Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1960

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
8796417 \ CV EXPL 20-4149
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep van gedaagde op valsheid van de handtekening die als van haar bestuurder afkomstig onder een overeenkomst is gezet. Het beroep slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 8796417 \ CV EXPL 20-4149

Vonnis van 4 mei 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE LAGE LANDEN VENDORLEASE B.V.,

statutair gevestigd in Eindhoven,

eiseres,

hierna genoemd: DLL,

gemachtigde: mr. S.V. Vullings,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A],

statutair gevestigd in [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

hierna genoemd: [gedaagde] ,

gemachtigde: de heer [X] .

1 De procedure

1.1.

Bij tussenvonnis van 19 januari 2021 is een mondelinge behandeling gelast, die vervolgens bepaald is op 2 april 2021. DLL heeft nadere producties ingediend bij akte van 24 maart 2021. De nadere producties van [gedaagde] bij haar e-mailberichten van 29 en 31 maart 2021 zijn te laat ingediend en worden buiten beschouwing gelaten. De mondelinge behandeling is via online verbinding (skype) gehouden op 2 april 2021, waarbij partijen en de gemachtigde van DLL zijn verschenen. DLL heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

DLL is een leasemaatschappij. [gedaagde] is een houdstermaatschappij van een groep die gericht is op infra-, sloop- en reinigingswerkzaamheden. De enige bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde] is de heer [X] .

2.2.

Op 28 september 2016 heeft DLL een overeenkomst genaamd ‘financiële lease-huurkoopovereenkomst’ gesloten met de vennootschap Luxury Bedding Company B.V. (hierna: ‘de leaseovereenkomst’). Deze overeenkomst heeft betrekking op een personenauto van het merk Tesla (hierna: ‘het leaseobject’). De leaseovereenkomst bepaalt dat laatstgenoemde vennootschap verplicht is maandelijkse termijnen van € 1.572,66 aan DLL te betalen, en dat DLL de eigendom van het leaseobject overdraagt wanneer alle verschuldigde termijnen (inclusief een slottermijn) van in totaal € 152.566,83 zijn betaald. DLL heeft haar algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing verklaard.

2.3.

Op 6 juli 2017 zijn handtekeningen gezet onder een overeenkomst met het opschrift ‘contractoverneming’ tussen DLL, [gedaagde] en Luxury Bedding Company B.V. (hierna: ‘het overnamecontract’). Deze overeenkomst strekt ertoe dat [gedaagde] alle rechten en verplichtingen jegens DLL uit de leaseovereenkomst overneemt van Luxury Bedding Company B.V. Het overnamecontract vermeldt bij de handtekening van de zijde van [gedaagde] dat zij vertegenwoordigd is door “ [X] ”.

2.4.

Vanaf maart 2020 heeft DLL meerdere betalingsaanmaningen aan [gedaagde] gezonden vanwege het uitblijven van termijnbetalingen. DLL heeft per brief van 21 juli 2020 aan [gedaagde] verklaard de overeenkomst te ontbinden wegens aanhoudend betalingsverzuim. Daarbij heeft DLL betaling van de achterstallige termijnen en de resterende termijnen opgeëist, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.

2.5.

DLL heeft op 8 september 2020 conservatoir beslag tot afgifte laten leggen op het leaseobject, waarbij dit in gerechtelijke bewaring is genomen.

3 Het geschil

De vordering

3.1.

DLL vordert (verkort weergegeven) een verklaring voor recht dat zij eigenaar is van het leaseobject en veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 64.070,54, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.

Daartoe stelt DLL (samengevat) het volgende. DLL heeft haar overeenkomst met [gedaagde] rechtsgeldig ontbonden omdat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar betalingsverplichting. DLL is eigenaar gebleven van het leaseobject omdat niet alle verschuldigde termijnbetalingen zijn voldaan. Als gevolg van de ontbinding is [gedaagde] ten eerste een vergoeding verschuldigd die gelijk is aan de achterstallige termijnen ten bedrage van € 7.863,30, aangezien [gedaagde] het over de betreffende maanden verschafte genot van het leaseobject niet ongedaan kan maken. Ten tweede is [gedaagde] een schadevergoeding verschuldigd voor de resterende termijnen (inclusief slottermijn) ten bedrage van € 56.207,24, aangezien DLL die zou hebben ontvangen indien [gedaagde] de overeenkomst volledig zou zijn nagekomen.

Het verweer

3.3.

