Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1943

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
C/08/244074 / HA ZA 20-77
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Plaatsing mestwaterunit. Verzuim. Meerwerk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/244074 / HA ZA 20-77

Vonnis van 12 mei 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H.G.M. van Zutphen te Almelo,

tegen

1 [A] ,

2. [B],

beiden wonende te [woonplaats] en samen handelend onder de naam LANDBOUWBEDRIJF [C],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J.P.C. van Ruiven te Enschede.

Partijen zullen hierna [X] en [A] c.s. (mannelijk enkelvoud) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het (tussen)vonnis van 11 november 2020, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen

  • -

    de akte van depot van [X]

  • -

    het faxbericht van [A] c.s. van 3 maart 2021 met bijlage

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 maart 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

2.1.

In het tussenvonnis van 11 november 2020 heeft de rechtbank de feiten, de vorderingen over en weer en de standpunten van partijen samengevat. Kort gezegd hebben partijen een overeenkomst gesloten waarbij [X] een mestwater unit (MTS2102 type 9860) zou leveren en installeren bij [A] c.s. tegen betaling van een prijs van

€ 669.000,00 exclusief btw.

2.2.

Kernvraag bij de beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie is welke partij tegenover de ander als eerste in verzuim was in de nakoming van de tussen hen gesloten overeenkomst. Is dat [X] die de mestwaterunit niet op 1 oktober 2019 – en volgens [A] c.s. bovendien non-conform – heeft geleverd of is dat [A] c.s. die de factuur van [X] van 12 december 2019 niet heeft betaald? De rechtbank overweegt als volgt.

2.3.

[X] vordert op de eerste plaats een verklaring voor recht dat de overeenkomst met [A] c.s. is ontbonden, dan wel ontbinding daarvan. Daartegenover vordert [A] c.s. een verklaring voor recht dat de door [X] uitgebrachte buitengerechtelijke ontbindingsverklaring niet het daarmee beoogde rechtsgevolg heeft gehad en ook ontbinding van de overeenkomst. Artikel 6:265 lid 1 BW bepaalt ten aanzien van wederkerige overeenkomsten, zoals de onderhavige overeenkomst, dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Artikel 6:265 lid 2 BW bepaalt dat, voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat wanneer de schuldenaar in verzuim is.

2.4.

Voor de beantwoording van de in 2.2 geformuleerde vraag is van belang hoe de tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden uitgelegd. Partijen verschillen immers onder meer van mening over de vraag of (1) overeengekomen is dat de mestwaterunit op 1 oktober 2019 opgeleverd zou worden, (2) [X] de mestwaterunit conform afspraak heeft geleverd, (3) de factuur van [X] van 12 december 2019 opeisbaar is en (4) de plc-kast (programmeer-kast) meerwerk is.

2.5.

Voor het antwoord op de vraag hoe in schriftelijke contracten de verhouding tussen partijen is geregeld komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf). Daarbij zijn telkens van betekenis alle concrete omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Dit betekent onder meer dat de uitleg van een schriftelijk contract niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar een taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift echter vaak wel van groot belang.

Opleverdatum van de mestwaterunit

2.6.

Het eerste moment waarop een van partijen in verzuim zou kunnen zijn, is 1 oktober 2019. [X] betoogt dat partijen een “glijdende einddatum” tot uiterlijk 1 februari 2020 zijn overeengekomen, terwijl [A] c.s. stelt dat de mestwaterunit op 1 oktober 2019 zou worden opgeleverd en dat dit een fatale termijn betreft.

2.7.

