Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1885

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
8789429 \ CV EXPL 20-4117 en 8789448 \ CV EXPL 20-4118
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser mocht afgaan op de (schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid van een medewerker van gedaagde. Gedaagde is dus gebonden aan de verzekeringsovereenkomsten die deze medewerker namens gedaagde heeft afgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummers: 8789429 \ CV EXPL 20-4117

8789448 \ CV EXPL 20-4118

Vonnis van 4 mei 2021

in de zaak met zaaknummer 8789429 van

de besloten vennootschap [A],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiseres] ,

gemachtigde: mr. N.A. de Jonge

tegen

de besloten vennootschap [X] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] en kantoorhoudende in [plaats] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde 1] ,

gemachtigde: de heer [Z]

en in de zaak met zaaknummer 8789448 van

de besloten vennootschap [A],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiseres] ,

gemachtigde: mr. N.A. de Jonge

tegen

de besloten vennootschap [Y],
gevestigd in [vestigingsplaats] en kantoorhoudende in [plaats] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde 2]

gemachtigde: de heer [Z] .

Gedaagden worden hierna ook tezamen [gedaagde 1] genoemd.

1 De procedure

1.1.

In deze twee zaken is een tussenvonnis gewezen op 19 januari 2021, waarin is bepaald dat een gelijktijdige mondelinge behandeling zal worden gehouden. [eiseres] heeft ten behoeve van de mondelinge behandeling voor beide zaken een akte met aanvullende producties ingediend. [gedaagde 1] heeft op 31 maart 2021 ten behoeve van beide zaken een e-mail gestuurd.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 april 2021 via online verbinding (Skype). De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.

1.3.

Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

2 Waar gaat deze zaak over?

De vaststaande feiten

2.1.

De heer [Z] is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 2] . [gedaagde 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 1] .

2.2.

[eiseres] is een verzekeringstussenpersoon. Via [eiseres] zijn een aantal verzekeringen afgesloten op naam van [gedaagde 1] en op naam van [gedaagde 2] .

2.3.

Het pakket verzekeringen dat op naam staat van [gedaagde 1] bestaat onder andere uit verzekeringen voor het wagenpark, werkmaterieel, twee auto’s, diverse aanhangers en trailers en een boot.

2.4.

De verzekeringen op naam van [gedaagde 2] bestaan onder andere uit verzekeringen voor milieuschade, voor bestuurders van motorrijtuigen, ziekteverzuim, bedrijfsaansprakelijkheid (hierna: AVB) en arbeidsongeschiktheid.

2.5.

[eiseres] incasseert de verzekeringspremies via rekening-courant. Zowel bij [gedaagde 1] als bij [gedaagde 2] is een achterstand in de premiebetalingen ontstaan.

2.6.

In 2013 is op de AVB van [gedaagde 2] een schade-uitkering gedaan. [eiseres] heeft het eigen risico van € 5.000,00 aan de verzekeraar betaald en het bedrag bij [gedaagde 2] in rekening gebracht. [gedaagde 2] heeft dit bedrag niet aan [eiseres] betaald.

Wat [eiseres] wil

2.7.

[eiseres] wil dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de verschuldigde verzekeringspremies en het voorgeschoten eigen risico betalen, plus rente en incassokosten, omdat de bedragen te laat zijn betaald en [eiseres] de vordering uit handen heeft moeten geven aan haar incassogemachtigde.

2.8.

Bij [gedaagde 1] bedraagt de premieachterstand € 11.851,78. Na creditering van een aantal bedragen dat [eiseres] voor eigen rekening neemt, vordert [eiseres] van [gedaagde 1] een bedrag van € 5.514,70 aan achterstallige premies. De gevorderde rente bedraagt € 267,58 tot 15 september 2020. [eiseres] vordert daarnaast € 650,74 aan buitengerechtelijke incassokosten.

Daarom vordert [eiseres] dat [gedaagde 1] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 6.433,02, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 5.514,70 vanaf 15 september 2020 tot de dag van volledige betaling en met veroordeling van [gedaagde 1] in de proceskosten en de nakosten.

2.9.

Bij [gedaagde 2] bedraagt de betalingsachterstand € 25.072,74. Na creditering van een deel van dit bedrag vordert [eiseres] van [gedaagde 2] nog een bedrag van € 18.975,22 aan achterstallige premies en voorgeschoten eigen risico. Daarbij komen nog de gevorderde rente tot 15 september 2020 van € 1.158,61 en de buitengerechtelijke kosten van € 964,75.

[eiseres] vordert daarom dat [gedaagde 2] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 21.098,58 aan [eiseres] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 18.975,22 vanaf 15 september 2020 tot de dag van volledige betaling en met veroordeling van [gedaagde 2] in de proceskosten en in de nakosten.

De reactie van [gedaagde 1]

2.10.

[gedaagde 1] heeft betwist dat de verzekeringsovereenkomsten tussen [eiseres] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot stand zijn gekomen. [gedaagde 1] voert aan dat de heer [W] de verzekeringen heeft afgesloten. [W] werkte weliswaar bij [gedaagde 1] , maar hij was niet bevoegd om overeenkomsten te sluiten. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn dus niet gebonden aan de verzekeringsovereenkomsten die [W] heeft afgesloten, aldus [gedaagde 1] .

3 De beoordeling

3.1.

De kantonrechter stelt voorop dat de hoogte van de gefactureerde bedragen niet in geschil is. In geschil is enkel of [eiseres] een overeenkomst heeft met de [gedaagde 1] vennootschappen, omdat [W] naar stellingen van [gedaagde 1] onbevoegd zou zijn geweest om de overeenkomsten aan te gaan.

De bevoegdheid van [W]

3.2.

[eiseres] stelt dat de verzekeringsovereenkomsten met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] rechtsgeldig tot stand zijn gekomen. De eerste overeenkomsten met beide bedrijven werden al in 2001 gesloten. Het contact verliep altijd met [W] . Aanvraagformulieren werden door [W] ingevuld en wijzigingen werden door hem doorgegeven. Eens in het jaar werden de verzekeringen doorgenomen. Ook dat gebeurde samen met [W] . De premies van de verzekeringen zijn – met uitzondering van de huidige achterstand – altijd betaald. Door [gedaagde 1] is daarover nooit geklaagd. Er zijn ook schades uitbetaald aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Naar mening van [eiseres] was [W] dan ook bevoegd om de overeenkomsten namens de [gedaagde 1] vennootschappen aan te gaan.

3.3.

[gedaagde 1] betwist dat [W] bevoegd was om de verzekeringsovereenkomsten te sluiten. Ter onderbouwing heeft [gedaagde 1] uittreksels van het Handelsregister overgelegd. Daarin staat dat [Z] bestuurder en enig aandeelhouder is van [gedaagde 2] en dat hij alleen en zelfstandig bevoegd is om [gedaagde 2] te binden. Bij [gedaagde 1] is [gedaagde 2] bestuurder en enig aandeelhouder.

3.4.

De kantonrechter overweegt dat, omdat [eiseres] zich beroept op het bestaan van rechtsgeldig overeengekomen overeenkomsten met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , het aan [eiseres] is om te stellen en (bij voldoende betwisting) te bewijzen dat [W] bevoegd was om de overeenkomsten te sluiten. Uit het Handelsregister is gebleken dat [W] niet als bestuurder of als gevolmachtigde staat ingeschreven. Aangenomen wordt dat hij dus niet statutair bevoegd was om namens de vennootschappen te handelen. [eiseres] heeft feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan een (mondelinge, of eventueel stilzwijgende) volmacht zou kunnen bestaan. Er is volgens [eiseres] in 2018 namelijk een gesprek met [Z] (wel statutair bevoegd) gevoerd over het eigen risico dat nog betaald moest worden. In dat gesprek zou [Z] hebben gezegd dat [eiseres] daarover contact met [W] moest opnemen. Ook heeft er volgens [eiseres] een gesprek met [Z] plaatsgevonden, waarin werd afgesproken dat [eiseres] een eindafrekening zou maken, zodat daarover afspraken gemaakt konden worden. Hieruit kan worden afgeleid dat [W] intern gevolmachtigd was om namens [gedaagde 1] overeenkomsten aan te gaan omtrent het afsluiten van verzekeringen. [gedaagde 1] betwist evenwel dat deze gesprekken hebben plaatsgevonden. [eiseres] zou haar stellingen daarom dienen te bewijzen. Tot het leveren van bewijs hoeft echter niet te worden overgegaan, gelet op het volgende.

De schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid

3.5.

Uit de door [eiseres] aangevoerde stellingen kan een beroep worden afgeleid op het bestaan van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [W] . Als dat het geval is, zijn de [gedaagde 1] vennootschappen gebonden aan de verzekeringsovereenkomsten met [eiseres] . [eiseres] stelt namelijk dat zij ervan uitging dat [W] bevoegd was om namens de [gedaagde 1] vennootschappen te handelen. Dat leidde zij af uit het feit dat [W] een medewerker was van [gedaagde 1] , als zodanig contact met haar had opgenomen voor het afsluiten van verzekeringen en de omstandigheid dat meerdere jaren facturen van haar zijn voldaan door [gedaagde 1] waarmee [gedaagde 1] de overeenkomsten bekrachtigde.

3.6.

Van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is sprake indien [eiseres] op grond van een verklaring of gedraging van [gedaagde 1] heeft aangenomen of redelijkerwijs mocht aannemen dat [W] bevoegd was om overeenkomsten te sluiten namens [gedaagde 1] . [gedaagde 1] kan zich dan niet op de onbevoegdheid van [W] beroepen en is gebonden aan de overeenkomsten (artikel 3:61 lid 2 BW). Op grond van geldende rechtspraak kan ook plaats zijn voor toerekening van de schijn van volmachtverlening aan een onbevoegd vertegenwoordigde rechtspersoon, indien de derde ( [eiseres] ) gerechtvaardigd heeft vertrouwd dat een toereikende volmacht was verleend op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegd vertegenwoordigde partij ( [gedaagde 1] ) komen en waaruit naar verkeersopvattingen de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid.1 De stelplicht (en bewijslast) daarvan rusten op [eiseres] . De schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan, afhankelijk van de verdere omstandigheden van het geval, ook door een niet-doen worden gewekt, waarbij het niet ter zake doet of een gedeelte van de omstandigheden waarop de schijn van bevoegdheid berust, zich heeft voorgedaan na de totstandkoming van de overeenkomst.2

3.7.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend.

[W] was ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten werkzaam bij [gedaagde 1] . De overeenkomsten lopen al jarenlang. De verschuldigde premies zijn jarenlang betaald vanaf de bankrekeningen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Er zijn ten behoeve van beide bedrijven schades uitgekeerd. Van die uitkeringen werden bevestigingen gestuurd naar de postadressen van [gedaagde 1] . Daarop is geen enkele reactie van [gedaagde 1] ontvangen. Ook een (voorstel voor een) betalingsregeling is naar het e-mailadres van [gedaagde 1] gestuurd en in het licht van deze procedure heeft [Z] een betalingsregeling voorgesteld. Gelet op deze omstandigheden kan [gedaagde 1] zich niet (achteraf) op de onbevoegdheid van [W] beroepen.

Toewijzing van de vorderingen

3.8.

Omdat het verweer van [gedaagde 1] niet opgaat, zijn de vorderingen van [eiseres] toewijsbaar. Zowel de vordering tot betaling van de hoofdsom van € 5.514,70 door [gedaagde 1] als de vordering tot betaling van de hoofdsom van € 18.975,22 door [gedaagde 2] zal worden toegewezen.

3.9.

Nu daartegen geen verweer is gevoerd, zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook de wettelijke (handels)rente over de openstaande bedragen moeten betalen.

3.10.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten ook de buitengerechtelijke incassokosten betalen. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Er zijn sommaties verstuurd en er is gepoogd een betalingsregeling tot stand te brengen. Op de vorderingen van [eiseres] is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. De buitengerechtelijke incassokosten in de zaak tegen [gedaagde 1] zullen conform het Besluit voor een bedrag van € 650,74 worden toegewezen. In de zaak tegen [gedaagde 2] zal conform het Besluit een bedrag van € 964,75 worden toegewezen.

3.11.

Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in het ongelijk worden gesteld, moeten zij de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiseres] betalen. In de procedure tegen [gedaagde 1] worden de proceskosten aan de zijde van [eiseres] begroot op € 1.208,99, bestaande uit € 87,99 aan betekeningskosten, € 499,00 aan griffierecht en € 622,00 aan salaris voor de gemachtigde van [eiseres] (2 punten x tarief € 311,00).

In de procedure tegen [gedaagde 2] worden de proceskosten aan de zijde van [eiseres] begroot op € 2.096,94, waarvan € 104,94 aan betekeningskosten, € 996,00 aan griffierecht en € 996,00 aan salaris voor de gemachtigde van [eiseres] (2 punten x tarief € 498,00).

3.12.

De nakosten, waarvan [eiseres] betaling vordert, zullen in beide zaken worden begroot op het maximale tarief van € 124,00.

4 De beslissing

De kantonrechter

in de zaak met zaaknummer 8789429 \ CV EXPL 20-4117

4.1.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van een bedrag van € 6.433,02

aan [eiseres] , te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom van € 5.514,70 vanaf 15 september 2020 tot de dag van volledige betaling;

4.2.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 1.208,99;

4.3.

veroordeelt [gedaagde 1] in de nakosten, begroot op € 124,00;

4.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak met zaaknummer 8789448 \ CV EXPL 20-4118

4.5.

veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van een bedrag van € 21.098,58 aan [eiseres] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 18.975,22 vanaf 15 september 2020 tot de dag van volledige betaling;

4.6.

veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 2.096,94;

4.7.

veroordeelt [gedaagde 2] in de nakosten, begroot op € 124,00;

4.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Rozeboom, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021. (SB)

1 HR 19 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK7671) (ING/Bera).

2 HR 12 januari 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AA9429) (Kuipers/Wijnveen).