Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1940

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
84.062474.21 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 19-jarige man tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden met een proeftijd van 3 jaar omdat hij een grote hoeveelheid zwaar, professioneel, vuurwerk in de bureaula van zijn slaapkamer bewaarde. Hij beschikte daarnaast ook niet over een vergunning en de benodigde gespecialiseerde kennis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84.062474.21 (P)

Datum vonnis: 17 mei 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 mei 2021. √

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. D. van Ieperen, en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. D.P. Poppe, advocaat te Kampen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

primair:
op 19 oktober 2020 opzettelijk zonder dat hij beschikte over gespecialiseerde kennis, professioneel vuurwerk (137 stuks Cobra 6 en 940 stuks Tp2) heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad;

subsidiair:
op 19 oktober 2020 opzettelijk professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, (137 stuks Cobra 6 en 940 stuks Tp2) heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad;

feit 2:

op of omstreeks 19 oktober 2020 een nabootsing van een vuurwapen, te weten een balletjespistool, voorhanden heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

Feit 1:

Primair:

hij op of omstreeks 19 oktober 2020 te Zwartsluis, in de gemeente Zwartewaterland, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, professioneel vuurwerk, te weten

- 137 stuks (zie p. 31 proces-verbaal), althans één of meer stuks, bangers (Cobra 6),

en/of

- 940 stuks (zie p. 34 proces-verbaal), althans één of meer stuks, bangers (Tp2),

heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 oktober 2020 te Zwartsluis, in de gemeente Zwartewaterland, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten

- 137 stuks (zie p. 31 proces-verbaal), althans één of meer stuks, bangers (Cobra 6),

en/of

- 940 stuks (zie p. 34 proces-verbaal), althans één of meer stuks, bangers (Tp2),

heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad;

Feit 2:

hij op of omstreeks 19 oktober 2020 te Zwartsluis, in de gemeente Zwartewaterland, in elk geval in Nederland, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 7º van de Wet wapens en munitie gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie,

te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nabootsing van een pistool, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen (te weten een pistool van het merk Colt, 1911A-1 Government MKIV, series 80), voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 19 oktober 2020 hadden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dienst in Genemuiden.

Tijdens de afwikkeling van een andere kwestie hoorden zij meerdere knallen van zwaar vuurwerk. Vervolgens is verbalisant [verbalisant 1] een rondje gaan lopen. Hij hoorde toen met tussenpozen steeds harde knallen. Voor een kerk zag hij een groepje van drie jongens. Eén van hen stak iets aan en gooide het weg, waarop het kort daarna een harde knal gaf. Verbalisant [verbalisant 1] heeft deze jongen aangesproken en hem meegedeeld dat hij strafbaar was en niet tot antwoorden verplicht was. Desgevraagd vertelde die jongen, [naam 1] , dat hij een grote hoeveelheid nitraten had gekregen van een persoon die ‘ [verdachte] ’ zou heten en die ergens in Zwartsluis zou wonen. [naam 1] toonde daarop aan verbalisant [verbalisant 1] een bericht op zijn telefoon.

Via het informatiecentrum heeft verbalisant [verbalisant 1] meer gegevens achterhaald.

Het bleek te gaan om vermoedelijk: [verdachte] , wonende te [adres] , verdachte.1

Nog dezelfde avond zijn verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] naar dat adres gegaan, waar zij in eerste instantie door de ouders van verdachte en vervolgens ook door verdachte zelf te woord werden gestaan. Nadat verdachte een doos vol met zwaar vuurwerk aan verbalisanten had laten zien, gingen de verbalisanten met toestemming van de vader van verdachte met verdachte mee naar zijn slaapkamer. Daar werd, behalve nog veel meer zwaar vuurwerk in een lade van zijn bureau, in een andere bureaula een balletjespistool aangetroffen.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft als haar standpunt naar voren gebracht dat de feiten onder 1 primair en 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezenverklaard.

De officier van justitie heeft daarbij in het bijzonder gewezen op de bevindingen van de verbalisanten naar aanleiding van de verklaringen van [naam 1] , de resultaten van het binnentreden in de woning, het inbeslaggenomen professionele vuurwerk en het balletjespistool, en de resultaten van technisch-forensisch onderzoek naar het inbeslaggenomen vuurwerk alsook naar het wapen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit.