De rechtbank is van oordeel dat aan de vermelding van de bewuste datum in de overeenkomst niet de betekenis toekomt die [A] c.s. daaraan toegekend wil zien. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij vanaf maart 2018 met elkaar in onderhandeling zijn getreden, dat zij op 26 april 2019 (initiële) overeenstemming hebben bereikt, dat [X] de datum van de overeenkomst op verzoek van [A] c.s. in verband met een subsidieaanvraag (MIA/VAMIL) nader heeft bepaald op 1 juli 2019 en dat partijen uiteindelijk medio augustus 2019 de (gewijzigde/definitieve) overeenkomst hebben ondertekend. Daarin is - anders dan in de eerste offerte - ten aanzien van de opleverdatum expliciet vermeld dat deze in onderling overleg kan worden aangepast. Evenmin is in geschil dat partijen ook na april 2019 nog verder hebben onderhandeld over (specifieke) technische en esthetische wijzigingen en aanpassingen van de mestwaterunit die [A] c.s. graag doorgevoerd wilde zien. [X] kon niet eerder dan eind september 2019 met de opbouw en installatie van de mestwaterunit bij [A] c.s. starten doordat toen de eerste onderdelen werden geleverd. Verder stelt de rechtbank vast dat [D] , die als spreekbuis en beoogd rechtsopvolger van het landbouwbedrijf van [A] c.s. gezien moet worden, in zijn WhatsApp-bericht van 1 november 2019 heeft ingestemd met de levering van de stroomkast en “de omgekeerde osmose” op 5 november 2019. Ook heeft [D] via WhatsApp op 6 november 2019 bevestigd dat [X] weer een aantal onderdelen zal leveren en dat hij ervan uitgaat “dat er nog niets definitief geplaatst wordt tot ik er weer ben” (zie productie 22 en 23 van [X] ).

2.9.

Bij die stand van zaken was [X] niet gehouden om de mestwaterunit reeds op 1 oktober 2019 (oftewel binnen een week nadat de eerste tanks door M.I.P. Group waren geleverd) gebruiksklaar op te leveren. Dat de datum minder hard was dan [A] c.s. nu bepleit valt ook af te leiden uit de e-mail van [Y] van [X] aan [A] en [D] . van 13 augustus 2019: “Opleverdatum heb ik bij achter gezet in onderling overleg, gezien de tijd die de kastbouwer nog nodig heeft.” Dit ziet op de plc-kast, waarover hierna meer. Bovendien heeft [A] c.s. na de levering van onderdelen op of omstreeks 11 november 2019 ook de tweede factuur van [X] 'gewoon' betaald, terwijl de beweerdelijke uiterste opleverdatum toen al meer dan een maand was verstreken.

De slotsom is dat niet kan worden geoordeeld dat [X] tegenover [A] c.s. wanprestatie heeft geleverd door de mestwaterunit niet op 1 oktober 2019 op te leveren. [X] verkeert vanaf dat moment dus niet (van rechtswege) in (schuldeisers)verzuim.

Uitgebleven betalingen

2.10.

Het tweede moment waarop een van partijen in verzuim kan zijn, is in december 2019. [X] heeft op 12 december 2019 een factuur verzonden ter hoogte van € 264.000,00 exclusief btw. [A] c.s. heeft in een gesprek medio december gezegd dat deze factuur niet betaald zou worden. Van belang is of het gefactureerde bedrag op dat moment opeisbaar was.

2.11.

[X] betoogt dat partijen oorspronkelijk waren overeengekomen dat [A] c.s. 100% zal betalen bij levering van onderdelen van de mestwaterunit door derden op de bouwlocatie van [A] c.s. en dat deze betalingsafspraak in overleg tussen partijen later is gewijzigd in betaling bij levering van onderdelen bij [X] . Volgens [X] hebben partijen deze gewijzigde afspraak gemaakt, omdat [A] c.s. niet wilde dat onderdelen op de bouwlocatie in de open lucht aan weersinvloeden onderhevig zouden zijn zolang deze nog niet waren gemonteerd. [X] stelt dat haar factuur van 12 december 2019 aan deze gewijzigde afspraak voldoet. Daartegenover erkent [A] c.s. dat partijen weliswaar nader hebben afgesproken dat de onderdelen bij [X] zullen worden geleverd en (tijdelijk) opgeslagen, maar betwist [A] c.s. dat betaling eerder zal plaatsvinden dan nadat [X] deze onderdelen op de bouwlocatie had geleverd én gemonteerd. Van een wijziging van het betalingstijdstip is dus geen sprake, aldus [A] c.s. Volgens [A] c.s. correspondeert de factuur van 12 december 2019 bovendien niet met de geleverde onderdelen van de mestwaterunit, omdat meer gefactureerd is dan aan onderdelen is geleverd en heeft [X] ook daarom geen recht op betaling.

