Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1889

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
08.295263.19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 27-jarige man tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval. De man reed met een te hoge snelheid in een niet-APK gekeurde auto met verschillende velgen en banden op de achteras, op een provinciale weg met nat wegdek. De man moest vervolgens hard remmen, waardoor de auto in de slip raakte. Hij kreeg zijn auto niet meer onder controle en botste frontaal tegen de auto van het slachtoffer met fatale gevolgen. Naast de taakstraf en de voorwaardelijke gevangenisstraf legt de rechtbank de man een rijontzegging op voor 2 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.295263.19 (P)

Datum vonnis: 6 mei 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 april 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. Agelink en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. J. Visscher, advocaat te Amersfoort, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte schuldig is aan het veroorzaken van een verkeersongeval, waardoor iemand is gedood, dan wel dat verdachte het verkeer in gevaar heeft gebracht.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 29 november 2018 te De Krim in de gemeente Hardenberg, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk BMW), komende uit de richting de Krim en/of gaande in de richting Coevorden, daarmede rijdende over de weg, de N377, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl aan de achteras van dat door hem, bestuurde motorrijtuig (personenauto, merk BMW)

twee verschillende velgen en/of banden waren gemonteerd, die in strijd met het gestelde in

artikel 5.2.27 van de Regeling Voertuigen niet van dezelfde maataanduiding waren voorzien,

zulks terwijl het keuringsbewijs van dat motorrijtuig (personenauto, merk BMW) zijn geldigheid had verloren op 25 juli 2018 en kennelijk nadien niet was aangeboden voor nieuwe/herhaalde periodieke keuring,

met een snelheid, gelegen tussen de 156 en 196 kilometer, althans met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, geldende maximum snelheid van 80 kilometer per uur heeft gereden en/of

toen hij, verdachte had waargenomen dat een uit tegenovergestelde richting komend ander

motorrijtuig (personenauto, merk Volvo) doende was om een voor hem (de bestuurder van die Volvo) uit over die weg rijdend ander motorijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) in te halen, heeft geremd en/of

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig, merk BMW) in een slip is geraakt en/of naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of gezien zijn, verdachtes rijrichting geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook is terechtgekomen en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een over die voor die voor tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook rijdend, toen hem, verdachte dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto, merk VW) en/of door de krachtsinwerking van die botsing/aanrijding dat andere motorrijtuig (personenauto, merk VW), in een langs die weg (de N377) gelegen kanaal (de Lutterhoofdweg) is terechtgekomen, en aldus

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood en/of

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte een krachtens de

Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximum snelheid in ernstige mate heeft overschreden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij op of omstreeks 29 november 2018 te De Krim in de gemeente Hardenberg, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk BMW), komende uit de richting de Krim en/of gaande in de richting Coevorden, daarmede heeft gereden over de weg, de N377 en terwijl het wegdek van die weg (N377) ten gevolge van neerslag nat was en/of

terwijl aan de achteras van dat door hem, bestuurde motorrijtuig (personenauto, merk BMW)

twee verschillende velgen en/of banden waren gemonteerd, die in strijd met het gestelde in

artikel 5.2.27 van de Regeling Voertuigen niet van dezelfde maataanduiding waren voorzien,

zulks terwijl het keuringsbewijs van dat motorrijtuig (personenauto, merk BMW) zijn geldigheid had verloren op 25 juli 2018 en kennelijk nadien niet was aangeboden voor nieuwe/herhaalde periodieke keuring,

met een snelheid, gelegen tussen de 156 en 196 kilometer, althans met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, geldende maximum snelheid van 80 kilometer per uur heeft gereden en/of

toen hij, verdachte had waargenomen dat een uit tegenovergestelde richting komend ander

motorrijtuig (personenauto, merk Volvo) doende was om een voor hem (de bestuurder van die Volvo) uit over die weg rijdend ander motorijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) in te halen, heeft geremd en/of

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig, merk BMW) in een slip is geraakt en/of naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of gezien zijn, verdachtes rijrichting geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook is

terechtgekomen en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een over die voor die voor

tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook rijdend, toen hem, verdachte dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto, merk VW) en/of door de krachtsinwerking van die botsing/aanrijding dat andere motorrijtuig (personenauto, merk VW), in een langs die weg (de N377) gelegen kanaal (de Lutterhoofdweg) is terechtgekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden

gehinderd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Volgens de officier van justitie heeft verdachte een zeer hoge mate van schuld aan het ongeval, waarbij de heer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) om het leven is gekomen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft volledige vrijspraak bepleit. Verdachte wist niet dat de velgen en banden van de twee achterwielen van zijn auto verschillende maten hadden. Naar aanleiding van dit ongeval is onderzoek gedaan. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat de verschillende wielmaten geen invloed hebben gehad op de rij- en remeigenschappen van het voertuig. In voornoemd rapport worden verder conclusies getrokken na uitvoering van een (gespiegelde) dubbele uitwijkmanoeuvre, terwijl uit het dossier niet blijkt dat een dergelijke manoeuvre is gemaakt. Het onderzoek berust daarom op onjuiste gegevens. Ook is het onderzoek onvolledig geweest en waren de onderzoekers onvoldoende deskundig. De snelheidsberekeningen die zijn uitgevoerd naar aanleiding van het ongeval zijn daarnaast met onvoldoende zekerheiden omkleed. Er kan niet overtuigend worden vastgesteld dat verdachte de maximumsnelheid ter plaatse in ernstige mate heeft overschreden. Dat verdachte reed in een auto die (al vier maanden) geen geldig APK-keuringsbewijs had, staat vast. De dubbele causaliteit ontbreekt echter op alle genoemde punten, aldus de raadsman. Bovendien is de inhaalactie van de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) de oorzaak geweest van het ongeval. Als gevolg van de inhaalactie van [naam 1] moest verdachte hard op de rem trappen om een aanrijding te voorkomen. Het is meer dan aannemelijk dat verdachte niet tegen de auto van [slachtoffer] was gebotst als de inhaalactie van [naam 1] niet had plaatsgevonden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.1

Op donderdag 29 november 2018, tussen 06:30 en 06:35 uur vond een ongeval plaats bij
duisternis op de rijbaan van de provinciale weg N377, gelegen tussen De Krim en Coevorden, ter hoogte van hectometerpaal 41.4. De rijbaan van de N377 was op dat moment nat. De rijbaan bestond uit twee rijstroken, gescheiden door onderbroken strepen, was bestemd voor elkaar tegemoetkomend verkeer en was goed onderhouden. De ter plaatse toegestane maximum snelheid bedroeg 80 kilometer per uur. Aan de noordzijde van de rijbaan was een kanaal gelegen, door een grasberm gescheiden van de rijbaan.2 Aan de zuidzijde van de rijbaan was een fietspad gelegen.

Over de N377, komende vanuit de richting Coevorden, en gaande in de richting van De Krim, reden vlak voor het ongeval achtereenvolgens:
- getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), bestuurder van een trekker-/oplegger combinatie, merk Volvo, met kenteken [kenteken 1] ;
- [naam 1] , bestuurder van een personenauto, merk Volvo V70, met kenteken

[kenteken 2] ;
- [slachtoffer] , bestuurder van een personenauto, merk Volkswagen Passat, met kenteken

[kenteken 3] ;
- getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ), bestuurder van een personenauto, merk VW Polo, met kenteken [kenteken 4] ;
- getuige [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ), bestuurder van een lijndienst-bus openbaar vervoer.

Over de N377, komende vanuit de richting De Krim, en gaande in de richting van Coevorden, reden vlak voor het ongeval achtereenvolgens:
- verdachte, bestuurder van een personenauto, merk BMW, met kenteken [kenteken 5]
- getuige [getuige 4] (hierna: [getuige 4] ), bestuurder van een trekker-/oplegger combinatie, merk Mercedes, met kenteken [kenteken 6] .

Ter hoogte van hectometerpaal 41.4 haalt [naam 1] , de voor hem rijdende [getuige 1] in en rijdt derhalve op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer. Op dat moment nadert uit de tegemoetkomende richting verdachte. Door de inhaalmanoeuvre van [naam 1] , voelt verdachte zich genoodzaakt te remmen/snelheid te verminderen. Volgens zijn verklaring, raakt verdachte vervolgens in een slip.3 Hij komt, achter [getuige 1] , op de weghelft van [slachtoffer] terecht. Aldaar komt verdachte in frontale botsing met de auto van [slachtoffer] . Door de kracht van die botsing, raakt het de auto van [slachtoffer] te water in het naast gelegen kanaal4 ten gevolge waarvan [slachtoffer] verdrinkt5.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte schuld heeft aan het ongeval en aan de gevolgen daarvan, te weten de dood van [slachtoffer] in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Van schuld in de zin van voormeld artikel is sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Volgens vaste jurisprudentie komt het bij de beoordeling van deze schuldvraag aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder deze is begaan. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. De rechtbank overweegt als volgt.

4.3.1

Snelheid

Bij het bepalen van de snelheid waarmee verdachte reed, is blijkens het proces-verbaal aanvullend tachograafdata onderzoek van 30 oktober 2019 gebruik gemaakt van de tachograafdata van de trekker-/oplegger combinatie, merk Mercedes, met kenteken [kenteken 6] van [getuige 4] gecombineerd met de tachograafdata van de een trekker-/oplegger combinatie, merk Volvo, met kenteken [kenteken 1] van [getuige 1] . Voordat het ongeval plaatsvond heeft verdachte de combinatie van [getuige 4] ingehaald op de Hoofdweg N377 ter hoogte van perceel 64.6 Deze inhaallocatie is 2827 meter verwijderd van de plaats van het ongeval. De combinatie van [getuige 1] heeft geremd na de inhaalactie van [naam 1] . Die tachograafdata zijn ook gebruikt bij de berekening. Hoeveel seconden dit voor de botsing is geweest is niet te bepalen, maar om een reëler waarde van de gereden snelheid van verdachte te bepalen is ook gebruik gemaakt van de tachograafdata toen de combinatie van [getuige 1] de oorspronkelijke snelheid weer reed. Op basis van de berekende tijdstippen van de inhaalactie van verdachte ten opzichte van [getuige 4] en het remmen en weer op snelheid komen van [getuige 1] , kan worden bepaald dat verdachte er tussen de 52 en 65 seconden over heeft gedaan om te rijden van de plaats van zijn inhaalmanoeuvre (van [getuige 4] ) naar de plaats van het ongeval. Die afstand, afgezet tegen de tijd resulteert in een gemiddelde snelheid van 156 tot 196 kilometer per uur.7

De rechtbank ziet in dat hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de uitkomsten van het rapport. De rechtbank acht daarbij van belang dat ter zitting vast is komen te staan dat op Google Maps op de Hoofdweg N377 ter hoogte van perceel 64 het pand “ [naam 2] ” is gelegen. Dit stemt overeen met de verklaring van [getuige 4] over de plek waar hij door verdachte is ingehaald. Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat verdachte ter zitting zelf heeft verklaard te hard te hebben gereden. Binnen de bebouwde kom schat de verdachte zijn snelheid op ongeveer 80 kilometer per uur. Buiten de bebouwde kom schat hij 110 à 120 kilometer per uur te hebben gereden. De rechtbank neemt de uitgevoerde snelheidsberekeningen echter als uitgangspunt. Gelet op de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur heeft verdachte deze, met een gemiddelde snelheid van 156 tot 196 kilometer per uur, in ernstige mate overschreden.

4.3.2

De achterbanden

De achteras van auto van verdachte was niet voorzien van velgen en banden met dezelfde maataanduiding, als bedoeld in artikel 5.2.27 van de Regeling Voertuigen.8 Rechtsachter was een velg van 15 inch met een band van 15 inch gemonteerd en linksachter een velg van 17 inch met een band van 17 inch.

Naar het oordeel van de rechtbank wist de verdachte dat er op de achteras twee verschillende maatvoering velgen en banden waren gemonteerd. Hij heeft dit verklaard tijdens zijn verhoor bij de politie op 23 mei 20199 en ook getuige [getuige 5] heeft verklaard dat verdachte wist dat het om een noodwiel ging dat niet gelijk was aan de andere wielen op de auto. Volgens [getuige 5] wist verdachte dat hij het moest vervangen, maar deed hij dat steeds niet.10 Verdachte heeft wisselend verklaard over het moment van het vervangen van de achterband. Tijdens zijn verhoor op 23 mei 2019 heeft hij verklaard dat het de dag voor het ongeval was gebeurd. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat het ongeveer een week ervoor was. Uit de verklaring van [getuige 5] , namelijk dat hij verdachte verschillende keren had gewezen op dat hij de band moest vervangen, blijkt ook dat het minimaal enkele dagen voor het ongeval moet zijn gebeurd.

4.3.3

De invloed van de verschillende achterbanden op de rijeigenschappen

Er is onderzoek gedaan naar welke invloed het hebben van twee achterbanden van verschillende omtrek heeft op de rijeigenschappen van een vergelijkbare auto.11 Achtereenvolgens zijn de volgende proeven gehouden:

1. Enkele ronden op de omloop van het circuit om het voertuig op bedrijfstemperatuur te krijgen;

2. Accelereren vanaf ongeveer 30 km/u tot 80 km/u zonder het stuur vast te houden. Deze

proeven zijn in twee richtingen gehouden om de invloed van eventuele wegverkanting te

onderzoeken;

3. Maximaal remmen (ABS) vanaf ongeveer 80 km/u tot stilstand zonder het stuur vast te

houden. Ook deze proeven zijn in twee richtingen gehouden om de invloed van eventuele

wegverkanting te onderzoeken;

4. Uitvoeren van de dubbele uitwijkmanoeuvre zoals omschreven in de norm NEN-ISO 3888-1 bij 80 km/u en bij een zo hoog mogelijke snelheid;

5. Maximaal remmen (ABS) op nat wegdek.

Vervolgens is het vervangende voertuig voorzien van de achterwielen van het ongevalsvoertuig en zijn de proeven in dezelfde volgorde herhaald.

Uit de metingen bleek dat er een gering verschil was bij het accelereren, het voertuig trok in de ongevalsconfiguratie iets naar links. De mate waarin was echter gering en eenvoudig te

corrigeren. Bij het uitvoeren van een ABS remming was er nagenoeg geen verschil waar te nemen tussen beide voertuigconfiguraties. Uit de proeven die gedaan zijn op een nat wegdek bleek dat de remvertraging iets lager was, hetgeen vanzelfsprekend te verwachten was. Gelet op de eenvoudige wijze waarop het voertuig is te corrigeren bij het accelereren heeft de afwijkende wielomtrek nagenoeg geen invloed gehad op de rij- en remeigenschappen bij het accelereren en remmen.

In de conclusie van het onderzoek wordt vermeld:

Indien de onderzoeksresultaten geprojecteerd worden op het daadwerkelijke ongeval luid de

conclusie dat de van elkaar verschillende achterwielen van invloed kan zijn geweest op het

ongeval. Er is immers sprake geweest van een uitwijkmanoeuvre en de bestuurder van het

ongevalsvoertuig is de controle over het voertuig kwijt geraakt en op de rijstrook voor

tegemoetkomend verkeer terecht gekomen. Deze voertuigbeweging komt overeen met de

beweging tijdens de dubbele uitwijkmanoeuvre die ontstaat tijdens het terugsturen naar het

rechter deel van het parcours. Er hoeft niet noodzakelijkerwijs ook een rijbaanwisseling aan vooraf gegaan te zijn, een geringere stuurbeweging kan al voldoende onbalans veroorzaken en met name het naar links sturen, waarbij het gewicht van de auto op de rechterwielen komt te rusten, levert de problemen op.

Of de onbalans die op treed bij het naar links sturen veroorzaakt is door de afwijkende wielomtrek is niet met zekerheid te stellen. De bandhoogte kan hier bijvoorbeeld ook de oorzaak van zijn. Een hogere band is minder stug en laat meer voertuigbeweging toe.

Verdachte heeft op 30 november 2018 verklaard over zijn reactie op de inhaalactie van [naam 1] :

“Ik ben daarom gaan remmen. Ik voelde dat mijn auto uitbrak. Ik heb vervolgens de rem

los gelaten en gestuurd daar waar ik heen wilde zoals ik geleerd heb op de slip

cursus. Ik heb geprobeerd een botsing te voorkomen maar dit is niet gelukt.” 12

In zijn latere verklaring van 23 mei 2019 heeft verdachte verklaard:

“V: Op het moment dat jij zag dat er vanuit de tegengestelde richting een auto aan het inhalen was, hoe reageerde je toen?
A: Ik liet even het gas los. Toen ik zag dat hij wel heel dichtbij kwam trapte ik op de rem. (...)
V: Hoe heb je geremd?
A: Voor mijn gevoel redelijk abrupt. Ik weet nog dat ik in de slip raakte. Ik had het gevoel dat de voorwielen wat blokkeerden. Ik weet niet of er ABS op het voertuig zat.
V: Was het uitbreken een gevolg van je rem actie?
A: Hij werd wat zenuwachtig. Ik probeerde nog tegen te sturen, maar toen de auto ging glijden was er geen houden aan. (...)” 13

Deze verklaringen van verdachte maken de bovenstaande conclusie naar aanleiding van de rijproeven niet anders. Vast staat dat de auto van verdachte in een slip is geraakt. Het is niet aannemelijk dat dit door het remmen alleen is veroorzaakt. Voor wat betreft de test van de remmen vermeldt het onderzoek namelijk:

Bij het uitvoeren van een remming waarbij het ABS in werking trad was er nagenoeg

geen verschil tussen het voertuig in standaardconfiguratie en het voertuig in de

ongevalsconfiguratie. In beide gevallen bleef de remweg nagenoeg recht.

(…) Bij de remmingen op nat wegdek kwam er geen waarneembaar verschil naar voren

tussen beide voertuigconfiguraties. Er zijn ook een aantal remmingen uitgevoerd met

uitgeschakeld ABS, waarbij eveneens de verschillen gering waren.

De rechtbank komt op basis van vorenstaande tot de conclusie dat de auto van verdachte door een remactie, al dan niet in combinatie met een gelijktijdige dan wel kort daarop volgende stuurbeweging, in een slip is geraakt en naar links is gegaan en gezien verdachtes rijrichting geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook is terechtgekomen en is gebotst tegen de auto van het slachtoffer. Hierbij merkt de rechtbank op dat verdachte met een aanzienlijk hogere snelheid reed dan de snelheden waarmee de proeven zijn uitgevoerd (i.c. 80 en 100 kilometer per uur).

APK
Bij raadpleging van het kentekenregister van de RDW bleek dat het keuringsbewijs van de auto van verdachte zijn geldigheid had verloren op 25 juli 2018 en nadien niet was aangeboden voor nieuwe c.q. herhaalde periodieke keuring.14 Verdachte was hiervan op de hoogte.

Conclusie

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend is geweest. Gelet op de geldende maximumsnelheid en de verkeers- en weersomstandigheden reed verdachte fors te hard. Verdachte reed immers met een snelheid van tussen de 156 en 196 kilometer per uur over een provinciale 80-kilometer weg. Die weg, met enkele rijstroken en zonder vluchtstrook, was nat en het was donker.

Door onder deze omstandigheden en met deze inrichting van de weg (waarop inhalen is toegestaan en er geen uitwijkmogelijkheid is vanwege het water en het fietspad) zo fors te hard te rijden heeft verdachte zich in de situatie gebracht dat hij onvoldoende kon anticiperen dan wel reageren op gedragingen van medeweggebruikers, zoals de mogelijkheid dat er op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer een inhaalactie zou worden uitgevoerd.

Dat de inhaalactie van [naam 1] vrij krap was, zoals getuige [getuige 1]15 heeft verklaard, mag zo zijn maar als verdachte niet bijna tweemaal de toegestane snelheid had gereden, dan zou [naam 1] een veel ruimere gelegenheid hebben gehad terug te keren naar zijn eigen rijbaan. Dan had verdachte niet zo hard hoeven remmen en was zijn auto niet uitgebroken.

Verder is uit het onderzoek naar voren gekomen dat verdachte daarbij in een auto reed met van elkaar verschillende achterwielen, wat van invloed kan zijn geweest op het ongeval, en (bij een geringe stuurbeweging) onbalans van de auto zou kunnen veroorzaken. Dat daarbij niet exact de rem- en/of stuurbewegingen op de door verdachte gereden snelheid zijn gereconstrueerd, doet aan die bevinding in het rapport niet af.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden als gevolg waarvan hij tegen de auto van het slachtoffer is gebotst, die in het naastgelegen kanaal terecht kwam ten gevolge waarvan het slachtoffer is verdronken.

Dit betekent dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW en het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 november 2018 te De Krim in de gemeente Hardenberg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk BMW), komende uit de richting de Krim en gaande in de richting Coevorden, daarmede rijdende over de weg, de N377, aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl aan de achteras van dat door hem, bestuurde motorrijtuig (personenauto, merk BMW) twee verschillende velgen en banden waren gemonteerd, die in strijd met het gestelde in artikel 5.2.27 van de Regeling Voertuigen niet van dezelfde maataanduiding waren voorzien, en

zulks terwijl het keuringsbewijs van dat motorrijtuig (personenauto, merk BMW) zijn geldigheid had verloren op 25 juli 2018 en kennelijk nadien niet was aangeboden voor herhaalde periodieke keuring, en

met een snelheid, gelegen tussen de 156 en 196 kilometer per uur heeft gereden en

toen hij, verdachte had waargenomen dat een uit tegenovergestelde richting komend ander

motorrijtuig (personenauto, merk Volvo) doende was om een voor hem (de bestuurder van die Volvo) uit over die weg rijdend ander motorijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) in te halen, heeft geremd en

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig, merk BMW) in een slip is geraakt en naar links is gegaan en gezien zijn, verdachtes rijrichting op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook is terechtgekomen en is gebotst tegen een over die voor tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook rijdend ander motorrijtuig (personenauto, merk VW) en door de krachtsinwerking van die botsing dat andere motorrijtuig (personenauto, merk VW), in een langs die weg (de N377) gelegen kanaal (de Lutterhoofdweg) is terechtgekomen, en

aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood en

welk feit mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximum snelheid in ernstige mate heeft overschreden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en twee jaar ontzegging van de rijbevoegdheid.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht aan verdachte geen gevangenisstraf op te leggen en rekening te houden met de impact die het ongeval ook op verdachte heeft gehad. Een onvoorwaardelijke rijontzegging zou verlies van werk opleveren, hetgeen een te verstrekkend gevolg zou zijn. Ook is de redelijke termijn van artikel 6 EVRM overschreden. Een taakstraf is volgens de raadsman passend en geboden.