Daartoe is aangevoerd dat verdachte zich in de tenlastegelegde periode niet bewust was van de aanwezigheid van het wapen op zijn kamer. Een en ander blijkt uit de verklaringen van verdachte afgelegd tijdens het politieverhoor en ter terechtzitting alsook uit een door de verdediging overgelegde verklaring van zijn moeder.

Verdachte heeft het wapen ooit van zijn ouders gekregen toen hij acht jaar oud was. Het lag ergens in een la, tussen vriendenboekjes en knuffels. Verdachte wist niet eens meer dat hij het had. Volgens de raadsman was dan ook geen sprake van een zekere mate van bewustheid bij verdachte en ontbreekt gelet daarop het opzet.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 primair :

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen2:

 het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 mei 2021, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

 het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , opgemaakt en gesloten op 19 oktober 2020 (pag. 10 – 11) met als bijlagen foto’s van onder verdachte inbeslaggenomen vuurwerk (pag. 13 – 16);

 het proces-verbaal van Onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , medewerker Centraal Onderzoeksteam Vuurwerk, en gesloten op 15 december 2020 (pag. 25 – 28), met als bijlagen foto’s en onderzoeksresultaten met betrekking tot 137 stuks Cobra 6 (bijlage 2, pag. 31 e.v.) en 940 stuks Tp2 (bijlage 3, pag. 34 - 36);

 een deskundigenrapportage van het NFI, opgemaakt door ing. [naam 2] en gesloten op 30 oktober 2020 (pag. 37 – 38) met als bijlagen foto’s (pag. 39 -41).

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank is van oordeel dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Op 19 oktober 2020 zagen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op de slaapkamer van verdachte in een bureaulade onder de lade waarin het zware vuurwerk lag, een zwart pistool. Het voorwerp is in beslag genomen.3 Nader onderzoek wees uit dat het ging om een zogenaamd soft air pistool - in normaal spraakgebruik een ‘balletjespistool’, of BB-gun. Op het pistool stonden de opschriften: ‘Colt MK IV, series 80’. Het uiterlijk van het wapen (22,5 centimeter lang en 15 centimeter hoog, inclusief magazijn) vertoonde qua vorm en afmeting een sprekende gelijkenis met een vuurwapen (een pistool) en het wapen was voor bedreiging van personen of afdreiging geschikt, zoals omschreven in artikel 2, categorie 1 onder 7 van de Wet wapens en munitie. Het was een sprekende gelijkenis met een echt pistool van het merk en model Colt 1911A-1 Government MKIV series 80 en geen speelgoedvoorwerp zoals bedoeld in Richtlijn 2009/48/EG.4

Verdachte heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat hij het bewuste wapen van zijn ouders heeft gekregen toen hij een jaar of acht was. Het wapen lag in een bureaulade bij wel meer spullen waarvan verdachte niet meer wist dat hij die nog had, zoals vriendenboekjes en knuffels. Toen hij die bureaulade opendeed, herinnerde hij zich weer dat hij het had, zo heeft verdachte verklaard.5 Ter terechtzitting heeft verdachte deze verklaring herhaald.

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen vereist is dat een verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid daarvan (HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:507). Gelet op de plaats waar het wapen is aangetroffen (een bureaulade) en de hiervoor weergegeven verklaring van de verdachte bij de politie en op de terechtzitting, heeft de rechtbank niet de overtuiging gekregen dat de verdachte zich op het moment dat de verbalisanten het wapen aantroffen in de bureaulade er in enige mate van bewust was dat het wapen daar nog lag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onder feit 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 primair:

hij op 19 oktober 2020 te Zwartsluis, in de gemeente Zwartewaterland, opzettelijk, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, professioneel vuurwerk, te weten

- 137 stuks bangers (Cobra 6), en

- 940 stuks bangers (Tp2),

heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 13 van de Wet wapens en munitie en artikel 1.2.2. lid 3 van het Vuurwerkbesluit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair:

Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, zal worden opgelegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de jeugdige leeftijd van de verdachte (een nog schoolgaande jongen), de proceshouding van verdachte - die van meet af aan eerlijk is geweest - en zijn blanco strafblad.

