welke prijs. Een hoger afschrijvingspercentage moet worden gehanteerd dan is aangehouden in de vordering.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

- de posten mobiele telefoons

Deze posten hebben betrekking op het onder 08.215446-20 ten laste gelegde. Nu verdachte van dit feit, voor het deel dat ziet op diefstal van mobiele telefoons, zal worden vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

- de post bouwradio

De onder de post bouwradio opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden.

Dat neemt niet weg dat wel is komen vast te staan dat de benadeelde partij schade heeft geleden. Enkel de (exacte) omvang staat in dit stadium niet vast. De rechtbank ziet aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten. De rechtbank is van oordeel dat de omvang van de schade naar redelijkheid en billijkheid op dit moment kan worden bepaaldop € 50,--. De rechtbank betrekt in haar overwegingen de door de benadeelde partij in het geding gebrachte nieuwwaarde van een vergelijkbare radio, het toe te passen jaarlijkse afschrijvingspercentage en het feit dat niet bekend is hoe oud de radio precies was. De rechtbank zal de vordering tot zover toewijzen en voor het overige afwijzen.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 38m en 38n Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 08.315769-20 feit 2 en onder 08.173966-20 feit 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 08.315769-20 feit 1, onder 08.173966-20 feit

1, onder 08.215446-20 en onder 08.264579-20 tenlastegelegde heeft begaan, zoals

hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

08.315769-20 feit 1 het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

08.173966-20 feit 1 en 08.215446-20 telkens het misdrijf: diefstal;

08.264579-20 het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 08.3157692- feit 1, onder 08.173966-20

feit 1, onder 08.215446-20 en onder 08.264579-20 bewezen verklaarde;

maatregel

- legt aan verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, voor de tijd van twee (2) jaren;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] (parketnummer 08.215446-20): van een bedrag van € 50,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 2 augustus 2020);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit onder parketnummer 08.215446-20 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 50,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 2 augustus 2020 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van één (1) dag kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: [aangever 2] ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding voor de telefoons niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. H. Stam en mr. J. Faber, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockotter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2021

Mr. Faber is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Ten aanzien van 08.315769-20 feit 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met zaakregistratienummer PL0600-2020591383.

1.

Het proces-verbaal van bevindingen, zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, pagina 3 – 5:

[verdachte] is mij bekend als een zware harddruggebruiker. [naam 2] deelde haar zorgen met betrekking tot haar zoon [verdachte] . [verdachte] en [naam 2] zijn woonachtig op hetzelfde adres aan [adres 1] .

Ik verbalisant hebt op 07 december 2020 een bezoek gebracht aan het adres van [naam 2] en [verdachte] .

Desgevraagd liet [naam 2] weten dat;

- haar zoon, als gevolg van het overmatig drugsgebruik, in een psychose is geraakt,

- zij toestemming aan mij verbalisant gaf om haar woning te betreden.

Met toestemming van hoofdbewoonster [naam 2] heb ik, samen met collega's [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , de woning betreden door gebruik te maken van de mij overhandigde sleutel.

Wij zagen [verdachte] , op het bed in zijn slaapkamer liggen.

Wij zagen op het aanrecht vier kleine gripzakjes met wit poeder liggen. Tevens zagen wij een flesje staan. Wij zagen dat de inhoud een stroperige blanke substantie was.

In de woonkamer zag ik op de bank een kussen liggen. Nadat ik dat kussen verplaatste

zag ik twee boterhamzakjes, gedeeltelijk gevuld met een wit poeder.

In beslag genomen goederen

- zak 100 gram,

- zak 45 gram,

- vier gripzakjes, totaal 5 gram

2.

Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, pagina 25 – 27:

Door de Forensische Opsporing een onderzoek ingesteld in verband met een vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. Het onderzoek vond plaats aan een hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen. Deze partij was inbeslaggenomen tijdens een onderzoek ingevolge de Opiumwet op het adres [adres 1] , binnen de gemeente Twenterand.

Onderzoeksresultaten

Door ons werd het volgende waargenomen en bevonden.

[Afbeelding]

[Afbeelding]

3.

Een schriftelijk bescheid, te weten een rapportage Identificatie van GHB, opgemaakt op 16 februari 2021, door ing. A.G.A. Sprong, zakelijk weergegeven voor zover inhoudende:

Vraagstelling

In het aanvraagformulier is de volgende vraagstelling vermeld:

"Bevat het onderzoeksmateriaal GHB?"

Conclusie

In het onderzoeksmateriaal is GHB aangetoond. Deze substantie is vermeld op lijst I van de

Opiumwet.

4.

Een schriftelijk bescheid, te weten een rapportage Identificatie van GHB, opgemaakt op 21 januari 2021, door ing. A.G.A. Sprong, zakelijk weergegeven voor zover inhoudende:

Vraagstelling

Bevat het materiaal amfetamine, cocaïne, heroïne, metamfetamine en/of MDMA?

5.

Een schriftelijk bescheid, te weten een rapportage Identificatie van GHB, opgemaakt op 21 januari 2021, door ing. A.G.A. Sprong, zakelijk weergegeven voor zover inhoudende:

Vraagstelling

Bevat het materiaal amfetamine, cocaïne, heroïne, metamfetamine en/of MDMA?

Ten aanzien van 08.173966-20 feit 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met zaakregistratienummer PL0600- 2020311532.

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, pagina 3 met bijlagen op pagina 8 en 9:

Ik ben hoofdbewoner van perceel [perceel] . Op 5 juli 2020 om 08.15 uur hoorde ik via mijn mobiele telefoon, dat de bewegingssensor van de voordeurbel ging. Ik heb bij de voordeur een bel met camera, die opneemt, zodra er beweging waargenomen wordt. Kort hierop, kreeg ik van mijn buurman een berichtje, dat er iemand op een scooter bij mijn woning gestopt was en 2 beeldjes uit de tuin had weggenomen. Ik zag dat er twee witte engelenbeeldjes van een buitenbankje weg waren. Ik heb een filmpje op mijn telefoon staan, waarop te zien is, dat een man in een geblokt shirt en een fel blauwe trainingsbroek en een paars petje op zijn hoofd, droeg. Hij heeft iets in zijn linkerhand / arm vast. Stapt op de scooter. Start de scooter en reed vervolgens weg.

[Afbeelding]

Verdachte [verdachte] bij de aanhouding.

[Afbeelding]

Aangetroffen tuinbeeldjes, in de tuin, naast perceel [adres 1]

2.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, pagina 13:

Op zondag 05 juli 2020 omstreeks 08:15 uur hoorde ik een brommer of een scooter de [perceel] inrijden. Ik zag dat de bestuurder van de scooter bij de buurman van de [perceel] stopte. Ik zag dat de bestuurder de tuin van de buurman in liep en goed om zich heen keek, ook zag ik dat hij goed in de keuken van de buurman keek. Ik zag dat hij twee beeldjes van een bankje pakte. Ik zag dat hij nogal gehaast naar zijn scooter liep, hij zette de beeldjes tussen zijn benen op de scooter. Ik zag hem hierop wegrijden.

De scooter was zwart met een rose/rood voorwiel.

Ik kan u de persoon op de scooter als volgt omschrijven:

- Man, blanke huidskleur

- Hij droeg een pet, paars van kleur

- Hij droeg een geblokte/ geruite blouse

- Hij droeg een fel blauwe broek

- Hij had witte Nike sneakers aan

3.

Een schriftelijk bescheid, te weten een printscreen van een filmpje, voor zover inhoudende, pagina 17:

[Afbeelding]

Printscreen van het filmpje genomen van de deurbelcamera [perceel] .

4.

Het proces-verbaal van bevindingen, zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, pagina 23 – 24:

wij verbalisanten kregen een melding dat er iemand gezien had dat er bij zijn buurman, [perceel] , uit de tuin enkele beeldjes weg waren genomen. De melder had gezien dat er een persoon op een scooter was weggereden. Wij hebben gebeld met de melder. Hij vertelde ons dat de persoon op de scooter een houthakkers-blouse aan had, een paars petje droeg en een opvallend blauwe broek droeg. De scooter had een opvallend rood/ roze voorwiel.

Ik verbalisant [verbalisant 4] had sterk het vermoedden dat het ging om mij de ambtshalve bekende [verdachte] , wonende aan [adres 1] , gemeente Twenterand. Hierop zijn wij bij het adres van [verdachte] aan [adres 1] aan gegaan. Wij keken in de tuin van bovengenoemd adres en zagen, dat er een scooter stond. Wij zagen dat de scooter een opvallend rood voorwiel had. Toen wij aanbelden deed [verdachte] open. Wij zagen dat [verdachte] , met ontbloot bovenlijf aan de deur stond. Wij zagen, dat hij een fel blauwe trainingsbroek droeg. Ook zagen wij dat hij witte sneakers, met opvallende rode stukken voor op de schoenen, droeg.

In de tuin, aan de westzijde van de woning [adres 1] , troffen wij twee beeldjes aan beide van een engeltje. Deze lagen tegen de erfafscheiding, op de grond in de tuin. Vervolgens zijn wij naar het adres van aangever gereden om hem de beeldjes te laten

zien. Aangever [aangever 1] bevestigde dat het ging om de beeldjes die in zijn voortuin op een bankje hadden gestaan.

Ten aanzien van 08.215446-20

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met zaakregistratienummer PL0600- 2020361464.

