Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:183

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-01-2021
Datum publicatie
21-01-2021
Zaaknummer
08-994557-19 (P) (FP)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een bedrijf uit Leeuwarden is schuldig aan de dood van een werknemer in 2018. De man kwam tijdens werkzaamheden in het Groningse dorp Middelstum bekneld te zitten tussen een machine en de bodem van een container. De rechtbank Overijssel oordeelt dat het bedrijf de Arbeidsomstandighedenwet heeft overtreden en daardoor schuldig is aan het ongeval met dodelijke afloop. Het bedrijf is veroordeeld tot het betalen van een boete van 100.000 euro, waarvan 30.000 euro voorwaardelijk.

Het slachtoffer, een 59-jarige man, is door een uitzendbureau gekoppeld aan een bedrijf dat gespecialiseerd is in sloopwerkzaamheden. Op 18 mei is de man aan het werk in het dorp Middelstum. Er wordt aan hem gevraagd om twee machines in een container te plaatsen, waaronder een zogenoemde schranklader. De hoogwerker is eerst in de container gereden en daarna heeft het slachtoffer de schranklader in de container gereden. Omdat de deuren niet dicht konden is de schranklader achterstevoren in de container gereden. Bij het uitstappen is de man gevallen en kwam doordat de giek zakte klem te zitten tussen de bodem van de container en de machine. Hierdoor is de man – als gevolg van verstikking – overleden.

Uit onderzoek naar de machine blijkt dat essentiële beveiligingsonderdelen verwijderd waren waardoor de giek heeft kunnen zakken, er nooit onderhoud is gepleegd, en de machine niet periodiek gekeurd is . Hierdoor is de schranklader volgens de rechtbank een levensgevaarlijk arbeidsmachine geworden. Ook kenden medewerkers van het sloopbedrijf het personeelshandboek – met veiligheidsvoorschriften – niet en was de voorman tijdens de werkzaamheden niet op de bouwplaats aanwezig. Het Friese bedrijf had hier wel voor zorg moeten dragen en hierdoor is het verantwoordelijk voor het dodelijk ongeval. Als de beveiligingen hadden gewerkt, had het ongeval niet kunnen gebeuren. Doordat verdachte ervoor heeft gekozen de schranklader niet periodiek te laten keuren en geen groot onderhoud te laten uitvoeren aan die machine, is dit gebrek niet aan het licht gekomen en hersteld.

De rechtbank rekent het (de bestuurders van) het bedrijf zwaar aan dat zij na het ongeval geen contact hebben gezocht met de nabestaanden van de uitzendkracht. Alleen een hoge boete is op z’n plaats. Bij het bepalen van die straf houdt de rechtbank onder andere rekening met de jaaromzet van het bedrijf. Een lagere boete dan een ton is niet op z’n plaats omdat het verwijt dat het bedrijf kan worden gemaakt zeer ernstig is. Om te zorgen dat het bedrijf in de toekomt zich wel houdt aan de voorschriften en medewerkers goed voorlicht wordt een deel van de boete voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 3 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie HSE 2021/30
Jurisprudentie HSE 2021/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-994557-19 (P) (FP)

Datum vonnis: 21 januari 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

gevestigd te [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 januari 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. van Kooten en van hetgeen door de vertegenwoordigers van verdachte en de raadsman mr. H.A. van Beilen, advocaat te Leeuwarden, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte als werkgever niet heeft voldaan aan voorschriften van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit (het Arbobesluit), waardoor levensgevaar of gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid van een werknemer is ontstaan of te verwachten was (feit 1) en dat verdachte schuld heeft aan een ongeval waarbij deze werknemer om het leven is gekomen (feit 2).

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

zij op of omstreeks 18 mei 2018 te Middelstum, gemeente Loppersum, tezamen en in vereniging met een ander of anderen danwel alleen, als werkgever, al dan niet opzettelijk,

handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop berustende bepalingen, immers heeft zij, verachte en/of haar mededader(s) al dan niet opzettelijk in strijd met

- artikel 7.4 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit met een schranklader (Mustang 2054), zijnde een arbeidsmiddel, werkzaamheden laten verrichten, terwijl voornoemd arbeidsmiddel niet van een deugdelijke constructie was, immers ontbraken magneetbeveiligingen, die ervoor zorgen dat de bediening van de liftarm en/of graafbak wordt tegengegaan, op het ventielenblok van die schranklader (Mustang 2054), en/of

- artikel 7.4 lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit een schranklader (Mustang 2054), zijnde een arbeidsmiddel, niet zodanig ingericht en/of niet zodanig gebruikt/laten gebruiken dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet, zoals het te worden getroffen door dat arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, zoveel mogelijk was voorkomen, immers ontbraken op die schranklader (Mustang 2054) magneetbeveiligingen op het ventielenblok van die schranklader waardoor de liftarm en de graafbak ongewild naar beneden kwamen, en waardoor [slachtoffer] werd getroffen door die graafbak en/of bekneld werd tussen die graafbak en de vloer van een container, en/of de bodem, en/of

- artikel 7.4a lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit een arbeidsmiddel, te weten een schranklader (Mustang 2054) dat onderhevig is aan invloeden die leiden tot verslechtering en/of welke aanleiding is tot het ontstaan van gevaarlijke situaties, niet zo dikwijls dit ter waarborging van de goede staat noodzakelijk is, gekeurd en/of zo nodig beproefd, immers heeft bij die schranklader (mustang 2054) geen periodiek onderhoud plaatsgevonden en/of was die schranklader (Mustang 2054) niet periodiek gekeurd, en/of

- artikel 7.5 lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit niet de nodige maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat een arbeidsmiddel, te weten een schranklader (Mustang 2054) tijdens de gehele gebruiksduur door toereikend onderhoud in een zodanige staat is gehouden, dat gevaar voor de veiligheid en/of de gezondheid van een of meer werknemer(s) zoveel mogelijk werd voorkomen, immers heeft bij die schranklader (Mustang 2054) geen periodiek onderhoud plaatsgevonden en/of is die schranklader (Mustang 2054) niet periodiek gekeurd, en/of

- artikel 7.5 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit niet de nodige maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat een arbeidsmiddel, te weten een schranklader (Mustang 2054) tijdens de gehele gebruiksduur, door toereikend onderhoud in een zodanige staat wordt gehouden, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk was voorkomen, en/of

- artikel 7.7 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit een arbeidsmiddel te weten een schranklader (Mustang 2054), waarvan één of meer bewegende de(e)l(en) gevaar opleveren, niet voorzien van zodanige beveiligingsinrichtingen, dat gevaar zoveel mogelijk werd voorkomen, immers ontbraken de magneetbeveiligingen, -die ervoor zorgen dat de bediening van de liftarm en/of graafbak wordt tegengegaan,- op het ventielenblok van die schranklader (Mustang 2054), en/of

- artikel 8 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenwet er niet voor gezorgd dat de werknemers doeltreffend werden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken,

terwijl daardoor naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een werknemer, te weten [slachtoffer] ontstond of te verwachten was;

2.

zij op of omstreeks 18 mei 2018 te Middelstum, gemeente Loppersum, tezamen en in vereniging met een ander of anderen danwel alleen, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gehandeld hierin bestaande dat zij, verdachte en/of haar mededader(s)