[gedaagde] voert (kort gezegd) het volgende verweer. [gedaagde] is niet aan het overnamecontract gebonden, aangezien zij bij het sluiten daarvan niet vertegenwoordigd is door haar bestuurder [X] die daartoe uitsluitend bevoegd is. De handtekening die onder het overnamecontract is gezet, is van de heer [Y] , een broer van [X] die tot april 2020 als werknemer van [gedaagde] de administratie beheerde. [X] was niet bekend met het onbevoegd gesloten overnamecontract, aangezien hij zich niet met de administratie bemoeide. Hij vertrouwde erop dat [Y] zijn taak behoorlijk vervulde. [X] heeft aangifte gedaan van onder andere door [Y] gepleegde identiteitsfraude.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter is met DLL van oordeel dat de leaseovereenkomst aangemerkt moet worden als een huurkoopovereenkomst, zodat zij bevoegd is deze zaak te behandelen.

4.2.

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] aan het overnamecontract gebonden is. Daarbij is het volgende van belang.

4.3.

Op het overnamecontract staat [X] vermeld als partij om namens [gedaagde] te ondertekenen. [X] is statutair bevoegd om namens [gedaagde] op te treden. [gedaagde] voert aan dat [Y] ten onrechte de overeenkomst heeft ondertekend. Voor zover [gedaagde] daarmee betoogt dat [Y] de handtekening van [X] heeft vervalst, geldt het volgende.

4.4.

Wanneer iemand door valselijk de handtekening van een ander te plaatsen iets voor die ander verklaart, kan deze ander zich in het algemeen tegen degene tot wie de verklaring is gericht, erop beroepen dat de handtekening en daarmede de verklaring niet van hem afkomstig is, ook wanneer degene tot wie de verklaring was gericht, heeft aangenomen en redelijkerwijze mocht aannemen dat de handtekening echt was. Dit kan onder bijzondere omstandigheden anders zijn. Deze omstandigheden moeten dan wel van dien aard zijn dat zij tot de slotsom nopen dat aan degene wiens handtekening is vervalst, valt toe te rekenen dat de wederpartij de handtekening voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden. Dit zal bijv. het geval zijn wanneer degene wiens handtekening is vervalst, ofschoon hij de onbetrouwbaarheid van degene die zijn handtekening heeft vervalst, kende of behoorde te kennen, eraan heeft meegewerkt of zonder voorzorgsmaatregelen te treffen heeft toegelaten dat deze de mogelijkheid kreeg door het vervalsen van zijn handtekening jegens de wederpartij de schijn te wekken dat het een door hem ondertekende verklaring betrof (zie arrest van de Hoge Raad van 7 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0498 Kamerman/Aro Lease).

4.5.

DLL heeft onweersproken gesteld dat zij heeft begrepen en redelijkerwijs mocht begrijpen dat de handtekening onder het overnamecontract namens [gedaagde] is gezet door haar bestuurder [X] . Naar het oordeel van de kantonrechter kan deze bij DLL gewekte schijn aan [gedaagde] worden toegerekend. [gedaagde] heeft [Y] daartoe namelijk in staat gesteld door de wijze waarop zij haar organisatie heeft ingericht. Immers, afgaande op de stellingen van [gedaagde] ter zitting, beheerde [Y] kennelijk de administratie en het betaalverkeer en onderhield hij contacten met derden, zonder dat haar bestuurder [X] daarin inzicht had en daarop toezicht uitoefende. [gedaagde] heeft kennelijk geen voorzorgsmaatregelen getroffen om te voorkomen dat [Y] als haar werknemer jegens DLL de schijn kon wekken waarop DLL is afgegaan. Evenmin heeft [gedaagde] in de jaren na het sluiten van het overnamecontract ingegrepen. Vaststaat, als niet weersproken, dat jarenlang termijnen van het leasecontract zijn betaald. [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij jarenlang uitvoering heeft gegeven aan het overnamecontract door vanaf de overnamedatum (omstreeks juli 2017) maandelijks termijnbetalingen aan DLL te doen. Daarbij gaat de kantonrechter voorbij aan de verklaring van [gedaagde] dat zij niet weet of deze termijnen door haar zijn betaald omdat zij geen beschikking heeft over haar bankgegevens, nu [gedaagde] voldoende gelegenheid heeft gehad om hierover navraag te doen bij haar bank en daarnaast niet voor de hand ligt dat de termijnbetalingen die DLL onweersproken heeft ontvangen gedaan zijn door een derde. Gelet op deze omstandigheden valt aan [gedaagde] toe te rekenen dat DLL de handtekening voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden, zodat het verweer van [gedaagde] faalt.

4.6.