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, pagina 2:

Op 2 augustus 2020 was ik boven in mijn woning. Deze woning is gelegen aan de [adres 2] . Ik hoorde [aangever 2] roepen dat ik naar beneden moest komen. Er zouden mensen binnen zijn. Ik kwam hierop naar beneden. Ik zag dat [verdachte] alweer buiten was. De bouwradio stond voor de scooter en [verdachte] stond ernaast. Ik zei tegen ze dat ik de bouwradio terug wilde hebben. Vervolgens reed [verdachte] met de scooter weg.

2.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 2] , zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, pagina 7:

Toen ik beneden kwam zag ik dat [verdachte] met [naam 1] in de bijkeuken stond.

Ik zag dat [verdachte] de bouwradio tussen zijn benen op de scooter had staan. Deze bouwradio moet hij gepakt hebben uit de bijkeuken.

Daarna reed hij weg.

Ten aanzien van 08.264579-20

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met zaakregistratienummer PL0600-2020500018.

1.

Het proces-verbaal van bevindingen, zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, pagina 4 - 5:

Op 21 oktober 2020 hoorden wij via het interne gespreksgroep dat collega [verbalisant 5] [verdachte] (de rechtbank leest: [verdachte] ) [verdachte] zag rijden op de bromfiets en probeerde te laten stoppen. Op het moment dat wij op de Prinsenweg reden zagen wij dat collega [verbalisant 5] de verdachte [verdachte] aanhield. Wij hebben de verdachte [verdachte] laten plaatsnemen in onze opvallende politieauto. Hierop zijn wij met de verdachte naar het Politie Arrestantencomplex in Borne gereden om hem aldaar in te sluiten.

Ik, verbalisant [verbalisant 6] , heb de verdachte [verdachte] onderworpen aan een insluitingsfouillering.

Ik trof aan de rechtervoet van de verdachte een verdikking aan. Deze verdikking zat aan de buitenzijde van zijn been. Ik zag dat de verdachte twee paar sokken aan had. Tussen deze sokken trof ik een blauw boterhamzakje aan met hierin vermoedelijk amfetamine (2020500018-5).

Daarnaast troffen wij een soort van sleutelhanger aan. Deze hing aan de tas waar je een hengsel kunt ophangen. Deze sleutelhanger was voorzien van een schroefdopje. In de koker troffen wij vervolgens wit poeder aan (2020500018-8).

Ik zag hierop dat de verdachte [verdachte] uit zijn boxershort een zakje met hierin vermoedelijk amfetamine haalde (2020500018-9). Daarnaast haalde de verdachte een klein buisje eruit met hierin vermoedelijk amfetamine (2020500018-11).

2.

De processen-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming, in onderling verband en samenhang bezien, zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende, respectievelijk pagina 42, 45, 48, 51,

Registratienummer : PL0600-2020500018-9:

Registratienummer : PL0600-2020500018-11:

Registratienummer : PL0600-2020500018-5:

Registratienummer : PL0600-2020500018-8:

3.

Het proces-verbaal van bevindingen, zakelijk weergegeven, voor zover

inhoudende, pagina 22:

Op vrijdag 23 oktober 2020 was ik, verbalisant [verbalisant 7] , belast met het onderzoek naar

verdachte [verdachte] . In het kader van dit onderzoek zijn er middels een spoedprocedure

meerdere soorten verdovende middelen indicatief getest.

Op voornoemde datum, omstreeks 09.56 uur, kreeg ik een email van collega [verbalisant 8] van de Forensische Opsporing te Elst. Ik zag in de email de volgende uitslag per goed staan:

Item 1: kaartnr. BVH 2383266 SIN: AAOG7446NL: 0,15 gram Amfetamine

Item 2: kaartnr. BVH 2383257 SIN: AAOG7447NL: 19.69 gram Amfetamine

Item 3: kaartnr. BVH 2383268 SIN: AAOG7448NL: 28.48 gram Amfetamine

Item 5: kaartnr. BVH 2383306 SIN: AAOG7450NL: 0.32 gram Amfetamine

4.

Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport, opgemaakt op 3 december 2020, door ing. F. Wallace, zakelijk weergegeven voor zover inhoudende, pagina 35:

Vraagstelling

Bevat het materiaal amfetamine, cocaïne, heroïne, metamfetamine en/of MDMA?

5.

Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport, opgemaakt op 3 december 2020, door ing. F. Wallace, zakelijk weergegeven voor zover inhoudende, pagina 36:

Vraagstelling

Bevat het materiaal amfetamine, cocaïne, heroïne, metamfetamine en/of MDMA?

6.

Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport, opgemaakt op 3 december 2020, door ing. F. Wallace, zakelijk weergegeven voor zover inhoudende, pagina 37:

Vraagstelling

Bevat het materiaal amfetamine, cocaïne, heroïne, metamfetamine en/of MDMA?

7.

Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport, opgemaakt op 3 december 2020, door ing. F. Wallace, zakelijk weergegeven voor zover inhoudende, pagina 38:

Vraagstelling

Bevat het materiaal amfetamine, cocaïne, heroïne, metamfetamine en/of MDMA?