2.12.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [A] c.s. zou betalen zodra onderdelen van de mestwaterunit geleverd werden. In de overeenkomst staat als betalingsregeling genoteerd: ‘100% bij levering’. Deze afspraak, die op voorstel van [A] c.s. was gemaakt, zou er volgens [A] c.s. voor zorgen dat zij de werkzaamheden van [X] niet hoefde voor te financieren en geen risico liep dat de aangeschafte onderdelen van de mestwaterunit niet geleverd zouden worden. Verder staat vast dat [A] c.s. heeft gevraagd om onderdelen van de mestwaterunit tijdelijk bij [X] te stallen en niet (steeds) direct naar haar terrein te brengen. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van [A] c.s. om de onderdelen van de mestwaterunit tijdelijk bij [X] te stallen, er niet toe leidt dat niet geleverd is en dat [A] c.s. (nog) niet gehouden was om voor die onderdelen te betalen. Zodra de onderdelen – op verzoek van [A] c.s. – bij [X] geleverd werden, kon [X] dan ook betaling daarvan verlangen. De stelling van [X] dat toen zij de factuur van 12 december 2019 zond, alles geleverd was - deels bij [A] c.s. en deels bij haarzelf - heeft [A] c.s. onvoldoende gemotiveerd weersproken. [A] c.s. stelt zich op het standpunt dat slechts 50% was geleverd, maar doelt daarbij enkel op de onderdelen die op haar eigen terrein aanwezig waren. Bovendien heeft [A] c.s. erkend dat er leveringen zijn geweest na de tweede factuur (van 11 november 2019) en heeft [X] onweersproken gesteld dat [Y] direct heeft aangeboden om alle nog bij [X] opgeslagen onderdelen aan [A] c.s. te leveren toen [A] c.s. kenbaar had gemaakt deze factuur niet te zullen betalen. [A] c.s. is niet op dit aanbod ingegaan. Gelet hierop was de factuur van 12 december 2019 na het verstrijken van de betalingstermijn naar het oordeel van de rechtbank opeisbaar.

2.13.

[A] c.s. heeft tijdens een gesprek tussen partijen in december 2019 expliciet gezegd dat hij de factuur van 12 december 2019 niet zal voldoen. [X] heeft uit deze mededeling mogen afleiden dat [A] c.s. in de nakoming van de overeenkomst zal tekortschieten. Gelet hierop is het verzuim van [A] c.s. ex artikel 6:83 sub c BW zonder ingebrekestelling ingetreden. Mede in aanmerking genomen het eind 2019 door [X] voorgestelde stappenplan om tot een minnelijke oplossing van het geschil te komen, is de rechtbank van oordeel dat [X] bevoegd was om haar werkzaamheden per 17 december 2019 op te schorten en – toen betaling alsnog uitbleef – de overeenkomst bij e-mail van 3 februari 2020 partieel te ontbinden.

2.14.

Hieruit volgt dat de door [X] gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is en dat de door [A] c.s. gevorderde verklaring voor recht en ontbinding van de overeenkomst moeten worden afgewezen.

2.15.

Dit brengt mee dat de door [A] c.s. gestelde tekortkomingen van [X] niet meer beoordeeld hoeven te worden. Voor zover er al tekortkomingen waren aan de zijde van [X] , was zij gelet op het voorgaande namelijk gerechtigd het herstel daarvan op te schorten. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de beweerdelijke non-conformiteit niet is komen vast te staan. De door [A] c.s. gestelde non-conformiteit zag op de levering van de composttorens in kunststof/glasvezel, terwijl levering in RVS was geoffreerd. Hoewel [A] c.s. tijdens de zitting heeft gezegd dat hij bij levering van de tanks het buitenmateriaal niet goed vond, is namens [A] c.s. niet gesteld of gebleken dat hij op enig moment voor deze procedure bij [X] heeft geklaagd over het onmiddellijk zichtbare materiaal en/of de uitvoering toen de GVK-tanks eind september 2019 op de bouwlocatie werden geleverd. De afwezigheid van zo’n klacht past overigens goed in de door [X] aangedragen verklaring voor de verandering in materiaal, te weten dat de door [A] c.s. uiteindelijk gekozen inhoudsmaat uitsluitend in kunststof leverbaar was. Daarnaast heeft [A] c.s. nog gesteld dat de tanks een lagere hittebestendigheid hadden dan aanvankelijk overeengekomen. Ten aanzien daarvan heeft [X] echter met een verklaring van de producent gemotiveerd toegelicht dat de daadwerkelijke werktemperatuur 70℃ is, zoals partijen zijn overeengekomen. Dit wordt bevestigd door het feit dat de producent een nieuw typeplaatje heeft verstrekt voor de tanks, waaruit deze werktemperatuur blijkt. Dat plaatje is ook in depot ingediend bij de rechtbank.

