Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:1842

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
C/08/263465 / KG ZA 21-68
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing gevorderde voorschotten ter zake inkomensverlies en buitengerechtelijke kosten. Spoedeisend belang. Te veel onduidelijkheden. Vordering met betrekking tot afleggen van huisbezoek eveneens afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0398
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/263465 / KG ZA 21-68

Vonnis in kort geding van 28 april 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser, verder te noemen [eiser] ,

advocaat: mr. Y.B. Boendermaker te Hilversum,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

PROTECTOR FORSIKRING SA,

gevestigd te Stockholm (Zweden),

in Nederland rechtsgeldig vertegenwoordigd door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VAN AMEYDE NEDERLAND B.V., gevestigd te Rijswijk,

gedaagde, verder te noemen Forsikring,

advocaat: mr. J.C. Rous te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

[eiser] heeft gesteld en gevorderd in kort geding zoals staat te lezen in de inleidende dagvaarding.

1.2.

Vanwege de getroffen maatregelen in verband met het Coronavirus hebben partijen hun pleitnota’s op voorhand toegezonden, waarbij Forsikring tevens producties heeft overgelegd, en heeft de mondelinge behandeling via een videoverbinding plaatsgevonden op 15 april 2021. Bij die gelegenheid hebben partijen zich laten vertegenwoordigen door hun advocaten, die hun standpunten (nader) hebben toegelicht. Na verder debat – waarbij een vergelijk niet tot de mogelijkheden bleek te behoren – is vonnis gevraagd. De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 Waarvan kan worden uitgegaan

2.1.

Op 4 juni 2015 is [eiser] betrokken geraakt bij een verkeersongeval in Zweden. Forsikring treedt op als verzekeraar van haar verzekerde, de heer [A] , de veroorzaker van het ongeval.

2.2.

Sindsdien hebben partijen diverse procedures gevoerd. Zo is er bij beschikking van 9 juli 2018 door deze rechtbank, locatie Almelo, een beslissing gegeven in een deelgeschilprocedure en is er (laatstelijk) bij beschikking van 8 april 2021 naar aanleiding van een door Forsikring ingediend verzoek op grond van artikel 202 van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (Rv) een neurologische expertise bevolen.

3 Het geschil

3.1.

Het gevorderde door [eiser] strekt - kort gezegd - tot betaling van een voorschot op de schade wegens "loss of income", een voorschot op de kosten buiten rechte en een, op straffe van verbeurte van een dwangsom, (nieuw) gesprek met Forsikring, hangende het deskundigenonderzoek, zulks met veroordeling van Forsikring in de (na)kosten van deze procedure (vermeerderd met de wettelijke rente).

3.2.

Forsikring heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in kort geding

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank bevoegd is om van het geschil tussen partijen kennis te nemen. Partijen zijn het er ook over eens dat Zweeds recht op hun geschil van toepassing is. Voorts is het Nederlandse procesrecht van toepassing.

.

4.2.

Het gevorderde strekt (mede) tot betaling van een geldsom. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat.

4.3.

Forsikring heeft betoogd dat de beslissing van de rechtbank in de beschikking van 9 juli 2018 over het voorschot op de schadevergoeding vanwege "loss of income" en het verzoek van [eiser] ter zake de medewerking van Forsikring aan een bespreking ziet op de materiële rechtsverhouding tussen partijen en dat deze onder de gegeven omstandigheden geen voorlopig karakter heeft. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van bindende eindbeslissingen.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, mede in het licht van de daaraan ten grondslag liggende motiveringen, de in de deelgeschilprocedure gegeven afwijzende beslissingen ter zake het verzochte voorschot voor zover dat betrekking heeft op de schadevergoeding wegens “loss of income” en de verzoeken betreffende – kort gezegd – het voortvarend ter hand nemen van de schaderegeling, niet het karakter van een bindende eindbeslissing hebben.

4.5.

Uit de beschikking van 9 juli 2018 volgt dat de rechtbank op dat moment (nog) geen aanleiding zag om tot bevoorschotting wegens “loss of income” over te gaan, omdat er nog te veel onduidelijkheden waren. Zo was volgens de rechtbank niet duidelijk in welke mate en in hoeverre [eiser] als gevolg van het ongeval belet wordt om arbeid te verrichten. De rechtbank heeft (daarom) geoordeeld dat nader onderzoek door één of meerdere deskundigen dient te worden verricht om de vraag te kunnen beantwoorden of en, zo ja, in welke mate [eiser] schade lijdt als gevolg van verlies van verdienvermogen. Tevens heeft de rechtbank in eerdergenoemde beschikking geoordeeld dat het verzoek dat ziet op een voortvarende schaderegeling prematuur is.

4.6.

Gezien deze motivering kan niet worden geconcludeerd dat dit bindende eindbeslissingen zijn. Er vloeit immers uit voort dat er op een later moment (mogelijk) wel aanleiding zou kunnen bestaan om alsnog tot bevoorschotting wegens “loss of income” over te gaan dan wel een verzoek dat, kort gezegd, betrekking heeft op het voortvarend(er) oppakken van de schaderegeling te honoreren.

4.7.

De vraag die vervolgens aan de orde is, is of er op dit moment aanleiding bestaat om Forsikring te veroordelen tot betaling van een voorschot wegens “loss of income”. Deze vraag beantwoordt de voorzieningenrechter ontkennend. Daarvoor acht hij het volgende redengevend.

4.8.

De voorzieningenrechter is namelijk van oordeel dat de concrete situatie in het schaderegelingstraject (nog) niet anders is dan ten tijde van de beschikking van
9 juli 2018 en dat er derhalve geen nieuwe feiten of omstandigheden voorhanden zijn op grond waarvan thans moet worden geoordeeld dat bevoorschotting aan de orde is. Geconstateerd wordt dat ondanks het tijdsverloop, er nog geen nader onderzoek door een of meerdere deskundigen heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat er op dit moment ook nog steeds te veel onduidelijkheden zijn en dat (nog) niet is vastgesteld of en, zo ja, in welke mate [eiser] door het ongeval schade lijdt als gevolg van verlies van verdienvermogen. Ook thans is (nog) onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er causaal verband bestaat tussen de door [eiser] gestelde schade wegens verlies van inkomen en het ongeval.

4.9.

Op grond van het vorenstaande komt de voorzieningenrechter (reeds) tot de slotsom dat niet voldaan is aan de voorwaarden die toewijzing van een geldvordering als deze in kort geding rechtvaardigen. Dit betekent dat het gevorderde voorschot ter zake “loss of income” thans zal worden afgewezen.

4.10.

Met betrekking tot (de voortvarendheid van) de schade-afwikkeling en de, naar de voorzieningenrechter begrijpt, daaruit voortvloeiende vordering om Forsikring op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen tot het afleggen van een huisbezoek (al dan niet via een video-verbinding vanwege het Corona-virus), waarbij nadere afspraken kunnen worden gemaakt over het vervolg van de schaderegeling, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Hoewel uit de beschikking van 9 juli 2018 naar voren komt dat nader onderzoek op een of meerdere terreinen noodzakelijk is, heeft het ruim twee jaren in beslag genomen om een onderzoek door een deskundige, namelijk een neuroloog, via een verzoek op grond van artikel 202 Rv, te laten plaatsvinden. Dit is op zichzelf betreurenswaardig te noemen. Gezien het debat tussen partijen lijken (de advocaten van) partijen de oorzaak van het tijdsverloop hoofdzakelijk bij de ander neer te (willen) leggen. Zonder hier volledig zicht op te hebben, komt het de voorzieningenrechter op basis van de voorhanden zijnde stukken en het verhandelde ter zitting vooralsnog voor dat (de advocaten van) beide partijen hier debet aan zijn (geweest) door allerlei (discussie)punten (opnieuw) ter berde te brengen en niet eerder een verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht aanhangig te maken. Het (zeer) laat betalen van toegekende voorschotten/kosten aan [eiser] heeft ook niet bijgedragen aan een goede verstandhouding van partijen. Van de advocaten van partijen mag verwacht worden dat zij op een professionele, constructieve en coöperatieve wijze de schaderegeling ter hand nemen.

4.11.

Nu de neuroloog nog niet heeft gerapporteerd is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisend belang bij het laten plaatsvinden van een huisbezoek (al dan niet via een video-verbinding), in het licht van het vorenoverwogene, thans ontbreekt. Er zijn op dit moment nog te veel onduidelijkheden. Bovendien is de voorzieningenrechter van oordeel dat, hoewel het in de praktijk niet ongebruikelijk is dat een (ingeschakelde) letselschaderegelaar een of meerdere gesprekken voert met degene die betrokken is geweest bij een ongeval, [eiser] niet kan afdwingen dat (een vertegenwoordiger van) Forsikring een bespreking bij de wederpartij thuis voert. Het staat een partij vrij om het schade-afwikkelingstraject op een haar geëigende wijze ter hand te nemen en zich daarbij te laten vertegenwoordigen. De voorzieningenrechter ziet voorshands ook niet in op welke wijze een afgedwongen huisbezoek in de huidige situatie een positief effect zou kunnen hebben op de schade-afwikkeling. Dit neemt niet weg dat (een vrijwillig) persoonlijk contact tussen partijen mogelijk een positieve bijdrage kan leveren aan (het normaliseren van) de verstandhouding tussen partijen, maar het is aan een partij zelf om daar inhoud aan te geven. Bovendien is namens Forsikring aangegeven dat zij, althans haar advocaten, bereid is/zijn om, nadat het neurologische deskundigenbericht is ontvangen, in gesprek te gaan met [eiser] . Vorenstaande betekent dat ook dit onderdeel van de vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

4.12.

Resteert de vraag of [eiser] aanspraak kan maken op de het door hem gevorderde voorschot op de buitengerechtelijke kosten. De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiser] het primair gevorderde bedrag van € 19.259,35 niet langer vordert, omdat Forsikring op
7 april 2021 een bedrag van € 7.381,42 heeft betaald. Dit laatste bedrag betreft concreet
1) de volgens de advocaat van [eiser] openstaande verschotten ad € 1.881,42, 2) de toegezegde 50% van de openstaande kosten vanaf het deelschil in 2018 tot december 2019 ad € 4.413,08 en 3) € 1.086,93 ter compensatie van de kosten in de periode vanaf
december 2019 tot heden. Het bedrag dat [eiser] subsidiair vordert is het bedrag van
€ 11.877,93. Ter onderbouwing van zijn vordering is van de zijde van [eiser] een urenoverzicht overgelegd dat betrekking heeft op de periode 10 juli 2018 tot en met

26 maart 2021. Tijdens de mondelinge behandeling is namens [eiser] verklaard dat het bij de advocaat openstaande bedrag € 10.510,27 is, en dat ervoor is gekozen om dat bedrag thans in afwachting van het verdere verloop van deze zaak (nog) niet door [eiser] te laten betalen.

4.13.

Forsikring heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Forsikring betwist dat [eiser] spoedeisend belang heeft bij betaling van het gevorderde voorschot. Daartoe stelt zij dat uit de dagvaarding blijkt dat rechtsbijstandsverzekeraar TVM de buitengerechtelijke kosten in ieder geval tot de zomer 2019 heeft vergoed aan [eiser] . In totaal heeft TVM een bedrag van € 49.384,-- vergoed. Uit niets blijkt dat er onverwijlde spoed geboden is bij de terugbetaling van deze kosten aan TVM, aldus Forsikring. Daarnaast heeft [eiser] volgens Forsikring niet aannemelijk gemaakt dat zijn advocaat kosten bij hem in rekening heeft gebracht voor zijn activiteiten en dat [eiser] die heeft voldaan of moet voldoen. [eiser] heeft slechts een urenoverzicht in het geding gebracht en geen nota's en/of betalingsbewijzen. Daarnaast stelt Forsikring dat zij het eerdergenoemde bedrag van
€ 7.381,42 heeft betaald en dat de overige door [eiser] gestelde kosten niet redelijk en bovenmatig zijn. Ten slotte wordt ter verdediging naar voren gebracht dat er in de 106,6 buiten rechte bestede uren ten onrechte ook de bestede uren aan de verzoekschriftprocedure tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht zijn inbegrepen.

4.14.

De voorzieningenrechter zal het gevorderde voorschot aan buitengerechtelijke kosten afwijzen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan er worden getwijfeld aan het spoedeisend belang bij betaling van een voorschot, nu TVM tot de zomer van 2019 de buitengerechtelijke kosten aan [eiser] heeft vergoed en [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij spoedeisend belang heeft bij (terug)betaling van de door TVM vergoede kosten en de niet vergoede kosten door Forsikring. [eiser] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat er buitengerechtelijke kosten aan hem in rekening zijn gebracht. Het had op zijn weg gelegen om facturen over te leggen waaruit dat blijkt. Ook indien de voorzieningenrechter er van uit heeft te gaan dat het spoedeisend belang voldoende voort zou vloeien uit de omstandigheid dat er een bedrag van € 10.510,27 open staat bij de advocaat van [eiser] , dat [eiser] zal moeten betalen, ontbeert de vordering een deugdelijke onderbouwing. Nu er geen facturen zijn overgelegd, is niet (voldoende) inzichtelijk welke werkzaamheden zijn verricht voor dit bedrag en hoeveel uren daaraan zijn besteed. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook dat niet is uit te sluiten dat het uurtarief van de advocaat van [eiser] afwijkt van het door Forsikring gehanteerde uurtarief bij vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Het overgelegde urenoverzicht kan in dit verband ook niet zonder meer als uitgangspunt gelden nu de daarop gebaseerde vordering van
€ 11.877,93, hetgeen dus hoger is dan het nog openstaande bedrag, in ieder geval voor een deel bestaat uit een bedrag dat ziet op werkzaamheden waarvoor TVM een vergoeding heeft betaald en waarvoor (dus) het spoedeisend belang ontbreekt. Ten slotte is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het urenoverzicht werkzaamheden bevat die niet als buitengerechtelijke kosten zijn aan te merken (werkzaamheden in het kader van het voorlopig deskundigenbericht) en dat de opgegeven tijdsbesteding (op onderdelen) bovenmatig is, gezien de fase waarin de schaderegeling zich op dat moment bevond.

4.15.

Gelet op het vorenstaande is (ook) onvoldoende aannemelijk geworden dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [eiser] recht heeft op een voorschot op de buitengerechtelijke kosten zoals gevorderd.

4.16.

De slotsom is dan ook dat de vorderingen zullen worden afgewezen.

4.17.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Forsikring worden begroot op € 2.076,-- aan griffierecht en € 1.016,-- aan salaris van de advocaat. De gevorderde nakosten zullen op na te melden wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, welke aan de zijde van Forsikring tot op heden moeten worden begroot op € 3.092,--,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.J. Koopmans en in het openbaar uitgesproken door
mr. U. van Houten op 28 april 2021.1

1 type: coll: