Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1935

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
96/212814-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De raadkamer van de rechtbank Overijssel heeft de strafzaak tegen een 23-jarige man voor geëindigd verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 96/212814-19

Verzoekschriftnummer: RK 21/4846

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het verzoekschrift op grond van artikel 29f Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 in Curaçao,

wonende in [adres] ,

domicilie kiezende aan het kantooradres van zijn raadsman mr. J. Michels, kantoorhoudende aan de Deurningerstraat 37 A te (7571 BA) Oldenzaal,

verder te noemen: verzoeker.

1 Het verloop van de procedure

Het verzoekschrift, gedateerd 9 april 2021, is op 9 april 2021 op de griffie van de rechtbank ontvangen. Het is ondertekend en ingediend door verzoeker, bijgestaan door mr. J. Michels, advocaat te Oldenzaal.

Het verzoekschrift is behandeld achter gesloten deuren op de zitting van de raadkamer van

12 mei 2021. Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. G.J. Jansen en de raadsman gehoord. Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet verschenen.

De raadkamer heeft kennis genomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier van de strafzaak tegen verzoeker.

2 De standpunten van de raadsman en de officier van justitie

Standpunt raadsman

Verzocht wordt om beëindiging van de strafzaak tegen verzoeker. De raadsman voert aan dat de vervolging van verzoeker onder parketnummer 96/212814-19 kennelijk niet wordt voortgezet. Verzoeker werd op 4 juli 2019 aangehouden op verdenking van het besturen van een voertuig zonder rijbewijs en/of geldige kentekenplaten. De motor van verzoeker is in beslag genomen. Op 25 september 2019 is een klaagschrift tegen die inbeslagname ingediend, welk klaagschrift ongegrond werd verklaard. Op 10 maart 2020 is verzoeker door de kantonrechter vrijgesproken ter zake van overtreding van artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 (zaak met parketnummer 96/283814-19). De motor bleek echter inbeslaggenomen in de zaak met parketnummer 96/212814-19. Gelet op deze omstandigheden is nogmaals een klaagschrift tegen de inbeslagname ingediend. De raadkamer heeft op 10 februari 2021 verzoeker niet-ontvankelijk verklaard, omdat de motor was vernietigd. De raadkamer was van oordeel dat de officier van justitie bij het CVOM vóór 1 april 2021 een beslissing over de afdoening van de zaak had moeten nemen. De raadsman stelt dat op 7 april 2021 nog geen afdoeningsbeslissing bekend was en dat het CVOM geen termijn heeft genoemd waarin een beslissing verwacht kan worden. Gelet op deze feiten en omstandigheden moet de strafzaak tegen verzoeker beëindigd worden.

Het standpunt van de officier van justitie

Het standpunt van de officier van justitie luidt samengevat dat de strafzaak tegen verzoek beëindigd dient te worden, omdat er tot op heden geen afdoeningsbeslissing is genomen.

3 De bevoegdheid van de rechtbank

De raadkamer van de rechtbank Overijssel is bevoegd van het verzoekschrift kennis te nemen, omdat op 4 juli 2019 proces-verbaal tegen verzoeker is opgemaakt ter zake van overtreding van artikel 41 Wegenverkeerswet 1994. Daarmee is naar hedendaagse rechtsopvatting de vervolging ex art. 29 Sv aangevangen nu hij hieraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem door het OM strafvervolging zal worden ingesteld. Vanaf dat moment kan een verdachte belang hebben bij het inroepen van het oordeel van een rechter omtrent geëindigd zijn van zaak.

4 De ontvankelijkheid

Het verzoekschrift is tijdig ingediend. De raadkamer stelt vast dat het verzoekschrift ook overigens ontvankelijk is.

5 De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.

Maatstaf

Artikel 29f Sv strekt ertoe dat een verdachte zich kan beschermen tegen een onredelijk oponthoud en tegen de onzekerheid of aan zijn zaak (verder) gevolg zal worden gegeven. De te hanteren maatstaf bij het verzoek is of vervolging van verdachte, niet wordt ingesteld of voortgezet gelet op vermeende vertraging en/of inactiviteit in de opsporings- en/of vervolgingsprocedure. Het standpunt van het OM in dat verband is daarbij van groot belang, maar niet doorslaggevend. Immers, daar staat tegenover het belang van een verdachte dat bij een verklaring van het einde van de strafzaak een onzekere situatie wordt beëindigd.

De overschrijding van de redelijke termijn kan aanleiding geven tot strafvermindering, maar leidt niet tot niet-ontvankelijk van het OM in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Dat staat tevens eraan in de weg dat de rechter op de voet van artikel 29f Sv verklaart dat de zaak is geëindigd op de grond dat het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is geschonden. Dat is niet anders indien aan een verzoek als bedoeld in artikel 29f Sv (mede) ten grondslag is gelegd dat de overschrijding van de redelijke termijn tevens een inbreuk op andere verdedigingsrechten tot gevolg heeft, bijvoorbeeld waar het de mogelijkheid betreft van het bieden van een behoorlijke en effectieve gelegenheid tot ondervraging. Het is aan de zittingsrechter en niet aan de rechter die oordeelt over het verzoek als bedoeld in artikel 29f Sv, te bepalen of van zo’n inbreuk sprake is en zo ja, of dat in de concrete omstandigheden van het geval ook betekent dat zich een schending van artikel 6 EVRM voordoet waaraan bij de berechting van de zaak gevolgen dienen te worden verbonden (vgl. HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059).

Grond voor het geven van een verklaring dat de zaak is geëindigd kan de rechter onder meer vinden in de omstandigheid dat niet of nauwelijks (meer) activiteiten worden verricht in het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte en het daarnaast redelijkerwijs niet valt te verwachten dat het OM tegen de verdachte strafvervolging zal instellen of voortzetten, in het bijzonder door jegens de verdachte een strafbeschikking uit te vaardigen of hem te dagvaarden, zonder dat het OM daaromtrent zelf al duidelijkheid heeft verschaft aan de verdachte in de vorm van een (sepot)beslissing als bedoeld in artikel 167 of 242 Sv dan wel anderszins. Mede vanwege het door artikel 255, eerste lid, Sv aan de verklaring dat de zaak is geëindigd verbonden rechtsgevolg, betreft het hier een tot terughoudendheid nopende maatstaf (vgl. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1472).

Feiten en omstandigheden

Verzoeker is op 4 juli 2019 aangehouden wegens verdenking van overtreding van artikel 41 Wegenverkeerswet (rijden met valse kentekenplaten) en artikel 107 Wegenverkeerswet (rijden zonder rijbewijs). Verzoeker is ten aanzien van de overtreding van artikel 107 Wegenverkeerswet vervolgd onder parketnummer 96/283814-19 en op 10 maart 2020 vrijgesproken door de kantonrechter. In de zaak met parketnummer 96/212814-19 is nog geen vervolging ingesteld. Dit betreft de zaak waarin op 4 juli 2019 de motor van verzoeker is beslag is genomen. Verzoeker heeft op 25 september 2019 en op 18 december 2020 een klaagschrift ingediend tegen de inbeslagname van de motor. Op 10 februari 2021 heeft de raadkamer klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift, omdat de motor vernietigd bleek te zijn.

Beoordeling

De raadkamer is van oordeel dat gelet op de hiervoor geschetste feite en omstandigheden zich in onderhavige zaak de situatie voordoet waarin redelijkerwijs valt te verwachten dat het openbaar ministerie tegen verzoeker geen strafvervolging zal instellen. De raadkamer heeft op 10 februari 2021 overwogen dat de officier van justitie vóór 1 april 2021 een afdoeningsbeslissing moet hebben genomen. Tot op heden is die beslissing uitgebleven. De raadkamer zal de strafzaak tegen verzoeker beëindigen.

Gelet op de hele gang van zaken is de raadkamer overigens van oordeel dat door het voortduren van het beslag op de motor en de uiteindelijke vernietiging daarvan, terwijl verzoeker meermalen heeft verzocht om teruggave van de motor, verzoeker ernstig financieel is benadeeld, waarvoor een redelijke compensatie niet zou misstaan.

6 De beslissing

De raadkamer verklaart dat de zaak tegen verdachte met parketnummer 96/212814-19 is geëindigd.

Deze beschikking is gegeven door mr. mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.M. Doorn, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken op 12 mei 2021.