Betalingsplicht [A] c.s.?

2.16.

[X] vordert betaling van de openstaande facturen van 12 december 2019 en 13 januari 2020 van in totaal € 301.300,00 exclusief btw als schadevergoeding.

2.17.

[A] c.s. betwist het causaal verband tussen zijn tekortkoming en de door [X] gestelde schade. Daarnaast heeft [X] de schade niet deugdelijk onderbouwd. Zo bevat de factuur van 12 december 2019 geen enkele onderbouwing en volgt uit de factuur van 13 januari 2020 niet tot welk vermogensnadeel dit voor [X] heeft geleid. [X] heeft geen duidelijkheid verschaft over de verkoopwaarde van de gecrediteerde onderdelen. Ook uitgespaarde arbeidsuren zijn ten onrechte niet op het schadebedrag in mindering gebracht, aldus [A] c.s.

2.18.

De rechtbank komt tot het oordeel dat [A] c.s. gelet op het voorgaande de (derde) factuur van [X] van 12 december 2019 van € 264.000,00 alsnog moet betalen, nu [A] c.s. ter zake in verzuim is geraakt (zie rov. 2.12). [X] heeft de overeenkomst bij e-mail van 3 februari 2020 alleen voor de toekomst partieel ontbonden, zodat ook de ontbinding niet aan betaling in de weg staat. Met betaling van deze factuur heeft [A] c.s. dan de oorspronkelijke prijs van € 669.000,00 exclusief btw volledig voldaan.

2.19.

Ten aanzien van de (eind)factuur van [X] van 13 januari 2020 van € 37.300,00 geldt het volgende. Dit is een verrekenfactuur. In die factuur heeft [X] een aantal meerwerkposten in rekening gebracht van in totaal € 151.300,00, bestaande uit:

‘Nir sensor met doorstromingsmeter € 15.400,00

Huur heftruck 24 oktober t/m 23 December € 4.000,00

384 uur montage a € 50 (…) € 4.200,00

PCL ombouw van losse fabrieksmodules per machine

naar 1 grote besturingskast op wens van [A] . € 127.700,00’

[X] heeft die meerwerkposten verrekend met een bedrag van € 114.000,00 in verband met niet geleverde of niet gebruikte materialen die nog bij [X] op het terrein staan. Zodoende resteert het factuurbedrag van € 37.300,00. Ten aanzien van de gecrediteerde bedragen van € 114.000,00 bestaat geen discussie. De rechtbank zal daarom alleen een beslissing nemen over de meerwerkposten. Allereerst is tussen partijen niet in geschil dat de daarin genoemde kosten van de Nir-sensor met doorstromingsmeter van € 15.400,00 en montage-uren van € 4.200,00 – die verband houden met de door [A] c.s. gewenste verhoging van de mestwaterunit – meerwerk opleveren dat voor vergoeding in aanmerking komt. Voor wat betreft de door [X] gedeclareerde huur van de heftruck (24 oktober t/m 23 december 2019) van € 4.000,00 stelt de rechtbank vast dat in de overeenkomst als één van de installatievoorwaarden is opgenomen dat [A] c.s. zorgdraagt voor een voldoende grote heftruck op het moment van levering om de componenten van de mestwaterunit van de oplegger te tillen en naar de standplaats te rijden en te installeren. [X] heeft gemotiveerd toegelicht dat zij zelf een zeventonsheftruck heeft geregeld, waarbij zij op basis van een prijsopgave van Habo Hardenberg d.d. 8 oktober 2019 (zie productie 18 van [X] ) een reële marktprijs van € 500,00 per week heeft gehanteerd. Nu [A] c.s. dit niet heeft betwist, komt deze kostenpost van [X] ook voor vergoeding in aanmerking. [A] c.s. heeft verder nog betoogd dat [X] arbeidsuren heeft uitgespaard, omdat zij haar werkzaamheden per 17 december 2019 heeft gestaakt. Dit verweer van [A] c.s. is – voor zover dat vanwege de stellingen van [X] al juist zou zijn, nu [X] stelt dat meerwerk is verricht – echter niet relevant, omdat de facturen niet als schade maar op grond van nakoming worden toegewezen. [A] c.s. was gelet op de overeenkomst immers gehouden om zowel voor de materialen als werkzaamheden te betalen zodra de onderdelen geleverd waren (100% bij levering), zodat ook de gevorderde vergoeding van arbeid helemaal verschuldigd is nu de rechtbank heeft vastgesteld dat op het moment van factureren alle onderdelen geleverd waren. De rechtbank zal dan ook geen arbeidsuren in mindering brengen op de verrekenfactuur.

2.20.

Dan rest nog de discussie over de PLC-ombouw die met een bedrag van € 127.700,00 in rekening is gebracht op de verrekenfactuur.

Is de plc-kast meerwerk?

2.21.

[X] betoogt dat [A] c.s. opdracht heeft gegeven voor het realiseren van één plc-kast, in plaats van afzonderlijke programeer modules, en dat [A] c.s. heeft ingestemd met facturering daarvan op basis van nacalculatie, terwijl [A] c.s. stelt dat deze besturingskast tot de hoofdovereenkomst behoort waarvoor partijen een totaalprijs van € 669.000,00 exclusief btw zijn overeengekomen. De rechtbank overweegt als volgt.

2.22.

In de offerte van 26 april 2019 is onder “E. Prijsopgaaf” opgenomen dat de “Mestbewerking unit MTS2102 type 9860 met compostering en korrelaar” € 594.000,00 exclusief btw bedraagt en dat deze unit onder meer bestaat uit “PLC Bedienings- en controlepaneel”. Na toevoeging van andere onderdelen en bijkomende montagekosten bedraagt de totaalprijs € 669.000,00 (productie 1 zijdens [A] c.s.). Vast staat dat partijen vanaf medio mei 2019 – naar aanleiding van de door [A] c.s. geuite wens om alle bediening van de mestwaterunit in één plc-kast onder te brengen – intensief met elkaar hebben gesproken over de uitvoering en het formaat van de plc-kast. Bij WhatsAppbericht van 15 mei 2019 schrijft [D] : ‘Wij willen alles verwerkt hebben in 1 besturingskast/plc, dus 1 kabel vanaf de verdeler naar 1 kast’ (Bijlage 3 bij pleitnota mr. Van Zutphen). Nadat [E] te [plaats] op verzoek van [X] de kosten van de bouw van deze kast had begroot op een richtprijs van € 127.700,00 exclusief btw, heeft [X] aan [E] op 7 augustus 2019 daartoe opdracht verstrekt (zie productie 12 en 17 van [X] ). De plc-kast is vervolgens bij [A] c.s. geleverd en geplaatst. In de ondertekende overeenkomst die gedateerd is op 1 juli 2019 (productie 2 zijdens [X] ) staat als totaalprijs € 669.000,00 vermeld.

2.23.

[X] heeft toegelicht dat haar standaard werkwijze is dat zij de verschillende machines die tezamen de mestwaterunit vormen inclusief losse besturingskasten koopt “af fabriek” en dat [A] c.s. van deze werkwijze wist. Volgens [X] wenste [A] c.s. besturing vanuit één centrale kast en heeft zij met [A] c.s. gecommuniceerd dat de plc-bouwer heeft aangegeven dat alleen de frequentieregelaars hergebruikt kunnen worden en dat dit niet geldt voor de rest van de aanwezige inhoud van de originele besturingskasten en dat [X] daarom zeker € 100.000,00 meerwerk (op basis van nacalculatie) verwacht. [X] stelt dat [D] in een gesprek met haar verkoper – tijdens een test met een schroefpers op 5 juni 2019 bij het bedrijf van [A] c.s. – heeft aangegeven dat het niet uitmaakt of het misschien € 100.000,00 meer gaat kosten (zie de schriftelijke verklaring van [Y] van 18 mei 2020, productie 16 van [X] ).

2.24.

[A] c.s. betwist dat de plc-kast meerwerk is. Daartoe verwijst [A] c.s. naar zijn e-mail van 24 december 2019 waarin hij met betrekking tot deze kast onder meer het volgende aan [X] meedeelt: “Dit alles is voortijdig besproken en overeengekomen alvorens wij de overeenkomst zijn aangegaan. Wij nemen dan ook afstand van de meerkosten welke hier volgens jullie aan verbonden zijn.” (zie productie 9 van [X] ). Ter verdere onderbouwing van zijn standpunt verwijst [A] c.s. naar de schriftelijke verklaring van [D] van 30 juni 2020 (zie productie A bij de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie).

2.25.

Omdat vaststaat dat [X] gedurende de onderhandelingen en op initiatief van [A] c.s. heeft onderzocht of diens bijzondere wens van één plc-kast kon worden gerealiseerd en welke kosten daarmee gemoeid zouden zijn, en het door [X] aan [A] c.s. geoffreerde bedrag van € 669.000,00 voor de volledige mestwaterunit gedurende dit traject niet is aangepast, hoewel de inschatting was dat de plc-kast € 127.700,00 exclusief btw zou kosten, moet het er naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat de kosten van de realisering van de wens van [A] c.s. om de mestwaterunit te besturen met één (grote) plc-kast – in plaats van losse fabrieksmodules per machine – niet tot de hoofdovereenkomst kunnen worden gerekend maar als meerwerk moeten worden gekwalificeerd. De enkele omstandigheid dat de overeenkomst is ondertekend nadat opdracht is gegeven voor de bouw van één op maat gemaakte plc-kast, maakt niet dat die door [A] c.s. gewenste bijzondere uitvoering geacht moet worden te zijn inbegrepen in het geoffreerde bedrag. Deze post is dus terecht als meerwerk in de factuur van [X] van 13 januari 2020 opgenomen. Voor zover [A] c.s. zich op het standpunt stelt dat hij niet gewaarschuwd is voor de meerkosten van dit meerwerk, geldt dat [X] heeft gesteld dat zij wel expliciet heeft aangegeven dat zij zeker € 100.000,00 meerwerk verwacht en dat [D] daarmee heeft ingestemd. [A] c.s. heeft deze stelling niet gemotiveerd betwist. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat [A] c.s. had moeten begrijpen dat de bouw van één enkele plc-kast meerkosten met zich bracht. [X] heeft namelijk onbetwist aangevoerd dat dit geen standaard werkwijze is en dat slechts een klein deel van de onderdelen van de fabrieksmodules hergebruikt konden worden. Verder wist [A] c.s. dat voor de installatiewerkzaamheden een derde ingeschakeld zou worden, hetgeen logischerwijs kosten met zich brengt, en heeft [A] c.s. in het geheel niet gereageerd op de hoogte van de gestelde kosten, hoewel die onderbouwd zijn door een offerte van [E] . De rechtbank is kortom van oordeel dat [A] c.s. onvoldoende gemotiveerd betwist dat sprake is van meerwerk en dat [X] de bijbehorende meerkosten in rekening kan brengen. De rechtbank wijst de gevorderde betaling van dit deel van de meerwerk factuur daarom ook toe. Dit betekent dat [A] c.s. ook de eindfactuur van 13 januari 2020 van € 37.300,00 moet betalen.

Wettelijke rente

2.26.