- werknemer(s) arbeid heeft laten verrichten met een schranklader (Mustang 2054) waarbij zij, verdachte en/of haar mededader(s), zich voorafgaand onvoldoende heeft/hebben vergewist en/of heeft nagelaten zich daadwerkelijk te vergewissen van de technisch staat van die schranklader, immers ontbraken de magneetbeveiligingen op het ventielenblok, die voorkomen dat de liftarm en graafbak onbedoeld naar beneden komen, en/of

- onvoldoende zorg heeft/hebben gedragen voor het (periodiek) onderhoud van die

schranklader (Mustang 2054), en/of

- die schranklader (Mustang 2054) samen met een schaarhoogwerker in een container heeft laten plaatsen door haar verdachtes en/of haar mededader(s) werknemer(s), terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) zich voorafgaand aan die werkzaamheden onvoldoende heeft/hebben vergewist en/of heeft/hebben nagelaten zich daadwerkelijk te vergewissen, van de risico's die verboden waren bij het gebruik van die (te kleine) container voor die werkzaamheden, en/of

- onvoldoende zorg heeft/hebben gedragen voor een juiste instructie aan haar verdachtes, en/of haar mededader(s) werknemer(s) bij het plaatsen van die schaarhoogwerker en die schranklader (Mustang 2054) in die (te kleine) container,

als gevolg waarvan [slachtoffer] , die bestuurder was van die schranklader (Mustang 2054), bij het plaatsen van die schranklader in die container is geraakt door de naar beneden komende liftarm en graafbak, waardoor [slachtoffer] bekneld is geraakt tussen die graafbak en de vloer van die container en/of de bodem en waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer] is komen te overlijden;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, terzake dat

zij op of omstreeks 18 mei 2018 te Middelstum, gemeente Loppersum, tezamen en in vereniging met een ander of anderen danwel alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld hierin bestaande dat zij, verdachte en/of haar mededader(s)

- werknemer(s) arbeid heeft laten verrichten met een schranklader (Mustang 2054) waarbij zij, verdachte en/of haar mededader(s), zich voorafgaand onvoldoende heeft/hebben vergewist en/of heeft nagelaten zich daadwerkelijk te vergewissen van de technisch staat van die schranklader, immers ontbraken de magneetbeveiligingen op het ventielenblok, die voorkomen dat de liftarm en graafbak onbedoeld naar beneden komen, en/of

- onvoldoende zorg heeft/hebben gedragen voor het (periodiek) onderhoud van die schranklader (Mustang 2054), en/of

- die schranklader (Mustang 2054) samen met een schaarhoogwerker in een container heeft laten plaatsen door haar verdachtes en/of haar mededader(s) werknemer(s), terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) zich voorafgaand aan die werkzaamheden onvoldoende heeft/hebben vergewist en/of heeft/hebben nagelaten zich daadwerkelijk te vergewissen, van de risico's die verboden waren bij het gebruik van die (te kleine) container voor die werkzaamheden, en/of

- onvoldoende zorg heeft/hebben gedragen voor een juiste instructie aan haar verdachtes, en/of haar mededader(s) werknemer(s) bij het plaatsen van die schaarhoogwerker en die schranklader (Mustang 2054) in die (te kleine) container,

waardoor het aan haar verdachte en/of haar mededader(s) schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] , tijdens het plaatsen van de schranklader (Mustang 2054) in de container is geraakt door de naar beneden komende liftarm en graafbak van die schranklader, waardoor die [slachtoffer] tussen die graafbak en de bodem terecht is gekomen ten gevolge waarvan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 18 mei 2018 heeft een ongeval plaatsgevonden op een bouwplaats in Middelstum. Een schranklader van het merk Mustang, type 2054 (hierna: de schranklader), en een hoogwerker moesten in een container worden geplaatst. Daarbij is [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) geraakt door de naar beneden komende liftarm en/of graafbak van de schranklader en is hij bekneld geraakt. Het slachtoffer is ten gevolge daarvan overleden.

De schranklader wordt door de bestuurders van verdachte en getuigen ook wel aangeduid als “de Bobcat”. In dit vonnis zal de machine steeds worden aangeduid als “de schranklader”. De liftarm van de schranklader wordt ook wel aangeduid als “de giek”.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en primair onder 2 tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de bewijsbaarheid van de ten laste gelegde feiten.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

De bewijsmiddelen

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Het bedrijf van verdachte

Verdachte exploiteert een bedrijf dat zich bezighoudt met het slopen van huizen en andere bouwwerken. [bestuurder 1] en [bestuurder 2] zijn (via een aantal holdings) de bestuurders van verdachte.2

Het slachtoffer werd op 18 mei 2018 sinds enkele weken door verdachte ingehuurd via een uitzendbureau als (mini-)kraanmachinist en grondwerker.3 In de bevestiging van de uitzending is bepaald dat de uitzendkracht arbeid zal verrichten onder toezicht en leiding van verdachte. Ook is daarin bepaald dat de opdrachtgever als toezichthouder verantwoordelijk is voor het geven van de voorlichting met betrekking tot de veiligheid van de te verrichten werkzaamheden van de uitzendkracht.4

[naam 1] (de voorman) werkte voor verdachte als voorman. [bestuurder 1] was zijn directe chef en gaf aan wat er moest gebeuren.5

De instructies en de documenten gericht op de veiligheid

Als iemand zich nieuw meldde in de ploeg van de voorman, moest de voorman uitleggen hoe diegene veilig moest werken. Als mensen aan het werk waren, lette de voorman op de veiligheid. [bestuurder 1] heeft de voorman mondeling verteld dat ze veilig moesten werken en een helm moesten dragen. Dat was de enige instructie.6

In het personeelshandboek van verdachte staat in hoofdstuk 7 “veiligheid bij zware machines” onder meer: “Onder zware machines verstaan we: kranen, shovels, vrachtauto’s, compressoren, diepladers, heftruck etc. Deze machines kunnen voor gevaarlijke situaties zorgen. De volgende regels gelden: (…) De chauffeur/machinist is verantwoordelijk voor de veiligheid in en rond de machine. De beveiligingen die vanuit de fabriek op de machine aanwezig zijn en moeten in orde gehouden worden. De chauffeur/machinist controleert regelmatig de machine en voert zo nodig klein onderhoud uit. Periodiek en bij gebreken moet de machine voor groot onderhoud worden aangemeld. (…) De chauffeur/machinist dient zorg te dragen voor de veiligheid tijdens het werken met de machine. Bij veiligheid hoort goed (= preventief) onderhoud.”7

Dit personeelshandboek is de voorman onbekend. Hij heeft dit nooit gezien en nooit gekregen. Ook heeft hij nooit opdracht gehad om het aan zijn ploegleden te geven en het te bespreken.8 [bestuurder 2] kent het personeelshandboek niet en heeft het nooit gezien.9 [bestuurder 1] weet niet of het slachtoffer het personeelshandboek heeft gehad. Hij heeft verklaard dat hijzelf of de voorman dit aan het slachtoffer had moeten geven. Zelf heeft hij het slachtoffer nooit gesproken.10