De raadsman heeft verder verzocht om rekening te houden met het feit dat het dossier geen concrete aanwijzingen bevat om aan te nemen dat sprake is geweest van handel in professioneel vuurwerk, dat verdachte geen intenties heeft gehad om in dergelijk vuurwerk te gaan handelen en dat hij inmiddels serieus inzicht heeft verkregen in de laakbaarheid van zijn handelen. Oplegging van onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou voor verdachte zeer zware consequenties hebben terwijl zo’n sanctie geenszins passend is, aldus de raadsman.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in voorraad en voorhanden hebben van een grote hoeveelheid zwaar, professioneel, vuurwerk (137 stuks Cobra 6 en 940 stuks Tp2) terwijl hij niet beschikte over een vergunning en de benodigde gespecialiseerde kennis.

De ruimte waar verdachte deze grote hoeveelheid zwaar vuurwerk had opgeslagen, in een woning, in een bureaulade op zijn slaapkamer, was daarvoor volkomen ongeschikt. Deze was immers niet ingericht volgens de veiligheidsvoorschriften.

Verdachte had het zware vuurwerk zelfs op korte afstand van een aldaar aanwezige (hout-)kachel opgeslagen. Deze heeft volgens verdachte weliswaar niet gebrand in deze periode, maar dat neemt niet weg dat bijvoorbeeld een huisgenoot de kachel (nietsvermoedend) had kunnen aanzetten.

Het voorhanden hebben en de opslag van professioneel, zwaar, vuurwerk is zeer gevaarzettend. Voor het vervoer en de opslag van dergelijk vuurwerk gelden niet voor niets zeer strenge regels. Afgezien van het brandgevaar bij opslag, brengt de ontbranding van dergelijk zwaar vuurwerk risico’s met zich, voor zowel degene die het vuurwerk tot ontbranding brengt alsook voor eventuele (soms nietsvermoedende) omstanders.

Ten aanzien van de risico’s valt te denken aan (mogelijk blijvende) gehoorbeschadiging, oogletsel(s), verminking van ledematen of erger.

Verdachte heeft door zijn hiervoor weergegeven handelwijze er blijk van gegeven volstrekt onvoldoende acht te slaan op de hiervoor genoemde ernstige (in potentie levensgevaarlijke) risico’s.

De LOVS-oriëntatiepunten, richtsnoeren voor de straftoemeting, bevatten geen aanknopingspunten voor zaken betreffende het illegaal voorhanden hebben van zwaar vuurwerk.

Volgens een recent aangescherpte OM-richtlijn voor de strafvervolging in vuurwerkzaken is bij een feit als het onderhavige de vordering van een vrijheidsbenemende straf van substantiële duur passend en geboden.

Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, in het bijzonder de hoeveelheid lijst III-vuurwerk, is de rechtbank van oordeel dat deze in beginsel de oplegging van een forse vrijheidsbenemende straf zouden kunnen rechtvaardigen.

Ten aanzien van de strafoplegging in dit concrete geval heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Uit een de verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 10 maart 2021 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

De rechtbank neemt bij de strafoplegging verder in aanmerking de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het delict, zijn proceshouding en de door hem afgelegde verklaringen tijdens de politieverhoren en het verhandelde ter terechtzitting van 3 mei 2021.

Verdachte heeft over het illegaal in voorraad en voorhanden hebben van zwaar vuurwerk ter terechtzitting verklaard inzicht te hebben verkregen in de laakbaarheid van zijn handelen en hij heeft blijk gegeven van, voor zover de rechtbank kan overzien, oprechte spijt. Verdachte heeft erkend volstrekt onbezonnen en verkeerd te hebben gehandeld.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande en alles afwegende, in dit geval als sanctie een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaren, in combinatie met een taakstraf van maximale duur, passend en geboden.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, de artikelen 1a, 2, 5 en 6 van de Wet op de economische delicten, en de artikelen 14 a, 14b en 14c, 22c en 22d, en 55 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1:

Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdenveertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Berlo, voorzitter, mr. H. Manuel en mr. R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Westerlaak, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op: 17 mei 2021.

Mr. van Berlo is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , gesloten op 19 oktober 2020, pag. 10 onderaan.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, district IJsselland, met nummer PL0600-2020507630. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , gesloten op 19 oktober 2020, pag. 11, eerste en tweede alinea.

4 Het proces-verbaal Onderzoek wapen’ opgemaakt door [verbalisant 4] , senior Tactische opsporing, gesloten op 20 okt. 2020, pag. 44 - 46.

5 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 20 oktober 2020, pag. 54.