Een en ander betekent dat de door [X] gevorderde betaling van

€ 301.300,00 exclusief btw toewijsbaar is. Nu [A] c.s. geen apart verweer heeft gevoerd tegen de (ingangsdatum van de) wettelijke rente, zal deze rente worden toegewezen vanaf het moment dat de facturen opeisbaar waren, omdat verzuim zonder ingebrekestelling is ingetreden. De factuur van 12 december 2019 van € 264.000,00 is opeisbaar per 18 december 2019 (2.12 en 2.13). De factuur van 13 januari 2020 van € 37.300,00 is opeisbaar per 17 januari 2020. Ook ten aanzien van die factuur is verzuim zonder ingebrekestelling ingetreden (artikel 6:83 sub c BW). [X] heeft namelijk onbetwist gesteld dat [A] c.s. tijdens de bespreking op 15 januari 2020 heeft gezegd dat [A] c.s. geen facturen meer zou betalen.

Schade door beslaglegging

2.27.

[X] vordert ook vergoeding van schade als gevolg van het door [A] c.s. ten laste van haar gelegde beslag onder haar debiteuren. Volgens [X] belemmert dit beslag haar bedrijfsvoering in ernstige mate. [X] heeft de schade geschat op een bedrag van € 50.000,00.

2.28.

Nu [X] deze schadepost geenszins heeft onderbouwd, zal de rechtbank deze vordering afwijzen. [X] heeft niet concreet gemaakt waaruit de schade als gevolg van de beslaglegging zou bestaan.

Conclusie

2.29.

De rechtbank komt tot de slotsom dat de door [X] gevorderde verklaring voor recht en betaling van het bedrag van € 301.300,00 exclusief btw en de wettelijke rente over dit bedrag toewijsbaar zijn. De vorderingen van [A] c.s. in reconventie dienen te worden afgewezen.

Incassokosten

2.30.

[X] maakt voorts aanspraak op vergoeding van contractuele- dan wel buitengerechtelijke incassokosten ad € 2.775,00. [A] c.s. voert als verweer dat [X] deze kosten op geen enkele wijze heeft onderbouwd en dat bovendien niet aan de dubbele redelijkheidstoets is voldaan. Nu [X] hierop niet meer heeft gereageerd, dient deze vordering te worden afgewezen. [X] heeft nagelaten een beschrijving te geven van de voor rekening van [X] verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. De kosten waarvan [X] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

Beslagkosten

2.31.

[X] vordert [A] c.s. te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. Op basis van de door [X] als productie 10 bij dagvaarding overgelegde kostenspecificatie van de deurwaarder, die door [A] c.s. niet is betwist, worden de beslagkosten begroot op € 313,49 inclusief btw.

Proceskosten

2.32.

[A] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, zowel in conventie als in reconventie. De kosten aan de zijde van [X] worden tot op heden begroot op:

in conventie

  • -

    dagvaarding € 86,80

  • -

    griffierecht € 4.131,00

  • -

    salaris advocaat € 7.473,00 (3 punten x tarief € 2.491,00)

Totaal € 11.690,80

Voorts zal de gevorderde wettelijke rente over deze proceskosten, op de hierna te melden wijze, worden toegewezen.

in reconventie

- salaris advocaat € 4.821,00 (3 punten x tarief € 3.214,00 x 0,5)

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen partijen met betrekking tot de mestwaterunit MTS 2102 type 9860 op 3 februari 2020 (partieel, dat wil zeggen voor de toekomst) is ontbonden wegens een aan [A] c.s. toe te rekenen tekortkoming,

3.2.

veroordeelt [A] c.s. om tegen deugdelijk bewijs van kwijting aan [X] te betalen het bedrag van € 301.300,00 exclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 264.000,00 vanaf 18 december 2019 en over het bedrag van € 37.300,00 vanaf 17 januari 2020 tot de dag der algehele voldoening,

3.3.

veroordeelt [A] c.s. om aan [X] te betalen de beslagkosten ad € 313,49 inclusief btw,

3.4.

veroordeelt [A] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [X] tot op heden begroot op € 11.690,80, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening,

3.5.

wijst af het meer of anders gevorderde,

in reconventie

3.6.

wijst de vorderingen af,

3.7.

veroordeelt [A] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [X] tot op heden begroot op € 4.821,00,

in conventie en in reconventie

3.8.

verklaart dit vonnis – met uitzondering van 3.1, 3.5 en 3.6 – uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D.N.R. Wegerif, A.M. Koene en E.C. Rozeboom en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2021.1(PS)

1 type: coll: