Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1936

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
C/08/264888 / KG ZA 21-102
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming huurwoning wegens overlast. Eiser vordert opschorting van ontruimingsvonnis van de kantonrechter totdat in hoger beroep is beslist. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer : C/08/264888 / KG ZA 21-102

Vonnis in kort geding van 26 april 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eisende partij, hierna te noemen [eiser],

advocaat: mr. G.J. Hollema te Almelo,

tegen

stichting

STICHTING WELBIONS,

gevestigd en kantoorhoudende te Hengelo,

gedaagde partij, hierna te noemen Welbions,

advocaat: mr. A. Çapkurt te Utrecht.

1 De procedure

1.1.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak is bij vonnis van 26 april 2021 op het door [eiser] gevorderde beslist. De feiten en de motivering waarop de in dat vonnis gegeven beslissing steunt, volgen hieronder.

2 De feiten

2.1.

[eiser] huurt van Welbions de woning aan de [adres] te [plaats]. Welbions heeft in een procedure bij de kantonrechter te Enschede de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning gevorderd, in verband met ernstige overlast.

2.2.

Bij vonnis van 6 april 2021 zijn de vorderingen van Welbions toegewezen. Het vonnis is daarbij uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.3.

Bij exploot van 8 april 2021 heeft Welbions het vonnis aan [eiser] laten betekenen en is hem de ontruiming aangezegd tegen 4 mei 2021 vanaf 10.00 uur.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Welbions zal verbieden het vonnis van 6 april 2021 ten uitvoer te leggen, voor zover dit betrekking heeft op de veroordeling van [eiser] om de woning aan de [adres] te [plaats] te ontruimen, tot het moment dat het gerechtshof te Arnhem onherroepelijk zal hebben beslist in het door [eiser] ingestelde hoger beroep, althans zodanig te beslissen als het de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren, met veroordeling van Welbions in de kosten van de procedure.

3.2.

[eiser] kan zich niet verenigen met (de motivering van) het vonnis van 6 april 2021 en heeft daartegen hoger beroep ingesteld. [eiser] heeft Welbions verzocht om de uitkomst van de hoger beroep procedure af te wachten alvorens tot ontruiming over te gaan, maar daartoe is Welbions niet bereid. Het vonnis van 6 april 2021 is volgens [eiser] niet gemotiveerd uitvoerbaar bij voorraad verklaard zodat deze belangenafweging alsnog in het kader van deze procedure dient plaats te vinden. De in dit verband van belang zijnde feiten en omstandigheden, zoals ook aangevoerd in het kader van verweer van [eiser] in de procedure bij de kantonrechter, zijn:

- [eiser] heeft een inkomen op bijstandsniveau en is aangewezen op een sociale huurwoning, terwijl Welbions in Hengelo de enige sociale verhuurder is;

- [eiser] heeft geen familie of vrienden waar hij voor onderdak terecht kan, hij zal na ontruiming dakloos zijn;

- de termijn tot 4 mei a.s. is (veel) te kort om elders onderdak te vinden;

- [eiser] heeft geen financiële mogelijkheden om een nieuwe woning in te richten;

- ontruiming levert voor [eiser] een kapitaalvernietiging op aangezien hij veel heeft geïnvesteerd in zijn woning en hij geen financiële middelen (meer) heeft om zijn inventaris op te slaan totdat hij een nieuwe woning zal hebben gevonden;

- ontruiming heeft onomkeerbare gevolgen, zelfs als hij de hoger beroep procedure zou winnen is hij zijn woning kwijt.

Voor het geval de voorzieningenrechter van oordeel is dat er geen ruimte meer is voor een belangenafweging dan geldt de maatstaf uit het arrest Ritzen/Hoekstra (Hoge Raad d.d. 22 april 1983). In dat kader is er volgens [eiser] sprake van een juridische misslag. Welbions heeft zich (vrijwel) uitsluitend bediend van eenzijdige verklaringen van (voormalige) omwonenden en medewerkers van haar. Gelet op de op Welbions rustende stelplicht en bewijslast had de kantonrechter de vorderingen van Welbions af moeten wijzen of Welbions moeten opdragen om voor haar stellingen bewijs te leveren. De kantonrechter had hoe dan ook het door [eiser] gedane aanbod tot het leveren van tegenbewijs moeten honoreren. Er is bovendien sprake van nieuwe feiten waarmee de kantonrechter in zijn vonnis geen rekening heeft kunnen houden:

- kort na de comparitie van 15 december 2020 heeft Welbions bewakingscamera’s in het complex geplaatst en sindsdien is er geen sprake meer van door [eiser] ervaren overlast. Als de camera’s eerder waren opgehangen zou [eiser] niet zo vaak hebben hoeven klagen en zou er geen aanleiding zijn geweest om ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde te vorderen;

- kort na de comparitie heeft de overheid de algehele lock down uitgeroepen en deze geldt nog steeds. De maatregelen die in dat verband zijn getroffen maken het voor [eiser] praktisch onmogelijk om zijn woning voor 4 mei 2021 te ontruimen aangezien hij dat niet alleen kan. Bovendien bemoeilijkt dat het vinden van vervangende woonruimte;

- Welbions heeft [eiser] wel vervangende woonruimte aangeboden maar daarmee is hij niet geholpen. [eiser] heeft geen geld om te verhuizen en om een andere woning in te richten In dit verband is van belang dat de door Welbions aangeboden woning dermate klein is dat [eiser] daarin zijn bestaande inventaris niet kwijt kan, terwijl hij geen geld heeft voor een andere inventaris.

3.3.

Welbions heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. Het vonnis vloeit voort uit een ernstige overlastsituatie die het risico op escalatie kent. De voorzieningenrechter dient in dit geval de maatstaf van het arrest Ritzen/Hoekstra te hanteren, omdat de kantonrechter de belangenafweging al heeft gemaakt. Volgens dit arrest moet er sprake zijn van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten die bovendien een noodtoestand doen ontstaan voor [eiser], zodat onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is. Volgens Welbions zijn dergelijke feiten er niet. De camera’s zijn opgehangen omdat meerdere bewoners zich door toedoen van [eiser] niet meer veilig voelden in het complex. Het ophangen van de camera’s viel bij [eiser] slecht en heeft uiteindelijk geleid tot een pand- en locatieverbod voor [eiser] en tot een verbod om contact op te nemen met medewerkers van Welbions. Alleen al uitgaande van zijn (zeer agressieve) houding naar medewerkers van Welbions voelt Welbions zich genoodzaakt om gevolg te geven aan het vonnis van 6 april 2021. De stellingen van [eiser] over de lock down, de korte ontruimingstermijn tot 4 mei 2021 en over dakloos worden kunnen tenuitvoerlegging van het vonnis niet in de weg staan. Dat [eiser] mogelijk dakloos wordt is inherent aan een procedure tot ontbinding en ontruiming en deze omstandigheid is door de kantonrechter meegewogen. Welbions heeft coulancehalve het voorstel gedaan om [eiser] te verhuizen naar een andere woning op basis van een (nieuwe) tijdelijke huurovereenkomst en een gedragsaanwijzing van één jaar. Die woning betreft een bungalow en is gelegen in een wijk met minder prikkels voor [eiser]. De woning is van een andere soort en inderdaad kleiner maar [eiser] is niet in de positie om eisen te stellen aan de woning. Welbions vind het onbegrijpelijk dat [eiser] deze woning afwijst en het risico loopt om dakloos te worden.

4 De beoordeling

4.1.

Het vereiste spoedeisend belang is in deze zaak, gelet op de aard van de vordering en het daaromtrent door [eiser] gestelde, aanwezig.

4.2.

Het vonnis van de kantonrechter van 6 april 2021 vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

4.29.

De kantonrechter wijst de vorderingen van Welbions toe en komt daarom toe aan het verweer van [eiser] dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad dient te worden verklaard.

4.30.

De kantonrechter overweegt dat hij op grond van artikel 233 Rv dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren, tenzij uit de wet of uit de aard van de zaak anders voortvloeit. Bij de beoordeling daarvan moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Bij deze belangenafweging moet de kans van slagen van een eventueel aan te wenden rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing blijven en wordt degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt, vermoed het vereiste belang bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben. Mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, zoals ontbinding en ontruiming, staan op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar moeten (slechts) meegewogen worden.

4.31.

Gesteld noch gebleken is dat de wet en/of de aard van de zaak zich tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad verzetten. In hetgeen [eiser] heeft aangevoerd, ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kantonrechter van oordeel dat het belang van Welbions bij de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde (zie rechtsoverweging 4.24.) zwaarder weegt dan het belang van [eiser] bij behoud van de bestaande -en onhoudbare- toestand tot op een eventueel in te stellen rechtsmiddel is beslist.

4.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de kantonrechter met deze overwegingen gemotiveerd de belangen van partijen afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval en is hij nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand totdat op het rechtsmiddel is beslist.

Bij een dergelijke gemotiveerde beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad is -afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag- slechts plaats voor een andere beslissing indien aan de vordering feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd die bij de door die rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na diens uitspraak te hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken (ECLI:NL:HR:2019:2026).

4.4.

Dat de kantonrechter geen bewijsopdracht(en) aan Welbions heeft gegeven en is voorbijgegaan aan het door [eiser] gedane aanbod tot het leveren van tegenbewijs is niet genoeg om van een kennelijke misslag als hier boven bedoeld te kunnen spreken, gelet op de vele incidenten met [eiser] die Welbions aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd en de overweging van de kantonrechter in 4.11. van het vonnis dat het door [eiser] eenvoudig betwisten van praktisch alle gemelde incidenten vanaf 2013 tot heden de kantonrechter niet geloofwaardig voorkomt en hij daarom aan die betwisting voorbij gaat.

4.5.

De door [eiser] gestelde nieuwe feiten en omstandigheden, waarmee de kantonrechter nog geen rekening heeft kunnen houden, rechtvaardigen niet dat van de eerdere beslissing van de kantonrechter moet worden afgeweken. Dat de situatie na het plaatsen van camera’s door Welbions is verbeterd maakt de tekortkomingen van [eiser] daarvóór nog niet ongedaan, en de stellingen van [eiser] dat hij dakloos zal worden en geen financiële middelen heeft om te verhuizen is enerzijds een gevolg van de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en anderzijds is het gewicht daarvan door Welbions afgezwakt door het coulancehalve aangeboden hebben van een andere woning, die door [eiser] om hem moverende redenen is afgewezen. Deze omstandigheden zijn wel nieuw maar rechtvaardigen niet dat van de eerdere beslissing van de kantonrechter moet worden afgeweken. Het vonnis kan daarom ten uitvoer gelegd worden.

4.6.

[eiser] zal worden veroordeeld in de proceskosten, omdat hij ongelijk heeft gekregen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering van [eiser] af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Welbions begroot op € 667,00 griffierecht en € 656,00 salaris advocaat,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2021. De feiten en de motivering waarop de beslissing steunt, zijn afzonderlijk vastgesteld op 30 april 2021.