Voor zover [gedaagde] met de stelling dat [Y] de overnameovereenkomst ten onrechte heeft ondertekend, heeft bedoeld te zeggen dat [Y] niet bevoegd was om namens [gedaagde] op te treden, geldt het volgende. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [Y] niet bevoegd was om rechtshandelingen namens [gedaagde] aan te gaan omdat alleen [X] in het register van de Kamer van Koophandel staat ingeschreven als bevoegd bestuurder. [gedaagde] gaat er daarbij aan voorbij dat ook anderen (intern) gevolmachtigd kunnen zijn om rechtshandelingen namens de vennootschap te verrichten. In dat kader is van belang dat [X] ter zitting heeft verklaard dat [Y] verantwoordelijk was voor het beheer van de administratie, het betaalverkeer en contact met derden en dat de bestuurder, [X] , daar niet bij betrokken was. Door het uitvoeren van noodzakelijke werkzaamheden aan [Y] over te laten, heeft [X] hem (stilzwijgend) gemachtigd om namens de vennootschap op te treden. Verder volgt uit de processtukken dat [X] een aantal keer betaling heeft aangeboden van de achterstallige termijnen aan DLL en zich daarbij niet op het standpunt heeft gesteld dat geen overeenkomst was aangegaan. Voor zover dan ook sprake zou zijn van het onbevoegd ondertekenen van het overnamecontract, heeft [X] de overeenkomst alsnog bekrachtigd. Ook dit verweer van [gedaagde] slaagt daarom niet.

4.7.

[gedaagde] heeft verder aangevoerd niet over haar administratie te beschikken omdat [Y] die voor haar ontoegankelijk heeft gemaakt, in welk verband zij aan DLL heeft verzocht om alle stukken die betrekking hebben op het overnamecontract te verstrekken. De kantonrechter overweegt dat indien [gedaagde] bedoeld heeft een afschrift van stukken te vorderen in de zin van artikel 843a Rv, zij daartoe onvoldoende heeft gesteld. De kantonrechter wijst dit verzoek dan ook af. Overigens heeft DLL zich ter zitting bereid verklaard om eventueel beschikbare nadere stukken betreffende het overnamecontract aan [gedaagde] te verstrekken. Het is de kantonrechter niet gebleken dat [gedaagde] nadeel heeft ondervonden wegens de door haar gestelde ontoegankelijkheid van haar administratie.

4.8.

Verder heeft [gedaagde] gesteld dat er apparatuur van haar is ontvreemd door toedoen van DLL. De kantonrechter gaat daaraan voorbij omdat [gedaagde] niet duidelijk heeft gemaakt welke apparatuur volgens haar is ontvreemd en wat de toedracht daarvan is, zij niet gereageerd heeft op de gemotiveerde betwisting van DLL en zij geen juridische gevolgen aan haar stelling verbonden heeft.

De gevorderde verklaring voor recht

4.9.

De gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen, aangezien DLL onweersproken heeft gesteld dat zij op grond van de leaseovereenkomst eigenaar is (gebleven) van het leaseobject omdat niet alle termijnen zijn betaald.

De gevorderde betaling

4.10.

Omdat de verweren van [gedaagde] niet slagen, wordt vastgesteld dat zij gebonden is aan het overnamecontract. [gedaagde] was dan ook gehouden om de maandelijkse termijnbetalingen te verrichten. [gedaagde] heeft in deze procedure niet weersproken dat zij dat vanaf februari 2020 niet meer heeft gedaan. De kantonrechter is van oordeel dat DLL de overeenkomst om die reden kon ontbinden.

4.11.

Uit artikel 49 van de algemene voorwaarden van DLL die op de overeenkomst van toepassing zijn, volgt dat [gedaagde] als gevolg van de ontbinding aan DLL een vergoeding verschuldigd is gelijk aan het bedrag van het totaal van de termijnen die [gedaagde] bij het in stand blijven van de overeenkomst zou hebben moeten betalen. Op die grond is [gedaagde] ten eerste gehouden om de termijnen die op het moment van ontbinding, op 21 juli 2020, verschuldigd waren te betalen. DLL heeft onbetwist gesteld dat de achterstallige termijnen in totaal € 7.863,30 bedragen.

4.12.

Ten tweede is [gedaagde] op die grond gehouden om de resterende termijnen te betalen die na het moment van ontbinding opeisbaar zouden worden. DLL heeft onweersproken gesteld dat de resterende termijnen in totaal € 56.207,24 bedragen (inclusief slottermijn), zodat ook dit gevorderde bedrag zal worden toegewezen.

4.13.

De gevorderde hoofdsom van in totaal € 64.070,54 zal derhalve worden toegewezen.

4.14.

DLL heeft daarnaast primair een vergoeding van contractuele rente gevorderd ter hoogte van 1,5% per maand vanaf de vervaldata van ‘de diverse verschuldigde bedragen’. [gedaagde] heeft hiertegen geen afzonderlijk verweer gevoerd. Echter, DLL heeft niet gespecificeerd wat de vervaldata zijn van de door haar bedoelde schulden. Wel staat als onbetwist vast dat de voormelde achterstallige termijnen van in totaal € 7.863,30 in elk geval op de dag van de ontbinding vervallen waren, zodat de kantonrechter over dit bedrag de contractuele rente van 1,5% per maand vanaf 21 juli 2020 zal toewijzen. Over de toegewezen schadevergoeding voor de resterende termijnen ter hoogte van € 56.207,24 zal vanaf de dag van ontbinding de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen, nu deze vergoeding buiten het bereik van de door DLL gevorderde wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW valt.

Voordeelsverrekening

4.15.

Voorkomen moet worden dat DLL door de ontbinding in een voordeligere vermogenstoestand raakt dan ingeval [gedaagde] de overeenkomst volledig zou zijn nagekomen (artikel 7:92 BW), nu [gedaagde] verplicht is haar de resterende termijnen te vergoeden terwijl DLL ook de beschikking verkrijgt over het leaseobject. DLL heeft gesteld het leaseobject te zullen verkopen na toewijzing van de verklaring voor recht, dat zij de netto-verkoopopbrengst in mindering zal brengen op haar vordering op [gedaagde] en dat nu nog onduidelijk is wat die opbrengst zal zijn. De kantonrechter zal in haar beslissing opnemen dat de netto-opbrengst van het leaseobject in mindering strekt op de vordering van DLL.

Buitengerechtelijke kosten

4.16.

DLL heeft vergoeding van buitengerechtelijke kosten gevorderd die zij primair op grond van artikel 12 van haar algemene voorwaarden begroot op € 6.407,05 en subsidiair conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten op € 1.415,71. Echter, DLL heeft niet gesteld welke buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zij heeft verricht, waardoor niet kan worden vastgesteld dat zij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt voor andere werkzaamheden dan die waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Daardoor is [gedaagde] in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst die op of na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij de contractuele betalingstermijn is verstreken, zodat een bedrag van € 40,00 ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW toewijsbaar is, ook als geen incassowerkzaamheden zijn verricht. Er zal derhalve een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke kosten worden toegewezen.

Beslagkosten

4.17.

DLL heeft vergoeding gevorderd van beslag- en bewaargevingskosten ten bedrage van € 2.804,62. Deze vordering zal worden afgewezen, omdat DLL heeft verzuimd de beslagstukken volledig in het geding te brengen. DLL heeft ter onderbouwing van de gevorderde beslagkosten een overzicht overgelegd van de deurwaarderskosten (productie 16). Zij heeft echter nagelaten de daarin genoemde kosten met bewijsstukken te onderbouwen, behoudens de beslagexploten die zij als productie 15 heeft overgelegd. De kosten die genoemd zijn in die beslagexploten corresponderen evenwel niet met de bedragen uit het voormelde kostenoverzicht waarop DLL haar vordering heeft gebaseerd. De vordering is derhalve niet deugdelijk onderbouwd.

Proceskosten en nakosten

4.18.

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, die aan de zijde van DLL worden begroot op:

  • -

    griffierecht € 996,00,

  • -

    betekeningskosten € 83,38,

  • -

    salaris gemachtigde € 1.496,00 (2 punten x € 748,00),

in totaal € 2.575,38.

4.19.

De hierover primair door DLL gevorderde wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar omdat de proceskostenvergoeding buiten het bereik van artikel 6:119a BW valt. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen.

4.20.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat DLL eigenaar is van het leaseobject;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan DLL van een bedrag van € 64.070,54, te vermeerderen met de overeengekomen vertragingsrente van 1,5% per maand over het bedrag van € 7.863,30 en met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 56.207,24, vanaf 21 juli 2020 tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan DLL van een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke kosten;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van DLL begroot op € 2.575,38, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 120,00;

5.6.

bepaalt dat de netto verkoopopbrengst van het leaseobject in mindering strekt op de vordering van DLL op [gedaagde] ;

5.7.

verklaart de onderdelen 5.2 tot en met 5.6 van deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Rozeboom, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021. (HJB)