7.3

De gronden voor een straf en maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft met zijn auto met een snelheid van minimaal 156 kilometer per uur gereden in een niet-APK gekeurde auto met verschillende velgen en banden op de achteras, op een provinciale weg met nat wegdek op de vroege ochtend van 29 november 2019. Door een stevige remactie, al dan niet in combinatie met sturen, is de auto van verdachte in een slip geraakt. Hij kreeg het voertuig niet meer onder controle en botste frontaal tegen de auto van [slachtoffer] aan, die op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer reed. Als gevolg van die botsing is de auto van [slachtoffer] in het naastgelegen kanaal beland en is [slachtoffer] overleden. Het leed dat hij bij de nabestaanden heeft veroorzaakt, is zeer groot en het verlies is onherstelbaar. Ter zitting is door de moeder van [slachtoffer] treffend verwoord wat dit verlies voor de familie betekent.

Uiteraard heeft verdachte het ongeval niet opzettelijk veroorzaakt en was het ook zeker niet zijn bedoeling dat [slachtoffer] daarbij om het leven zou komen. Het ongeval en het overlijden van [slachtoffer] heeft ook op verdachte zijn psychische weerslag gehad en ook fysiek is hij niet ongeschonden uit het ongeval gekomen. Hij heeft zijn beide enkels gebroken en ondervindt daar nog steeds de gevolgen van. Tegelijkertijd lijkt verdachte de schuld voornamelijk buiten zichzelf te leggen. Hij wijt het ongeval aan de inhaalactie van [naam 1] en de staat van de auto aan [getuige 5] die zijn auto had moeten keuren. Verdachte geeft weinig blijk van inzicht dat het verdachte zelf is die aanmerkelijke schuld heeft aan het ongeval waarbij iemand om het leven is gekomen.

De rechtbank weegt bij het bepalen van de hoogte van de straf mee dat verdachte een blanco strafblad heeft en hij zijn leven goed op orde heeft. Ook wordt rekening gehouden met het tijdsverloop tussen het ongeval (29 november 2018) en de datum van de einduitspraak

(6 mei 2021).

Een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en een taakstraf van 240 uren acht de rechtbank passend en geboden.

Voor wat betreft een ontzegging van de rijbevoegdheid houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte werkt als vrachtwagenchauffeur en zijn rijbewijs daarbij onmisbaar is. Een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zoals bepleit dor de raadsman doet echter geen recht aan de ernst van het bewezenverklaarde strafbare feit. Aan verdachte zal een ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd voor de duur van twee jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

maatregel

- ontzegt veroordeelde de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 2 (twee) jaren, waarvan 1 (één) jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. H.M. Braam, voorzitter, mr. C.A. Peterzon en

mr. J. Faber, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Bakker, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2021.

Buiten staat

mr. drs. H.M. Braam is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2018538116. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van relaas van 8 november 2019, pagina's 4-11.

3 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 30 november 2018, pagina's 115-116.

4 Het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse (VOA) van 29 november 2018, pagina's 38-69.

5 Schouwverslag van 29 november 2018, opgemaakt door dhr. Meijer, forensisch arts.

6 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] van 12 oktober 2019, pagina's 157-161, en het proces-verbaal ter terechtzitting van 22 april 2021, waarbij de voorzitter heeft waargenomen dat op google.com/maps te zien is dat aan [adres 2] een pand staat met de tekst ‘ [naam 2] ’ op de voorgevel en waar een caravanhandel lijkt te hebben gezeten, te zien aan het bord.

7 Het proces-verbaal aanvullend tachograafdata onderzoek van 30 oktober 2019, pagina’s 102-109.

8 Het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse (VOA) van 29 november 2018,pagina's 38-69.

9 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 23 mei 2019, pagina's 117-123.

10 proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5] bij de rechter-commissaris van 10 maart 2021.

11 Het aanvullende proces-verbaal verkeersongevallenanalyse (VOA) van 27 mei 2020, pagina's 1-27.

12 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 30 november 2018, pagina's 115-116.

13 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 23 mei 2019, pagina's 117-123.

14 Het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse (VOA) van 29 november 2018, pagina's 38-69.

15 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 25 oktober 2019, pagina's 152-154.