In de “Functiegerichte risico-inventarisatie en -evaluatie [verdachte] ” van oktober 2016 (hierna: RI&E) is zowel voor de bedrijfsleiding als voor een shovel- of kraanmachinist als risico aangeduid het gebruik van bedrijfsvoertuigen. Als maatregelen om dit risico te beperken worden onder meer onderhoud en keuring genoemd.11

De schranklader

Het bouwjaar van de schranklader is 2005. De schranklader is nieuw gekocht door [verdachte] en is in 2006 overgegaan naar verdachte. De schranklader is het eigendom van verdachte. De schranklader is altijd binnen het bedrijf van verdachte gebleven en nooit verhuurd geweest of langere tijd buiten het bedrijf van verdachte geweest.12 De schranklader werd de laatste tijd alleen zo nu en dan gebruikt door [bestuurder 2] .13

De schranklader werd niet periodiek gekeurd en ook niet periodiek voor groot onderhoud aangeboden. Er was geen onderhoudsprogramma voor de schranklader. De schranklader is nooit gekeurd.14

De cabine van de schranklader is uitgerust als een soort kooi die alleen aan de voorkant open is. De voorkant is ook de plaats waar de giek en de bak zijn aangebracht. De enige plaats om uit te stappen is dus ook de plaats waar men geraakt kan worden door de giek en de bak. De bak moet bij het in- en uitstappen naar beneden zijn en doet dienst als opstap voor de machinist. In de cabine is slechts plaats voor één persoon. Om te voorkomen dat de machinist in aanraking komt met de bewegende giek en bak, zijn standaard door de fabrikant beveiligingen op de schranklader aangebracht.15

In het door Mustang Manufactoring Company Inc opgestelde “Operator’s Handbook” van de schranklader (hierna: de gebruiksaanwijzing) staat onder meer (vertaald uit het Engels): “Waarschuwing: De Mustang beveiligingsvergrendeling moet de lift, het kantelen en de helpfuncties deactiveren. Als dat niet het geval is, moet u de dealer benaderen voor service. Pas het systeem niet aan. Niet voldoen aan deze instructies kan verwonding of de dood tot gevolg hebben.”16

Het arbeidsongeval

Ten tijde van het ongeval was verdachte bezig met het slopen van het buitenspouwblad en bergingen van woningen in Middelstum.17 [bestuurder 1] heeft de beslissing genomen dat de schranklader kon worden ingezet op de bouw in Middelstum. De schranklader is niet nagekeken voordat hij op transport naar Middelstum ging.18 [bestuurder 2] heeft alleen even op de schranklader gereden en de arm op en neer gedaan. In Middelstum heeft [bestuurder 2] geprobeerd met de schranklader te werken, maar dat lukte niet.19 [bestuurder 1] heeft geregeld dat de schranklader en een hoogwerker werden opgehaald van de bouwlocatie. Hij heeft ingeschat dat de hoogwerker en de schranklader samen in één container konden. Hij heeft aan de voorman mondeling opdracht gegeven om de schranklader in een container te laden. Hij heeft de voorman hiervoor geen specifieke instructies gegeven en hij heeft het slachtoffer ook geen instructies gegeven.20 De voorman was de hoogste in rang van de medewerkers van verdachte op de bouwlocatie. Hij heeft het slachtoffer gevraagd of hij de schranklader in de container wilde zetten, als de container kwam.21 Op het moment van het ongeval was de voorman niet op de bouwlocatie.22 [bestuurder 1] was dit vergeten.23

Op 18 mei 2018 is de hoogwerker als eerste in de container geplaatst. Daarna is het slachtoffer met de schranklader vooruit de container ingereden. Toen bleek dat de deuren van de container op die manier niet dicht konden. Daarom is besloten om de schranklader achteruit de container in te rijden, zodat de bak over de deuren van de container heen kon en op die deuren kon rusten.24

Het slachtoffer heeft de schranklader achteruit de container in gereden.25 De giek ging omhoog.26 [naam 2] heeft gezien dat het slachtoffer bezig was om uit te stappen. Vervolgens is hij naar de container gelopen om de deur dicht te doen en zag hij dat het slachtoffer klem zat tussen de bak en de containervloer.27 [naam 3] hoorde om hulp roepen. Hij is naar de container gerend en zag dat het slachtoffer tussen de bak en de voorkant van de schranklader lag.28 [naam 2] en [naam 4] hebben geprobeerd de bak omhoog te doen, maar daar was geen beweging in te krijgen.29

Daarop is [naam 5] in de cabine van schranklader gaan zitten. Hij heeft geprobeerd de bak omhoog te doen.30 De schranklader en de bak van de schranklader hebben niet bewogen, terwijl [naam 5] in de schranklader zat.31 Toen [naam 5] uit de schranklader stapte, kwam de bak in beweging en zakte verder naar beneden. Daardoor schoof het slachtoffer verder tegen de schranklader aan. Op dat moment hoorde [naam 3] dat er iets in het slachtoffer knapte. Ook zag hij dat het slachtoffer blauw aanliep.32

De doodsoorzaak

Het slachtoffer is overleden op 18 mei 2018, omstreeks 14:25 uur. Enkele uren later is door de GGD Groningen een schouw uitgevoerd van zijn lichaam. Bij deze schouw is midden boven op het hoofd een kleine, diepe winkelhaak in de huid aangetroffen van ongeveer 1 cm. Deze reikte tot op het bot. Verder is geconstateerd dat het gelaat paarsachtig van kleur en flink gestuwd was. In het oogslijmvlies, op de ogenleden en aan de binnenzijde van lippen waren puntbloedingen zichtbaar. Daarbij is opgemerkt dat deze stuwing van het gelaat en puntbloedingen goed kunnen passen bij een verstikking. Op basis van de schouw is geconcludeerd dat sprake is van een niet natuurlijk overlijden, als gevolg van een bedrijfsongeval en dat verstikking als gevolg van beklemming een duidelijke rol speelt in de doodsoorzaak.33

Het onderzoek aan de schranklader

Er is onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeluk en de resultaten daarvan zijn neergelegd in het proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse van 4 juni 2018 (hierna: VOA). Geconstateerd is dat de schranklader is voorzien van een liftarm met daaraan een graafbak. In het voertuig zitten twee pedalen, die bestemd zijn om met de voeten te worden bediend en waarmee de liftarm omhoog en omlaag kan worden gebracht en de graafbak omhoog- en omlaag kan worden gedraaid. Door het linker voetpedaal te bedienen met de voorzijde van de voet gaat de liftarm naar beneden. Op het moment dat de druk van het pedaal wordt weggenomen gaat deze terug in de neutraalstand en daalt de liftarm niet meer. Als het linker voetpedaal helemaal met de voorzijde van de voet wordt doorgedrukt, gaat de liftarm versneld naar beneden (stand “bodem volgend”). Op het moment dat de druk van het pedaal wordt weggenomen blijft de pedaal in die stand staan en blijft de liftarm dalen. Door het pedaal met de hak te bedienen stopt de daling van de liftarm.34

Verder is geconstateerd dat in het voertuig een veiligheidsbeugel zit, die om het lichaam van de bestuurder moet worden geplaatst. Ook zit in het voertuig een veiligheidsgordel. Deze lag echter achter de rugleuning van de zitting langs en zat vast met de gesp in de vanger. Uit het onderzoek is gebleken dat de veiligheidsbeugel, de veiligheidsgordel en een schakelaar in de zitting zijn bedoeld als startonderbreker en onderbreker voor het bedienen van de bedieningsorganen van het voertuig. Verder is geconstateerd dat in het motorcompartiment van het voertuig een ventielenblok zit voor de bediening van (onder meer) de liftarm en de graafbak. Uit de handleiding van de machine blijkt dat dit ventielenblok is voorzien van drie ventielen, die mechanisch worden bediend door kabels welke zijn verbonden met de voetpedalen en de handels in het bestuurderscompartiment. Op dit ventielenblok hoort onder elk ventiel een magneetbeveiliging te zitten. Op het moment dat één van de veiligheden voor de bestuurder (beugel, gordel en drukschakelaar stoel) wordt geactiveerd, schakelt de magneet in werking waardoor het ventiel mechanisch wordt afgegrendeld zodat bediening van dat ventiel niet mogelijk is. De magneetbeveiliging werkt voor alle drie de ventielen in één keer en is niet afzonderlijk in te schakelen.35

Geconstateerd is dat de magneetbeveiligingen, die ervoor zorgen dat de bediening van de liftarm wordt tegengegaan, ontbraken. De openingen waar deze magneetbeveiligingen behoren te worden bevestigd, waren met duct-tape afgeplakt. De nabij het ventielenblok aangetroffen elektrische aansluitingen waren nergens op aangesloten. Bij proefnemingen is gebleken dat, als de veiligheidsbeugel omhoog werd geplaatst en de motor werd uitgeschakeld, de liftarm met het linker voetpedaal naar beneden kon worden bewogen. Ook als de zitting niet wordt belast en de motor wordt uitgeschakeld, kan de liftarm met het linker voetpedaal naar beneden worden bewogen. Vastgesteld is dat door het ontbreken van de magneetbeveiliging de liftarm altijd kon worden bediend, oftewel zowel met als zonder inschakeling van de beveiligingen en zowel met als zonder in werking zijnde motor.36

Op basis van de omstandigheid dat de liftarm verder is gezakt terwijl de bestuurder al voor het voertuig lag, is geconcludeerd dat de stand “bodem volgend” is bediend. Als de stand “liftarm dalen” was bediend en de bestuurder het pedaal had losgelaten, was de liftarm gestopt met dalen. Bij nader onderzoek aan het voertuig is geen ander technisch mankement aangetroffen dat ervoor zou kunnen zorgen dat de liftarm kon dalen buiten de bediening door de bestuurder van het voertuig.37

De onderzoekers achten het scenario waarbij de bestuurder de liftarm met graafbak omhoog heeft gebracht om deze boven de rand van de container uit te laten steken, daarna de motor van het voertuig heeft uitgeschakeld en de veiligheidsbeugel omhoog heeft gedaan en vervolgens bij het uit het voertuig gaan het linkerpedaal in de stand “bodem volgend” heeft bediend, waardoor de liftarm versneld naar beneden is gegaan, zeer waarschijnlijk.38

Zij hebben geconcludeerd dat de bestuurder door de liftarm en de graafbak naar beneden werd geduwd, toen hij de cabine van de schranklader wilde verlaten en onder de omhoog staande liftarm met daaraan de graafbak door wilde gaan, en dat hij daarbij onder de graafbak terecht is gekomen.39

Getuige [naam 6] is werkzaam bij het bedrijf dat de schranklader heeft geïmporteerd. Hij heeft verklaard dat zij ook keuringen doen, dat zij nooit horen dat de beveiligingen overbrugd zijn en dat het ook “klaar” is als ze dat zien. Ook heeft hij verklaard dat een leek de beveiligingen niet kan overbruggen, je daarvoor technisch onderlegd moet zijn, je moet weten waar het zit, je daar gereedschap voor nodig hebt en je er met alleen de technische handleiding niet achter komt. Ten slotte heeft hij verklaard dat bij een keuring duidelijk moet worden dat deze ventielen ontbreken en dat daar een keuringsformulier voor is.40 Op het door [naam 6] overgelegde keuringsformulier staat in de rubriek “veiligheidsvoorzieningen” onder meer het onderdeel “blokkering bedieningshandles”.41

4.4.2

Bewijsoverwegingen

Op grond van de hiervoor samengevat weergegeven bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de volgende overwegingen en conclusies.

Werkgever en werknemer

Het slachtoffer was ten tijde van het ongeval door een uitzendbureau ter beschikking gesteld aan verdachte voor het verrichten van arbeid. Er was sprake van een gezagsrelatie tussen verdachte (als inlener) en het slachtoffer (als uitzendkracht). Daarom moet verdachte worden aangemerkt als werkgever in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a, onderdeel 2, van de Arbeidsomstandighedenwet en moet het slachtoffer worden aangemerkt als werknemer in de zin van artikel 1, eerste lid, onder b, van die wet.

Ontbreken magneetventielen

Verdachte heeft het slachtoffer werkzaamheden laten verrichten met de schranklader, terwijl de magneetventielen van die schranklader ontbraken. Door het ontbreken van deze magneetventielen werkten de door de fabrikant in de schranklader aangebrachte beveiligingen niet. Dit had tot gevolg dat de liftarm en de graafbak ook konden worden bediend, terwijl de bestuurder niet op de bestuurdersstoel zat en de veiligheidsbeugel niet naar beneden was. Hierdoor is de schranklader een levensgevaarlijk arbeidsmiddel geworden. Dit aan het gebruik van deze schranklader direct verbonden gevaar heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in dit geval verwezenlijkt. Het is zeer waarschijnlijk dat het slachtoffer, nadat hij de veiligheidsbeugel omhoog had gedaan en omhoog was gekomen uit de bestuurdersstoel, met de voorzijde van zijn voet de linkerpedaal van de schranklader heeft ingetrapt. Daardoor zijn de liftarm en de graafbak in de stand “bodem volgend” gekomen en naar beneden bewogen. Vervolgens is het slachtoffer door de graafbak en/of de liftarm geraakt en uit de schranklader gevallen. Hij is op de bodem van de container beland en bekneld geraakt tussen de graafbak, de schranklader en de vloer van de container.

Door het ontbreken van de magneetventielen was de schranklader niet van een deugdelijke constructie en was dit arbeidsmiddel niet zo ingericht en werd het niet zo gebruikt, dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordeed, zoals getroffen worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, zoveel mogelijk werd voorkomen. Dit is in strijd met het tweede en derde lid van artikel 7.4 van het Arbobesluit. Ook was de schranklader door het ontbreken van de magneetventielen niet voorzien van zodanige beveiligingsinrichtingen, dat het gevaar dat werd opgeleverd door de bewegende delen van dit arbeidsmiddel zoveel mogelijk werd voorkomen. Dit is in strijd met artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit.

Achterwege laten keuringen en groot onderhoud

De schranklader is nooit gekeurd en werd ook niet periodiek voor groot onderhoud aangeboden. Dit terwijl onderhoud en keuring in de RI&E zijn genoemd als maatregelen om het risico bij het gebruik van bedrijfsvoertuigen te beperken. De schranklader is ook niet uitgebreid gecontroleerd en, zo nodig, beproefd voordat deze naar Middelstum werd gebracht om daar te worden gebruikt.

De schranklader is een arbeidsmiddel dat onderhevig is aan invloeden die leiden tot verslechteringen welke aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van gevaarlijke situaties. Uit de omstandigheden dat de schranklader sinds de aankoop in 2005 nooit is gekeurd en daar nooit groot onderhoud aan is gedaan, volgt dat dit arbeidsmiddel niet zo vaak is gekeurd (en zo nodig beproefd) als dit ter waarborging van de goede staat noodzakelijk was. Ook volgt daaruit dat niet de nodige maatregelen zijn genomen om ervoor te zorgen dat de schranklader tijdens de gehele gebruiksduur door toereikend onderhoud in een zodanige staat is gehouden, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk is voorkomen. Dit is in strijd met artikel 7.4a, derde lid, respectievelijk artikel 7.5, eerste lid, van het Arbobesluit.

Niet instrueren werknemers

Verdachte heeft er niet op toegezien dat alle werknemers beschikten over het personeelshandboek. Het handboek had aan het slachtoffer gegeven moeten worden door één van verdachtes (middellijk) bestuurders, [bestuurder 1] , of door de voorman. [bestuurder 1] heeft het slachtoffer echter nooit gesproken en de voorman wist niet van het bestaan van het handboek. Ook de tweede (middellijk) bestuurder van verdachte kende dit handboek niet. Dit terwijl in dit personeelshandboek onder meer maatregelen zijn beschreven ter voorkoming of beperking van de risico’s van het werken met machines. Verdachte heeft er ook geen zorg voor gedragen dat het slachtoffer mondeling specifieke (veiligheids)instructies kreeg, behalve dat hij een helm moest dragen.

Verdachte heeft niet van tevoren vastgesteld of de hoogwerker en de schranklader samen in de container pasten. Ook heeft verdachte de voorman en het slachtoffer niet geïnstrueerd over de manier waarop moest worden gehandeld wanneer dit niet zou passen.

Het slachtoffer had nog nooit eerder met de schranklader gewerkt. Hij is niet geïnstrueerd over de werking van de schranklader en de (bijzondere) risico’s die daaraan zijn verbonden. Ten tijde van het ongeval was de voorman niet op de bouwplaats aanwezig. Dit terwijl hij tot taak had om toezicht te houden op de veiligheid op de bouwplaats en om de werknemers te instrueren over de veiligheid. Verdachte heeft er niet voor gezorgd dat er iemand anders aanwezig was die deze taken kon overnemen. Daardoor konden geen (veiligheids)instructies worden gegeven tijdens het ophalen van de hoogwerker en de schranklader.

Hieruit volgt dat verdachte er niet voor heeft gezorgd dat haar werknemers doeltreffend werden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden, de daaraan verbonden risico’s en de maatregelen ter voorkoming of beperking van deze risico's. Dit is in strijd met artikel 8 van de Arbeidsomstandighedenwet.

Toerekening van de gedragingen aan verdachte

De rechtbank is van oordeel dat het overtreden van de genoemde (veiligheids)voorschriften redelijkerwijs aan verdachte kan worden toegerekend. Het gebruiken van de schranklader heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Datzelfde geldt voor het niet keuren van de schranklader, het niet laten uitvoeren van groot onderhoud en het niet geven van instructies. Het gaat telkens om handelen of nalaten van personen die werkzaam waren ten behoeve van de rechtspersoon. De gedragingen pasten in de normale bedrijfsuitvoering van de rechtspersoon en waren de rechtspersoon dienstig in het door hem uitgeoefende bedrijf. Bovendien kon de rechtspersoon erover beslissen of deze handelingen al dan niet zouden plaatsvinden.

Opzet op de overtreding van de voorschriften

Het kan niet anders dan dat de magneetventielen bewust zijn verwijderd en dat dit is gebeurd onder de verantwoordelijkheid van verdachte. Verdachte was de eigenaar van de schranklader, de schranklader is nooit verhuurd en heeft het bedrijf van verdachte nooit voor langere tijd verlaten. Bovendien werd de schranklader, behalve tijdens het afvoeren op 18 mei 2018, alleen gebruikt door één van de (middellijk) bestuurders van verdachte. Deze bestuurder heeft de werking van de schranklader niet nauwkeurig gecontroleerd, voordat hij deze naar Middelstum bracht. Verder is in dit kader van belang dat voor het verwijderen van de magneetventielen specifieke kennis en gereedschap nodig is. Gelet op deze omstandigheden, in combinatie met hetgeen hierna zal worden overwogen met betrekking tot het achterwege laten van keuringen en groot onderhoud van de schranklader, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de schranklader werd gebruikt, terwijl de magneetventielen ontbraken en de beveiligingen dus niet werkten.

De (middellijk) bestuurders van verdachte waren ervan op de hoogte dat de schranklader niet periodiek werd gekeurd en dat er ook geen groot onderhoud aan de schranklader werd gedaan. Hieruit kan worden afgeleid dat zij hier bewust voor hebben gekozen. Daarom acht de rechtbank bewezen dat de overtredingen van de artikelen 7.4a, derde lid, en 7.5, eerste lid, van het Arbobesluit opzettelijk zijn begaan.

De rechtbank vindt ook bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van de Arbeidsomstandighedenwet. Verdachte heeft, gelet op de hiervoor weergegeven gang van zaken, ten minste bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer niet over het personeelshandboek beschikte. Ook heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer geen specifieke veiligheidsinstructies zou krijgen en niet zou worden geïnstrueerd over het gebruik van de schranklader en (de maatregelen ter beperking van) de daaraan verbonden risico’s.

Levensgevaar of ernstig gevaar aan de gezondheid

De schranklader kan alleen aan de voorzijde worden verlaten, terwijl dit ook de zijde is waarlangs de liftarm en de graafbak bewegen. Dit brengt het gevaar mee dat de bestuurder bij het uitstappen wordt geraakt door de liftarm of de graafbak. De fabrikant heeft dit gevaar onder ogen gezien en ter voorkoming of beperking daarvan beveiligingen ingebouwd. In de handleiding is aangegeven dat het systeem niet mag worden aangepast, dat de dealer moet worden benaderd voor service als de beveiligingen de werking van de liftarm en het kantelen van de graafbak niet deactiveren en dat het niet voldoen aan deze instructies verwonding of de dood tot gevolg kan hebben. Ook in verdachtes eigen personeelshandboek staat in het kader van de veiligheid bij zware machines dat de beveiligingen die vanuit de fabriek op de machine aanwezig zijn in orde gehouden moeten worden.

Hieruit volgt dat door het ontbreken van de magneetventielen levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van het slachtoffer te verwachten was en dat (de bestuurders van) verdachte dit redelijkerwijs moest(en) weten.

In de RI&E zijn de risico’s van het werken met bedrijfsvoertuigen gesignaleerd. Daarbij is aangegeven dat deze kunnen worden beperkt door keuringen en onderhoud. Ook in het personeelshandboek is in het kader van de veiligheid bij zware machines vermeld dat de machine periodiek voor groot onderhoud wordt aangemeld. Hieruit volgt niet alleen dat verdachte op de hoogte was van de gevaren die gepaard gaan met het werken met machines, maar ook dat zij wist dat het onderhouden en keuren van die machines de risico’s kan beperken. Doordat geen groot onderhoud heeft plaatsgevonden aan de schranklader en deze niet periodiek is gekeurd, is het ontbreken van de magneetventielen niet aan het licht gekomen en is dit gebrek niet tijdig hersteld. Daarbij is van belang dat de schranklader niet zou zijn goedgekeurd, voordat dit gebrek was hersteld. Dit leidt de rechtbank niet alleen af uit de verklaring van [naam 6] , maar ook uit de omstandigheid dat op het keuringsformulier onder meer het onderdeel “blokkering bedieningshandles” is vermeld. Door het achterwege laten van de keuringen en het groot onderhoud van de schranklader is het levensgevaar of het gevaar voor ernstige gezondheidsschade dan ook blijven bestaan.

De gevaren zouden zijn verkleind als verdachte ervoor had gezorgd dat het slachtoffer en andere werknemers goed werden ingelicht over de ter verrichten werkzaamheden, de daaraan verbonden risico’s en de maatregelen ter voorkoming of beperking van deze risico’s. De omstandigheid dat dit niet is gebeurd, heeft dan ook bijgedragen aan het voortbestaan van het levensgevaar of het gevaar voor ernstige gezondheidsschade.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat door het ontbreken van de magneetventielen, het nalaten van periodieke keuringen en groot onderhoud aan de schranklader en het niet (of onvoldoende) geven van veiligheidsinstructies levensgevaar voor of ernstige schade aan de gezondheid van het slachtoffer ontstond of te verwachten was. Naar het oordeel van de rechtbank is het, gelet op de ernst van de schendingen van de hiervoor genoemde voorschriften, redelijk om het ontstaan of het te verwachten zijn van dit gevaar aan verdachte toe te rekenen.

Dood door schuld

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat het ontbreken van de magneetventielen, het achterwege laten van periodieke keuringen en periodiek (groot) onderhoud en het niet geven van goede instructies ertoe hebben geleid dat het slachtoffer bij het plaatsen van de schranklader in de container is geraakt door de naar beneden komende liftarm en graafbak, dat hij bekneld is geraakt tussen de graafbak, de machine en de vloer van de container en dat hij als gevolg daarvan is komen te overlijden.

De bewijsmiddelen laten de mogelijkheid open dat de beknelling die heeft geleid tot het overlijden van het slachtoffer (mede) is veroorzaakt doordat de liftarm en/of de graafbak verder naar beneden is/zijn gekomen en/of verder richting de schranklader is/zijn bewogen op het moment dat [naam 5] uit de machine stapte. Ook in dat geval bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een direct verband tussen de hiervoor genoemde factoren en dat overlijden. [naam 5] is in de schranklader gaan zitten om te proberen het slachtoffer te bevrijden. Dit zou niet zijn gebeurd als het slachtoffer niet eerst ten gevolge van de genoemde factoren zou zijn geraakt door de naar beneden komende liftarm en/of graafbak en bekneld zou zijn geraakt. Bovendien hadden de liftarm en de graafbak niet verder naar beneden kunnen komen en niet verder richting te schranklader kunnen bewegen als de magneetventielen aanwezig waren geweest en de door de fabrikant aangebrachte beveiligingen naar behoren hadden gewerkt. Daarom kan het overlijden van het slachtoffer ook in dat geval in redelijkheid worden toegerekend aan het ontbreken van de magneetventielen, het achterwege laten van periodieke keuringen en (groot) onderhoud en het niet geven van goede instructies.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden dat de magneetventielen ontbraken, dat de keuringen en het onderhoud van de schranklader achterwege zijn gelaten en dat het slachtoffer en anderen onvoldoende zijn geïnstrueerd redelijkerwijs aan verdachte kunnen worden toegerekend. Hetzelfde geldt voor het gebruiken van een te kleine container. Het gebruiken van de schranklader en de te kleine container hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Datzelfde geldt voor het niet keuren van de schranklader, het niet laten uitvoeren van groot onderhoud en het niet geven van instructies. Het gaat telkens om handelen of nalaten van personen die werkzaam waren ten behoeve van de rechtspersoon. De gedragingen pasten in de normale bedrijfsuitvoering van de rechtspersoon en waren de rechtspersoon dienstig in het door hem uitgeoefende bedrijf. Bovendien kon (de bestuurders van) de rechtspersoon erover beslissen of deze handelingen al dan niet zouden plaatsvinden.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of kan worden bewezen dat de dood van het slachtoffer aan de schuld van verdachte te wijten is.

Onder schuld als delictsbestanddeel wordt een min of meer grove of aanmerkelijke schuld verstaan. Of sprake is van dergelijke schuld in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gehandeld. Naast hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen in het kader van de overtredingen van de voorschriften van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbobesluit, het opzet daarop en het levensgevaar of ernstig gevaar aan de gezondheid, overweegt zij daartoe nog het volgende.

Als verdachte zich ervan had vergewist of de door de fabrikant aangebrachte beveiligingen nog in werking waren, hadden de liftarm en de graafbak van de schranklader niet kunnen zakken toen het slachtoffer de beugel omhoog deed en uit zijn stoel omhoog kwam. Ook hadden de liftarm en/of de graafbak dan niet verder naar beneden kunnen komen en/of verder richting de schranklader kunnen bewegen toen [naam 5] uit de machine stapte. In dat geval zou het slachtoffer niet bekneld zijn geraakt en zou hij niet zijn overleden.

Als verdachte de schranklader periodiek had laten keuren, periodiek had laten onderhouden en goed had gecontroleerd en, zo nodig beproefd, voordat deze naar Middelstum werd gebracht, zou het ontbreken van de magneetventielen aan het licht zijn gekomen en had dit gebrek hersteld kunnen worden. Om een goedkeuring te verkrijgen had het gebrek zelfs hersteld moeten worden.

Als verdachte tevoren had gecontroleerd of de hoogwerker en de schranklader samen in de container pasten, zou zij hebben geconstateerd dat dit niet het geval was. In dat geval had zij het slachtoffer en de andere werknemers de instructie kunnen geven om beide machines in verschillende containers af te voeren. Ook had zij instructies kunnen geven over de manier waarop de machines samen in de container geplaatst moesten worden, bijvoorbeeld door de graafbak van de schranklader te verwijderen, en de veiligheidsmaatregelen die daarbij in acht genomen moesten worden.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte ernstig tekort is geschoten in de naleving van de zorgplicht die op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbobesluit op haar rust en daarbij aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank was het voorzienbaar dat dit kon leiden tot de dood van het slachtoffer.

De rechtbank is daarom van oordeel dat bewezen is dat de dood van het slachtoffer aan verdachtes schuld te wijten is.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor samengevat weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij op 18 mei 2018 te Middelstum, gemeente Loppersum, als werkgever, opzettelijk handelingen heeft verricht en nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop berustende bepalingen, immers heeft zij, verachte, opzettelijk in strijd met

- artikel 7.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit met een schranklader (Mustang 2054), zijnde een arbeidsmiddel, werkzaamheden laten verrichten, terwijl voornoemd arbeidsmiddel niet van een deugdelijke constructie was, immers ontbraken magneetbeveiligingen, die ervoor zorgen dat de bediening van de liftarm en graafbak wordt tegengegaan, op het ventielenblok van die schranklader (Mustang 2054), en

- artikel 7.4, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit een schranklader (Mustang 2054), zijnde een arbeidsmiddel, niet zodanig ingericht en niet zodanig laten gebruiken dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet, zoals het te worden getroffen door dat arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, zoveel mogelijk was voorkomen, immers ontbraken op die schranklader (Mustang 2054) magneetbeveiligingen op het ventielenblok van die schranklader waardoor de liftarm en de graafbak ongewild naar beneden kwamen, en waardoor [slachtoffer] werd getroffen door die graafbak en bekneld werd tussen die graafbak en de vloer van een container, en

- artikel 7.4a, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit een arbeidsmiddel, te weten een schranklader (Mustang 2054), dat onderhevig is aan invloeden die leiden tot verslechtering en welke aanleiding is tot het ontstaan van gevaarlijke situaties, niet zo dikwijls dit ter waarborging van de goede staat noodzakelijk is, gekeurd en/of zo nodig beproefd, immers heeft bij die schranklader (Mustang 2054) geen periodiek onderhoud plaatsgevonden en was die schranklader (Mustang 2054) niet periodiek gekeurd en

- artikel 7.5, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit niet de nodige maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat een arbeidsmiddel, te weten een schranklader (Mustang 2054) tijdens de gehele gebruiksduur door toereikend onderhoud in een zodanige staat is gehouden, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van een of meer werknemer(s) zoveel mogelijk werd voorkomen, immers heeft bij die schranklader (Mustang 2054) geen periodiek onderhoud plaatsgevonden en is die schranklader (Mustang 2054) niet periodiek gekeurd, en

- artikel 7.7, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit een arbeidsmiddel te weten een schranklader (Mustang 2054), waarvan bewegende delen gevaar opleveren, niet voorzien van zodanige beveiligingsinrichtingen, dat gevaar zoveel mogelijk werd voorkomen, immers ontbraken de magneetbeveiligingen, die ervoor zorgen dat de bediening van de liftarm en graafbak wordt tegengegaan, op het ventielenblok van die schranklader (Mustang 2054), en

- artikel 8, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenwet er niet voor gezorgd dat de

werknemers doeltreffend werden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken,

terwijl daardoor, naar zij redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een werknemer, te weten [slachtoffer] , ontstond of te verwachten was;

2. primair

zij op 18 mei 2018 te Middelstum, gemeente Loppersum, aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gehandeld hierin bestaande dat zij, verdachte,

- werknemer(s) arbeid heeft laten verrichten met een schranklader (Mustang 2054) waarbij zij, verdachte, zich voorafgaand onvoldoende heeft vergewist van de technisch staat van die schranklader, immers ontbraken de magneetbeveiligingen op het ventielenblok, die voorkomen dat de liftarm en graafbak onbedoeld naar beneden komen, en

- onvoldoende zorg heeft gedragen voor het (periodiek) onderhoud van die schranklader (Mustang 2054), en

- die schranklader (Mustang 2054) samen met een hoogwerker in een container heeft laten plaatsen door haar, verdachtes, werknemer(s), terwijl zij, verdachte, zich voorafgaand aan die werkzaamheden onvoldoende heeft vergewist en heeft nagelaten zich daadwerkelijk te vergewissen, van de risico's die verbonden waren aan het gebruik van die (te kleine) container voor die werkzaamheden, en

- onvoldoende zorg heeft gedragen voor een juiste instructie aan haar, verdachtes, werknemer(s) bij het plaatsen van die hoogwerker en die schranklader (Mustang 2054) in die (te kleine) container,

als gevolg waarvan [slachtoffer] , die bestuurder was van die schranklader (Mustang 2054), bij het plaatsen van die schranklader in die container is geraakt door de naar beneden komende liftarm en graafbak, waardoor [slachtoffer] bekneld is geraakt tussen die graafbak en de vloer van die container en waardoor het aan haar schuld te wijten is dat [slachtoffer] is komen te overlijden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 307 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon;

feit 2

het misdrijf: aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, gepleegd door een rechtspersoon.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de onder 1 en primair onder 2 tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een geldboete van € 100.000,00, waarvan € 25.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen geldboete aan te sluiten bij de geldboetes die in enigszins vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De raadsman heeft verwezen naar vonnissen van deze rechtbank van 16 november 2020 (ECLI:NL:RBOVE:2020:3785) en 14 december 2020 (ECLI:NL:RBOVE:2020:4239), waarbij telkens een geldboete is opgelegd van € 30.000,00. Daarnaast heeft hij verwezen naar twee vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant van 6 november 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:5430 en ECLI:NL:RBOBR:2018:5429), waarbij telkens een geldboete is opgelegd van € 40.000,00, waarvan € 20.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Verder heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte sinds het ongeval meer aandacht heeft voor het geven van (veiligheids)instructies en dat verdachte in januari 2020 het “Sloopcertificaat” heeft behaald. Dit certificaat is gericht op veilig slopen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de bedrijfsomstandigheden van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft het slachtoffer werkzaamheden laten verrichten met een levensgevaarlijk arbeidsmiddel, waarvan de door de fabrikant aangebrachte beveiligingen buiten werking waren gesteld. Dat gevaar heeft zich verwezenlijkt en ten gevolge daarvan is een werknemer, de heer [slachtoffer] , overleden.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte een zeer ernstig verwijt treft ten aanzien van het niet werken van de beveiligingen. Deze beveiligingen zijn bewust verwijderd en verdachte was daarvoor verantwoordelijk als eigenaar en enige gebruiker van de schranklader. Als de beveiligingen hadden gewerkt, had het ongeval niet kunnen gebeuren. Doordat verdachte ervoor heeft gekozen de schranklader niet periodiek te laten keuren en geen groot onderhoud te laten uitvoeren aan die machine, is dit gebrek niet aan het licht gekomen en hersteld. Verder wordt verdachte verweten dat zij het slachtoffer geen (veiligheids)instructies heeft gegeven over de manier waarop hij de werkzaamheden moest uitvoeren en de manier waarop hij met de schranklader moest omgaan.

Door dit handelen en nalaten heeft verdachte niet alleen de Arbeidsomstandighedenwet overtreden, maar heeft zij bovendien schuld aan de dood van het slachtoffer.

Verdachtes handelen en nalaten heeft zeer ernstige gevolgen gehad. Het slachtoffer heeft zijn kostbaarste bezit, zijn leven, verloren. Dit heeft zijn nabestaanden erg veel pijn en verdriet gedaan en zij zullen het gemis van hun man en vader voor altijd meedragen. De gevolgen daarvan zijn nog eens benadrukt in de ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaring.

De rechtbank rekent het (de bestuurders van) verdachte aan dat zij na het ongeval niet (ook niet via derden) hebben geïnformeerd of de nabestaanden behoefte hadden aan contact. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat zij dit (de bestuurders van) verdachte kwalijk nemen.

De rechtbank realiseert zich dat door verdachtes handelen aan de nabestaanden onherstelbaar leed is toegebracht, en dat een strafoplegging, in welke vorm of omvang dan ook, dit leed niet ongedaan zal kunnen maken

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten.

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten het opleggen van een hoge geldboete rechtvaardigen. Bij het bepalen van de hoogte van deze boete heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat de jaaromzet van verdachte € 500.000,00 à € 600.000,00 per jaar bedraagt.

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te sluiten bij de hoogte van de geldboetes die zijn opgelegd in de door de raadsman genoemde vonnissen. Naar het oordeel van de rechtbank is de ernst van het aan de verdachten in die gevallen gemaakte verwijten onvoldoende vergelijkbaar met het verwijt dat verdachte treft en doen de bij die vonnissen opgelegde geldboetes geen recht aan de ernst van de in dit geval bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank vindt de door de officier van justitie geëiste geldboete van € 100.000,00, waarvan een deel voorwaardelijk, passend en de oplegging daarvan geboden.

Op grond van de omstandigheid dat sinds het ongeval ruim twee en een half jaar zijn verstreken, zal de rechtbank een iets groter deel van de boete (te weten € 30.000,00) dan is gevorderd voorwaardelijk opleggen. Het voorwaardelijke deel is bedoeld om ervoor te zorgen dat verdachte de na het ongeval ingeslagen weg zal voortzetten en dat zij in de toekomst beter zal toezien op de veiligheid van haar werknemers en zorgvuldiger zal omgaan met veiligheidsvoorschriften, -voorzieningen en -instructies. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de geldboete een proeftijd verbinden van drie jaren. Het opleggen van een proeftijd van vijf jaren, zoals door de officier van justitie is geëist, is in dit geval niet mogelijk, omdat niet is gebleken van omstandigheden die maken dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De officier van justitie heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen schranklader verbeurd wordt verklaard.

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de beslissing die moet worden genomen over de inbeslaggenomen schranklader.

De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde schranklader vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, aangezien de bewezenverklaarde feiten met betrekking tot dit voorwerp zijn begaan en het (door het ontbreken van de beveiligingen) van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor onder de strafbaarstelling genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 36b, 36c, 51, 57, 63 en 91 Sr en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en primair onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en primair onder 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon;

feit 2

het misdrijf: aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, gepleegd door een rechtspersoon;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en primair onder 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 100.000,00 (honderdduizend euro);

- bepaalt dat van deze geldboete een gedeelte van € 30.000,00 (dertigduizend euro) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten de schranklader.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. H. Manuel en mr. J. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2021.

Buiten staat

Mr. Ten Boer en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed/ambtsbelofte en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt. Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het doorgenummerde proces-verbaal van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid met nummer 1807644, gesloten op 7 juni 2019.

2 De uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 25 mei 2018, betreffende [verdachte] , p. 137-138, [holding 1] , p. 139-140, [holding 2] , p. 141-142, en [holding 3] , p. 143-144.

3 Proces-verbaal van verhoor [bestuurder 1] van 12 maart 2018, V-01-01, p. 25, en bevestiging van uitzending van [uitzendbureau] , DOC-11-01, p. 299.

4 Bevestiging van uitzending van [uitzendbureau] , DOC-11-01, p. 299.

5 Proces-verbaal van verhoor [naam 1] van 13 december 2018, G-07-01, p. 81.

6 Proces-verbaal van verhoor [naam 1] van 27 februari 2019, G-07-02, p. 88.

7 Personeelshandboek [verdachte] , DOC-02-01, p. 165.

8 Proces-verbaal van verhoor [naam 1] van 27 februari 2019, G-07-02, p. 88.

9 Proces-verbaal van verhoor [bestuurder 2] van 12 maart 2018, V-02-01, p. 38.

10 Proces-verbaal van verhoor [bestuurder 1] van 12 maart 2018, V-01-01, p. 27, 30.

11 Risico-inventarisatie en -evaluatie [verdachte] d.d. oktober 2016, DOC-03-01, p. 173-174.

12 Proces-verbaal van verhoor [bestuurder 1] van 12 maart 2018, V-01-01, p. 26, 28, 31.

13 Proces-verbaal van verhoor [bestuurder 1] van 12 maart 2018, V-01-01, p. 29, en proces-verbaal van verhoor [bestuurder 2] van 12 maart 2018, V-02-01, p. 36, 38.

14 Proces-verbaal van verhoor [bestuurder 1] van 12 maart 2018, V-01-01, p. 29-30, en proces-verbaal van bevindingen van 9 oktober 2018, AMB-02-04, p. 108.

15 Proces-verbaal van bevindingen van 27 mei 2018, AMB-01-02, p. 93.

16 Operator’s Handbook van de schranklader, DOC-08-02, p. 272.

17 Proces-verbaal van verhoor [bestuurder 1] van 12 maart 2018, V-01-01, p. 25, en bevestiging van uitzending door uitzendbureau [uitzendbureau] , p. 299.

18 Proces-verbaal van verhoor [bestuurder 1] van 12 maart 2018, V-01-01, p. 30, 31.

19 Proces-verbaal van verhoor [bestuurder 2] van 12 maart 2018, V-02-01, p. 37-38.

20 Proces-verbaal van verhoor [bestuurder 1] van 12 maart 2018, V-01-01, p. 25, 27.

21 Proces-verbaal van verhoor [naam 1] van 13 december 2018, G-07-01, p. 81, 83.

22 Proces-verbaal van verhoor [naam 1] van 13 december 2018, G-07-01, p. 81.

23 Proces-verbaal van verhoor [bestuurder 1] van 12 maart 2018, V-01-01, p. 27.

24 Proces-verbaal van verhoor [naam 3] van 19 mei 2018, G-01-02, p. 45-46, en proces-verbaal van verhoor [naam 4] van 30 mei 2018, G-04-01, p. 60.

25 Proces-verbaal van verhoor [naam 3] van 7 juni 2018, G-01-01, p. 42, en proces-verbaal van verhoor [naam 2] van 30 mei 2018, G-02-01, p. 53.

26 Proces-verbaal van verhoor [naam 3] van 7 juni 2018, G-01-01, p. 42.

27 Proces-verbaal van verhoor [naam 2] van 30 mei 2018, G-02-01, p. 53.

28 Proces-verbaal van verhoor [naam 3] van 7 juni 2018, G-01-01, p. 42.

29 Proces-verbaal van verhoor [naam 2] van 30 mei 2018, G-02-01, p. 53.

30 Proces-verbaal van verhoor [naam 2] van 30 mei 2018, G-02-01, p. 53, en proces-verbaal van verhoor [naam 5] van 18 mei 2018, p. 72 en 74.

31 Proces-verbaal van verhoor [naam 3] van 19 mei 2018, G-01-02, p. 47, en proces-verbaal van verhoor [naam 5] van 18 mei 2018, p. 75.

32 Proces-verbaal van verhoor [naam 3] van 19 mei 2018, G-01-02, p. 47-49.

33 Schouwverslag d.d. 18 mei 2018, DOC-11-03, p. 307-309.

34 Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse van 4 juni 2018, DOC-05-01, p. 216.

35 Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse van 4 juni 2018, DOC-05-01, p. 217-218.

36 Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse van 4 juni 2018, DOC-05-01, p. 218-219.

37 Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse van 4 juni 2018, DOC-05-01, p. 219.

38 Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse van 4 juni 2018, DOC-05-01, p. 219.

39 Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse van 4 juni 2018, DOC-05-01, p. 213.

40 Proces-verbaal van verhoor [naam 6] van 13 juni 2018, G-05-01, p. 64-65.

41 Proces-verbaal van verhoor [naam 6] van 13 juni 2018, G-05-01, p. 65, en keuringsformulier voor schrankladers, DOC-06-01, p. 242.